|
Daf 25b: Rava heeft gezegd: Er werd
geleerd in een Beraita [aangaande het Pesach offer, dat het moet zijn]:
Een jong schaap of geitje zonder gebrek, mannelijk, onder het jaar zal
het zijn�, [dat betekent] dat het onbeschadigd moet zijn en onder een
jaar op het tijdstip van het slachten. Vanwaar [leer ik] dat bij het
opvangen [van het bloed], bij het brengen [van het bloed naar het altaar]
en bij het gooien [van het bloed tegen het altaar hetzelfde geldt]? Omdat
er in Tora staat: het zal zijn , [dat wil zeggen] bij alles wat
het zal zijn, zal het onbeschadigd en onder een jaar zijn.
De leeftijd van
het offerdier: een oorzaak of een aanwijzing?
De Tora zegt dat wij
geen jong schaap of geitje van ouder dan een jaar mogen offeren.
Chazal legt nog andere beperkingen van leeftijd op ander dieren: twee
jaar voor een ram en drie jaar voor een stier
[zie Para, hfdst. 1].
Hoe moeten wij
een gigantisch lam van één dag oud beschouwen?
Een interessante vraag wordt doorgaans
gesteld in batei midrasj: Zijn deze leeftijd beperkingen een
reden � een oorzaak, d.w.z. een beperkende ver�eiste, of een siman
� kenmerk van het offerdier? Met andere woorden, wil Tora dat een bepaald
offerdier in zijn eerste jaar geofferd wordt en een ander niet als het
ouder is dan drie jaar of bedoelt Tora de fysieke ontwik�keling van het
offerdier door middel van de leeftijd? Dat wil zeggen, dat wij een
bepaald offer alleen kunnen brengen met een jong en teer diertje en het
dier beantwoordt aan die eigenschap tot zijn eerste verjaardag, en mogen
wij andere offers brengen met een volwassen dier en met drie jaar is het
zeker volwassen. Wij kunnen deze vraag
ook anders formuleren: Hoe moe�ten wij een volledig volgroeid lam
bezien, geschapen met de Sefer Jetsira, wanneer het op de dag van
zijn schepping eruit ziet alsof het drie jaar oud is? Moet het beschouwd
worden als één dag oud, overeen�komstig zijn leeftijd, of als een
volwassen dier, overeenkomstig zijn fysieke eigenschap�pen
[Met andere woorden, wanneer de
�scheppers� van het gekloonde schaap Dolly, of iemand anders, erin zouden
slagen een schaap te maken dat op de dag dat het begint te leven reeds de
vorm en afmetingen heeft van een schaap van drie jaar, moeten wij dat dan
beschouwen als een schaap van een dag oud of van drie jaar oud]?
Wel uit onze gemara blijkt de leeftijd
een vereiste is en niet een indicatie voor zijn eigenschappen. Ten slotte
leert onze soegia dat een jong schaap of geitje dat in zijn eerste
jaar geslacht wordt, gediskwalificeerd wordt als offerdier, wanneer zijn
geboorte datum passeert tussen de tijd dat het ge�slacht wordt en dat
zijn bloed gesprenkeld wordt. En het is duidelijk dat het diertje, nadat
het geslacht is, zich fysiek niet meer verder ontwikkelt en toch wordt
het daarna beschouwd al een jaar oud. Daarom is de leeftijd van het
offerdier alleen de hoeveelheid tijd die verlopen is sinds zijn ge�boorte
en niet een aanwijzing voor zijn ontwikkeling
[Betreffende de moge�lijk�heid om een dier
te offeren dat geschapen werd met behulp van de Sefer Jetsira, zie
Meorot HaDaf HaJomi nr. 181].
Daf 31b:
Als iemand van plan is de hoeveelheid van een kezajit [van een
offer] te eten in meer dan de tijd voor achilat pras, hoe is dan
[de wet]?
Als
iemand constant op iets kauwt, is hij dan beperkt door kedei achilat
pras?
Onze
gemara behandelt het onderwerp van piĝoel, d.w.z. als een kohen,
terwijl hij één van de �avodot
[diensten]
van een offer verricht, zegt dat hij het vlees ervan niet zal eten binnen
de tijd die de Tora ervoor voorschrijft. Hij maakt daarmee het offer
ongeldig en wie het dan nog eet is kareet schul�dig. Rava drukt
zijn twijfel uit in onze soegia over een offer, waarvan de
kohen zegt dat hij het niet binnen de voorgeschreven tijd zal eten
maar gedurende een tijd die langer is dan kedei achilat pras.
