Orthodox Jodendom - Artikelen en foto's

 

      Jodendom     

 


ARTIKELEN

De Basis van het Jodendom  

  

De absolute en Goddelijke waarde van de wetten  

 

Feminisme in het Jodendom  

  

Ze was traditioneel Joods  

  

Het volk van het boek  

  

Feest -en hoogtij dagen [chagiem]  

  

Pesach - De Sederavond  

  

Kasjroet  

  

Chassidisme  

  

Hoe het de Joden in Nederland verging  

  

Israel als Joodse staat - ישראל  

Als je jood/jodin wilt worden  

Rouwperiode in het Jodendom  

Waarom wij niet in Jezus geloven  

Joodse muziek - מוסיקה יהודית  

Afbeeldingen  

Links  

Documenten

 

     Hulpprogramma's

Terug naar Deel 1

Hoe goed verging het de joden in Nederland? (deel 2)

DIT DROEVIGE VERHAAL heeft nog een schrijnend slotakkoord. Tijdens de bevrijding bleek het antisemitisme bij de overheidsinstanties veel erger en botter te zijn dan men voor de oorlog gewend was. Bovendien stelde de regering zich eerst in Londen en later in het vaderland op het ogenschijnlijk redelijke standpunt dat er in het vervolg geen onderscheid zou worden gemaakt tussen joden en niet-joden. In werkelijkheid was dit een huichelachtige redenering die de joodse bevolking, van wie meer dan 75 procent was vermoord, in een zelfde positie bracht als de rest van de bevolking, van wie één procent door de Duitsers was omgebracht. Op verschillende gebieden heeft de naoorlogse regering geen rekening gehouden met het leed dat de joden is overkomen en dat was in wezen nog erger dan de houding tijdens de bezetting, toen het gevaarlijk was om te trachten joden te helpen. Ik beperk mij tot één aspect, het financiële, omdat daar duidelijke voorbeelden met cijfers kunnen worden gebracht.

In het kader van de schadevergoeding die Duitsland aan Nederland betaalde was een som van 124 miljoen mark opgenomen onder de naam 'smartegeld', uit te betalen aan Nederlandse oorlogsslachtoffers. Aan dit bedrag was de verplichting verbonden dat Nederlandse oorlogsslachtoffers geen schadevergoeding meer konden eisen voor aangedaan leed of schade. Het is zeer de vraag of de Nederlandse regering wel de bevoegdheid bezat particuliere personen het recht te ontnemen eisen in te dienen bij een vreemde mogendheid. Toch ging de regering deze verplichting aan zonder overleg met enige instantie, ook geen joodse, terwijl de joden de helft van alle eventuele schuldeisers zouden zijn. Daardoor hebben de Nederlandse joden vergeleken met joden uit andere landen een enorm verlies geleden. Wie door Duitsland als oorlogsslachtoffer werd erkend, kreeg zijn leven lang 500 mark per maand. Vermenigvuldigt men dit met de circa 5000 Nederlandse joodse overledenen uit de concentratiekampen, dan zou dit jaarlijks een bedrag opleveren van 30 miljoen mark. In feite ontvingen de Nederlandse joden ongeveer 65 miljoen van het smartegeld, een 'jodenfooi'.

Niet minder erg was een poging van de regering de overlevende joden op te lichten. Joden hadden al hun kapitaal moeten inleveren bij een bank die de misleidende want joodse naam Lipmann-Rosenthal droeg. Er waren bij die bank op het einde van de oorlog grote bedragen of vorderingen achtergebleven. Begin 1950 deden de beheerders van de bank - lees: de Nederlandse regering - de joodse rekeninghouders het aanbod dat zij zeventig procent van hun ingeleverd kapitaal uitbetaald konden krijgen. Wie dat niet accepteerde maakte zich, zo luidde het aanbod, 'blij met een dode mus' en werd onderaan de lijst van de te behandelen claims gezet. Hiertegen kwamen vijf professoren in het recht, onder wie Meijers en Cleveringa, in verzet en het regeringsaanbod werd geannuleerd door de rechtbank. Tenslotte bleek Lipmann-Rosenthal over voldoende geld te beschikken om de rekeninghouders negentig procent uit te betalen. Had de regering haar zin gekregen dan zou zij in de positie gekomen zijn van helers die van de beroofde joden twintig procent inden als hun provisie op de Duitse diefstal.

