|
Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 317 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak
|
דף מז/ב והא קמבטל כלי
מהיכנו
Daf 47b: Hij
vernietigt de bruikbaarheid van het voorwerp
Het
vernietigen van de bruikbaarheid van een voorwerp
In onze
soegia treffen we rabbijnse verordening „mewateel
klie meheichano”
aan, dat kennelijk betekent: „het vernietigen van de bruikbaarheid van
een voorwerp.” Zoals we zullen zien zijn de parameters voor dit
decreet, de reden waarom het is ingevoerd en zelfs de juiste vertaling
ervan allen onderwerp van debat van de Risjoniem.
Simpel
gezegd komt het erop neer, dat onze Geleerden het verboden hebben om een
voorwerp moektse te maken, waardoor het verboden is om het te
verplaatsen. De Risjoniem suggereren drie redenen voor dit decreet.
Bouwen:
Rasji
(42b, b.w. klie)
legt uit dat door een situatie te creëren, waarin het verboden is het
voorwerp te verplaatsen, men het als het ware aan zijn plaats vast
bevestigt, alsof het eraan is vastgenageld. Daarom hebben onze Geleerden
dit opgenomen in de categorie van bonee – bouwen.
Afbreken:
Ergens anders geeft
Rasji (128b, 154b)
een andere verklaring. Als men een voorwerp onbeweegbaar maakt, is het
alsof men het heeft vernietigd, want het kan niet meer verplaatst of
gebruikt worden voor zijn oorspronkelijk doel. Onze Geleerden hebben dat
ingedeeld in de categorie van stira – het afbreken van een
constructie (zie Pnei
Jehosjoea op onze soegia, die de tegenstelling bij Rasji
opmerkt).
Een
praktisch verschil tussen beide verklaringen kan gevonden worden bij een
voorwerp, zoals een stok, die men mag gebruiken op Sjabbat, maar die de
halachische belangrijkheid mist van een „gebruiksvoorwerp.” Geldt de
halacha van „het vernietigen van de bruikbaarheid van een voorwerp”
voor een stok, die in feite geen gebruiksvoorwerp is? Mag men zo’n stok
onder een balk plaatsen, die dreigt in te storten, ten einde hem op
zijn plaats te houden? Als men dat doet, zet men de stok vast op zijn
plaats en maakt hem ongeschikt voor ieder ander gebruik. De reden van
bonee is van toepassing, want het is verboden iets op zijn plaats
vast te nagelen. De reden van stira geldt hier niet. Daar de stok
nimmer de halachische belangrijkheid had van een gebruiksvoorwerp, kan
men nauwelijks spreken van de „afbraak van een gebruiksvoorwerp”
(zie Prie Megadiem 313
A.A.14). Echter de
Misjna Beroera (Sja’ar
Hatsioen 313:37)
beslist dat mewateel klie meheichano zelfs volgens beide
interpretaties van toepassing is. „Lo
ploeg,” zegt hij;
onze Geleerden maakten geen uitzonderingen voor specifieke gevallen,
zelfs niet als de rede van de invoering van het verbod niet van
toepassing is (hoewel
zij het woord klie gebruikten).
De eer
van Sjabbat: De
poskiem citeren beide interpretaties van Rasji
(zie Bioer Halacha
begin 265, 266:27 et.al.).
De Ritva
(43a)
suggereert een derde
interpretatie: als men gebruiksvoorwerpen, die geschikt zijn voor
gebruik op Sjabbat, ongeschik voor gebruik maakt, schaadt men de eer
van Sjabbat.
Nu wij de
redenen achter mewateel klie meheichano geleerd hebben, keren we
terug tot de eigenlijke betekenis van die woorden. Hoe vertaalt men
„meheichano”?
De Prie Megadiem
(A.A. 266, s.k. 14)
legt uit dat dit eveneens
afhankelijk is van de redenen voor het decreet. Volgens de mening dat
iets mewateel klie meheichano een voorwerp nutteloos maakt en
dat dit te vergelijken is met afbraak, is het woord meheichano
afgeleid van het woord moechan – gereed, en kan het vertaald
worden met „het vernietigen van de gereedheid van een voorwerp” of met
andere woorden: een voorwerp onklaar maken voor gebruik.”
