|
Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 277 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei
Brak
Daf 2a – Iedereen kan
verwisselen
De essentie van het
verbod op temoera (vervanging)
We beginnen nu
Traktaat Temoera te leren, dat, net als het vorige traktaat, zich
bezighoudt met hekdeesj. Arachien gaf toelichting op details van
de halachot van artikelen die gedoneerd werden aan de bedek baït
(algemeen onderhoud van de Tempel) en in ons mesechet zullen wij
leren over de halachot en regels betreffende kodosjiem voor het
altaar, offers en hun jongen, terwijl het hoofdonderwerp het verbod op
temoera is.
Temoera
betekent: verwisseling, vervanging. Als iemand een dier als offerdier
gewijd heeft, mag hij dat niet verwisselen voor een ander offerdier en
als hij dat toch doet, dan zegt Tora: „Men zal het niet verwisselen… en
indien men het toch mocht verruilen… dan zal het zelf en het daarvoor
verruilde heilig zijn” (Wajjikra
27:10). Zowel het eerst gewijde dier als het dier
dat men bedoelde ervoor te ruilen zijn hekdeesj. De ruil is
slechts gedeeltelijk geslaagd. Het eerste offerdier blijft heilig, maar
de heiligheid heeft zich uitgespreid tot het andere dier.
Twee aspecten van
temoera – Wat is het verbod?
Er bestaat een interessant en essentiëel probleem
betreffende het verbod op temoera, en daar handelen vele
soegiot in ons traktaat over. Wanneer wij ons realiseren dat
temoera uit twee handelingen bestaat – van het eerste offerdier
choelien maken en het vervangen door een ander dier – moeten wij
erachter komen wat de wortel is van het verbod: de poging om het offer
choelien te maken of de overdracht van zijn heiligheid naar een
ander offerdier. Vele Acheroniem
(zie Sefer HaMafteach op Rambam,
Hilchot Temoera 1:1) bespreken deze
belangrijke kwestie, en het blijkt dat er vele bewijzen zijn voor beide
meningen.
Rabbi Jochanan zegt
(3a,b) dat het
verbod op temoera beschouwd moet worden als een negatieve mitswa
die een handeling bevat en daarom wordt de overtreder gegeseld (malkot).
Met andere woorden, wie een overtreding begaat maar daarbij geen
handeling verricht – bijv. wie chameets in zijn bezit heeft op
Pesach – krijgt geen zweepslagen. Rabbi Jochanan beweert dat temoera
een lav sjejeesj bo ma’asé is – een negatieve mitswa die
een handeling inhoudt – en dus krijgt de overtreder klappen, want er
gebeurt iets: het dier dat de plaats van het oorspronkelijke dier moest
innemen wordt heilig en wordt een offerdier. We zien dus dat het verbod
rust op de conversie van het tweede dier tot hekdeesj met de
vervanging als doel.
Aan de andere kant zegt de
Gemara (4b)
dat de overgang van het tweede dier tot hekdeesj een positieve
mitswa is die de zonde van de verwisseling „repareert” en dat men dus om
een andere reden gestraft wordt. Hieruit blijkt dat het verbod rust op
de poging om de heiligheid van het eerste offerdier af te nemen en er
choelien van te maken, en dat de heiliging van het vervangende dier
geen onderdeel van de overtreding is.
De
Acharoniem worstelen ook met de woorden van Ramam en sommigen
bewijzen daaruit dat hij van mening is dat het verbod rust op de poging
om het offerdier voor choelien te gebruiken. Rambam beslist
(Hilchot
Temoera 1:1)
overeenkomstig wat verderop in onze Gemara staat
(13a),
dat wie een openbaar offer verwisselt, niets gedaan heeft: niet alleen
werd het offerdier geen choelien, zoals bij alle temoerot,
maar dat ook het dier dat als vervanging bedoeld was, niet geheiligd
wordt. Logica zou dicteren dat als het verbod op temoera de
overgang inhoudt van de heiligheid naar het wereldse dier, om het
offerdier te vervangen, de persoon die de temoera uitvoert geen
geseling verdient daar hij geen heiligheid overdroeg naar een werelds
dier. Maar Rambam beslist dat hij gestraft wordt met geseling! |
Uit:
The Weekly Dafootnotes
door
Rabbi Mendel Weinbach, Ohr Somayach
Daf
2a
Onproductieve verwisseling
Als iemand
een dier gewijd heeft om te worden geofferd, dan mag hij het niet
verwisselen voor een ander dier,
zelfs niet als het tweede dier superieur is aan het eerste.
