|
Uit
Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 432 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei
Brak |
Inleiding
tot Ketoebot
Masechet Ketoebot gaat hoofdzakelijk over de verplichtingen en rechten
die voortkomen uit het huwelijk. Bijvoorbeeld, een echtgenoot heeft
recht op het salaris van zijn vrouw, zowel als op de interest van haar
investeringen. Daartegenover is hij verplicht haar van voedsel,
kleding en medische verzorging te voorzien, haar te verlossen uit
gevangenschap en haar begrafeniskosten te betalen, indien nodig.
Zoals de naam al suggereert behandelt Ketoebot ook de „Ketoeba”, het
huwelijkscontract, waarmee een echtgenoot zich schriftelijk verbindt
de verplichtingen ten opzichte van zijn vrouw op zich te nemen.
Ikkar ketoeba
en tosèfet ketoeba:
Wanneer een vrouw voor de eerste keer trouwt, moet haar echtgenoot
zich voor minstens 200 zoez in de ketoeba verplichten. Wanneer
het een tweede huwelijk is, is hij minimaal honderd zoez verplicht.
Wanneer zij gaan scheiden, of als hij eerst sterft, ontvangt zij dit
geld uit zijn onroerende bezittingen. Zoals iedere andere
schuldbekentenis kan de vrouw de ketoeba aan een Beit Din tonen als
bewijs dat zij nog niet betaald is. Wanneer zij betaald is, zal de
echtgenoot of diens erfgenamen de ketoeba opeisen en vernietigen.
Behalve het minimum bedrag mag een bruidegom kiezen (of de bruid kan
vóór het huwelijk eisen) om het bedrag van de ketoeba te verhogen. Het
minimum bedrag wordt ikkar ketoeba genoemd, terwijl het extra
bedrag tosèfet ketoeba genoemd wordt. De commentatoren
discussiëren erover of het schrijvan van een ketoeba voor het eerste
huwelijk van een vrouw een verplichting van Tora is, of alleen een
verplichting van de Rabbijnen.
„IJzeren schaap”:
In de ketoeba wordt ook de waarde genoteerd van de bezittingen die een
vrouw inbrengt in haar huwelijk als bruidsschat. Wanneer zij
gescheiden wordt of haar man overleeft, krijgt zij deze waarde terug,
bovenop haar ikkar ketoeba en tosèfet ketoeba. Deze
soort bruidsschat wordt nichsei tson barzel – ijzeren schaap
bezittingen – genoemd. Zij worden vergeleken met een ijzeren schaap,
omdat zij niet in waarde kunnen verminderen door een fluctuerende
markt, of door normale slijtage, noch kunnen zij in waarde stijgen.
Zoals een ijzeren schaap blijven zij precies hetzelfde en moeten
volledig intact en onbeschadigd worden teruggegeven indien nodig.
(Naar alle waarschijnlijkheid koos de Gemara de uitdrukking „ijzeren
schaap” omdat soortgelijke investeringen vaak gedaan werden met
schapen. De eigenaar vertrouwde ze dan aan een schaapherder toe, onder
de nadrukkelijke voorwaarde dat de schaapherder ze onbeschadigd
teruggaf.
Nichsei miloeg:
Een ander soort bezittingen die de vrouw bij haar huwelijk kan
inbrengen, wordt nichsei miloeg genoemd [de g wordt
uitgesproken als in het Duitse woord gut]. In
tegenstelling tot tson barzel komt nichsei miloeg nooit
in het bezit van de echtgenoot. Zij blijven het eigendom van de vrouw,
maar de echtgenoot heeft recht op de interest zolang als zij getrouwd
zijn. Volgens sommige meningen betekent miloeg ‘uittrekken,’
hetgeen inhoud dat de „boom” van de investering het eigendom van de
vrouw blijft, terwijl de man er de vruchten van plukt. Anderen
beweren dat het woord miloeg afkomstig is van het Griekse
woord voor ‘spreken,’ omdat er alleen maar een mondelinge overeenkomst
bestaat tussen de echtgenoot en zijn voruw voor wat betreft hun
status. Dit in tegenstelling tot de tson barzel, die in de
ketoeba vermeld staat.
Overzicht:
Deze financiële verplichtingen worden uitgebreid besproken in de loop
van het traktaat, zowel als andere verplichtingen tussen man en vrouw
en ook wat er gebeurt als ze besluiten om van hun rechten of een deel
daarvan af te zien.
We zullen ook zien hoe het Beit Din conflicten tussen echtgenoten
betreffende de status van de ketoeba beslist en hoe de vrouw haar geld
kan innen. We zullen leren over de boete die een man opgelegd kan
krijgen als hij een vrouw verleidt of haar reputatie aantast. Behalve
deze monetaire wetten zullen we ook leren over de autoriteit die een
vader heeft over zijn dochter, hoe contracten in stand gehouden worden
en wat de juiste tijdstippen zijn om te trouwen.
„Sjas Katan”:
Ketoebot staat wel bekend onder de naam „Sjas Katan” omdat het
een grote variëteit van soegiot –onderwerpen – bevat, die door
de hele sjas [talmoed] besproken worden. De wetten van
Berachot worden besproken in verband met de verloving, het
huwelijk en de rouw. De wetten van Sjabbat worden behandeld in
verband met een verboden activiteit die onopzettelijk gebeurde (davar
sje-eino mitkaveen). De wetten voor de rouw uit Moëed Katan
worden besproken in verband met een chatan [bruidegom] of
kalla [bruid] wier ouders vlak voor de huwelijksplechtigheid
overleden. De wetten van Nedariem worden besproken voor zover
die betrekking hebben op een echtgenoot en zijn vrouw, die gezworen
heeft geen profijt te zullen hebben van of te geven aan de ander. Vele
soegiot die betrekking hebben op Gittin – echtscheiding
– worden besproken, en een lange soegia over hoe iemand, die
tweemaal gestraft dient te worden, alleen de zwaarste van de twee
straffen krijgt. We zullen ook vele details leren over financiële
wetten, contracten enz. die in Bava Kama en Bava Metsia
voorkomen.
Daar er zulk een grote variatie van onderwerpen wordt besproken, helpt
het leren van Ketoebot iemand een brede kennis te verkrijgen van vele
onderwerpen in de Sjas. Het traktaat eindigt met een discussie over
Erets Jisraël: zijn wetten, de liefde van ons volk voor het land en de
zonnige toekomst die ons wacht als de Masjiach komt, moge het spoedig
zijn en in onze dagen.
Op welke dag trouwt men?
Ketoebot 2a
Misjna
–
Een maagd wordt getrouwd op woensdag en een weduwe op donderdag, want
tweemaal per week houden de Batei Din rechtzitting in de steden
– op maandag en donderdag – zodat, wanneer hij klachten heeft over
haar maagdelijkheid, hij meteen de volgende ochtend naar het Beit Din
kan stappen.
Gemara
–
De reden dat men een maagd op woensdag trouwt, is dat als de chatan
ontdekt dat zijn bruid geen maagd is (terwijl zij zich daarvoor wel
heeft uitgegeven en hij haar daarom 200 zoez in haar ketoeba heeft
beloofd) dan kan hij de volgende ochtend onmiddellijk zijn beklag doen
bij het Beit Din. Immers, wanneer zij hem ontrouw is geweest in de
periode tussen de verloving en de bruiloft (waar in vroeger tijden een
jaar tussen zat), dan is zij voor hem verboden, zoals een gehuwde
vrouw verboden wordt voor haar man als zij vrijwillig gemeenschap
heeft met een andere man. En wanneer de bruiloft op donderdag zou
plaatsvinden, zou hij pas maandag naar het Beit Din kunnen gaan en
intussen zich al zo aan zijn bruid gehecht hebben, dat hij geen klacht
meer indient en een verboden relatie handhaaft.
Daarentegen bestaat dat probleem voor een weduwe [of iedere andere
bruid die geen maagd meer is] natuurlijk niet en de Geleerden wilden
dat de bruidegom zich minstens drie dagen met zijn bruid zou
verheugen. Hij zou, als zij donderdag trouwen, minstens die dag,
vrijdag en Sjabbat met haar thuis moeten blijven, zodat hij de tijd
zou krijgen zich aan haar te hechten.
Dat de Batei Din op maandag en donderdag in de steden zitting hadden,
was ingesteld door Ezra, omdat op die dagen de mensen uit de dorpen
naar de stad kwamen om te luisteren naar de Tora-voorlezing, en nu zij
al eenmaal in de stad waren, konden zij ook hun geschillen aan de
rechtbank voorleggen.
(Zwi)
Wie betaalt voor de
bruiloft?
