|
Wanneer een maand
niet meetelt
Ketoebot 57b
Een maagd die reeds verloofd is d.m.v.
kiddoesjien krijgt twaalf maanden de tijd om zich op haar
huwelijk voor te bereiden vanaf het tijdstip dat haar bruidegom
haar ten huwelijk gevraagd heeft.
Dit was een regeling in de tijd van de Talmoed,
toen kiddoesjien en nissoeïen niet tegelijkertijd
plaatsvonden, zoals tegenwoordig. Deze voorbereidingstijd gold
voor een na’ara – een meisje tussen de twaalf en
twaalf-en-een-half jaar oud – en voor de eerste twaalf maanden
nadat zij het stadium van volwassenheid van twaalf-en-een-half
jaar bereikt had. Daar het doel van deze wachttijd was om haar de
tijd te geven haar persoonlijke benodigdheden voor te bereiden,
was de veronderstelling dat wanneer zij eenmaal het stadium van
volwassenheid bereikt had, zelfs al was zij niet verloofd, zij
reeds begonnen was zich op haar huwelijk voor te bereiden.
Telt de extra maand in een schrikkeljaar als één
van de twaalf maanden?
Hoewel dit niet in de Gemara genoemd wordt, is er
door de Rasjasj gesuggereerd dat we voor het antwoord een
blik werpen op de bron in Tora, die door onze Geleerden wordt
aangehaald als een leidraad voor het vaststellen van de lengte van
de wachtperiode. Rav Chisda verwijst naar de onderhandelingen
tussen Avrahams bediende Eliëzer en de familie van Rivka, toen hij
haar als bruid naar Jitschak wenste te brengen. „Laat het meisje
dagen of tien maanden bij ons blijven,” suggereerden haar broer en
moeder (Bereisjiet 24:55). Het is onlogisch om eerst voor
een uitstel van enkele dagen te vragen en daarna een uitstel van
tien maanden voor te stellen, concludeert Rav Chisda, en daarom
moet het woord dagen worden opgevat als ‘een jaar’ – een
aanwijzing dat een meisje een jaar nodig heeft om zich op haar
huwelijk voor te bereiden. Als bewijs dat de uitdrukking dagen
een jaar kan betekenen, citeert hij het vers uit Wajjikra
(25:29), waar de tijdslimiet voor de lossing van een huis, dat in
een ommuurde stad verkocht werd, wordt vastgesteld op „dagen”,
terwijl het uit het zinsverband duidelijk is, dat de verkoper een
heel jaar de tijd heeft om zijn huis terug te kopen.
In verband met de wet op de lossing zegt de Misjna
(Arechien 31a) duidelijk dat in een schrikkeljaar de optie
voor de eigenaar van het huis pas na dertien maanden verloopt.
Daar we de wachtperiode voor de bruid vergelijken met de wet voor
de lossing van een huis, zouden we kunnen aannemen dat in een
schrikkeljaar haar ook dertien maanden worden gegeven om zich voor
te bereiden op haar huwelijk.
Wanneer deze conclusie juist is, dat wanneer onze
Geleerden een periode van twaalf maanden vaststelden, het hun
bedoeling was dat het in een schrikkeljaar dertien maanden zou
zijn, dan zou dat een steun zijn voor het standpunt van de Rema
(Sjoelchan Aroech, Even Haëzer 13:11) dat de periode van
vier-en-twintig maanden vanaf de geboorte van een kind, die een
gescheiden vrouw of weduwe, die een kind zoogt, moet wachten,
voordat zij opnieuw trouwt, gelijk staat aan twee volle jaren en
dat de extra maand van een schrikkeljaar niet wordt meegeteld
[zodat zij dus feitelijk 25 maanden moet wachten]. Het roept ook
twijfel op voor de mening van de samensteller van de Sjoelchan
Aroech zelf dat die maand er wel bij is inbegrepen [d.w.z. dat
die extra maand in het schrikkeljaar mee telt als één van de 24
maanden].
De Beit Sjmoeël (ibid. 22) wijst er echter
op dat de periode van twaalf maanden die staan voor de rouw voor
een ouder niet de extra maand van een schrikkeljaar bevat en dat
de regeling van Rema beperkt was tot een decreet dat
gebaseerd was op het gevaar voor het leven van het kind, dat
afhankelijk is van de moedermelk.
&
Twee zuchten
Ketoebot 62a
„En jij, mensenkind, zucht met gebroken lendenen en
met bitterheid, zucht voor hun ogen” (Jechezkel 21:11).
Dit was de profetie die de Profeet Jechezkel kreeg
in verband met de droeve tijding over de verwoesting van het
Beit HaMikdasj.
Van deze beschrijving van de invloed van een zucht,
leidt de Geleerde Rav af, dat een zucht het halve lichaam breekt
(tot de lendenen).
Zijn verklaring wordt echter in twijfel getrokken
door de beschrijving in het volgende vers, waar G-d de profeet
opdracht geeft antwoord te geven aan diegenen die zullen vragen
naar de reden van zijn zuchten: „Dan zul je zeggen: ‘Vanwege het
bericht dat gekomen is, dat ieder hart doet smelten, dat alle
handen week maakt, dat iedere geestdrift doet verflauwen en dat
alle knieën doet smelten als water.’ ”
Hoewel deze verzen suggereren dat een zucht het
hele lichaam aantast, verklaart Rav dat dit betrekking heeft op de
buitengewone zucht die treurt over de verwoesting van het Beet
HaMikdasj.
Tosafot
wijst erop dat hoewel beide verzen betrekking hebben op die
tragedie, de eerste betrekking heeft op de zucht van de profeet
bij het horen dat er verwoesting zal zijn en zo’n zucht is
vergelijkbaar met een normale menselijke zucht, die alleen maar
half het lichaam breekt. Het tweede vers heeft echter betrekking
op de zucht die men laat, als gehoord wordt dat de tragedie heeft
plaatsgevonden en die zucht verbrijzelt het hele lichaam.
&
Nieuw licht op een
oud verhaal
Ketoebot 62b
Eén van de bekendste verhalen uit de Talmoed is dat
van Rabbi Akiva en zijn moedige vrouw. Zij was de dochter van de
fabelachtig rijke Kalba Savoea en toen zij het buitengewone talent
van de onwetende schaapherder herkende, die voor haar vader
werkte, stemde zij erin toe om met hem te trouwen wanneer hij in
een jesjiva [talmoed-hogeschool] zou gaan studeren. Haar
woedende vader gooide haar het huis uit en zwoor dat het haar
verboden was om enig profijt te hebben van zijn bezittingen. Toen
Rabbi Akiva vierentwintig jaar later terugkeerde aan het hoofd
van vierentwintig duizend leerlingen, wist zijn schoonvader niet
dat deze geleerde zijn schoonzoon was, en hij kwam kijken naar
deze beroemde Tora-geleerde, in de hoop dat hij zijn eed, waarvan
hij inmiddels spijt had, zou kunnen annuleren.
„Als u geweten had dat de echtgenoot van uw dochter
een groot Tora-geleerde zou worden, zou u dan die eed gezworen
hebben?” vroeg Rabbi Akiva op de manier waarop iedere autoriteit
een opening probeert te vinden om de maker van de eed zijn spijt
daarover te laten uitdrukken.
„Al zou hij maar één hoofdstuk van één wet gekend
hebben, dat zou ik niet zo’n eed gezworen hebben,” antwoordde
Kalba Savoea.
Toen Rabbi Akiva onthulde wie hij was, en de eed
annuleerde, kuste zijn overgelukkige schoonvader zijn voeten en
schonk hem half zijn rijkdom.
Tosafot
maakt twee interessante opmerkingen over dit roerende verhaal.
Rabbi Akiva’s toekomstige vrouw, zegt de Gemara, waardeerde hem
als een „bescheiden en rechtvaardig” pesoon. Maar deze zelfde
Rabbi Akiva beschrijft elders in beeldende woorden de haat die hij
koesterde voor Tora-geleerden in de tijd dat hij nog een onwetende
schaapherder was (Pesachiem 49b). Dit lijkt nauwelijk te
passen bij een „rechtvaardige” Jood! Tosafot legt uit dat
de houding van Rabbi Akiva ten opzichte van Tora-geleerden niet de
klassieke haat was van de niet-godsdienstigen, hij was
ongetwijfeld een godsdienstige Jood. In zijn onwetendheid was hij
echter extreem kritisch op wat hij bij vergissing aanzag voor
arrogantie van geleerde mannen ten opzichte van onwetende
geloofsgenoten en hij weerkaatste alleen maar de haat, waarvan hij
veronderstelde dat zij die hadden voor mensen als hijzelf.
In verband met de annulering van de eed van Kalba
Savoea wordt bezwaar gemaakt op basis van de Misjna in Nedariem
(64a), waar staat dat als iemand een eed zweert, dat hij hij geen
profijt zal hebben van een bepaald persoon en die persoon wordt
vervolgens een Tora-geleerde, die hij nodig heeft, de eed niet
nietig verklaard kan worden op basis van het feit dat hij spijt
heeft dat hij niet geweten heeft dat die persoon een Tora-geleerde
zou worden, omdat hij dan die eed niet gemaakt zou hebben. Wanneer
een situatie, die niet bestond in de tijd dat de eed gemaakt werd,
en die ook niet voorzienbaar was, geen goede reden is voor spijt,
hoe kon Rabbi Akiva dat dan als argument gebruiken? Het antwoord,
zegt Tosafot, is dat de eed gemaakt was toen hij al onderweg was
naar de jesjiva en het is zeker te voorzien dat iemand die naar
een jesjiva gaat, een groot Tora-geleerde zal worden.
&
Het zien van geluk en
ongeluk
Ketoebot
66b
„Rabbi, alstublieft, help mij,” jammerde de jonge
vrouw tegen Rabbi Jochanan ben Zakkai, toen hij Jeruzalem uitreed,
gevolgd door zijn leerlingen.
Het arme meisje had geleefd van de beetjes haver in
de uitwerpselen van de dieren van Arabische nomaden. Toen de
Geleerde haar vroeg wie ze was, vertelde ze dat haar vader de
fabelachtig rijke Nakdimon ben Gurion was en dat Rabbi Jochanan
als getuige getekend had op haar ketoeba toen zij trouwde.
Die ketoeba, informeerde de Geleerde zijn leerlingen,
bestond uit een miljoen gouden dinaren van haar vader, behalve wat
haar door haar schoonvader was gegeven.
Toen Rabbi Jochanan haar vroeg wat er gebeurd was
met al het geld van haar vader, antwoordde zij dat het allemaal
verloren was gegaan, omdat hij nalatig was geweest met zijn
liefdadige verplichtingen. Dat had niet alleen het verlies van
zijn geld, maar ook dat van haar schoonvader veroorzaakt.
Toen hij dat hoorde, riep Rabbi Jochanan uit: „Hoe
gelukkig is Israël! Wanneer het handelt overeenkomstig de wil van
Hasjem, kan geen enkel volk of cultuur het overheersen. Maar
wanneer het niet handelt overeenkomstig de wil van Hasjem, wordt
het overgeleverd in de handen van minderwaardige mensen [zo
genoemd omdat zij als nomaden in de woestijn leven – Rasji]
en niet alleen minderwaardige mensen, maar afhankelijk van de
dieren van die minderwaardige mensen.”
Hoe kon Rabbi Jochanan in deze tragische
gebeurtenis een aanleiding vinden om het geluk van Israël te
prijzen?