Als hij dat toch probeert, wordt hij gestraft met geseling en
bovendien worden beide dieren heilig verklaard en moeten geofferd
worden.
Rambam
legt uit dat de Tora iedere poging, om een offerdier om te ruilen,
vernietigde omdat Hasjem de mens ervan verdenkt dat hij geld wil
uitsparen door het gewijde dier te ruilen voor een dier van mindere
kwaliteit, en intussen redeneert hij dat het tweede dier eigenlijk
superieur is.…
De
Sefer HaChinoech ziet in deze wet nog een voorbeeld hoe Hasjem bij
ons respect wil inprenten voor het Heiligdom en voor alles wat
daarmee heeft te maken. De heiligheid van het gewijde dier is
onschendbaar en iedere poging daar mee te knoeien heeft averechts
gevolgen, omdat de heiligheid
zich uitspreidt tot het dier dat als
vervanging bedoeld werd.
Daf 3b – Het noemen van de
Naam
Leven na het noemen van
Hasjems Naam
Op een
dag bracht de Ba’al HaTanja zts”l een bezoek aan de tsaddiek
Reb Leib en nam diens geschriften nauwkeurig door. Na enige tijd vond
men hem, achteruit leunend in zijn stoel in diepe devotie verzonken,
met in zijn hand de de cryptische uitspraak: „Want niet bij brood
alleen zal een mens leven…” Dat alleen kan men opvatten als: een mens
kan ook leven zonder brood. „Maar bij het woord van Hasjem zal een
mens leven…”? Dus na het noemen van Hasjems naam kan men nog steeds
blijven leven? Dat was onbegrijpelijk.
|
|
Daf 3b – Het
nodeloos uitspreken van de Naam.
Baroech sjeem kewod malechoeto le’olam wa’edI
– Wanneer en waarom
In dit artikel zullen wij
vertrouwd raken met de meningen van de Risjoniem betreffende het
verbod om een beracha zonder noodzaak te zeggen en het zeggen
Baroech sjeem kewod malechoeto le’olam wa’ed nadat men Hasjems naam
nodeloos heeft uitgesproken.
Moet men Baroech
sjeem zeggen nadat men de naam van Hasjem noddeloos heeft
uitgesproken? De
Jeroesjalmi (Berachot 6:1),
de Risjoniem (Tosafot,
Berachot 39a, beg.w. Bezar) en de halacha
(Sjoelchan Aroech O.Ch. 25:5
en 206:6) beweren dat iemand die een beracha
zonder noodzaak uitspreekt, onmiddellijk daarna moet zeggen: Baroech
sjeem kewod malechoeto le’olam wa’ed. Deze Jeroesjalmi en de
Risjoniem die dat volgen hebben het over iemand die nodeloos een
beracha heeft gezegd en daarbij de naam van Hasjem heeft genoemd. En
hoe zit dat met iemand die zich vergist heeft en die enkel één van de
namen van Hasjem zonder reden gezegd heeft, zonder beracha?
Rambam schrijft (Hilchot
sjewoe’ot 12:11) inderdaad dat men dan
onmiddellijk Hasjem moet prijzen „zodat [de Naam] niet voor niets
genoemd is” (zie Kesef Misjnee
die de Jeroesjalmi als bron noemt). De Toer
en de Sjoelchan Aroech daarentegen negeren dit geval volkomen en
zeggen niet dat men in zo’n geval Hasjem moet prijzen. Wij hebben dus
een basis voor een discussiepunt of de Toer het niet eens is met
Rambam en van mening is dat wie Hasjems naam nodeloos uitspreekt geen
Baroech sjeem moet zeggen.
HaGaon Rabbi Jitschak Ariëli
zts”l verklaart de zaak zeer mooi
(Einaïm Lamisjpat,
Berachot 39a) waarbij hij een
principiëel meningsverschil bespreekt tussen de Risjoniem over de
bron van het verbod om een beracha nodeloos uit te spreken en de
reden waarom men Baroech sjeem moet zeggen als men een beracha
nodeloos gezegd heeft. Laten wij zijn verklaring stap voor stap volgen.
