Daf 28b
Van wat in je mond is toegestaan
דף כח/ב מן
המותר בפיך
Mogen niet-kosjere dieren gebruikt
worden voor mitswot?
In Traktaat Rosj Hasjana is de Ran
(eind van blad 6a in de Rif) in twijfel of een sjofar, gemaakt van een
niet-Kosjer dier, gebruikt mag worden. Dit artikel zal bespreken waarom
en hoe hij op die vraag kwam.
Onze Gemara zegt, dat tefillien
alleen gemaakt mogen worden van een kosjer dier. Hieronder vallen de
perkamenten, de leren huisjes en riemen, en de haren en pezen die
gebruikt worden om een en ander dicht te naaien. Alles moet afkomstig
zijn van een kosjer dier, zoals de pasoek zegt: „Zodat de Tora
van Hasjem in je mond zal zijn.” Onze geleerden begrijpen hieruit, dat
tefillien gemaakt moeten zijn van een dier dat gegeten mag worden.
De vraag die opkomt is of dit
voorschrift alleen geldt voor tefillien, of dat het voor alle mitswot
van Tora geldt. Mogen voorwerpen, die voor andere mitswot gebruikt
worden, gemaakt worden van niet-kosjere dieren? Aan de ene kant kan men
zeggen, dat de pasoek het alleen over tefillien heeft. Aan de
andere kant geldt, dat de Gemara het heeft over de vraag of deze regel
geldt voor de bouw van het Misjkan. Als het geldt voor het Misjkan, moet
het dan niet ook voor andere mitswot gelden? Sommige Acheroniem
begrijpen dat de Mageen Awraham
(O.Ch. 586:3)
onze Gemara inderdaad zo uitlegt, dat het geldt voor alle mitswot. Alle
voorwerpen moeten van kosjere dieren gemaakt zijn.
De Maharitz Chajot
(21b)
protesteert fel tegen deze conclusie. Hebben we niet nog onlangs kik-olie
opgenoemd onder de voor de Sjabbat-lamp verboden olieën, omdat die olie
niet mooi brandt, en waarvan de Rosj zegt dat het de kaät
(pelikaan?) is! De Tora deelt de kaät duidelijk in bij de
niet-kosjere vogels (Wajjikra
11:18). Waarom verbiedt de Gemara dan kik-olie
omdat die slecht brandt? Het wordt geproduceerd van niet-kosjer vet en
zou moeten verboden worden, ongeacht hoe het brandt.
Rav Sjmoeël Segal zt”l
(de zoon van de Noda BeJehoeda
en genoemd in de Noda BeJehoeda II, O.Ch. 3)
maakt ook bezwaar tegen de conclusie van de Mageen Awraham. Hij citeert
een lange lijst van halachot om de beslissing te ontzenuwen.
Bijvoorbeeld: in traktaat Soeka
(23a)
zegt de Gemara dat men een olifant mag vastbinden en hem als soeka-wand
mag gebruiken. De olifant is een niet-kosjer dier, maar het mag toch
gebruikt worden als materiaal voor een soeka. We zien dus, dat niet aan
alle mitswot dezelfde beperkingen zijn opgelegd als aan tefillien.
Wat is dan het verschil tussen
tefillien en sjofar, tsietsiet, Chanoeka-kaarsen, enz.? Welke mitswot
mogen worden uitgevoerd met materiaal, afkomstig van niet-kosjere
dieren en welke niet? Een aantal verklaringen werd gesuggereerd,
waaronder de volgende:
„Tasjmiesj
mitswa” vs. „Tasjmiesj
kedoesja”:
Tefillien zijn tasjmisjei kedoesja (heilige artikelen), terwijl
een sjofar een tasjmiesj mitswa is (een voorwerp voor een
mitswa). Daar tefillien parasjiot van de Tora bevatten, zijn zij zelf
heilig, zelfs al zijn ze nimmer
gebruikt voor een mitswa. Daarom mag geen enkel onderdeel
daarvan afkomstig zijn van een niet-kosjer dier. Een sjofar is echter
niet intrinsiek kosjer. Het wordt
alleen gebruikt voor een mitswa. Daarom mag een sjofar gemaakt
worden van een niet-kosjer dier
(Maharitz Chajot, ibid. De
Mageen Awraham kan ook zodanig worden uitgelegd, dat hij het alleen
heeft over tasjmisjei kedoesja, zoals tefillien).
Men moet geen sjofar gebruiken van
een niet-kosjer dier: Dus niet-kosjer
materiaal mag gebruikt worden voor de uitvoering van mitswot.
Bijvoorbeeld olie van niet-kosjer vet mag men gebruiken voor
Chanoeka-lampen. Hieruit zou men kunnen afleiden dat ook de hoorn van
een niet-kosjer dier gebruikt mag worden om de sjofar te blazen op Rosj
Hasjana. Echter, de Rama (Sjoelchan Aroech O.Ch. 586:1) schrijft dat
men dat niet mag doen. Zijn bron voor deze beslissing is de Ran, die wij
hierboven hebben aangehaald. De Ran legt uit, dat aangezien het geluid
van de Sjofar de verdiensten van Israël bij Hasjem oproept, het te
vergelijken is met de dienst in het Beit HaMikdasj. Daarom mag alleen
de hoorn van een kosjer dier gebruikt worden.
