Vorige Index Volgende

Berachot

Hoofdstuk 8 - Misjna 7

מִי שֶׁאָכַל וְשָׁכַח וְלֹא בֵרַךְ, בֵּית שַׁמַּאי אוֹמְרִים, יַחֲזֹר לִמְקוֹמוֹ וִיבָרֵךְ. וּבֵית הִלֵּל אוֹמְרִים, יְבָרֵךְ בִּמְּקוֹם שֶׁנִּזְכַּר. עַד אֵימָתַי הוּא מְבָרֵךְ. עַד כְּדֵי שֶׁיִּתְעַכֵּל הַמָּזוֹן שֶׁבְּמֵעָיו:

 

Iemand die gegeten heeft en vergeten is het nagebed te zeggen, daarover zegt Beit Sjammai: hij moet terug­gaan naar zijn plaats en de naberacha zeggen, en Beit Hilleel zegt: hij zegt de naberacha op de plaats waar hij het zich herinnert [1]. Tot hoelang [na de maaltijd] mag hij nog de naberacha zeggen? Totdat het eten in zijn ingewanden verteerd is [2].


Aantekeningen

[1] De Halacha is volgens Beit Sjammai.

[2] Totdat het eten in zijn ingewanden verteerd is: Zolang hij na een maaltijd nog geen honger krijgt, is dat een teken dat zijn eten nog niet verteerd is. En Beit Hilleel bedoelt, dat hij alleen niet [naar de plaats waar hij gege­ten heeft] terug  hoeft, wanneer hij het vergeten is [om de naberacha te zeggen]. Maar wanneer het met opzet was, dan is iedereen het erover eens dat hij naar zijn plaats terug moet om de naberacha te zeggen.(RAV)


Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder