|
דף לג/ב ורבי שמעון
De Heilige Tanna Rabbi Sjim’on
bar Jochai
De Talmoed staat vol met de
leringen van de Heilige Tanna Rabbi Sjim’on bar Jochai. Overal waar
Rabbi Sjim’on wordt genoemd, wordt daarmee Rabbi Sjim’on bar Jochai
bedoeld, ook al wordt zijn volledige naam niet uitgespeld
(zie Pesachiem 51b).
Rav Mosjé Konitz van Oben heeft
een heel boek geschreven, getiteld „Bar Jochai,” waarin hij tot vele
verreikende conclusie komt betreffende Rabbi Sjim’on bar Jochai. Hier
presenteren we enkele van de handwijzers die hem tot deze conclusies
geleid hebben.
De Tanna met twee titels:
Vele Tannaïem en Amoraïem worden alleen bij hun eerste naam genoemd,
terwijl anderen samen met hun vaders naam genoemd worden, om hen te
onderscheiden van anderen met dezelfde voornaam. Maar Rabbi Sjim’on is
uniek, want hij is de enige die beide titels kreeg. Soms noemt de
Talmoed hem Rabbi Sjim’on en soms Rabbi Sjim’on bar Jochai.
In de meeste discussies wordt
de visie van Rabbi Sjim’on verworpen:
De Talmoed spaart geen enkele
moeite om de grootheid en eruditie te beschrijven van Rabbi Sjim’on bar
Jochai, die hoog boven de andere Geleerden van zijn tijd uitstak.
Wanneer Rabbi Pinchas ben Jaïr een vraag tot Rabbi Sjim’on richtte, werd
hij met 24 verschillende verklaringen beantwoord
(Sjabbat 32b).
Over Rabbi Sjim’on werd gezegd
(Soeka 45b):
„Ik heb hoogstaande mensen gezien, maar daar zijn er weinig van… Wanneer
er daar maar twee van in de wereld zijn, dan zijn zij dat [Rabbi Sjim’on
en zijn zoon].” Hij veranderde diegenen die hij afkeurde met een enkele
blik in een „stapel beenderen”
(Sjabbat 33b).
Wegens de verdienste van Rabbi Sjim’on, verscheen de regenboog, die een
teken is van het ongenoegen van Hasjem, niet eenmaal tijdens zijn leven
(Jeroesjalmi Berachot
hfd. 9). Deze en vele
andere wonderlijke prestaties worden toegeschreven aan Rabbi Sjim’on.
Daarom is het verbazend dat in
de meeste discussies van Rabbi Sjim’on met zijn collega’s, zijn mening
verworpen wordt. „Wanneer Rabbi Sjim’on discussieert met Rabbi Jossi, is
de halacha volgens Rabbi Jossi… Wanneer Rabbi Sjim’on discussieert met
Rabbi Jehoeda, is de halacha volgens Rabbi Jehoeda”
(Eroewien 46b).
De Maharsjal (die meer dan duizend jaar na Rabbi Sjim’on leefde) gaat
zelfs zover, om te schrijven: „Zelfs als zou Rabbi Sjim’on vandaag voor
ons staan en eisen dat wij een minhag zouden veranderen, die wij
tot nu toe volgen, dan zouden wij zijn protesten negeren. In de meeste
gevallen volgt de halacha Rabbi Sjim’on niet”
(Tesjoewot 98).
Deze en andere raadselachtige
tegenstellingen leidde Rav Mosjé Konitz ertoe om een onderscheid te
maken tussen Rabbi Sjim’on en Rabbi Sjim’on bar Jochai. Beide titels
betreffen dezelfde persoon, maar in twee verschillende stadia van zijn
leven. Vóór zijn historisch verblijf in de grot werd hij gewoon Rabbi
Sjim’on genoemd. Toen hij daaruit te voorschijn kwam werd hij Rabbi
Sjim’on bar Jochai of ook wel „Bar Jochai” genoemd. In de hele Sjas
zijn talrijke aanwijzingen te vinden ter ondersteuning van deze
theorie. Zelfs in de vertelling over de vlucht van Rabbi Sjim’on voor de
Romeinen vinden wij dit onderscheid. De Gemara begint met: „Rabbi
Jehoeda, Rabbi Jossi en Rabbi Sjim’on zaten bijelkaar.” Hier wordt hij
zonder de toevoeging van zijn vaders naam genoemd. Na twaalf jaar in de
grot stond Eliahoe voor de ingang van de grot en riep: „Wie zal Bar
Jochai informeren dat Caesar gestorven is en dat zijn decreet is
ingetrokken?” Nadat hij de grot had verlaten, „reinigde” hij Tiberias
door de verloren gegane graven te localiseren en te merken, waarover
geschreven staat: „Bar Jochai heeft de begraafplaats gereinigd.” Als de
Gemara het heeft over het tijdperk van Rabbi Sjim’ons geboorte, wordt
hij gewoon met ‘Rabbi Sjim’on’ aangeduid
(Makkot 17b),
maar tegen de tijd van zijn dood wordt hij Rabbi Sjim’on bar Jochai
genoemd (Ketoebot 77b).
In traktaat Meïla (17b)
wordt Rabbi Sjim’on door de Geleerden naar Caesar gestuurd, om zijn
harde decreten te annuleren. „Laat Rabbi Sjim’on ben Jochai voor ons uit
gaan, want hij is gewend aan wonderen.” Rasji verklaart dat er voor hem
in de grot wonderen verricht werden.
„Bar Jochai, je werd gezalfd,
Asjrecha”: De
twee titels van Rabbi Sjim’on maken niet alleen onderscheid tussen twee
periodes in zijn leven. De nieuwe titel is ook een aanwijzing voor de
grote geestelijke hoogte die hij in de grot bereikte. De diepste
geheimen van Tora werden voor hem onthuld en hij werd omgevormd tot een
heilig en subliem individu. Deze transformatie wordt aangeduidt in het
bekende lied: „Bar Jochai, je werd gezalfd, Asjrecha!
[tot jouw eeuwig genoegen]!”
Voordat Rabbi Sjim’on de grot
inging, en hij bekend stond als Rabbi Sjim’on, werd zijn mening
verworpen, ten gunste van zijn collega’s. Nadat hij verheven was tot
het niveau van Rabbi Sjim’on bar Jochai, hadden zijn beslissingen groter
gewicht.
Deze goed-onderbouwde conclusie
kan ons helpen om een raadselachtige Gemara in traktaat Rosj Hasjana
(4a) te verklaren. De Gemara noemt daar Rabbi Sjim’ons mening en steunt
die dan met te zeggen: „en dat heeft Rabbi Sjim’on bar Jochai ook
gezegd.” Dit is een ongewone manier van uitdrukken, die slechts driemaal
in de hele Sjas voorkomt, tweemaal in verband met Rabbi Sjim’on (zoals
Rabbi Akiwa Eiger zegt). Wat is het belang van deze woorden? Waarom
citeert de Gemara Rabbi Sjim’on als steun voor zijn eigen woorden?
Volgens datgene wat wij zojuist uitgelegd hebben, is dat perfect
verklaarbaar. Rabbi Sjim’on deed de uitspraak voor het eerst voordat hij
de grot inging. Nadat hij daaruit was gekomen en een veel belangrijkere
halachische status had verkregen, herhaalde hij zijn mening, daarbij
zijn vroegere woorden ondersteunend.
דף לה/ב
שלישית להדליק את הנר
De tijd voor het aansteken van
de kaarsen op vrijdagavond
In de tijd van de Talmoed was
het de gewoonte om iedere erev Sjabbat zesmaal op de sjofar te blazen,
om de mensen te informeren dat Sjabbat op het punt stond in te gaan. De
Gemara verklaart de betekenis van ieder sjofar-stoot, waarbij ieder een
ander stadium van de Sjabbat-voorbereidingen aangaf. Tegenwoordig is er
een soortgelijke gewoonte in Tora-gemeenschappen, zoals de Rama
schrijft: „Het is de gewoonte van Joodse gemeenschappen om een
boodschapper aan te stellen die de komst van de Sjabbat, een uur of een
half uur voordat de Sjabbat begint, aankondigt om de mensen te
waarschuwen dat zij zich op de Sjabbat moeten voorbereiden. Deze
aankondiging komt in de plaats van de sjofar die in de tijd van de
Gemara gebruikt werd en het is een goede gewoonte, die overal gevolgd
zou moeten worden”
(Sjoelchan Aroech O.Ch. 256).
Waarom steekt men de kaarsen
vroeger aan? De
Gemara eist alleen maar dat wij gewaarschuwd worden voor de nadering van
Sjabbat, opdat de mensen die niet per ongeluk zullen ontheiligen en dat
zij de Sjabbat zullen verwelkomen met het juiste eerbetoon. De noodzaak
voor deze waarschuwing is best te begrijpen. Echter, waarom steken de
vrome vrouwen de Sjabbat-kaarsen zo vroeg aan? Niet alleen dat zij vroeg
al voor de Sjabbat voorbereiden, zij beginnen de Sjabbat ook vroeger.
De verschillende gewoonten van
het aansteken van de kaarsen in Erets Jisraël:
De logica zou veronderstellen
dat men de Sjabbat-kaarsen slechts een paar minuten voor zonsondergang
aansteekt. Door aan te steken op het moment dat de Sjabbat begint, eren
we de Sjabbat bij haar komst. Zeker, er is een mitswa van tosefet
Sjabbat (toevoeging
aan Sjabbat), maar dat
kan men ook doen door Sjabbat een paar minuten voor zonsondergang te
laten ingaan (Seder
Hachnasot Sjabbat, Sjoelchan Aroech HaRav, Bioer Halacha 261, beg.w.
eze zman). Dus
waarom steken de Asjkenazische Joden in Jeruzalem de kaarsen al veertig
minuten voor zonsondergang aan? Vele families in Petach Tikwa volgen die
gewoonte ook, omdat Petach Tikwa werd gesticht door Jeruzalemieten. In
Haifa is het de gewoonte om de kaarsen 30 minuten voor zonsondergang
aan te steken. In vele andere steden is het de gewoonte om ze twintig
minuten van te voren aan te steken. Bnei Brak voegt daar 2 minuten aan
toe en steekt dus twee-en-twintig minuten voor zonsondergang aan. Wat is
de basis voor deze gewoonte om zo vroeg aan te steken?
De Misjna Beroera schrijft
(261:23) dat lechatchila men niet tot het laatste moment moet
wachten met aansteken, maar dat men moet aansteken als de zon boven de
toppen van de daken staat. „Wanneer iemand een half uur of minstens een
derde van een uur voor zonsondergang aansteekt, dat vervult hij op
bewonderenswaardige wijze alle meningen van de Risjoniem.”
Over welke Risjoniem heeft de
Misjna Beroera het en wat zijn hun meningen?
De Misjna Beroera heeft het in
de eerste plaats over Rav Eliëzer van Mintz zt”l, de schrijver
van Sefer HaJereïem, die meent dat bein hasjemasjot tussen
13 en 18 minuten voor zonsondergang begint. Volgens hem is het, op grond
van een sfeka de’oraita (een twijfel over Tora), een verplichting
om 18 minuten voor zonsondergang met alle melachot te stoppen.
Ten einde de mitswa van tosefet Sjabbat te kunnen doen, voegen
wij daar nog twee minuten aan toe, en zo komen we dan aan de wijd
verspreide gewoonte om twintig
minuten voor zonsondergang de lichten aan te steken. |