Ieder volk, zegt Maharsja, heeft zijn eigen
mazal (geluk) en engel in de hemel die het geluk ervan
bepaalt. Het lot van het Joodse volk daarentegen, wordt direct
door Hasjem alleen bepaald. Wanneer zij handelen zoals Hasjem
wil, staan zij boven alle andere volken, wier geluk beperkt wordt
door hemelse krachten die voor hen bestemd zijn. Dit wordt
dramatisch uitgedrukt als Hasjem Avraham boven de sterren plaatst
en hem vraagt daarop neer te kijken, wanneer Hij hem belooft dat
de beperkingen van de natuurkrachten verwijderd zullen worden
opdat hij kinderen zal kunnen krijgen. Maar wanneer wij nalaten om
te handelen overeenkomstig G-ds wens, verwijdert Hij zijn
aanwezigheid van ons en vervallen we tot een toestand die lager is
dan die van de andere volken, die alleen maar door hun mazal
onderhouden worden.
Een bewustzijn van deze speciale relatie is wat
Rabbi Jochanan deed uitroepen dat wij inderdaad gelukkig zijn.
&
Een kwestie van motief
Ketoebot 67a
Nakdimon ben Gurion was een van de legendarisch
rijke mannen van Jeruzalem in de tijd van de belegering van de
stad door de Romeinen. Toen zijn wanhopige dochter het verlies van
het fortuin van haar vader verklaarde als het gevolg dat hij
nalatig was geweest met liefdadigheid, werd dit met verbazing
ontvangen door de Talmoed-geleerden. Ten slotte was het bekend
geweest dat wanneer Nakdimon van zijn huis naar het Beit HaMidrasj
wandelde, er dure tapijten voor hem werden uitgerold, en dat de
armen vervolgens werden uitgenodigd die te houden.
Twee verklaringen worden er gegeven voor deze
tegenstrijdigheid tussen zijn liefdadig gedrag en de kritiek op
zijn liefdadig gedrag. De eerste is dat hij niet gaf in
overeenstemming met zijn rijkdom. En een andere verklaring is dat
zijn liefdadigheid gemotiveerd werd door zijn streven naar eer.
Deze kritiek op zijn motivatie lijkt strijdig te
zijn met was de Gemara (Pesachiem 8a) zegt over iemand die
liefdadige donaties doet, opdat zijn zoon zal leven of opdat
hijzelf een aandeel zal hebben in de Komende Wereld. Ondanks het
feit dat hij een egoïstisch motief had, wordt hij beschouwd als
een volkomen rechtvaardig mens.
Waarom is dan de motivatie van eer anders?
Maharsja lost deze puzzel op door te refereren aan
een onderscheid dat door Tosefot (in Pesachiem 8b)
gemaakt wordt tussen iemand die geen spijt heeft van zijn
liefdadigheid, zelfs al wordt zijn wens niet door de Hemel
gehonoreed en iemand die daar wel spijt van heeft. Maar als iemand
alleen gemotiveerd wordt door eer, zo schijnt het, bestaat er een
ernstig gevaar dat hij spijt zal krijgen van zijn liefdadigheid
wanneer hij die eer niet krijgt. Hij wordt daarom beschouwd als
nalatig in zijn liefdadige verplichtingen en verliest zijn rechten
op rijkdom.
Het is interessant om de scherpe kritiek van de
Maharsja op te merken op sommige liefdadige Joden in zijn tijd die
hij schrijft aan het eind van zijn verklaring. Deze mensen
verdienden hun geld op een oneerlijke manier en geven het dan aan
liefdadigheid om eer te krijgen. Niet alleen wordt dit beschouwd
als een mitswa die in zonde begaan wordt, maar, zoals we zien aan
het voorbeeld van Nakdimon, zal hun rijkdom niet blijvend zijn.
Het feit dat instituten en organisaties hun
weldoeners eren met banketten en gedenkplaten is niet strijdig met
het bovenstaande. Er is een heilig doel in de publikatie van het
goede van sommige mensen, opdat anderen hun voorbeeld zullen
volgen.