Volgens de
interpretatie dat mewateel klie meheichano vergelijkbaar is met
bouwen, kan het woord meheichano afgeleid zijn van het woord
kan, dat „basis” betekent. Het betekent dan: vernietiging van de
basis van een voorwerp. Wanneer men een voorwerp onbeweegbaar maakt,
vernietigt men het gebruik van zijn basis en de plaats waarop het staat
(zelfs als de binnenkant
van het voorwerp nog bruikbaar is).
Vuiligheid van een voorwerp afvegen met een kledingstuk:
Rav Eliashiv sjlita
wordt geciteerd als te hebben gezegd dat mewateel klie meheichano
van toepassing is op een kledingstuk dat men gebruikt om viezigheid van
een voorwerp af te vegen, wanneer daardoor het voorwerp niet meer te
dragen is. Zelfs al lag het voorwerp daarvoor al in de wasmand, het had
zo nodig nog opnieuw gedragen kunnen worden. Als men het gebruikt om
de viezigheid af te vegen, wordt het volledig onbruikbaar en dat is
daarom een overtreding van het verbod op mewateel klie meheichano
(Sjewoet Jitschak,
hfd. 20, n. 2).
Mag men
afval in een lege afvalemmer gooien?
Een lege afvalemmer is een bruikbaar voorwerp, dat van plaats naar
plaats verplaatst mag worden. Wanneer er moektse afval in is
gegooid, wordt de afvalemmer ook moektse en mag niet meer
verplaatst worden (tenzij er ook niet-moektse afval in is, dat
niet vernietigd wordt). Is dit niet een overtreding van mewateel klie
meheichano? Hetzelfde zou men kunnen vragen voor een lege
vuilniszak.
De
poskiem paskenen dat men afval in een lege vuilnisemmer mag
gooien. Zij baseren hun beslissing op de Meïri
(42b),
die zegt dat de verordening van onze Geleerden niet geldt voor een
voorwerp, dat bestemd is om er moektse olie in te laten druipen.
Dat is niet „een voorwerp (in ons geval de vuilnisemmer) onbruikbaar
maken,” want dat is het primaire gebruik van dat voorwerp, en het is ook
geen „bouwen” want dit is zijn vaste plaats
(zie Sjewoet Jitschak ibid. n.
8; deze verklaring is waarschijnlijk van toepassing op een afvalemmer
die gewoonlijk op een vaste plaats staat).
Daf
49a: Tefillien
hebben een schoon lichaam nodig
דף מט/א תפילין
צריכין גוף נקי
Waarom dragen wij tefillien
alleen tijdens het dawwenen?
In voorbije
dagen was het de gewoonte om tefillien de hele dag te dragen,
zoals blijkt uit talrijke plaatsen in de Talmoed
(zie Bach O.Ch. 37).
De Toer (O.Ch.37)
schrijft: „De mitswa is om de tefillien de hele dag te dragen. Echter,
tefillien hebben een schoon lichaam nodig, zodat men geen windjes laat
als men ze draagt. Voorts mag men zijn aandacht niet laten afleiden,
zolang men ze draagt. Niet iedereen is hiertoe in staat. Daarom is het
nu de gewoonte om ze niet meer de gehele dag te dragen.” Hieruit lijkt
het dat het dragen van tefillien gedurende de hele dag een mitswa is, en
niet alleen maar een prijzens-waardige gewoonte. Dit artikel wil
trachten deze mitswa te definiëren.
De Prie
Megadiem (37:2)
bespreekt dit onderwerp, en vraagt of er een mitswa d’Oraita is
om de hele dag tefillien te dragen, of vervult men misschien zijn
Tora-verplichting als men de tefillien slechts een enkel moment draagt,
maar dat de geleerden hebben ingesteld dat men ze de hele dag moet
dragen. In latere generaties, toen het onmogelijk werd om lichaam en
geest rein te houden, zoals nodig is voor het dragen van tefillien, werd
deze gewoonte opgeheven. De Prie Megadiem concludeert dat als men de
tefillien maar een enkel moment van de dag draagt, men zijn plicht
mid’Oraita vervuld heeft, maar dat de gewoonte, om ze de hele dag te
dragen, niet alleen maar een rabbijnse instelling is, maar een betere
manier om de mitswa d’Oraita uit te voeren. De Kesef Misjna volgt
ook deze benadering, en schrijft dat de mitswa d’Oraita vervuld
is als men de tefillien maar een kort moment draagt
(Hilchot Jesodei HaTora 5:. Zie
Rambam Hilchot Tefillien 4:25-26).
De Elia
Rabba en Jesjoeot Ja’akov beslissen dat de gewoonte om tefillien de hele
dag te dragen niet slechts een hidoer (verfraaiing) van de mitswa
is, maar een bindende verplichting. Wie niet in staat is zijn lichaam
voldoende rein te houden, is helaas niet in staat deze verplichting na
te komen, maar wie daartoe wel in staat is, mag deze verplichting niet
verwaarlozen.
De Bioer
Halacha (37, b.w.
mitswatan) voegt
daaraan toe dat alleen iemand die zijn gedachten in bedwang heeft, zodat
hij niet aan onreine dingen denkt en zich weerhoudt van frivoliteiten,
de hele dag tefillien zou moeten dragen. Hij concludeert deze zaak met
de woorden: „Gelukkig is de persoon die
(de mitswa van tefillien)
op de juiste wijze vervult. Onze geleerden zeggen dat de leerlingen van
Rabbi Eliëzer hem vroegen hoe hij zo’n hoge leeftijd bereikt had. Hij
antwoordde dat hij nimmer vier passen gelopen had zonder tefillien en
Tora-studie.”
Sommige
Risjoniem impliceren dat de geleerden een speciaal decreet ingesteld
hebben om tefillien
niet de hele dag te dragen
(zie Beit Joseef).
In overeenstemming daarmee mag men niet onmatig streng zijn en de hele
dag tefillien dragen, want daarmee gaat men in tegen de verordening van
de geleerden. Echter, deze mening is niet geaccepteerd in de halacha
(zie Tosfot, b.w.
k’Elisja). Daarom
concludeert de Bioer Halacha, dat iemand die de hele dag tefillien
draagt, inderdaad prijzenswaardig is.
דף מט/ב אבות
מלאכות ארבעים חסר אחת.... כנגד מלאכה מלאכתן ומלאכת שבתורה
Daf 49b: De
primaire melachot zijn veertig minus één… dat correspondeert met
[de woorden] melacha, melachto en melechet in Tora
Hoeveel
keer komt het woord melacha in Tora voor?
De geleerden
van de Gemara vonden het woord melacha [werk] op negen-en-dertig
plaatsen inTora. Zij zagen dat als
een aanwijzing voor de 39 verboden awot melachot
(de
primaire vormen van „werk”)
op Sjabbat. De Gemara vermeldt dat
|
Van de
redactie |
|
De
kalender
We
presenteren hier een interessante geschiedenis die wij kregen
toegestuurd door een Meorot HaDaf HaJomi sji’oer. In het gebouw van de
Bank HaPoalim in Tel Aviv wordt een Daf HaJomi-sji’oer gehouden voor
een dozijn werkers, die dagelijks een uur van hun vrije tijd aan
Tora-studie wijden.
De
sessie wordt onderhouden dankzij de activiteit van Mr. Shlomo Baron, een
van de managers, en de deelnemers merken vaak op dat het hun energie
geeft voor de hele dag. In deze sji’oer, gegeven door Rav Shlomo
Fruchter, leren ze traktaat berachot met grote intensiteit en toen zij
de Gemara bereikten, die zegt dat de Joden de feestdagen inwijden,
drukten de deelnemers hun belangstelling uit voor de kalender door de
geschiedenis heen. Daarop vertelde een van de deelnemers het volgende
verhaal.
De
tweede wereldoorlog brak uit in 5699. Ten gevolge van een overeenkomst
met Rusland, werden bepaalde gebieden verdeeld en Litouwen kwam onder
Russische controle. De Russen vormden een communistische regering en,
als resultaat daarvan, werd het Jodendom vernietigd in Kovno en andere
Litouwse plaatsen. De Sjlabodka-jesjiwa overleefde het, maar de Joden
verkeerden in het algemeen in zeer moeilijke omstandigheden. De
handelaren werden gedwon-gen voor de regering te werken en dat was er de
oorzaak van dat velen gedwongen werden om Sjabbat te overtreden, want
voor de Russen was Sjabbat een gewone werkdag.
Dankzij de
inspanning van één van de activisten,
slaagden sommige Joden, die Sjabbat wilden houden tot iedere
prijs, erin om op contract te werken, onder wie Awraham Ja’akov
Langelbein, een zich aan Tora en mitswot houdende handelaar, die tijd
opzij zette voor Tora-studie. Hij kocht een weefmachine en begon sokken
te maken die hij aan een fabriek leverde op contract en zo kon hij
Sjabbat blijven houden.
Op
vrijdagavond, 19 Siwan 5701 (14 juni 1941), precies 64 jaar geleden,
drongen de Russen de Joodse huizen van Kovno binnen, en eisten dat de
families snel al hun bezittingen inpakten
en zich klaarmaakten om af te reizen.
Zij werden allen gedwongen om op Sjabbat hun huis te verlaten,
werden in vrachtauto’s geladen en daaree naar het treinstation
gebracht. Ongeveer 7.000 Joden werden die Sjabbat uit hun huizen gezet.
De Russen stopten al deze Joden in veewagens voor een reis van 19 dagen
naar zuid-oost Siberië. De plaats van de ballingschap was Altai. Ze
gingen van plaats tot plaats, totdat de Russen besloten hen naar de
Noord-Pool te vervoeren, waar een bepaald soort eetbare vis was, vol
gezonde olie die aan de Russische soldaten aan het front geleverd werd.
Na een
maandenlange reis over de Lena
rivier, bereikten zij ten slotte Bikum Mis, een vissers-plaatsje
in het uiterste noorden van Siberië, in de republiek
Jakoet. De bannelingen werden gedwongen om de levensstijl van
de Jakoets te leren. In die plaats gaat gedurende drie maanden de zon
niet onder en gedurende zes maanden
is het er volslagen donker, zonder zonsopkomst. Deze maanden
gaan voorbij in de winter, wanneer de zee bedekt is met ijs met
gevaarlijke sneeuwstormen. Zij kwamen
er aan tegen het einde van de zomer, het meest productieve visseizoen
en werden gedwongen onmiddellijk te vissen voor de Russen. Vissen werd
gedaan door gaten in het ijs te boren. Overdag werden grote vissen
gevangen, van tussen de 10 en 15 kg, en in de avond haalden zij de
netten weer binnen. Dit was gedwongen arbeid en de vissers leefden ook
van deze vis en verder kregen zij voedselcoupons voor hun werk.
Ongeveer 60
families bouwden daar huizen en meer dan 30 mensen woonden in elk huis.
Deze huizen werden joeritas genoemd. In de winter was de
joerita bedekt met sneeuw, ten gevolge van de vele sneeuwstormen.
Wanneer men tijdens zo’n sneeuwstorm buiten verbleef, kon dat fataal
zijn.
Zoals we al
zeiden, de joerita was volledig bedekt met sneeuw en wanneer het weer
terugkeerde tot „normaal”, moesten de bannelingen hun huizen met
scheppen terugvinden. Ongeveer acht jaar leefden zij in deze vallei des
doods. Daarna stonden de Russen hen toe te verhuizen naar Jakoetsk, de
hoofdstad van de Republiek Jakoet in
centraal Siberië, waar zij nog eens zeven jaar verbleven. In al
die jaren hielden de Joden zich toegewijd aan de Sjabbat en de
feestdagen. Hoe wisten zij wanneer het Sjabbat was, terwijl dag en
nacht zich over vele maanden uitstrekten? Luister! Awraham maakte een
kalender uit zijn geheugen, door middel van berekeningen en tabellen.
Die kalender was een vuurzuil voor hen gedurende al die 16 jaar!
Pas toen
werd het hun toegestaan terug te keren naar Litouwen, waar zij tot hun
grote vreugde ontdekten dat er zelfs niet één fout in hun kalender zat!
Terwijl zij in Wilna waren, overleed de laatste rabbijn daar, en Reb
Awraham Ja’akov diende in zijn plaats, gaf sji’oeriem enzovoorts.
Na dit
gedetailleerde verhaal te hebben gelezen, heeft men weinig
voorstellingsvermogen nodig om de situatie van deze Joden te
beschrijven. Alleen, jarenlang, in het midden van nergens, waar de dag
geen dag en de nacht geen nacht was, maar een lange duisternis gedurende
vele maanden, waar tijd zijn definitie verloor en de klok nutteloos
werd. Waar het leven nergens toe leek te leiden, dan is het niet
onlogisch dat een mens zijn wil om te leven verliest, onder zulke
omstandigheden. En toch, deze bewonderenswaardige mensen hielden al die
jaren de Joodse vonk brandende en maakten allerlei berekeningen, om zich
maar zo goed mogelijk aan de mitswot te houden. Is het nog een wonder,
dat mensen hun werkdag onderbreken voor een uur Tora? |
|
de
geleerden door dehele
Tora gingen, van begin tot eind om het aantal keren dat het woord
melacha daarin voorkomt, te tellen. „Zij gingen niet daarvandaan,
totdat een Sefer Tora voor hen gebracht werd en de woorden geteld
waren.”
De Tosfot
Jomtov schrijft (7:2)
dat zijn zoon, Rav
Awraham, zei, nadat hij door de Concordance was gegaan
(een alfabetische index van de
voornaamste woorden van de Tora, met een verwijzing naar de verzen,
waarin ze voorkomen),
dat hij veel meer dan negen-en-dertig woorden gevonden had. In in
werkelijkheid stelt Rabbeinoe Chananel, een van de eerste Risjoniem,
deze vraag al vele jaren daarvoor. Hij antwoordde dat de geleerden van
de Gemara niet ieder woord melacha geteld hadden. Er zijn
talrijke klaarblijkelijke drukfouten in onze editie van Rabbeinoe
Chananel, maar volgens de noodzakelijke correcties van commentatoren
komt daaruit de volgende verklaring naar voren van de telling door de
geleerden.
In
Wajechoeloe, de vertelling van de Schepping komt het woord
melacha drie maal voor en zij zijn niet meegeteld, want zij hebben
geen betrekking op het werk van de mens, maar op het werk van de
Schepper. Ook als het woord melacha gebruikt wordt met betrekking
tot een voorwerp, in plaats van tot werk, werd het niet meegerekend
(zie Bereisjiet 33:14: „…terwijl ik mij zal voortbewegen …naar de gang [melacha]
van het vee,” en Sjemot 22:7: „…dat hij [de dief] niet zijn hand heeft
uitgestoken naar het bezit [melacha] van zijn naaste.” Zie ook
Sjemot 31:3, 35:21, 35:24, 35:31, 36:4, 38:24, 40:33, Wajjikra 13:48).
Het woord melacha komt verder nog twaalf keer voor in verband met
verboden melechot awoda op Jom Tov, waarbij melachot die
nodig zijn voor de bereiding van voedsel worden uitgesloten.
Ook deze werden niet
meegeteld. Nadat al deze gevallen worden afgetrokken, blijven er slechts
veertig plaatsen over waar melacha genoemd wordt. Blijft dus de
vraag
welke van
die veertig niet meegeteld wordt, om tot negen-en-dertig te komen.
Tosfot Jom
Tov biedt een andere benadering van de telling van onze geleerden. Rasji
verklaart dat de passoek „Die geen enkele melacha op de
Sjabbat-dag” een aanwijzing is, dat het aantal verboden melachot
gelijk is aan het aantal keren dat het woord melacha in Tora
voorkomt. Hetzelfde geldt voor iedere keer dat melacha genoemd
wordt in verband met de verboden en straffen voor Sjabbat-overtreding.
Zij zijn niet bedoeld om te worden geteld om het aantal verboden te
bereiken, maar om aan te geven dat er zoiets is als Sjabbat-ontheiliging
en dat de wetten afhankelijk zijn van het noemen van het woord
melacha elders. Het woord melacha wordt zo 25 maal genoemd in
Tora en wanneer die worden afgetrokken, blijven er ook veertig over.
[Opmerking:
Netsach Jisraël wijst erop, dat wanneer men de verbuiging „melechet”
niet meetelt, het woord „werk” inderdaad 39 keer in Tora voorkomt. Het
bezwaar van deze oplossing is dat de Gemara expliciet stelt dat de
geleerden de woorden melacha, melachto en melechet
telden (Zwi).]
Daf 50a:
Palmtakken
דף נ/א חריות
של דקל
Kinderspeelgoed opSjabbat
Kinderen
spelen vaak met voor volwassenen waardeloze voorwerpen (stokjes,
steentjes, doosjes, enz., voorwerpen die voor een volwassene geen enkele
waarde hebben). De vraag moet gesteld worden of deze voorwerpen niet in
feite moektse zijn op Sjabbat. Waardeloze voorwerpen zijn in het
algemeen moektse op Sjabbat, omdat zij niet gereed (moechan)
zijn voor enig werk. Onze soegia bespreekt hoe men ze kan gereed
maken voor gebruik op Sjabbat, zodat men ze mag verplaatsen op Sjabbat.
Bijvoorbeeld palmtakken zijn moektse. Toch zegt de Gemara dat als
iemand ze bestemt voor een bepaald toegestaan gebruik op Sjabbat, zoals
om erop te zitten, dat dan het verbod van moektse ervan afvalt.
De Risjoniem merken op dat elders
(142b)
de Gemara zegt dat wanneer een rotsblok gebruikt wordt om een vat af te
sluiten, het niettemin moektse blijft. Niet alleen dat, maar ook
het vat wordt moektse, omdat het als basis dient voor het
rotsblok. Wat is het verschil tussen een rotsblok bestemmen als
vat-deksel, hetgeen geen effect heeft, en het bestemmen van palmtakken
als zitplaats?
De Risjoniem
bieden twee antwoorden. De Rasjba
(Tesjoewot V:225)
verklaart dat het bestemmen van een moektse voorwerp voor een
toegestaan doel alleen effect heeft wanneer men het bestemt voor
permanent gebruik. In het geval van de palmtakken waren ze permanent
bestemd om erop te zitten. Daarom waren ze moechan, net als
andere gebruiksvoorwerpen, en het verbod van moektse vervalt.
In het geval van het rotsblok was het slechts voor die ene Sjabbat
bestemd als deksel voor het vat. Daarom bleef het moektse.
De Ran
(23)
schrijft dat het voldoende is om een voorwerp voor eenmalig gebruik te
bestemmen, maar men moet het bestemmen voor een functie waarvoor het
algemeen gebruikt wordt. In de tijd van de Gemara was het heel gewoon om
op palmtakken te zitten, maar het was niet gebruikelijk om een rotsblok
te gebruiken als deksel voor wijnvaten.
De Sjoelchan
Aroech (O.Ch.308:22)
noemt beide meningen en de Misjna Beoera
(308:97)
zegt dat als het nodig is, men op de Ran mag steunen. Let wel: wanneer
een steen of iets dergelijks permanent als speelgoed bestemd is, is
iedereen het ermee eens is, dat het dan niet meer moektse is.
De
bedoelingen van een kind:
We hebben gezien dat alleen de
gedachten om een voorwerp te bestemmen voor een toegestaan doel,
voldoende is om het verbod van moektse te verwijderen. We moeten
ons echter afvragen of de bedoeling van een minderjarig kind voldoende
halachisch gewicht heeft. Is het voldoende als een kind zijn steentjes,
stokjes enz. als speelgoed bestempeld, of moet een volwassene dat voor
hem doen? Tosfot Sjabbat
(eind inleiding tot 308)
zegt dat hoewel de daden van een kind effectief zijn, zijn gedachten
halachisch van geen betekenis zijn
(zie Prie Megadiem, algemene
inleiding tot Hilchot Jom Tov, afd. twee, 1:6).
Dat betekent dat hij een handeling moet verrichten om zijn stenen voor
te bestemmen, zoals ze polijsten of van vorm veranderen. Zijn
bedoelingen alleen zijn onvoldoende. Een ouder kan wel de stenen van een
kind voor gebruik alleen ingedachte als speelgoed bestemmen
(zie Nachlat Jisraël 15:7).
Sommigen
suggereren dat een kind geen handeling hoeft te verrichten die de vorm
of het uiterlijk van de stenen enz. veranderen, maar dat het voldoende
is als hij ze verzamelt
(zie Halacha Aroecha blz. 118).
De mening
van de Beit Joseef:
De Sjoelchan Aroech zegt dat een voorwerp dat bestemd is om ermee te
spelen, moektse blijft! „Het is verboden om op Sjabbat of Jom Tov
met een bal te spelen”
(O.Ch. 308:45). Volgens
hem kan de eigenschap van moektse alleen van een voorwerp worden
opgeheven, wanneer het bestemd wordt voor een significante functie, en
niet alleen maar om ermee te spelen
(Misjna Beroera 157).
Het bestemmen van stenen en stokken als speelgoed heeft daarom geen
effect. Sefardiem zouden deze mening moeten volgen en hun kinderen
moeten instrueren niet met moektse voorwerpen te spelen, zelfs
niet als ze als speelgoed bestemd zijn. Asjkenaziem, die de mening van
de Rama volgen, moeten nagaan of hun kind enige handeling verricht heeft
om het voorwerp als speelgoed te bestemmen, of dat een volwassene ze
daarvoor bestemd heeft. Wanneer aan een van deze voorwaarden voldaan is,
mogen zij spelen met hun stokken en stenen
(Halacha Aroecha ibid. 114).
Het is
belangrijk om op te merken dat wanneer de Sjoelchan Aroech zegt dat
ballen moektse zijn, hij het allen heeft over moektse
voorwerpen, die bestemd zijn om als bal mee te spelen. Een echte
speelgoedbal, die gefabriceerd is en verkocht werd om ermee te spelen,
is niet moektse, zelfs niet volgens de Sjoelchan Aroech
(H.A. ibid.).
ô ô ô ô
Uit: Hamodia, door Rav Moishe
Kimelman
Daf 52b:
Een houten ring met een metalen zegel is tahor
De holte
die bedoeld was om te worden gevuld
In de tijd
van Chazal bestond een pijl uit twee delen – een metalen punt en
een houten schacht – en er waren twee manieren om ze aan elkaar te
bevestigen: de pijlpunt kon een holte hebben waarin de schacht
geschroefd werd, of de schacht kon een holte hebben, waarin de pijlpunt
geschroefd werd.
In het
algemeen kan een houten voorwerp alleen mekabeel toema zijn
[onreinheid aannemen] wanneer het iets kan bevatten, en de gemara in
traktaat Soeka (12b) zegt daarom dat als de schacht van de pijl een
holte heeft, het mekabeel toema kan zijn, want het kan het eind
van de pijlpunt bevatten. De Gemara vraagt dan waarom die halacha zo
nadrukkelijk genoemd wordt, als alle houten keliem mekabeel
toema kunnen zijn wanneer zij iets kunnen bevatten. De Gemara
antwoordt dat we zouden kunnen denken dat aangezien de pijlpunt in de
schacht geschroefd wordt en daar permanent blijft, de schacht niet
tamee kan worden, omdat de holte ervan gemaakt werd met de bedoeling
dat die permanent gevuld zou zijn. Om ons te vertellen dat dit niet zo
is, vermeldt de Gemara deze halacha.
Tosafot
schrijft daar dat kennelijk uit de Gemara blijkt, dat we paskenen dat
een holte die gemaakt werd om permanent te worden gevuld, nog steeds een
holte genoemd wordt, en dat een stuk hout met zulk een holte tamee
kan worden.
R. Jitschak
Pik wijst erop dat dit expliciet strijdig schijnt te zijin met een
Tosafot op onze daf.
De Gemara
van vandaag zegt dat een houten ring met een metalen zegel tahor
is, omdat het voornaamste deel van de ring de ring zelf is, en een
houten ring heeft geen holte. Tosafot vraagt waarom wij geen rekening
houden met de holte waarin het zegel is bevestigd en hij antwoordt dat
aangezien de holte gemaakt was om permanent te worden gevuld, het niet
als een holte beschouwd wordt.
Is dit niet
precies het tegenovergestelde van de Tosafot in traktaat Soeka?
R. Ezriël
Hildesheimer, zich baserend of twee verschillende uitdrukkingen in de
Rambam, legt uit dat er twee soorten holtes zijn, die gemaakt worden om
gevuld te worden. In sommige gevallen dient het voorwerp met de holte
alleen om de vulling te bevatten, en heeft het geen zelfstandige
betekenis. In dat geval, verondestelt R. Ezriël, zouden we kunnen zeggen
dat de holte beschouwd kan worden alsof hij niet bestaat en als dat
voorwerp van hout is, kan het daarom niet mekabeel toema zijn.
Dit is het geval met de houten ring op onze daf en dat is de reden
waarom Tosafot kan zeggen dat ondanks het feit dat het een holte heeft,
het niet mekabeel toema is.
In andere
gevallen echter, heeft het voorwerp met de holte wel een eigen,
zelfstandige functie en is het een integraal deel van de totale klie.
Dat is de het geval met de houten pijlschacht, die net zo belangrijk is
voor een goed functioneren van de pijl als de pijlpunt. Daar het
voorwerp met de holte niet als volledig battel kan beschouwd
worden in vergelijking met de vulling, kunnen we niet zeggen dat dat
voorwerp heeft opgehouden zelfstandig te bestaan en het voorwerp is
daarom mekabel toema, zelfs al is het van hout. |
|