[De mening dat het
piĝoel wordt door wat de kohen zegt, is van Rasji en
Tosefot op daf 4b,11b, etc. Betreffende de mening van de Rambam in
Hilchot Pesoelei Hamoekdasjien 13:1, schrijft de Misjnee Lamelech
dat het zelfs door gedachten kan worden aangetast. Wij zullen daar, B.H.
in komende nummers aandacht aan besteden].
In ons
laatste nummer op Seder Nezikien (Hearot HaDaf nr. 15) hebben wij
de tijd behandeld die bekend staat als kedei achilat pras en
vermeld dat er acht meningen zijn voor de definities daarvan. Wij
herhalen hier dat kedei achilat pras de tijd is dat iemand iets in
één handeling eet. Daarom, iemand die een kezajit matsa eet binnen
deze tijd op de Seder avond, doet demitswa en iemand die een kezajit
van een verboden voedsel eet binnen deze tijd is zweepslagen schuldig. In
dit artikel zullen wij ons concentreren op de criteria die gelden voor
deze hoeveelheid en in het volgende artikel zullen wij het definiëren.
Het is duidelijk, dat aangezien
Tora ons gebiedt een kezajit matsa te eten op de Sederavond en een
kezajit brood op de eerste avond van Soekot, wij dat in één
handeling moeten opeten. De tijd die het duurt op een kedei achilat
pras te eten, is overgeleverd van als een �halacha van Mosjé van
Sinai�, en is de maximale hoeveelheid tijd die het duurt waarin iemand de
kezajit eet, zelfs al eet hij het stukje bij beetje. Laten wij
eens kijken naar iemand die constant op een kezajit matsa kauwt
gedurende langer dan de tijd dat nodig is voor kedei achilat pras.
Aan de ene kant is de tijd voor kedei achilat pras voorbij gegaan
en heeft hij dus niet de mitswa gedaan.
Aan de andere kant kan het zijn dat als iemand constant eet, dat
beschouwd moet worden als één handeling, ondanks dat de tijd voor
kedei achilat pras voorbij is gegaan, omdat extra tijd nodig is
voor het eten met tussenpo�zen. Maar iemand die continu eet, heeft
mogelijk geen kedei achilat pras nodig, want hij eet gewoon een
kezajit matsa! Dat is inderdaad de mening van HaGaon Rav S. Eiger
zt�l
[Sefer
Ha�Ikariem, Berachot,
esjkol 4], maar
de meeste poskiem zijn van mening dat men zich aan kedei
achilat pras moet houden onder alle omstandigheden.
[Zie Mageen Awraham 475,
n. 15; Misjna Beroera, Sja�ar
HaTsioen 210:9;
Loeach Birchot Haneheniem door de Ba�al
HaTanja, 2:2;
Chazon Iesj, Koentres Hasjie�oeriem,
S.K. 18].
Daf 31a:
Als iemand de bedoeling had om een kezajit [van een offer] te
laten eten door twee mensen, [buiten de gestelde tijd en plaats,] ieder
een halve kezajit, hoe is dan de wet?
Kiddoesj op vrijdagavond, piĝoel en een kezajit matsa
Kiddoesj?
We hebben het niet vergeten. We zullen spoedig terugkeren naar kedei
achilat pras, maar wij beginnen met een halacha die genoemd wordt in
de Misjna Beroera over kiddoesj op Sjabbat. Men moet genoeg van de
kiddoesjwijn drinken zodat zijn wang vol is
[melo
loeĝmav � iets meer
dan de helft van een reviïet voor de meeste volwassenen].
Volgens sommige poskiem hoeft degene die de kiddoesj uitspreekt
niet die hoeveelheid te drinken, maar is het voldoende wanneer alle
aanzittenden die deelnemen aan de kiddoesj bijelkaar die hoeveelheid
drinken. De halacha heeft deze moge�lijkheid als eerste voorkeur
[lechatchila]
verworpen, maar als iemand dat doet heeft hij, als het eenmaal gebeurd
is, de mitswa gedaan [bedi�avad].
Maar de Misjna Beroera [271:73] waarschuwt dat wel alle deelnemers
van de wijn moeten drinken binnen de tijd dat het duurt kedei achilat
pras.
De auteur
van Afikei Jam zt�l
[II, 2] verwierp deze regeling ten sterkste en zijn vraag legt de wortels
van kedei achilat pras bloot en dient zorgvuldig te worden
gelezen: Het gebod van Tora om een kezajit matsa te eten op Pesach
geldt alleen voor de persoon. De matsa hoeft niet gegeten te worden,
maar de persoon moet het eten. Aan de andere kant, de mitswa om wijn
te drinken voor de kiddoesj rust op de wijn die gedronken moet
worden om gewicht te geven aan de beracha. Dat is de reden dat wanneer
een aantal mensen gezamelijk melo loeĝmav drinken, zij bedi�avad
de mitswa hebben uitgevoerd, want het doel om gewicht aan de beracha te
geven is ook daarmee vervuld.
Nu wij dit
begrijpen, kunnen wij het eten van twee gezichtspunten uit bekijken � de
persoon die eet en het voedsel dat gegeten wordt � de Afkei Jam
verbaast zich dat wij in de Talmoed vinden dat kedei achilat pras
het eten combineert van iemand die geboden is te eten, maar dat wij niet
vinden dat het kan veroorzaken dat voedsel dat gegeten moet worden en
gegeten wordt door een aantal personen binnen kedei achilat pras
daarom beschouwd wordt als te zijn gegeten binnen één handeling.
HaGaon Rav
Sjlomo Berman [Asjer
Lisjlomo, 2de
ed.] overweegt dit pro�bleem en brengt een bewijs van onze soegia
voor de regeling van de Misjna Beroera.
|
Iemand was eens veroordeeld tot een langdurige
gevangenis�straf. Overtuigd van zijn onschuld, pro�beerde hij vanaf de
eerste dag zijn vrijheid te herkrijgen. Hij pro�beerde een tunnel onder
de muur door te graven, de muur te verzet�ten en zijn ijzeren ketenen te
ver�breken, maar niets hielp. De vol�gende
ochtend kwam een goe�de vriend hem in zijn cel opzoeken en de
gevangene beschreef zijn eerste nachtelijke ontsnappings�pogingen. Zij
vriend zei: �Je enige kans om hier uit te komen is de sleutel van je cel,
die de bewaker heeft. Probeer hem te spreken en bewijs je onschuld.
Misschien laat hij je vrij.�
Die avond stond
de gevangene bij zijn deur en wachte vol spanning op de komst van
de bewaker.Hij riep hem toe: �Alstublieft, mijn�heer, open mijn cel en
laat mij vrij, ik ben onschuldig.� De bewa�ker was onder de indruk van de
slimheid van gevangene, maar leg�de hem uit dat hij hem niet kon
helpen. Hij had slechts de beve�len
van zijn commandant uit te voeren.
�Praat eens met mijn baas,� advi�seerde hij, �hij kan je beter hel�pen.�
De gevangene bedankte de wacht en vroeg hem een goed
woordje voor hem te doen bij de comman�dant voor een ontmoe�ting. Maar de
commandant had het druk en het duurde een paar maanden voordat hij naar
de cel van de ge�vangene kwam kijken. Toen hij het vezoek om te wor�den
vrijge�laten hoorden, antwoord�de de commandant dat dit niet van
hem afhankelijk was. �Ik volg alleen mijn orders van boven op.�
�Van wie krijg jij je orders?� vroeg de gevangene.
�Van de minister van Justitie�.
Dus vroeg de gevangene een gesprek aan met de
Minister van Justitie.
Een jaarging voorbij en op een dag kwam de Minister
de gevan�ge�nis bezoeken. De commandant herinnerde zich het verzoek van
de gevangene, en de minister kwam naar
zijn cel toe. �Alstub�lieft mijnheer,� smeekte de gevange�ne �laat
mij vrij want ik ben on�schuldig.� Maar de minister legde hem beleefd uit
dat hij gevangen zat ingevolge de wet en dat de minister de wet moest
gehoor�zamen.
�Is er dan helemaal geen kans voor mij?� vroeg de
gevangene wanhopig.
�Jawel,� zei de minister, �de Koning kan je gratie
geven.�
�Wilt u dan voor mij
pleiten bij de Koning?� vroeg de
gevangene. En dat beloofde de Minister, want in beloven was hij
zeer goed. Maar de minister zag de
Koning niet da�gelijks, en als hij hem sprak, spra�ken zij over
belangrijkere zaken.
Jaren gingen
voorbij en de ge�vangene werd de oudst beken�de gevangene.
Op een dag was het een drukte van belang in de
gevangenis. Schoonmakers maakten iedere hoek in de gevangenis blinkend
schoon, schilders kwamen de smerige muren wit schilderen en timmerlui en
andere werklieden kwamen allerlei reparaties verrichten. De Koning werd
verwacht!
