|
Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol.
266
van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak |
|
Bechorot Daf
17a – Rabbi Acha bar Ja’akov heeft gezegd: Allebei zijn zij het ermee
eens dat men slaag krijgt voor zijn wol
De
speciale avnet in de Tempel
Werd er in de Tempel een unieke
avnet bewaard, die geweven was van bijzondere wol voor de dienst van
een enkel offer? Minchat Chinoech suggereert deze interssante
mogelijkheid (mitswa
508, ot 6).
De wol van een schaap, geboren uit
een geit: Onze Gemara behandelt de halacha
voor een bechora van een geit, die geboren werd uit een schaap en
een schaap, geboren uit een geit. Onder ander wordt besproken hoe wij de
wol van een schaap, geboren uit een geit moeten beoordelen, als het niet
op zijn moeder lijkt
(zie Minchat Chinoech, mitswa 508, ot 6).
Dit probleem heeft te maken met sja’atnez – is deze wol verboden
te dragen in een kledingstuk waar linnen in zit? En ook met tsietsiet,
en met de onreinheid van nega’iem
(tsara’at)
en het eerste scheerwol
(reisjiet hagez). In al deze gevallen
heeft Tora het over schapenwol en de vraag is dus of de wol van zo’n
dier als schapenwol beschouwd moet worden. De Gemara antwoordt dat er
een speciale derasj is voor elk van deze onderwerpen, waarvan wij
leren dat wol die veranderd is, niet is inbegrepen in de wol die Tora
eist voor elk van de voornoemde halachot.
Tora beval om de avnet –
gekleurde gordel – die de kohaniem droegen, te weven van wol en
linnen (en zo is de
halacha; zie Joma 12b en Rambam, Hilchot Klei HaMikdasj 8:11).
Onze Gemara citeert geen enkele derasja of enige andere bron,
waaruit blijkt dat de kleren van de kohaniem geen wol nodig
hebben die niet veranderd is, zoals van een schaap, dat geboren werd uit
een geit. Minchat Chinoech concludeert daarom dat kleren van een
kohen, die gemaakt zijn van de wol van een schaap dat geboren
werd uit een geit, kosjer zijn voor de Tempeldienst. Hij steunt zijn
mening zelfs op het feit dat Rambam in Hilchot Klei HaMikdasj
niet zegt dat zulke wol ongeschikt is voor de geweven priesterkleding.
Hieruit leren wij dus dat de wol van een schaap, dat geboren werd uit
een geit, niet beschouwd wordt als sja’atnez maar wel geschikt is
om te worden gebruikt als wol voor de kleren van de kohaniem.
Daarom probeert hij een groot
probleem op te lossen dat door Sjaägat Arjee (29) gesteld werd.
Eén van de offers die in de Tempel gebracht werden, is het chatat
van een vogel, dat gebracht wordt als er twijfel bestaat of iemand
gezondigd heeft en dus een chatat moet brengen. Sjaägat Arjee
vraagt hoe een kohen dat mag offeren. Het kan zijn dat de
eigenaar van het offerdier helemaal niet gezondigd heeft en dus geen
chatat hoeft te brengen en dan is de vogel geen offer. Het blijkt
dan dat de kohen een wereldse handeling heeft verricht, terwijl
hij kleren droeg die gemaakt waren van wol en linnen en volgens de
Rambam (Hilchot Klei
HaMikdasj
8:12 en zie de Raävad, ibid,
die het er niet mee eens is), mag de kohen dit
sja’atnez alleen dragen bij de dienst in de Tempel maar niet bij
wereldse handelingen.
Minchat Chinoech
zegt dat we dit probleem kunnen oplossen, als er een speciale avnet
was in de Tempel, die gemaakt was van de wol van een schaap, dat geboren
was uit een geit. Deze wol is niet verboden als sja’atnez, maar
het is geschikt om er de kleren van de kohaniem mee te weven en
de kohen die een twijfelachtig vogel chatat offerde, droeg
dat avnet. |
Bechorot 19 – een Holocaust
monument
Duizenden leren deze week Bechorot daf 19. In de dagen
van de Holocaust werden alle Jesjivot en Batei Midrasj gesloten. Echter
Rav Avremele Weinberg veranderde niets aan zijn dagelijkse schema en
dag en nacht leerde hij door en gaf hij les aan zijn studenten. Iedere
dag verzamelden zich een groepje jongelui in zijn huis om naar
zijn sji’oeriem te luisteren. De heilige atmosfeer deed hen de
naderende Nazi’s vergeten. Toen de situatie in het Warsaw Getto
onhoud-baar werd, kwamen de moordenaars en haalden een voor
een de bewoners weg, en zonden hen
naar de kampen.
