|
Daf 54b-55a
De
mitswa om je naaste te vermanen
De Tora
gebiedt ons: „Je zult je naaste terecht wijzen”
(Wajjikra 19:17).
De Rambam citeert deze mitswa en schrijft het volgende
(Hilchot De’ot 6:7):
„Wanneer iemand ziet dat zijn vriend gezondigd heeft of is afgedwaald op
het verkeerde pad, dan is het een mitswa om hem aan te sporen om terug
te keren en om hem mee te delen dat hij tegen zichzelf gezondigd heeft
ten gevolge van zijn verkeerde gedrag.” Om de mitswa te definiëren,
hebben de Poskiem gebruik gemaakt van onze soegia.
De
terechtwijzing van een zondaar, die niettemin zal doorgaan met zondigen:
Eén punt van discussie is de verplichting om een zondaar te vermanen,
die de terechtwijzing naar alle waarschijnlijkheid zal negeren. Onze
Gemara geeft kennelijk een duidelijk bewijs dat er niet zo’n
verplichting bestaat.
In Tenach
(Jechezkel 9:4)
lezen we dat vóór de verwoesting van het Beit Hamikdasj, Hasjem
aan de engel Gawriël
(Gabriël) de opdracht
gaf: „Ga door de stad, door Jeruzalem, en zet de letter tav op
het voorhoofd van ieder die kreunt en weent over de gruweldaden die
daar gebeurd zijn.” De Gemara legt uit dat Hasjem aan Gawriël opdracht
gaf om de voorhoofden van de tsaddikiem – de rechtvaardigen – te
merken met de Hebreeuwse letter tav, om hen te beschermen tegen
de verwoesting die op het punt stond gerealiseerd te worden. De Midat
Hadin – de Eigenschap van de Rechtspraak – protesteerde daartegen en
meende dat ook deze rechtvaardigen schuldig waren, omdat zij de
misdadigers niet vermaand hadden. Hasjem antwoordde: „Het is aan Mij
onthuld dat als zij hadden geprotesteerd, dat het genegeerd zou worden.”
We zien daaraan dat er geen verplichting is om te vermanen wanneer
duidelijk is dat dit te vergeefs is.
De
Eigenschap van de Rechtspraak betoogde echter verder en zei dat
weliswaar Hasjem wist dat de terechtwijzingen genegeerd zouden worden,
maar dat die rechtvaardigen dat niet wisten. Daarom hadden zij wel
degelijk de booswichten moeten vermanen. Wij zien hieraan dat zelfs de
Eigenschap van de Rechtspraak ermee instemde dat wanneer zij geweten
hadden dat hun terechtwijzing genegeerd zou worden, zij zouden zijn
vrijgesteld (Hagahot
Maimoniot op Rambam, ibid. ot 3, die verschillende Risjoniem
aanhaalt. Tosafot b.w. We-af al gav is het ook eens met deze
mening. Zie Bioer Halacha 608, b.w. Awal iem mefoerasj ba Tora).
Wanneer
vermanining een sjogeeg
(een onwetende zondaar)
verandert in een mezied
(een opzettelijke zondaar):
Rav Eliëzer van Mitz, de auteur van Sefer HaJereïem is het niet eens met
het bovenstaande. Hij houdt vol dat de verplichting tot vermanen blijft
bestaan, zelfs wanneer de vermaning zeker genegeerd wordt. En deze
mening is geaccepteerd in de halacha, en vindt toepassing in
omstandigheden waar de vermaning een sjogeeg verandert in een
mezied, waardoor de ernst van de ovetreding verzwaard wordt
(Rema O.Ch. 608:2).
Hoewel de Gemara incidenteel vemaningen die geen effect zullen hebben,
afraadt, onder de veronderstelling dat het beter is om te zondigen
besjogeeg (onwetend
te zijn dat men een overtreding begaat)
dan bemezied
(dan opzettelijk, willens en wetens een overtreding te begaan).
De Ba’al Ha’Ietoer legt uit dat dit alleen geldt voor verboden die
expliciet in Tora vermeld staan. In dat geval moet men zelfs vermanen
wanneer de overtreder de vermaning zal negeren. Dit is het standpunt dat
de Rema geaccepteerd heeft.
Daar dit de
geaccepteerde halacha is, hoe kunnen wij dat dan in overeenstemming
brengen met de ogenschijnlijke tegenstrijdige Gemara, waar staat dat
Hasjem de rechtvaardigen verdedigde, met de bewering dat de vermaning
niet zou hebben geholpen. Sommigen zeggen dat de rechtvaardigen wel
degelijk protesteerden tegen overtredingen die nadrukkelijk in Tora
genoemd worden. Het meningsverschil tussen Hasjem en de Grote Aanklager
betrof alleen die overtredingen, die niet expliciet in Tora vermeld
staan en dat daarom Hasjem zei dat de tsaddikiem geen verplichting
hadden om tegen dovemans oren te vermanen.