De Koning, begeleid door de Minister, werd opgewacht
door een fanfare en de commandant van de gevangenis. Plotseling
herinnerde de Minister zich de gevange. Hij vroeg de commandant hen naar
de cel van de gevangene te leiden, en de commandant bracht hen naar
�grootvaders cel�. Toen de ontmoeting
plaatsvond, riep de gevange ver�baasd
uit: �O mijn Koning, U kent
mij wel, U bent mijn jeugdvriend, herinnert U zich dat? Alstublieft, help
mij hier uit.�
Het bleek dat zij
inderdaad, lang geleden in hun jeugd samen goed bevriend waren, maar de
lange en moeilijke tijd had dat de gevangene dat doen vergeten. Als hij
zich met zijn verzoek reeds in het begin met een brief tot de koning had
gewend, zou hem een lange gevangenis gespaard gebleven zijn.
Hoe vaak
herinneren wij ons pas op latere leeftijd, als wij in moeilijkheden
zitten, de Koning van onze jeugd, nadat wij eerst anderen gevraagd hebben
voor ons bij Hem te bemiddelen.
|
|
Zoals in
het vorige artikel reeds vermeld, behandelt onze soegia de
halachot van piĝoel: wanneer een kohen zegt, wanneer hij
het offerbrengt, dat het vlees ervan niet binnen de door Tora gestelde
tijd zal worden gegeten, dan maakt hij daarmee het offer ongeldig. Maar
onze gemara heeft twijfels voor het geval dat een kohen zegt dat
een kezajit van het offervlees gegeten zal worden na de juiste
tijd door twee mensen. Aan de ene kant zegt de kohen dat
een kezajit gegeten zal worden buiten de vastgestelde tijd en dat
is piĝoel. Aan de andere kant eet geen van de twee personen een
kezajit en het Tora verbod geldt voor het eten van een kezajit.
De gemara besluit dat de kohen het offer ongeldig maakt omdat hij
van het vlees zegt dat een kezajit ervan gegeten wordt niet zo als
het hoort.
De
gemara heeft nog een ander probleem: Hoe zit dat met een offer waarvan een
kohen denkt dat het zal worden
gegeten door één persoon over een periode die langer duurt dan een
kedei achilat pras?
Zijn twee
beter dan één?
Ogenschijnlijk zouden wij geen twijfel moeten hebben. De gemara heeft
zojuist vastgesteld dat de gedachte over een kezajit vlees die
gegeten wordt door twee mensen na de toegemeten tijd piĝoel
is. Is het niet duidelijk dat de gedachte aan één persoon, die na de
toegemeten tijd een kezajit vlees eet, het piĝoel maakt, zelfs
als hij er lan�ger over doet dan kedei achilat pras? Worden de
handelingen door één persoon verricht als meer gescheiden beschouwd dan de
handelingen van twee personen?
[Zie Sefat Emet en
Chidoesjei HaGriz op onze soegia].
Het is
duidelijk dat iets in de handeling van twee personen hun eten ver�enigt, in
tegenstelling tot het eten van één persoon dat langer duurt dan kedei
achilat pras. Wij moeten daarom concluderen dat de twee personen een
kezajit eten binnen de tijd van kedei achilat pras. Op deze
manier verenigt hun manier van eten zich, zodat de kezajit op tijd
gegeten wordt, zij het niet door één enkel persoon. Aan de andere kant,
iemand die een kezajit eet en daar langer over doet dan kedei
achilat pras, die verdeelt de tijd voor kedei achilat pras. We
kunnen nu niet zeggen dat hij de kezajit binnen de
vastgestelde tijd gegeten heeft, noch dat een kezajit gegeten
werd binnen de vastgestelde tijd.
Daarom is de beslissing van de
Misjna Beroera correct: deelnemers aan een kiddoesj moeten de wijn
drinken binnen de gestelde tijd van kedei achilat pras. Dan
combineren wij hun drinken en zeggen dat een melo loeĝmav van de
beker wijn binnen de gestelde tijd gedronken was
[zie verder in Sjer Lisjomo,
dat zelfs als wij beslissen dat overschrijding van kedei achilat pras
piĝoel veroorzaakt, zoals Rambam beslist, dit nog geen invloed op de
kiddoesj heeft].
Daf 32b: Daar
hij bevrijd was [van het verbod op grond] van zijn tsara�at
om [het Tempelplein] binnen te gaan, was hij ook bevrijd [van het verbod op
grond] van zijn zaadlozing om [het Tempelplein] binnen te gaan.