&
Je mag het meenemen
Ketoebot 67b
Hoe voortreffelijk de Geleerde Mar Oekva was in
zijn uitoefening van de mitswa van tsedaka wordt
geillustreerd door een bepaalde gebeurtenis. Ieder jaar op erev
Jom Kippoer was hij gewoon het grote bedrag van vierhonderd
zoez uit te delen aan de armen in zijn wijk. Een zeker jaar
rapporteerde de zoon, die hij er op uit had gezonden om het geld
te verdelen, bij zijn terugkomst dat hij ervan ovetuigd was dat
een bepaalde familie de hulp niet nodig had. Toen hem gevraagd
werd wat hem op die gedachte gebracht had, antwoordde hij dat hij
gezien had hoe zij zich baadden in luxe door hun huis met oude
wijn te besproeien om het een aangename geur te geven. Toen Mar
Oekva dat hoorde, verdubbelde hij het bedrag dat hij van plan was
te geven en liet dat brengen, omdat hij zich realiseerde dat als
de ontvangers zo wanhopig een dergelijk comfort nodig hadden, dat
dan hun afhankelijkheid nog grotere was dan hij verondersteld had.
Vlak voor zijn dood vroeg Mar Oekva of hij de
boekhouding van zijn liefdadigheids giften mocht inzien. Hoewel
hij een buitengewoon grote som had weggegeven, was hij bezorgd dat
hij niet genoeg had gegeven en hij riep uit: „Ik neem zulker
magere provisie mee voor de lange reis die voor de boeg ligt.”
Daarop liet hij de helft van zijn fortuin na aan tsaddaka.
Hoe kon hij zo iets doen, vraagt de Gemara, wanneer
we eerder in ons traktaat (50a) geleerd hebben, dat de Geleerden
het verboden hebben dat iemand meer dan een vijfde van zijn
bezittingen weggeeft aan tsaddaka?
Deze regeling, verklaart de Gemara, geldt alleen
tijdens iemands leven, want als men nog meer weggeeft, loopt men
gevaar zelf te verarmen en afhankelijk te worden van liefdadigheid
van anderen. Maar wanneer men op het punt staat deze wereld te
verlaten en een extra verdienste wil hebben voor de Komende
Wereld, dan geldt deze beperking niet.
Waarom gaf Mar Oekva slechts de helft van zijn
fortuin weg en gaf hij niet alles, opdat hij beter zou zijn
voorbereid op de „lange reis”? Het antwoord is te vinden in de
houding van onze Geleerden ten opzichte van het onterven van
kinderen. De Geleerden, zegt de Gemara (Bava Batra 133b),
waren ontevreden over iemand die Al zijn bezittingen weggaf aan
anderen en niets over liet voor zijn kinderen. Mar Oekva hield
daarom het evenwicht tussen de zorg voor zijn ziel en die voor
zijn kinderen, door alleen de helft weg te geven.
Is dit de juiste verhouding of mag men meer
weggeven? De Rema (Sjoelchan Aroech, Joree Dea
249:1) bepaalt dat men vlak voor zijn dood net zoveel mag weggeven
als men wil. Hoe brengen we dit in overeenstemming met Mar
Oekva’s bezorgdheid om zijn kinderen de helft na te laten?
Eén mogelijkheid is dat in de tekst van onze
Gemara, die de Rema voor zich had, stond dat Mar Oekva zijn
hele vermogen weggaf. De Birkei Joseef suggereert dat
vroegere generaties inderdaad die tekst hadden. Een andere
mogelijkeid volgt uit het commentaar van de Bach op de
Toer. Mar Oekva gaf zoveel weg tijdens zijn leven, dat er geen
noodzaak was om alles weg te geven vlak voor zijn dood. Iemand die
niet zo royaal is geweest, mag echter alles weggeven ten behoeve
van zijn ziel. Dit wordt niet beschouwd als het onterven van
kinderen, want hij geeft het niet weg om anderen te verrijken,
maar om er zelf beter van te worden.
&
|