Een meningsverschil
over de bron van het verbod op een nodeloze beracha:
Wij raakten zes jaar geleden bekend met het verbod op een nodeloze
beracha toen wij Berachot (33a)
leerden. Er bestaat echter een groot meningsveschil tussen de
Risjoniem over de vraag of de ernst van het verbod geldt voor het
noemen van de naam van Hasjem zonder reden en of het een verbod van Tora
is – zoals Rambam beweert – of dat er geen verbod hierop is van Tora
omdat wie een beracha zegt, de naam van Hasjem prijzend
uitspreekt. D.w.z. iemand die zegt Baroech Ata… sjehakol nihejè
bidevaro terwijl hij noch eet noch drinkt, heeft die de naam van
Hasjem ijdel uitgesproken? Ten slotte heeft hij Hasjem geprezen dat
alles ontstaat bij Diens woord. Maar toch rust er een verbod op van de
chachamiem omdat men de beracha niet volgens hun
instructies heeft uitgesproken. Want ziji hebben vastgesteld wanneer men
die beracha moet zeggen. Tosafot beweert dat
(zie Rambams Responsa 105 en de
Magia en Mageen Awraham 215:6 en er is een Machatsiet
HaSjekel en Elia Raba en Misjna Beroera 20 en Tosafot
Rosj Hasjana 33a en Sdei Chemed, kelaïm ma’arechet beit klal
115).
De reden dat men
Baroech sjeem zegt na een nodeloze beracha:
Wanneer wij willen nagaan wat volgens
de Risjoniem de reden is dat we Baroech sjeem zeggen na
een nodeloze beracha, dan vinden wij in Rambam en de Toer
twee verschillende redenen. Rambam zegt
(Hilchot Berachot 4:10)
dat men Baroech sjeem moet zeggen na een nodeloze beracha
„zodat de naam van Hasjem niet nodeloos is uitgesproken”, terwijl
de Toer (O.Ch.206)
schrijft dat men Baroech sjeem moet zeggen „omdat men
Hasjems naam nodeloos heeft uitgesproken.” Het blijkt uit Rambam dat het
zeggen van Baroech sjeem voorkomt dat Hasjems naam nodeloos wordt
uitgesproken omdat men onmiddellijk Hasjem prijst en, zoals Rambam
zegt (Hilchot Sjewoe’ot,
ibid): „men moet zich haasten en onmiddellijk Hem
prijzen en verheerlijken zodat het niet nodeloos gezegd wordt.”
Daatentegen dient het zeggen van Baroech sjeem volgens de Toer
alleen om verzoening te verkrijgen voor het nodeloos noemen van Hasjems
naam, want „omdat hij Hasjems naam nodeloos heeft uitgesproken moet hij
het juk van het Koninkrijk van de Hemel op zich accepteren”
(zie Aroch HaSjoelchan, O.Ch.
206:16).
Onvoldoende verzoening:
Daarom kunnen wij begrijpen dat het volgens de Toer, volgens wie
het zeggen van Baroech sjeem als vezoening dient, alleen was
ingesteld nadat men een nodeloze beracha heeft gezegd, die,
volgens hem alleen verboden is op grond van een Rabbijns decreet maar
het is niet voldoende om verzoening te doen voor het nodeloos noemen van
Hasjems naam, hetgeen bij Tora verboden is. Daarentegen meent Rambam dat
men Baroech sjeem zegt om een overtreding te voorkomen. Zoals het
het verbod van het nodeloos zeggen van een beracha verwijdert
…hetgeen volgens hem een verbod van Tora is – zo ook verwijdert het het
verbod van het nodeloos noemen van Hasjems naam.
De tijd
tussen de nodeloze beracha en Baroech sjeem:
Een ander
halachisch gevolg komt voort uit de twee redenen volgens Rav Ariëli:
Hoeveel tijd mag er verlopen tussen het nodeloos noemen van Hasjems
naam en Baroech sjeem? Volgens Rambam, die meent dat het
voorkomt dat men de zojuist uitgesproken naam van Hasjem nodeloos gezegd
heeft, moet men zich kennelijk haasten om Hasjem te prijzen want alleen
dan wordt dit prijzen verbonden met Hasjems naam zodat die niet nodeloos
werd uitgesproken. Maar wanneer men het pas na enige tijd zegt, heeft
dat geen nut meer, en zo lijkt het inderdaad uit de woorden van Rambam
(zie Einaïm Lamisjmat, ibid). Dit is ook de mening van
Sjibolet HaLeket en Tanja, dat men Baroech sjeem
onmiddellijk (toch kedei diboer) moet zeggen nadat men Hasjems
naam nodeloos heeft uitgesproken. Het is echter logisch om aan te nemen
dat het zeggen van Baroech sjeem, dat volgens de Toer
dient om verzoening te verkrijgen, voldoende is om het te zeggen binnen
een redelijke tijd die niet al te ver van de beracha verwijderd
is, want de bedoeling ervan is alleen maar om boete te doen.
|