|
Voedsel
dat zelf gevaarlijk is wordt nog niet door duizend delen
geneutraliseerd, want het gevaar bestaat nog steeds. Maar bij voedsel
waarvan het gevaar voortkomt uit het mengsel geldt dat als de smaak
van de vis niet meer in het vlees te herkennen is, dan is er geen
mengsel meer en dus is er ook geen gevaar meer.
Onze soegia haalt
een incident aan waarbij Rabbi Jochanan betrokken was, waarbij een vis
kilchis genaamd, in een pan met vlees viel. Hij besliste dat
als de vis geïdentificeerd kon worden en uit de pan met vlees kon
worden verwijderd en wanneer er dan geen spoor van de vissesmaak meer
te bespeuren viel in het vlees, dat vlees gegeten mocht worden. Wij
hebben dus een sterke vraag op de mening van de Taz, die meent
dat een mengsel van vlees en vis gelijk staat aan slangegif, dat
nimmer geneutraliseerd kan worden. Want als dat zo is, wat de Taz
schrijft, waarom stond Rabbi Jochanan het mengsel dan toe?
De Chatam Sofer
die deze vraag stelde [zie
Responsa Meisjariem III:39] verklaart onze
Gemara op een wijze die de basis onder de vraag vandaan haalt:
Alleen kosjere
vis vormt een gevaar in een mengsel:
Let op, de vis die gemengd met vlees een gevaar vormt, is alleen
kosjere vis, maar als niet-kosjere vis met vlees vermengd wordt, vormt
het geen gevaarlijk voedsel [zie
ibid, dat hij dit bewijst uit de Ran in Avoda Zara 35a].
Onze vraag is dus alleen relevant zolang als wij aannemen dat de
kilchis kosjer was en sommige Risjoniem leggen dat ook zo
uit [Rasji: Avoda Zara en
Ran 39b; Rambam, zoals uitgelegd in Beit Joseef
83 en in de Sjach ibid, n. 18]. Echter
Rasji zegt [bw. Kilchis]
dat het een niet-kosjere vis is. Rabbi Jochanan hield zich bezig met
verboden voedsel, niet met gevaar; verboden voedsel wordt volgens
iedereen geneutraliseerd in 60 maal zoveel.
Wij benadrukken dat
de meeste poskiem beslissen dat in een mengsel van vlees en vis
het vlees of de vis geneutraliseerd wordt in 60
[Sjemirat HaGoef Wehanefesj 1:4].
Bestaat
het gevaar van een mengsel van vlees en vis nog altijd?
Ter conclusie schrijven de poskiem dat wij in onze tijd niet
zien dat het eten van vlees en vis samen tsara’at veroorzaakt.
Sommige poskiem zeggen dat het mogelijk is dat de natuur
veranderd is en dat het mengsel vandaag de dag niet schadelijk meer is
[zie Mageen Awraham 173, n. 1 en Misjna Beroera, ibid,
n. 3].
Volgens sommige meningen is slechts één bepaalde vis gevaarlijk
wanneer die met vlees vermengd wordt en dat is de binitha
[zie Sjemirat HaGoef Wehanefesj 1:1; zie verder over vlees en
vis in Meorot HaDaf HaYomi, Kiddoesjien 75a, in het artikel:
„Dieren die vergif eten”] [Een binitha is volgens Klein’s
Ethymological Dictionary of the Hebrew Language een „Barbel”, of in
het Nederlands een „Barbeel”, een kleine, aas-etende vis die behoort
tot de karperachtigen (Zwi).]
Gemara Daf
98b: Volgens Tora wordt iets door een meerderheid geneutraliseerd
Een
mitswa lamehadrin doen met een etrog die passoel
is
Vele soegiot
behandelen de halachot van mengsels van toegestane en verboden
artikelen, net zoals in onze soegia. In een mengsel van voedsel
dat verboden en voedsel dat toegestaan is, geeft de meerderheid de
doorslag en de minderheid wordt geneutraliseerd [batel] door de
meerderheid. Wanneer het kosjere voedsel de meerderheid vormt, is het
hele mengsel toegestaan voor consumptie [zie Sjoelchan Aroech J.D.
109:1]. Een paar fascinerende vragen werden gesteld aan de leiders van
de generaties en die helpen ons de definitie van deze regel nader op
te helderen.
Kosjere en
gediskwalificeerde tsietsiet die met elkaar vermengd raken:
Er werd aan de auteur
van ‘Oneg Jom Tov gevraagd (§4) wat men moet doen met een
stapel identieke tsietsiet-draden, waarvan de meerderheid
lisjma geweven was [ten behoeve van de mitswa] [zie Sjoelchan
Aroech O.Ch. 11:1] maar waarvan sommige draden niet lisjma
geweven waren en dus passoel waren. Kunnen wij in een dergelijk
geval ook zeggen dat het mengsel gebruikt mag worden daar de
minderheid van de tsietsiet batel is door de kosjere
meerderheid?
Matsot die niet
voor de mitswa gebakken zijn en vermengd raakten met matsot
lamehadrin: Een
ernstig probleem werd aan HaGaon Rav Naftali Zwi van Volozhin zt”l
voorgelegd [Responsa Mesjiev Dawar O.Ch. 34] over een stapel
matsot die voor de mitswa van Pesach gebakken waren en waar één matsa
tussen verzeild was die niet lisma gebakken was. Kunnen wij
zeggen dat die ene matsa onbelangrijk is in de meerderheid van matsot
en dat men alle matsot kan gebruiken voor de mitswa op Seder-avond?
Een gediskwalificeerde
etrog die vermengd raakte tussen etrogiem mehoedariem:
De Rabbijn van Kazimirov [geciteerd in
Sja’arei Josjer, Sja’ar 3, hfdst. 15] werd met een
soortgelijk probleem geconfronteerd: dozij-nen
dure etrogiem waarop twijfel van hun kasroet was
gevallen. De pittom van een etrog mehoedar was
afgevallen en de etrog werd daardoor dus onbruikbaar. Later
kwam de etrog terecht in een doos vol met etrogiem die
nimmer een pittom gehad hadden en hij kon er niet meer in
worden teruggevonden. Mogen wij deze etrogiem gebruiken?
Als iets
verdwijnt in een meerderheid, geeft dat dan een nieuwe definitie aan
de minderheid? Deze
drie gevallen vertegenwoordigen een aantal gelijksoortige gevallen in
de halachische werken en vragen ons de bron van de regel bitoel
berov [geneutraliseerd worden door de meerderheid] nader te
onderzoeken. De twijfel is of bitoel berov nieuwe halachot kan
creëren of misschien alleen maar oude halachot kan verwijderen. Tot
nu toe weten wij dat verboden voedsel dat vermengd raakte met kosjer
voedsel zijn verbod verliest wanneer het verdwijnt in de meerderheid,
op grond van bitoel berov. Let op! Wij geven geen heter
[toestemming] aan het verboden voedsel, maar verwijderden het verbnod
erop en als gevolg daarvan, is het toegestaan het te eten. Echter in
boven ge-noemde drie gevallen willen we een
nieuwe halacha toepassen op de verboden minderheid. Wij willen de
afge-keurde etrog kosjer verklaren, we
willen dat een matse, die niet voor de mitswa gebakken werd, de status
van lisjma geven en we willen de onbruikbare tsietsiet
bruikbaar verklaren, een status die zij geen van allen ooit gehad
hebben
[Het verboden voedsel wordt
vermengd met het toegestane voedsel en vormt daar een te verwaarlozen
onderdeel van en het wordt samen met het toegestane voedsel gegeten.
Echter degene die, zonder dat te weten, de etrog zonder
pittom koopt, doet zijn mitswa met, en zegt de beracha voor een
etrog waarvan de pittom is afgevallen! En met een
dergelijke etrog kan men de mitswa niet doen en de beracha is
dus een nodeloos uitgesproken beracha, waarbij de naam van Hasjem ten
onrechte gebruikt werd. Of is de etrog nu, doordat hij tussen
andere, wel kosjere etrogiem terecht is gekomen, plotseling
kosjer geworden? (Zwi)].
De poskiem
verschillen van mening over dit probleem De auteur van ‘Oneg Jom
Tov bepaalde dat bitoel berov inderdaad oude halachot
annuleert maar geen nieuwe halachot kan toepassen
[en de tsietsiet
werden afgekeurd]. Aan de andere
kant besliste de Netsiv dat „volg de meerderheid” in alle gevallen
geldt, zelfs wanneer het gaat om het maken van nieuwe halachot!
[en de matsot
werden goedgekeurd.
Zie Sja’arei Josjer,
die hier dieper op ingaat.]