Anderen
verwerpen deze verklaring, en menen dat de rechtvaardigen niet verdienen
zwaarder gestraft te worden dan de booswichten, omdat zij niet vermaand
hebben tegen zonden die niet eens in Tora genoem worden.
De Beoer
Halacha legt uit dat het principe „Alle Joden zijn verantwoordelijk voor
elkaar (Sjawoe’ot 39), hetgeen in essentie meent dat we verantwoordelijk
gesteld worden voor de zonde van een ander, alleen geldt wanneer de
vermaning effectief is. Er bestaat inderdaad een verplichting om te
vermanen, zelfs als dat genegeerd wordt. Maar we zijn niet
verantwoordelijk voor zonden waartegen wij machteloos staan om ze tegen
te houden. Om deze reden beweerde Hasjem dat de rechtvaardigen, hoewel
zij fout waren, dat zij niet vermaand hadden, niet verantwoordelijk
gesteld konden worden en dus niet zo zwaar gestraft moesten worden voor
zonden die zij niet hadden kunnen voorkomen, omdat hun vermaning toch
niet geholpen had.
Vermaning
zodat anderen niet leren te zondigen:
Rav Sjlomo Kluger Zts”l
(TesjoewotTov Ta’am
Veda’at) leert van onze
Gemara nog een extra punt voor de mitswa van vermaning. De Misjna zegt
dat Rabbi Elazars koe een last in resjoet harabbiem (publiek
gebied) droeg, in overtreding van het gebod dat men zijn dier moet laten
rusten op Sjabbat. De gemara legt uit dat de koe in feite van zijn
buurvrouw was, maar de ontheiliging van de Sjabbat werd hem aangerekend,
omdat hij zijn buurvrouw niet vermaand had.
De reden dat
hij haar niet vermaand had is waarschijnlijk omdat hij het gevoel had
dat zijn terechtwijzing geweigerd zou worden. Daarom meende hij dat het
beter was dat de buurvrouw sjogeeg bleef, dan mezied werd.
Niettemin had hij haar toch moeten vermanen, want de ontheiliging van
Sjabbat was publiekelijk bekend. Hoewel zijn vermaning nadelig voor haar
was, zou het ten goede komen aan anderen. Zij zouden zijn vermaning
horen en zich onthouden om haar voorbeeld te volgen.
Daf 56a: Hij
zag herkenbare aanwijzingen in hem
דף
נו/א דברים הניכרים חזא
Het
geloven van lasjon hara wanneer er redenen zijn om te geloven dat
het de waarheid is
Het ernstige
verbod tegen het vertellen van of het luisteren naar lasjon hara
is algemeen bekend. Zelfs als men niet actief deelneemt in het vertellen
van of instemmen met het verhaal, maar alleen maar luistert naar
lasjon hara en gelooft dat het waar is, is al verboden. Men moet
alle moeite doen om te geloven dat het verhaal niet waar is. Echter, de
poskiem bewijzen met behulp van onze soegia dat er omstandigheden
zijn die het toestaan om lasjon hara te accepteren.
De Gemara
vertelt het verhaal van het gevecht van David Hamelech met zijn
opstandige zoon Avsjalom, die trachtte zijn vader te doden en de troon
in te nemen. Nadat Avsjalom verslagen was en David weer terugkeerde op
de troon, werd hem verteld door
Tsivia dat Mefibosjet de rebellie van Avsjalom gesteund had. David
geloofde Tsivia en strafte Mefibosjet overeenkomstig. De Amora
Sjmoeël legt uit dat David het verbod tegen het accepteren van lasjon
hara niet had overtreden, omdat hij redenen had om te geloven dat
Tsivia de waarheid sprak. Toen Mefibosjet David voor de eerste keer na
diens terugkeer begroette, toonde hij niet de nodige eerbied voor de
koning. Dit versterkte Tsivia’s bewering.