Nu kunnen wij terugkeren naar onze
oorspronkelijke vraag: wat was de onzekerheid van de Ran met betrekking
tot sjofars van niet-kosjere dieren? De Gemara bediscusiëert of de
tachasj, wiens huiden gebruikt werden voor de bouw van het Misjkan,
een kosjer dier was, maar de Gemara komt niet tot een conclusie. De
enige reden om hoornen van een niet-kosjer dier te gebruiken is de
gelijkenis tussen een sjofar en de dienst in het Misjkan. Wanneer zelfs
voor het Misjkan niet-kosjere dieren gebruikt mochten worden, dan mag
een sjofar zeker ook gemaakt worden van een niet-kosjer dier. Daarom is
het gebruik van een niet-kosjer Sjofar op Rosj Hasjana afhankelijk van
de vraag of er niet-kosjere dierenhuiden voor het Misjkan gebruikt
werden. (zie Bioer HaGra
en Machatsiet Hasjekel).
Daf 31b – Op
bevel van Hasjem legerden zij zich
דף לא/ב על פי ה' יחנו
Een storm van discussies over
paraplu’s
De Poskiem hebben uitgebreid
gedebateerd over de vraag of de destijds nieuwe uitvinding van de
paraplu of parasol gebruikt mag worden op Sjabbat. De kern van hun debat
is of het openen van een paraplu vergelijkbaar is met het opzetten van
een ohel (dak-constructie) ter bescherming tegen de regen of de
zon.
In de praktijk is het verbod tegen
het gebruik van de paraplu algemeen bij de Joodse gemeenschappen
geaccepteerd. Zoals de Chafeets Chaïm zt”l schrijft: „Wie zijn
ziel wil beschermen, zal daar geen gebruik van maken”
(Bioer Halacha 315, beg.w.
tefach). Echter, toen de Chatam Sofer voor de
eerste keer geïnformeerd werd dat een grote poseek het openen van
een paraplu op Sjabbat als een issoer de’Oraita beschouwde [een
Tora-verbod], verwees hij naar onze soegia als bewijs van het
tegendeel (Tesjoewot
O.Ch. § 72).
Zoals algemeen bekend is, zijn de 39
melachot gedefinieerd en gekarakteriseerd overeenkomstig de
activiteiten die nodig waren voor de bouw van het Misjkan. Er werden
gordijnen genaaid voor het Misjkan, en dus is het verboden om op Sjabbat
te naaien. Rammen werden geslacht om hun huid te gebruiken als
dakbedekking voor het Misjkan, dus is het verboden om te slachten op
Sjabbat. Het Misjkan werd gebouwd, dus is het verboden om te bouwen op
Sjabbat. De bijzonderheden van iedere melacha worden ook
gedefinieerd door ze te vergelijken met hun basiswerk voor het Misjkan.
In de Jeroesjalmi debateren de
Amoraïem over de vraag of de bouw van iets tijdelijks ook beschouwd
wordt als een overtreding van het verbod op melachet bonee. Mag
men op Sjabbat iets bouwen, waarvan het de bedoeling is dat het weer
wordt afgebroken? Aan de ene kant was het Misjkan een tijdelijk
bouwwerk. Wanneer Bnei Jisraël zich legerde, zetten zij alle onderdelen
in elkaar. Wanneer zij op reis gingen, haalden zij alles weer uit
elkaar. Daar melechet bonee geleerd wordt van het Misjkan, zou
tijdelijke bouw verboden moeten zijn op Sjabbat.
Aan de andere kant is er een reden om
tijdelijke bouw vrij te stellen, namelijk, omdat de beperkte levensduur
ervan aantoont dat het onbelangrijk is. De tijdelijke aard van het
Misjkan was echter geenszins een teken van onbelangrijkheid. Zij zetten
het in elkaar en haalden het weer uit elkaar op bevel van Hasjem Zelfs
als het Misjkan maar voor korte tijd stond, maakte het gebod van Hasjem
het net zo belangrijk als een permanent bouwwerk. Daarom beslsit Rabbi
José dat andere tijdelijke bouwwerken niet belangrijk zijn en de bouw
ervan op Sjabbat geen overtreding is van melechet bonee.
De paraplu is ook een tijdelijke
structuur. En daarom staat het in het centrum van de belangstelling van
dit debat in de Jeroesjalmi. Hoewel de Jeroesjalmi dit probleem niet
oploste, laat de Chatam Sofer zien hoe onze soegia wel tot een
duidelijke conclusie komt. Soteer – afbreken of uit elkaar halen
– is één van de 39 melachot, maar alleen als het een niet
destructief karakter heeft, maar gedaan wordt om opnieuw op te bouwen.
Wanneer afbraak een noodzakelijke voorwaarde is om iets op te bouwen,
dan wordt het beschouwd als een creatieve handeling, zoals bouwen en
dan is het een verboden melacha. Onze Gemara bediscussieert of
afbreken om ergens anders op te bouwen ook een melacha is.
Misschien is er in een dergelijk geval geen verband tussen het afbreken
en opbouwen. De Gemara suggereert een bewijs van het Misjkan: het
Misjkan werd uit elkaar gehaald om ergens anders weer op te bouwen. Dus
afbreken met als doel ergens anders opbouwen, zou als een creatieve
melacha beschouwd moeten worden.
De Gemara verwerpt echter deze
redenering en wijst erop dat het Misjkan werd in en uit elkaar gehaald
op bevel van Hasjem en daarom was de afbraak van belang. Maar dat kan
men niet vergelijken met de afbraak van andere, wereldse bouwwerken, om
die later ergens anders weer op te bouwen.
Wij zien dus, dat de Gemara Rabbi
José’s redenering accepteert, dat het gebod van Hasjem om het Misjkan in
en uit elkaar te zetten er het belang aan geeft. Afbreken op Sjabbat om
iets ergens anders weer op te zetten is vrijgesteld, ook al werd dit
gedaan in het Misjkan
Tijdelijke bouw zou dus ook moeten
worden vrijgesteld. |