Berachot Hoofdstuk 9 - Misjna 1 הָרוֹאֶה מָקוֹם שֶׁנַּעֲשׂוּ בוֹ נִסִּים לְיִשְׂרָאֵל, אוֹמֵר בָּרוּךְ שֶׁעָשָׂה נִסִּים לַאֲבוֹתֵינוּ בַּמָּקוֹם הַזֶּה. מָקוֹם שֶׁנֶּעֶקְרָה מִמֶּנּוּ עֲבוֹדָה זָרָה, אוֹמֵר בָּרוּךְ שֶׁעָקַר עֲבוֹדָה זָרָה מֵאַרְצֵנוּ.
Wie een plaats ziet waar wonderen gedaan [1] werden voor Israël, die zegt: „Gezegend....[2] Die wonderen verricht heeft voor onze voorvaderen”. Bij een plaats waar afgoderij werd uitgeroeid, zegt men: „Gezegend Die afgoderij heeft uitgeroeid.” Aantekeningen [1] Wie een plaats ziet waar wonderen gedaan werden: Bijvoorbeeld de plaats waar men de Rietzee is overgestoken [bij de Uittocht van Egypte], of het dal van de Arnon [waar de Amorieten de Joden in een hinderlaag opwachtten, maar Hasjem veroorzaakte een aardbeving en sloot de aanvallers op in de grotten waarin zij zich verscholen hadden (zie Numeri 21:15 en Rasji t.p.)], of de oversteekplaats van de Jordaan [die Hasjem voor de Israëlieten splitse om hen door te laten en het land Israël binnen te laten gaan (zie Jehosjoe’a 3:17)]. Of de steen waar Mosjé, vrede zij met hem, op zat, toen zij oorlog voerden met Amalek, en dergelijke. En alleen met openbare wonderen, zoals wij genoemd hebben [en die voor heel Israël of voor heel de wereld gedaan werden], is iedereen verplicht de beracha te zeggen. Maar [op plaatsen waar een wonder gebeurde] voor een individu, bijvoorbeeld als iemand een plaats ziet waar voor hemzelf een wonder gebeurde, dan moet hij zeggen: „Gezegend Die voor mij op deze plaats een wonder gedaan heeft.” En zijn zoon en zijn kleinzoon moeten zeggen: „Gezegend Die een wonder verricht heeft voor onze voorvader op deze plaats” (RAV). [2] En al deze berachot van onze Misjna, vereisen het noemen van de Naam en het Koninkrijk [dat wil zeggen, zij beginnen met Baroech Atta Hasjem Elokeinoe Melech ha’olam [Gezegend bent U, Eeuwige onze G-d, Koning van de wereld], want iedere beracha waarin de Naam van Hasjem en het Koninkrijk niet genoemd wordt, is geen beracha (RAV).
Copyright © 2004 by |