Berachot Hoofdstuk 1 - Misjna 1 מֵאֵימָתַי קוֹרִין אֶת שְׁמַע בְּעַרְבִית. מִשָּׁעָה שֶׁהַכֹּהֲנִים נִכְנָסִים לֶאֱכֹל בִּתְרוּמָתָן, עַד סוֹף הָאַשְׁמוּרָה הָרִאשׁוֹנָה, דִּבְרֵי רַבִּי אֱלִיעֶזֶר. וַחֲכָמִים אוֹמְרִים, עַד חֲצוֹת. רַבָּן גַּמְלִיאֵל אוֹמֵר, עַד שֶׁיַּעֲלֶה עַמּוּד הַשַּׁחַר. מַעֲשֶֹה שֶׁבָּאוּ בָנָיו מִבֵּית הַמִּשְׁתֶּה, אָמְרוּ לוֹ, לֹא קָרִינוּ אֶת שְׁמַע. אָמַר לָהֶם, אִם לֹא עָלָה עַמּוּד הַשַּׁחַר, חַיָּבִין אַתֶּם לִקְרוֹת. וְלֹא זוֹ בִּלְבַד, אֶלָּא כָּל מַה שֶּׁאָמְרוּ חֲכָמִים עַד חֲצוֹת, מִצְוָתָן עַד שֶׁיַּעֲלֶה עַמּוּד הַשָּׁחַר. הֶקְטֵר חֲלָבִים וְאֵבָרִים, מִצְוָתָן עַד שֶׁיַּעֲלֶה עַמּוּד הַשָּׁחַר. וְכָל הַנֶּאֱכָלִין לְיוֹם אֶחָד, מִצְוָתָן עַד שֶׁיַּעֲלֶה עַמּוּד הַשַּׁחַר. אִם כֵּן, לָמָּה אָמְרוּ חֲכָמִים עַד חֲצוֹת, כְּדֵי לְהַרְחִיק אֶת הָאָדָם מִן הָעֲבֵירָה:
Misjna 1. Vanaf hoe laat mag men ’s avonds het Sjema zeggen? [1] Vanaf het tijdstip, waarop de priesters [die onrein zijn, de stad] binnenkomen om van hun troema [2] te eten, tot het einde van de eerste nachtwacht [3]. Dit zijn de woorden van Rabbi Eliëzer. Maar de [andere] geleerden zeggen: tot middernacht. Rabban Gamliël zegt: [Het mag] tot het eerste ochtendgloren [4]. Het gebeurde eens dat de zonen [van Rabban Gamliël na middernacht thuis] kwamen van een feest [5]. Zij zeiden tegen hem: „Wij hebben het Sjema nog niet gezegd [mogen wij het nu nog zeggen?]” Hij zei tegen hen: „Als de zon nog niet op is ben je verplicht het te zeggen. En niet alleen hiervoor [6] [geldt deze verplichting], maar voor alle dingen waarvan onze geleerden zeiden [dat men ze verplicht is te doen] tot middernacht, daarvoor is de plicht [eigenlijk] tot het ochtendgloren. [Bijvoorbeeld:] Het verbranden van de vetstukken [7] en ledematen [8] [van offers op het altaar]. De plicht daarvan is tot het ochtendgloren [na de nacht, volgend op de dag van de offering]; en alle [offers] die gedurende één etmaal gegeten mogen worden [9], daarvoor loopt de plicht tot het ochtendgloren. [Nu zou men kunnen vragen:] Als dit zo is, waarom hebben onze geleerden dan gezegd ‘tot middernacht’[10] [in plaats van tot het ochtendgloren? Dat is] om de mensen van overtr [1]. Vanaf hoe laat leest men: Vanaf het tijdstip, dat de priesters de stad binnen komen om van hun troema te eten. Priesters, die tamee – onrein – geworden zijn en hun bad genomen hebben, mogen toch niet van troema eten, voordat de zon ondergegaan is; dat is het zichtbaar worden van de sterren. En dat er niet in de misjna staat „vanaf het tijdstip van het opkomen der sterren” dat is, omdat hij – de tana – ons terloops nog iets wil meedelen; n.l. dat, wanneer priesters tamee geworden zijn met zó een toema, dat hun tahor-wording afhankelijk is van een offer, b.v. een vloeiende of een melaatse, dit zoenoffer niet noodzakelijk voor hen is, om van troema te mogen eten, want er staat (Wajjikra 22:7): „en als de zon ondergaat, zal hij tahor zijn, en daarna mag hij van de heilige spijzen eten”, dus: het ondergaan van de zon is wel noodzakelijk voor het eten van troema, maar zijn verzoening is niet noodzakelijk voor het eten van troema (RAV). [2]. Troema: Een gedeelte van de oogst van het land Israël, dat als een soort belasting, heffing op agrarische producten, aan een priester gegeven moet worden, en die alleen door de priesters en hun naaste familie en bedienden mag worden gegeten en alleen wanneer zij rein zijn. Wanneer de priester onrein is geworden, moet hij zich eerst reinigen in een mikwe [een ritueel bad] en wachten tot de avond, d.w.z. totdat de sterren uitkomen, alvorens hij van de troema mag eten. [3]. Tot het einde van de eerste nachtwacht: d.i. het eerste derde deel van de nacht – want de nacht wordt verdeeld in 3 wachten – en daarna kan het niet meer „de tijd van het avond-Sjema” genoemd worden en is oewesjochbecha – als je ligt] er niet meer op van toepassing. En het te voorschijn komen der sterren is ook niet de juiste tijd van het avond Sjema” en we passen er niet meer op toe het oewesjochbecha. En voor het te voorschijn komen van de sterren is het ook nog niet de juiste tijd, want het is nog dag, en het is nog niet de juiste tijd van het „zich neerleggen”. En zij, die het avond-Sjema vroeger lezen, steunen op de uitspraak van Rabbi Jehoeda, die verder in het 4e hoofdstuk zegt: „het middaggebed is tot de tweede helft van de „tijd van het middaggebed”, d.i. 1¼ uur vóór nacht; en wij nemen aan dat „wie als Rabbi Jehoeda doet, doet goed”. En dadelijk als de mincha-tijd afgelopen is, begint de tijd van het avond-Sjema. (RAV) [4]. Tot het eerste ochtendgloren: Want de gehele nacht heet „tijd van het liggen”. En de beslissing is volgens de mening van Rabban Gamliël, want ook de andere geleerden stemmen met hem in en zeggen nl. „tot middernacht” alleen maar om de mensen van overtreding tegen te houden. Echter zodra de tijd van het lezen van het avond-Sjema aangebroken is, d.i. vanaf het zichtbaar worden van de sterren, mag men geen maaltijd gaan houden en dus zeker niet gaan slapen, voordat men het Sjema en Sjemoné Esré gezegd heeft. (RAV) [5]. Het gebeurde eens, dat zijn zonen van een feest kwamen: De zonen van Rabban Gamliël hadden gehoord, dat de geleerden zeggen ‘tot middernacht’. En nu vragen zij hem [Rabban Gamliël]: De reden dat de geleerden met u in strijd zijn, is dat uitsluitend omdat zij bedoelen tot middernacht en later niet, en als er een meningsverschil is tussen één geleerde en meer geleerden, is de beslissing volgens de meerderheid, of is de mening der geleerden wellicht eigenlijk in overeenstemming met de uwe, en zeggen zij ‘tot middernacht’ om de mens van de overtreding terug te houden? En daarop zei hij [Rabban Gamliël] tot hen (zijn zonen): [Eigenlijk] zijn de geleerden het met mij eens; en de reden dat zij zeggen ‘tot middernacht’, is om de mens terug te houden van de overtreding. En daarom zijn jullie nog verplicht het Sjema te lezen. (RAV) [6]. En niet alleen hiervoor: Dit alles zegt nog Rabban Gamliël tegen zijn zonen. (RAV) [7]. Het verbranden der vetstukken: van de offers. (RAV) [8]. En de ledematen: Van het dagelijks namiddag-brandoffer, waarvan het bloed overdag [op het altaar] gespat werd, daarvan moesten de stukken de gehele nacht [op het altaar] blijven liggen, want er staat geschreven (Wajjikra 6:2): „Dit is, wat de gehele nacht tot de morgen op de brandstapel van het altaar mag blijven liggen.” (RAV) [9]. En alle offers, die één dag gegeten mogen worden: Zoals het dankoffer, schuldoffer en zondoffer en dergelijke, die één dag en één nacht gegeten mogen worden, daarvoor geldt dat de tijd, dat ze gegeten mogen worden, tot het eerste ochtendgloren is; en daardoor komen zij in [een toestand van] noteer – overschot – (RAV). [D.w.z. na het eerste ochtendgloren wordt alles wat over is noteer, en moet verbrand worden.] [10]. Als dit zo is waarom hebben dan de geleerden gezegd „tot middernacht”? D.w.z. dat het lezen van Sjema en het eten van offers [slechts tot middernacht is toegestaan]. Maar bij het verbranden der vetstukken en de ledematen hebben de geleerden in het geheel niet gezegd ‘tot middernacht’; en hij noemt dit hier alleen maar, om mee te delen, dat alles, waarvoor het gebod in de nacht van toepassing is, de gehele nacht verricht mag worden. (RAV)
Copyright © 2004 by |