De Hagahot
Maimones (Hilchot De’ot
7:4) leert hier van een
belangrijke halacha: „Wanneer iemand dewariem nikariem ziet
(omstandigheden die de bewering steunen), dan mag hij de bewering
accepteren en geloven, zoals wij leren van David.” De Smag en de Jereïem
(verbod 10)
zijn het ermee eens en schrijven: „Wanneer iemand bij een ander
aanwijzingen ziet die een bewering tegen hem steunen, mag hij geloven
dat de bewering waar is.” |
Van de redactie |
|
Ga naar Wenen
Iemand kwam
eens naar het huis van de Chafeets Chaim zt”l met een bijzonder
verzoek. „Van jongs af aan hebben wij geleerd dat de booswichten hun
beloning in deze wereld krijgen en de rechtvaardigen krijgen hun
beloning in de Komende Wereld. Gezien de omstandigheden heb ik begrepen
dat ik een tsaddiek ben. Kunt u tot Hasjem bidden dat hij één mitswa van
mij afneemt, eentje maar, van alle mitswot die ik gedaan heb, om die te
verwisselen voor een leven in deze wereld, als of ik een slecht mens
ben, met slechts één mitswa.”
De Chafeets
Chaim had medelijden met hem en vertelde hem het volgende verhaal, om
hem te tonen hoe absurd zijn verzoek was.
Een koning
nam eens, heel alleen een bad in de rivier. Plotseling werd hij
gegerepen door een sterke stroom en dreigde hij te verdrinken, als er
niet juist een boeren dorpsbewoner langs was gekomen, die in de rivier
sprong en de koning naar de kant trok. Zonder te weten wie hij gered
had, nam de dorpeling de koning mee naar zijn huis, droogde hem,
verwarmde hem kleedde hem en zond hem vervolgens naar huis. Voordat de
koning vertrok haalde hij een notitieboekje te voorschijn en schreef
iets op een klein stukje papier, en gaf dat aan de boer, met de
mededeling dat hij daarmee naar de bank moest gaan.
De landman
ging naar de bank, waar hij nog nooit geweest was. De wacht weigerde hem
toe te laten, totdat hij zijn ganzen achter zich had gelaten, die hij
had meegenomen. Hij stond nu in de rij en bekeek zijn omgeving. Hij zag
hoe de mensen met hun hoofd knikten, een papier overhandigden, even
wachtten, een handtekening zetten en met nog een knik geld kregen.
Toen hij aan
de beurt was, haalde hij het verkreukelde stukje papier uit zijn zak,
knikte en legde het briefje op de balie, zoals hij het de man voor hem
had zien doen. Hij wachtte op de
inktpot om zijn duim in te dompelen voor de vingerafdruk, keek
neer op de bankbediende, die bewegingloos zat te kijken naar het
papiertje en zachtjes zat te knikken. „Dit is een cheque van de
koning,” zei hij,
„maar ik
kan u dit geld niet geven.”
„U
eerbiedigt de cheques van de koning niet?”
De directeur
van het bankkantoor kwam erbij en legde uit dat al het geld dat dit
bankkantoor in de kluis had, niet voldoende was om een tiende van het
bedrag op de cheque te dekken.
„Meneer, ga
naar Wenen, naar ons hoofdkantoor daar. De grote safe is in het kantoor
van de hoofddirecteur van de bank. Toon
hem uw cheque. Ga naar Wenen.”
De manager
hield op met praten en zij keken elkaar sprakeloos aan. De manager was
tot in de puntjes gekleed, met goudgerande brilleglazen, terwijl de
boer er haveloos uitzag, met zijn laarzen en slordige, besmeurde
kleren en een enorme pet. Maar het was voor hen beide duidelijk dat de
manager graag met de boer had willen ruilen, ondanks het feit dat de
boer op dat moment geen cent bezat en nauwelijks wist hoe hij in Wenen
moest komen. Maar zij wisten allebei de waarheid: Hij moest een beetje
geduld oefenen. Hij moest naar Wenen gaan.
De Midrasj
zegt dat wanneer iemand een mitswa doet, dan krijgt hij de beste
cheque, getekend door Eliahoe en de Masjiach en Hasjem betaalt hem uit.
(Wajjikra Rabba
34)!
De Chafeets
Chaim beëindigde zijn verhaal:
„Het hoeft zeker geen
extra verklaring dat de cheque van Eliahoe en de Masjiach niet in deze
wereld kunnen worden uitbetaald.” |
|
De Chafeets
Chaïm zt”l (7:10)
citeert deze regel in halacha en voegt daaraan toe dat het geaccepteerd
is door iedereen (zelfs
volgens Rav, die in onze soegia meent dat David het verbod op het
accepteren van lasjon hara overtrad).