En dan een geval dat mijzelf betreft. Toen wij in september 1942 ons kind aan zijn onderduikmoeder overdroegen, gaven wij haar tweeduizend gulden. Na onze behouden terugkomst gaf zij ons het volledige bedrag terug. Zij had intussen mijn bankbiljetten omgeruild voor twee briefjes van duizend gulden. Deze waren echter in 1943 ongeldig verklaard. Men kon wel een verzoek indienen om uitbetaling van deze bankbiljetten indien men bewees ze op eerlijke wijze te hebben verkregen, dat wil zeggen niet als oorlogswinst. Tijdens de geldzuivering in 1945 heb ik zo'n verzoek ingediend en de onderduikmoeder was bereid hierover getuigenis af te leggen. Er volgde een briefwisseling waarin ik uitlegde dat ik in Westerbork en Bergen-Belsen niet de mogelijkheid had winst te maken op de zwarte markt; de reactie was afwijzend, zonder motivering, en zo gleden mijn tweeduizend gulden in de Nederlandse schatkist.

 

DE NEDERLANDSE JODEN koesterden in overgrote meerderheid de illusie dat de Nederlandse bevolking, en dus ook de Nederlandse overheid, zich met kracht zou verzetten indien harde maatregelen tegen de joden zouden worden genomen. Die illusie werd nog versterkt door protestuitingen in het begin van de bezetting. De Februaristaking bijvoorbeeld heeft meer schade aangericht dan nut gehad, omdat de demonstratie van sympathie met de joden niet werd gevolgd door enige actie; integendeel, het duurde niet lang of de stakers zelf, zoals de trambestuurders, zouden zonder morren hun medewerking verlenen aan de deportatie. Van de beide voorzitters van de Joodsche Raad weten wij dat zij tegenover Jacob Edelstein, leider van de Tsjechische joden, in maart 1941 door de SD naar Nederland gehaald om de Joodsche Raad voor te lichten omtrent de samenwerking met de Duitse overheid, verklaarden dat in Nederland niet kon gebeuren wat in Tsjechoslowakije had plaatsgevonden en dat zij zich daarbij beriepen op de Februaristaking. Zij hadden daarvoor nog een aanwijzing. Mr. K.J. Frederiks, commissaris-generaal van Binnenlandse Zaken en tijdelijk voorzitter van het college van secretarissen-generaal, had op 1 november 1941 een gesprek met Rauter. Mr. L.E. Visser schrijft over dit gesprek: 'Rauter vroeg Frederiks wat deze zou doen als hij, Rauter, de Nederlandse joden naar Polen zou deporteren. Frederiks antwoordde dat hij daartegen ten scherptste zou protesteren, dat hij en zijn ambtgenoten geen moment hun functies zouden blijven waarnemen, als zoiets gebeurde, en dat het grootste deel van het ambtenarencorps hem zou volgen. (...) Of Frederiks dit ook zou doen, was de volgende vraag, als hij, Rauter, de Duitse joden zou deporteren. Neen, dat zijn uw onderdanen, die na de bezetting onder uw gezag staan, zodat hij als Nederlands ambtenaar er niets aan zou kunnen doen.' Frederiks' antwoord met betrekking tot de Duitse joden is volkomen irrelevant, want toen juli 1942 de deportaties van Nederlandse en Duitse joden begonnen trad hij noch een van zijn collega's af. Erger nog: de burgemeesters die ondergeschikt waren aan Frederiks, kregen van hem geen instructie om hun medewerking te weigeren.

Een goed vergelijkingspunt biedt Frankrijk. De Vichy-regering verleenden medewerking aan de deportatie van joden die geen Franse nationaliteit bezaten. Later eisten de Duitsers dat ook joden met Franse nationaliteit gedeporteerd zouden worden en dat daarvoor een wet moest worden aangenomen dat joden die vanaf 1927 Fransen waren geworden, hun nationaliteit zouden verliezen. Premier Laval verzette zich en de wet kwam er niet door. Hier blijkt het verschil tussen de ambtenaar Frederiks en de politicus Laval. Laval was geen vriend van de joden, maar hij voelde aan dat het tij verliep en daarom veroorloofde hij zich de Duitsers tegen te werken. En het is tekenend voor de Nederlandse toestanden dat langs administratieve weg de meeste joden gered zijn door een Duitser, H.G. Calmeyer, die in twijfelgevallen moest besluiten of personen wel of niet joods waren.

Natuurlijk mogen we nooit vergeten dat de werkelijke moordenaars de Duitsers en Oostenrijkers waren die aan het hoofd stonden van het burgerlijk bestuur over Nederland. Maar dat pleit de hoogste gezagsorganen in Nederland niet vrij. Zij hebben geen van allen een serieuze poging ondernomen om de misdaden jegens de joden te voorkomen of te verzachten. Dat dit voortkwam uit een mentaliteit die de joden beschouwde als niet echt tot de Nederlandse natie behorend, bleek duidelijk uit de wijze waarop na de oorlog de joodse aangelegenheden behandeld, of juister: mishandeld werden door regering en ambtenaren.