Berachot Hoofdstuk 5 - Misjna 4 הָעוֹבֵר לִפְנֵי הַתֵּבָה, לֹא יַעֲנֶה אַחַר הַכֹּהֲנִים אָמֵן, מִפְּנֵי הַטֵּרוּף. וְאִם אֵין שָׁם כֹּהֵן אֶלָּא הוּא, לֹא יִשָֹא אֶת כַּפָּיו. וְאִם הַבְטָחָתוֹ שֶׁהוּא נוֹשֵֹא אֶת כַּפָּיו וְחוֹזֵר לִתְפִלָּתוֹ, רַשַּׁאי:
Wie voor de Ark staat [1], zegt geen amein op wat de Kohaniem zeggen [2], om verwarring [te voorkomen] [3]. Wanneer er geen Kohen aanwezig is, buiten hem [4], heft hij niet zijn handen [5] op. Maar als hij zeker is [6] dat hij zijn handen kan opheffen, en daarna weer kan terugkeren tot zijn tefilla dan is het toegestaan. [1]. De chazan. [2]. Zegt geen amein op wat de Kohaniem zeggen [De misjna heeft het hier over de priesterzegen – de birkat kohaniem]: Dan moet hij geen amein zeggen na iedere beracha, zoals de gemeente zegt (RAV). [3]. Om verwarring [te voorkomen]: Opdat hij niet in de war raakt en zich daardoor zou vergissen, want de leider van de gemeente moet iedere beracha woord voor woord voorzeggen [aan de Kohaniem] en als hij daarna amein moet zeggen, kan hij zich niet concentreren en terugkeren tot zijn tefilla, om de volgende beracha te zeggen (RAV). [4]. Wanneer de chazan zelf een Kohen is. [5]. Heft hij zijn handen niet op [om de gemeente de priesterzegen te geven], om te voorkomen dat hij zich niet zal concentreren en niet kan terugkeren naar zijn tefilla – sim sjalom – omdat zijn gedachten nog verward zijn wegens vrees voor de gemeente (RAV). [6]. Maar als hij zeker is: D.w.z. dat hij niet in de war zal zijn uit vrees voor de gemeente [dan mag hij de birkat kohaniem zegggen] (RAV).
Copyright © 2004 by |