Wie een werkvergunning had voor een van de fabrieken,
had „recht om te leven”. De Rav Avremele’s studen-ten wilden hun
Gemara-studie niet opgeven. Zij hadden geen werkver-gunning en zochten
er ook niet naar. Zij wilden hun Tora niet in de steek laten. Volgens de
Duitse wetten waren zij dus „illegaal”.
De broer van Rav Avremele was door de Duitsers
aangewezen als directeur van een Duitse fabriek. Daar kon Rav Avremele
een werkvergunning krij-gen, maar dat weigerde hij. Hij wilde zijn
studenten niet in de steek laten.
Zo zaten ze en leerden, tot op een dag de Nazi´s kwamen
en hen meenamen, naar Treblinka, zonder hen zelfs de tijd te geven om
hun Gemara, die open lag op Bechorot Daf 19, dicht te slaan.
(Uit: Ele Ezkera, een
verzameling van getuigenissen over de massamoorden in 1940-45, deel II,
New York, 1949). |
|
(Echter, de
Minchat Chinoech stelt zichzelf een vraag: wanneer de wol van een
schaap, geboren uit een geit, geschikt is voor de kleren van een
kohen, hoe kan het dan dat de kohaniem kleren mogen dragen
van wol die verboden is in sja’atnez? Een positieve mitswa duwt
een negatieve mitswa alleen opzij als er geen mogelijkheid bestaat om ze
beide in acht te nemen, maar in dit geval kunnen de kohaniem wol
gebruiken van een schaap dat geboren is uit een geit, dat niet verboden
is voor sja’atnez en geschikt is voor de kleren van de
kohaniem. Minchat Chinoech antwoordt dat er twee antwoorden voor
zijn. Het tweede antwoord zegt dat als zij inderdaad die wol van een
schaap, geboren uit een geit hebben, dat zij dan daar hun kleren van
moeten maken. Maar zo’n dier is zeer zeldzaam en zij hebben zulke wol
niet en dus moeten zij hun kleren weven van gewone wol. Maar het
twijfelachtige vogel-chatat-offer mag alleen geofferd worden met
zo een avnet.)
Minchat Chinoech
gaat verder en bespreekt het probleem vanuit verschillende standpunten,
terwijl de auteur van de Misjna Beroera zts”l er geen twijfel
over had en volgens hem is het duidelijk dat wol van een schaap,
dat geboren werd uit een geit,
ongeschikt is voor de kleren van de kohaniem
(Bioer
Halacha 9:1, beg.w. Recheliem). |
Gemara
Daf 19b – Als
iemand een dier koopt van een niet-Jood en hij weet niet of zij al een
eerstgeboren gebaard heeft (zodat haar volgende jong geen bechor is)
of dat zij nog niet voor het eerst gejongd heeft (zodat het jong dat zij
voor de Jood baart een bechor is dat aan de kohen gegeven moet
worden), daarvan zegt Rabbi Jisjmaël: … wanneer het een koe of een ezel is
en zij jongt in haar eerste drie levensjaren (d.w.z. zij was door de Jood
gekocht voordat zij drie jaar oud was en heeft gejongd voor de Jood), dan
behoort dat jong beslist toe aan de kohen.
Een
verandering in de halacha door verandering van de natuur
De Gemara zegt dat een methode
om na te gaan of een kalf of een ezelsveulen een bechor is, is door
vast te stellen of de moeder in haar eerste drie levensjaren is, want, zo
zegt Rabbi Jismaël, een koe en een ezel kunnen voor hun derde levenjaar niet
jongen, dus als zij nu jongt is dat zeker een bechor.
Koeien kalven eerder:
Een boer zal zich zeker afvragen hoe deze informatie strookt met zijn
uitgesproken kennis dat koeien wel degelijk voor hun derde levensjaar
kalven, zelfs ruim voor die tijd. Het blijkt dat niet alleen moderne koeien
zo vlot zijn, maar ook die van 800 jaar geleden beken reeds zo voorlijk te
zijn, want de Tosafot hadden het al moeilijk met dit probleem (Avoda Zara
24b, beg.w. Para): „En men moet bedenken dat het dagelijks gebeurt
dat een twee jaar oude koe jongen werpt.” Het antwoord van Tosafot hierop:
„Men zou kunnen zeggen dat de leeftijd nu kennelijk veranderd is van hoe het
vroeger was.” Met andere woorden, de natuur is veranderd.