Waar in Tora
vinden we een bron voor deze toegevendheid? De Zera Chaïm
(ibid)
verklaart dat het verbod op het accepteren van lasjon hara
geleerd wordt van de pasoek: „Accepteer geen valse getuigenis.” De
Risjoniem leggen uit dat in essentie het verbod tegen het accepteren van
lasjon hara betekent dat we geen ongegronde laster moeten
accepteren. Daar het zeer waarschijnlijk is dat de beschuldiging vals
is, gebiedt Tora ons het te verwerpen. Echter, wanneer de beschuldiging
gesteund wordt door duidelijke aanwijzingen, ook al is dat nog geen
sluitend bewijs van de beschuldiging, dan is er geen verbod om het te
accepteren (zie ook
ibid. 6:1).
De Chafeets
Chaïm (Beëer Majiem
Chaïm 26) benadrukt
echter wel dat wij niettemin uitermate voorzichtig moeten zijn om de
kennelijke aanwijzingen zevenvoudig te onderzoeken, om er zeker van te
zijn dat dit inderdaad dewariem nekariem zijn. De jetser hara
misleidt ons maar al te makkelijk en legt ons bewijsmateriaal voor
dat sluitend schijnt te zijn, ten einde ons in de val te laten lopen en
de lasjon hara te accepteren en hij vangt ons zo in het net van
de zonde. Daarom moet men niet te haastig zijn om op niet definitieve
aanwijzingen te vertrouwen.
De Chafeets
Chaïm voegt daaraan toe dat zelfs wanneer de dewariem nikariem
beslissend zijn en wanneer blijkt dat de beschuldiging onweerlegbaar
waar is, de mitswa om ten gunste te oordelen, nog steeds blijft bestaan.
Hoewel die persoon inderdaad verkeerd handelde, had hij misschien toch
goede bedoelingen. Wanneer die mogelijkheid bestaat, is het verboden om
te veronderstellen dat hij uit boze opzet gehandeld heeft.
Verder
permitteert de inschikkelijkheid van dewariem nikariem ons alleen
het verhaal te geloven. Het geeft ons geen toestemming het verhaal
verder te vertellen, net zo min als het is toegestaan om een vernederend
incident dat men zelf heeft waargenomen, verder te vertellen.
De Meïri
concludeert zijn commentaar op onze soegia met de volgende woorden: „Lasjon
hara is gebaseerd op
een verwerpelijke karaktertrek. Het kan alles wat kostbaar is en wat is
opgebouwd, vernietigen… Als David de lasjon hara niet geloofd
had, was zijn koninkrijk niet verdeeld geworden, Israël zou geen afgoden
gediend hebben en wij zouden nimmer verbannen zijn uit ons land.”
Daf 60a –
Een man mag niet
uitgaan
דף ס/א – לא
יצא האיש
Speciale
schoenen ter ere van Sjabbat
Onze
soegia vertelt over een Rabbijns decreet die het verbiedt om op
Sjabbat schoenen met spijkers eronder te dragen. De binnenzool van deze
schoenen waren aan de onderzool bevestigd met spijkers, waarvan de
punten aan de onderkant van de zool uitstaken. Het verbod was ingesteld
na aanleiding van een tragische gebeurtenis, die zich had voorgedaan in
de tijd van de Romeinse bezetting van Erets Jisraël, toen het
verboden was Tora te leren. Joden verzamelden zich clandestien in
grotten, om daar Tora te leren, uit vrees voor de vijand. Tijdens een
zo’n bijeenkomst vielen de Romeinse soldaten plotseling de grot aan, om
de Joden te doden. De Joden renden voor hun leven en in de paniek werden
velen onder de voet gelopen met deze spijkerzolen, waarbij meer mensen
gedood werden dan er door de Romeinen gedood werden. Daar dit op Sjabbat
plaatsvond, verboden de Geleerden dergelijke schoenen op Sjabbat te
dragen. Maar zij verboden het niet om ze door de week te dragen.
Naar
aanleiding van dit onderscheid geeft de Jeruzalemse Talmoed
(Sjabbat 6:2)
het volgende commentaar: „Het is niet de gewoonte van mensen om twee
paar schoenen te hebben, een voor werkdagen en een voor Sjabbat.” De
commentatoren verschillen van mening hoe men deze Jeroesjalmi moet
interpreteren. Gebaseerd op diverse interpretaties, komen zij tot
interessante halachische conclusies, met betrekking tot de mitswa van
het dragen van speciale schoenen lichwod Sjabbat, zoals we zullen
zien.
Laten wij
eerst de Poskiem citeren, die deze verplichting bediscussiëren, en
daarna zullen wij terugkeren naar de Jeroesjalmi.
Worden
schoenen als kleding beschouwd?