Aangezien
het is toegestaan, is het toegestaan
In onze
gemara maken wij kennis met een bekende Talmoed-regel: �aan�ge�zien het is
toegestaan, is het toegestaan.� Deze regel bepaalt, dat als iets dat
verboden was, wordt toegestaan om te doen, dan worden andere verboden die
daarbij betrokken zijn, ook toegestaan. In onze soegia wordt deze
regel tot uitdrukking gebracht door het geval van een metsora:
on�danks zijn onreinheid staat de Tora hem toe op de achtste dag van zijn
rei�niging zijn duimen in de machanee sjechina te steken [de
binnenste ruimte van de Tempel, die begint bij het Ezrat Jisrael] en
aangezien het verbod dat rust op de onreinheid van de tsara�at hier
wordt opgeheven, worden andere onrein�heden die op hem rusten, zoals de
onreinheid van een zaadlozing ook opgeheven. Deze regel is op veel
soegiot van toepassing en wij zullen hier de principes opnoemen.
Melk op
Pesach van een koe die chameets gegeten heeft:
Een wel�bekend halachisch probleem
betreft het drinken van melk op Pesach die afkomstig is van een dier dat
chameets gegeten heeft. Wij zullen ons niet bezighouden met de actuele
vraag of de melk te beschouwen is als cha�meets
[zie Misjna Beroera 448:33;
Mageen Avraham 445; Sedei Chemed, Ma�arechet Chameets
Oematsa 5:4 die uitweidt over de meningen; Responsa Torat Chesed,
O.Ch. 21; Responsa Chelkat Joav, 2de ed., 20; Responsa
Igrot Moshe, O.Ch. I, 147],
maar met een briljante oplossing die gesuggereerd wordt door de Chajei
Adam [in Nisjmat Adam,
Tesjoevot Behilchot Pesach 10:15].
Als de Tora ons niet toe�ge�staan had om melk te drinken, dan zou het
verboden zijn geweest, hetzij omdat het uit bloed voortkomt, dat niet
gedronken mag worden, òf omdat het beschouwd wordt als een lichaamsdeel van
een levend dier [zie
Bechorot 6b]. Daarom,
ingevolge de regel: �aangezien het is toegestaan, is het toe�gestaan�, is er
niets simpeler dan toe te staan melk te drinken van een koe die chameets
heeft gegeten. Daar het verbod om melk te drinken toege�staan is, moeten wij
ook het verbod van chameets dat daarmee verbonden is, toestaan.
Echter de
auteur van Torat Chesed verwerpt dit idee ten sterkste, omdat deze
regeling niet alles omvattend is. Niet altijd omvat de permissie, om iets
wat verboden is, toe te staan, ook alle andere verboden. We zullen hier drie
uitzondering opnoemen, die het gebruik van deze regel beperken: (1) Volgens
Rava in onze soegia is de regel niet geldig als het eerste verbod
volledig is toegestaan. De regel is geldig alleen als de reden voor het
eerste verbod bestaat, maar Tora het desalniettemin toestaat
[Kovets He�arot 10, ot
1,en zie Tosafot Rabbi Akiva Eiger op Jevamot Ch. 1, ot 3].
(2) De regel is alleen maar geldig als de permissie voor het eerste verbod
aan het tweede voorafging
[Jevamot 8a en zie Kovets He�arot 11 voor de reden; daarom, als de
metsora op de zevende dag van zijn reiniging onrein wordt door
een andere onreinheid, is die onreinheid niet toegstaan, daar hij zijn
duimen pas op de achtste dag in de machanee sjechina mag steken].
(3) De regel is alleen van toepassing als de verboden dezelfde naam dragen,
zoals in onze soegia, waar een andere onreinheid is toegevoegd
aan de onreinheid van de tsara�at
[Responsa Rabbi Akiva Eiger
aan het eind van Deroesj Wechidoesj 4; Responsa Achi�ezer, I,
4 ot 4].
De
suggestie van Chajei Adam wordt door deze drie beperkingen
tegenge�spoken: (1) In dit geval staat de Tora de melk volledig toe, er
wordt geen verbod opgeheven; (2) In dit geval ging het tweede verbod � de
chameets � vooraf aan de permissie van het eerste, want de chameets
was reeds in de maag van het dier voordat het melk werd; (3) Het verbod op
bloed of een lichaamsdeel van een levend dier heeft niet dezelfde naam als
chameets, zoals de onreinheid van tsara�at en de onreinheid
van een nachtelijke zaadlozing, die in onze soegia genoemd worden.
|