Dit is niet de enige
verandering die wij kunnen waarnemen. De Gemara stelt vast (Nida 27a)
dat een geboorte in de negende maand alleen kan plaatsvinden aan het eind
van de maand maar niet in het midden van de maand. Tasjbets merkt op
(Responsa II, 101): „Maar ik heb gezien dat deze zaak in onze generatie
veranderd is.” Hij vindt steun in de voornoemde verklaring van Tosafot, „dat
vele dingen in de natuur veranderd zijn met de verandering van de
generaties.” En inderdaad beslist de Rema (E.H. 156:4) dat in onze
tijd een kind dat in het midden van de negende maand van de zwangerschap
geboren wordt, beschouwd wordt alsof het zal leven (ben kajama)
„omdat de zaak nu veranderd is en zo is het in diverse situaties het geval.”
Het wassen van een kind
op de derde dag na de geboorte:
De Sjoelchan Aroech (O.Ch. 331:9) schrijft zo iets ook
betreffende het wassen van een kind op de derde dag na de geboorte. De
misjna (Sjabbat 134b) zegt: „Men mag een kind op de derde dag,
wanneer die op Sjabbat valt, wassen.” Dat wil zeggen: men mag een vuur
aansteken op Sjabbat om water op te warmen om daar de baby op de derde dag
na de geboorte mee te wassen, want als men dat niet doet, zou het in
levensgevaar kunnen komen. Maar de Sjoelchan Aroech schrijft: „In
Talmoedische tijd was het gevaarlijk als men het kind niet vóór de
besnijdenis, na de besnijdenis en op de derde dag waste… maar nu zijn de
mensen dat helemaal niet meer gewend om te doen” want „het is bekend dat er
geen gevaar meer bestaat” (Beit
Joseef, ibid).
Zout eten na een
maaltijd: Er zijn nog vele
andere voorbeelden. De Gemara zegt (Berachot 40a): „Na iedere maaltijd moet
je zout eten” en zo werd de halacha beslist (Sjoelchan Aroech O.Ch.
179:6): „Wanneer iemand enig voedsel gegeten heeft, maar geen zout… dan moet
hij oppassen…voor askarah (een levensbedreigende keel infectie).”
Maar de Magen Awraham wijst erop (noot 8) dat de natuur in onze tijd
veranderd is en dat er geen reden tot bezorgdheid is (zie Igrot Moshe,
Ch.M. II, 73:ot 4).
Een koe die nog niet gejongd
heeft, geeft geen melk: We besluiten met een
voorbeeld van het tegenoverge-stelde, waar wij zouden zeggen dat de natuur
zeker veranderd is, maar waar de auteur van Troemat HaDesjen met zijn
Tora-wijsheid het tegenovergestelde begreep. Onze Gemara noemt een ander
teken waaraan te herkennen is of een dier reeds voor de eerste maal gejongd
heeft: de meeste dieren geven geen melk voordat zij voor de eerste keer
jongen hebben gebaard. Er zijn verschillende meningen in de Gemara over de
vraag of wij aandacht moeten besteden voor die minderheid van de gevallen
waar dieren wel melk geven voordat zij gebaard hebben. Ook in de halacha is
er een verschil van mening en sommige Risjoniem (zie Tosafot, beg.w.
Chalav; Rosj, hfdst. 3, § 2) beslissen overeenkomstig de strenge
mening dat men rekening moet houden met de minderheid en daarom, zelfs al
geeft een dier volop melk, mag men hier niet op vertrouwen dat dit een
bewijs is dat het al eens gejongd heeft. Misschien hoort het tot de
minderheid die melk geeft voordat het gejongd heeft.
Het onderzoek door de
schrijver van Troemat HaDesjen: In zijn
Responsa (I:271) schrijft hij: „Ik heb vele Joden en niet-Joden gevraagd,
mannen en vrouwen, of zij ooit een koe hadden gezien die melk gaf, voordat
zij voor de eerste keer gekalfd had en niemand van hen had dat ooit gezien.”
Hij concludeert daarom: „We kunnen zeggen dat hun dieren anders zijn dan de
onze.” Hij had ogenschijnlijk zijn onderzoek moeten besluiten met de
conclusie dat kennelijk de natuur veranderd is. Maar hij schrijft: „Hij
lijkt in het geheel niet juist om toe te geven aan deze redenering en te
vertrouwen op ons onderzoek, dat tegenstrijdig is aan dat wat de Talmoed als
juist accepteert en te zeggen dat de natuur in onze tijd veranderd is.”
Niet alles dat
men niet waarneemt, bestaat niet:
Een bewezen verandering in de natuur is niet hetzelfde als een onbewezen
verandering. Wanneer wij een tweejarige koe zien kalven, dan is de
natuur kennelijk veranderd. Wanneer wij niet zien dat koeien melk
geven voordat zij kalven bewijst dat niets: misschien bestaan zulke koeien
wel maar zien wij ze niet.
|