Deze discussie begint met vast te stellen of de Tora schoenen als „malboesjiem
– kleren” beschouwt. De Gemara
(113a)
zegt dat wij speciale kleren voor Sjabbat moeten dragen om Sjabbat te
eren: „Je kleren voor Sjabbat mogen niet dezelfde zijn als je kleren
voor de rest van de week.” Deze regel wordt in de halacha aangehaald
(Rambam HiIchot Sjabbat
30:3; Toer en Sjoelchan Aroech 262:2):
„Men moet moeite doen om speciale, mooiere kleren te verkrijgen voor
Sjabbat Kodesj.” Wanneer schoenen thuishoren in de rubriek ‘kleding’,
dan lijkt het erop dat zij zijn inbegrepen in deze mitswa.
„Wie mij
heeft voorzien van alles wat ik nodig heb”:
De Ben Iesj Chai (Rav
Poaliem IV, O.Ch. 13)
beslist dat schoenen geen kleren zijn. Als bewijs citeert hij de twee
speciale berachot die wij ’s ochtends zeggen: malboesj aroemiem –
Die de naakten kleedt, waarna wij zeggen sjè’asa li kol tsarchie
– Die mij heeft voorzien van alles wat ik nodig heb. Deze tweede beracha
slaat op schoenen. Hieraan zien wij dat malbiesj aroemiem geen
schoenen inhoudt, omdat schoenen geen kleding zijn. Daarom bestaat er
geen verplichting om speciale schoenen te dragen op Sjabbat.
Barrevoets is niet naakt:
Bepaalde poskiem (Jakar Erech 85b) verwerpen dit bewijs, en beweren, dat
ook al is een schoen een kledingstuk, het gemis aan schoenen iemand niet
„naakt” maakt, maar alleen maar barrevoets. En daarom omvat de beracha
malbiesj aroemiem niet ook schoenen en moet men de speciale
beracha, sjè’asa li kol tsarchie, zeggen voor schoenen, om Hasjem
ook daarvoor te bedanken.
Met dit in
gedachten, keren we terug naar de Jeroesjalmi. De Korban Eda
(commentaar op de Jeroesjalmie, ibid.) en de Ben Iesj Chai leggen de
Gemara heel eenvoudig uit. „Het is niet de gewoonte van mensen om twee
paar schoenen te hebben, een voor werkdagen en een voor Sjabbat.” De
Jeroesjalmi bedoelt te zeggen dat aangezien mensen in het algemeen
slechts één paar schoenen hebben, het verbod op schoenen met spijkers op
Sjabbat hen ook zal weerhouden om deze schoenen op werkdagen te dragen.
In ieder geval zien wij hieraan dat het niet nodig is om speciale
schoenen voor Sjabbat te kopen.
Andere
commentatoren (Pnei Mosjé op de Jeroesjalmi, ibid.) zetten een
vraagteken achter de verklaring van de Jeroesjalmi en lezen die zin als
een rethorische vraag: „Is het niet de gewoonte van de mensen om twee
paar schoenen te hebben, een voor werkdagen en een voor Sjabbat?” De
Jeroesjalmi bedoelt te vragen waarom de Geleerden dit verbod alleen voor
Sjabbat hebben ingesteld. Daar mensen in het algemeen een tweede paar
voor door de week hebben, hadden de Geleerden deze schoenen ook voor
werkdagen moeten verbieden. Volgens deze interpretatie was het dus wel
de gewoonte om speciale schoenen voor Sjabbat te dragen.
Rav Betzalel
Shafran zt”l haalt in zijn brief aan Rabbijn Jisraël van Bahush
zt”l een bewijs aan ter ondersteuning van de Korban Eda
uit een andere Gemara
(Ketoebot 64b), en
beslist daarom dat men geen speciale schoenen voor Sjabbat hoeft te
hebben (Tesjoewot Ravaz,
O.Ch. 12).
Deze
discussie heeft ook gevolgen voor hilchot tsedaka. Wanneer iemand
belooft een behoeftige te kleden, moet hij dan ook voor schoenen zorgen?
(Zie Sjewoet Ja’akov I,
24; Sja’ar Efraïem 124).
Een
speciale kipa voor het slapen op Sjabbat:
De Chia
(Chesed LeAwraham 3, genoemd in
de Kaf HaChaïm 262:25)
zegt dat het een vrome gewoonte is om al zijn kleren voor Sjabbat te
verwisselen, met inbegrip van schoenen, zelfs de kipa die wij
dragen als we slapen. Het is ook bekend dat de Gaon van Wilna al zijn
kleren verwisselde, van hoofd tot voet, ter ere van Sjabbat
(Ma’asè Rav 147). |
|