(5)
Men geeft geen troema van lèket1,
noch van sjechicha2, pea3,
hefkeer3 of van maäser risjon
waarvan troema is
afge�nomen, noch van maäser sjeni of van heilige
dingen die gelost zijn of van wat verplicht is voor wat is
vrijgesteld, of van wat los is voor wat vast zit of van wat vast
zit voor wat los is, niet van het nieuwe voor het oude of van het
oude voor het nieuwe. Niet van
vruch�ten van het Land [Israël] voor vruchten uit het
buitenland en niet van vruchten uit het buitenland voor vruchten
uit het Land [Israël]. En als hij toch troema afgescheiden heeft,
dan geldt dat niet als troema.
Toelichting bij Misjna 1:5
1. Lèket � Dit zijn één of twee halmen die bij de oogst uit
handen van de raper gevallen zijn en die men niet weer mag oprapen
maar aan de armen moet geven.
2. Sjechicha � Dit zijn schoven op het veld die bij de
oogst vergeten zijn binnen te halen en die men niet mag ophalen,
maar voor de armen moet latgen staan.
3. Pea � Dit is het deel van de oogst dat op de hoek van
een veld staat en dat men niet mag binnenhalen maar voor de armen
moet laten staan.
Wie een hoop graan heeft van tevel [dat is product waarvan
geen troema is afgenomen en dat daarom verboden is voor
consumptie] kan daarvoor geen troema afscheiden van lèket,
sjechicha of pea dat hij nog bezit, want dat zijn
giften voor de armen en men kan tevel niet geschikt maken
voor consumptie met behulp van giften voor de armen (RAV).
3. Hefkeer � Product dat zonder eigenaar is en dat is
vrijgesteld van troema en maäser, zoals er staat
geschreven [in Devariem 14:29]: �En de Leviet, want hij heeft geen
deel of erfenis bij jou.� Dit sluit lèket, sjechicha
en pea uit, want daar heeft hij een aandeel in, want hij is
arm en dat sluit ook hefker uit, want daar komt hij ook
voor in aanmerking (RAV).