Daf 99b –
En de halacha is dat zenuwen geen smaak hebben
De
smaak van de gid hanasjee
„De halacha is dat zenuwen
geen smaak hebben.” Dit is de conclusie van een lange discussie in de
Gemara over de vraag of de gid hanasjee smaak heeft of niet.
Met andere woorden, de gid hanasjee verbiedt ander voedsel
niet, waarmee het samen gekookt werd, want het heeft geen smaak en er
is dus ook geen verboden smaak in het mengsel gekomen.
Het eerste punt dat
de aandacht verdient is dat wat wij geleerd hebben
[in Pesachiem 24b],
dat iemand niet gestraft wordt met geseling voor het eten van iets
ongewoons, zoals iemand die verboden vet [chelev] rauw gegeten
heeft, die is vrijgesteld van geseling. Daarom, aangezien de gid
hanasjee geen smaak heeft, is het ongewoon om het te eten. Waarom
wordt dan iemand die het toch eet, gestraft met geseling?
[Zie Rambam,
Hilchot Maächalot Assoerot 8:2].
Het antwoord is dat het verbod op het eten van de gid hanasjee
een speciaal verbod is van Tora en het is een uitzondering, zoals de
Gemara zegt: „Het is als hout, maar Tora heeft het verboden.”
[Zie Prie Megadiem,
Peticha Kolelet Lehilchot Pesach, II, hfdst. 2:2, dat wanneer
men iets onnatuurlijks eet, men is vrijgesteld van straf].
Wij vervolgen met een
halacha die Rambam noemt en die vele Acheroniem heeft bezig
gehouden. Rambam zegt
[Hilchot Maächalot
Assoerot 8:6] dat iemand die de
gid hanasjee eet van een nevela
[een niet-geslacht dood
dier] gestraft wordt met twee
series zweepslagen omdat hij twee overtredingen tegelijk begaan heeft:
hij heeft gid hanasjee en nevela gegeten. De vraag is
waarom hij ook het verbod op het eten van nevela overtreden
heeft. Het is duidelijk dat wanneer de gid hanasjee niet
verboden was geweest [of wanneer hij een andere zenuw van de nevela
gegeten had], hij in het geheel niet gestraft zou zijn, ook niet voor
het eten van nevela, want het is iets onnatuur-lijks
om de gid hanasjee [of een andere zenuw] te eten [want ze zijn
oneetbaar]. Wij moeten daarom begrijpen hoe het verbod op gid
hanasjee het verbod op nevela aantrekt.
Vele
Acheromiem
[zie Or Sameach, ib.
en Kreiti Oefleitie 65, n. 2]
lossen het probleem op door te zeggen dat uit het feit
dat Tora hem straf geeft als hij de gid hanasjee eet, blijkt
dat Tora het eten van de gid hanasjee als consumptie beschouwt,
ondanks dat het onnatuurlijk is om een zenuw te eten en daarom
overtreedt hij eveneens het verbod op nevela.
De auteur van
Minchat Chinoech lost het probleem op de volgende manier op
[Mitswa 281, n. 7]: Als iemand verboden voedsel eet, dat normaliter
niet gegeten wordt, zeggen wij niet dat doordat hij het gegeten heeft,
hij getoond heeft dat hij het op een normale manier ook zou eten, want
wij veronderstellen niet dat hij een rasja is [een moedwillige
zondaar], zolang als wij daar geen bewijs voor hebben. Daarom, als wij
zien dat iemand rauw verboden vet eet, dan veronderstellen wij dat hij
geen belang hecht aan rauw vet als voedsel, want als hij er wel belang
aan hechtte, zou hij het zeker niet gegeten hebben en daarbij het
verbod hebben overtreden. In tegendeel, hij eet het alleen maar omdat
het geen behoorlijk voedsel is voor hem.
Deze
pilpoel geldt niet voor iemand anders die de gid hanasjee
eet daar wij zien dat hij de gid hanasjee, die door Tora
verboden is, in elk geval eet, zelfs als hij er geen belang aan hecht.
Daarom geeft hij door het te eten blijk dat hij belang hecht aan het
voedsel en hij beschouwt het als eetbaar en zo legt hij de grondslag
voor het verbod op nevela
[zie
daar, dat hij zijn bewering baseert op Rambam, Hilchot Sjewoe’ot
5:5, volgens de Lechem Misjnee].
De Minchat Chinoech eindig ermee, met te zeggen dat hij deze
chidoesj in zijn jeugd aan de Gedoliem vertelde, die hem
daarvoor prezen. |