Ketoebot 3b
Zoals we in onze Gemara kunnen lezen, was het in de tijd van de
Talmoed de gewoonte dat de chatan voor de kosten van de bruiloft
betaalde. Dit in tegenstelling tot de gewoonte in Europa gedurende
vele generaties, waar de familie van de kalla betaalde, zoals de
Aroech Hasjoelchan opmerkt in zijn beschrijving van
bruiloft-gewoonten.
De geldende gewoonte:
In de meeste gevallen van handelswetgeving geldt, dat als de beide
partijen niet duidelijk hun bedoelingen bekend maken, dat zij dan de
plaatselijk gewoonten moeten volgen. Hetzelfde geldt hier. Wanneer een
sjiddoech – huwlijkskoppeling – gemaakt werd, maar de families
legden niet vast wie er voor de bruiloft zou betalen, dan moesten zij
de plaatselijke gewoonte volgen. Wanneer het de gewoonte is dat de
chatan betaalt, dan moet hij dat doen. Als het de gewoonte is dat de
familie van de kalla betaalt, dan moeten zij dat doen (Aroech
Hasjoelchan ib.).
Waarom veranderde de gewoonte?
R. Zwi Elimelech Sjapira van Dinov (auteur van Bnei Jissachar)
schrijft in zijn commentaar op de Misjna (Beracha Mesjoelesjet
Choellien, 5:3), dat hij gehoord heeft van R. Levi Jitschak van
Berditchev, dat de Savoraïem, die leefden tussen de periode van de
Talmoed en de Geoniem, opzettelijk de gewoonte veranderd hebben.
Wanneer de chatan betaalt, moet hij een uitgebreide feestmaaltijd
bereiden, en de gasten moeten alle mogelijke moeite doen om zich met
hem te verheugen. Zodanig zelfs, dat de Gemara zegt dat ieder die
geniet van de maaltijd van de chatan en die de chatan niet verblijdt,
de vijf vreugdegeluiden overtreedt die geassociëerd worden met de
huwelijksviering: „De stem van blijdschap en de stem van vreugde, de
stem van de chatan en de stem van de kalla en de stem van diegenen die
zeggen: ‘Dank Hasjem’”. De Savoraïem vreesden dat de mensen niet
voldoende blij met hem zouden zijn en daarom deze vijf stemmen zouden
overtreden. Daarom stelden zij de gewoonte in dat de familie van de
kalla zou betalen voor een eenvoudiger maaltijd, waarbij niet dezelfde
eisen aan de gasten gesteld zouden worden. De Piskei Tesjoevot
schrijft hetzelfde in naam van de Sfat Emmet.
„De maaltijd van de Chattan”:
Deze commentaren bieden een nieuw inzicht in de Gemara. Men zou kunnen
veronderstellen dat het begrip „de maaltijd van de chatan” betrekking
heeft op iedere bruilofts-maaltijd, ongeacht wie ervoor betaalt. De
Bnei Jissachar en de Sfat Emmet interpreteren het echter letterlijk.
(Uit
Meorot HaDaf HaYomi)
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Bewaak je oren
Ketoebot 5b
Hoe zorgvuldig moeten wij zijn betreffende wat onze oren binnenkomt.
Dat wordt benadrukt in de volgende twee uitspraken van onze Geleerden
die in onze Gemara worden aangehaald:
„Waarom is het hele oor gemaakt van stevig materiaal, terwijl alleen
het oorlelltje van soepel materiaal gemaakt is? Opdat, wanneer men
iets ongepasts hoort, men zijn oorlel in zijn oor kan stoppen, zodat
men niets meer hoort.”
„Men moet voorkomen dat nutteloze woorden zijn oren binnendringen,
want de oren worden het eerst van alle lichaamsdelen verbrand [zij
zijn het meest gevoelig voor extreme temperaturen – Rasji].”
Maharsja verklaart het verband tussen deze twee uitspraken:
Na eerst te zijn gewaarschuwd tegen het aanhoren van verboden woorden,
wordt ons gezegd op te passen om zelfs geen dingen aan te horen die
niet verboden zijn, maar die geen positief nut hebben voor de dienst
van Hasjem door middel van mitswot. In dit opzicht is het
gehoorzintuig radicaal anders dan andere zintuigen. Hoewel het zeker
verboden is om dingen te zien die verboden zijn, omdat zij verkeerde
gedachten kunnen opwekken, is er geen verbod om neutrale dingen te
zien, ook al dient het zien daarvan geen positief doel voor de
uitvoering van mitswot.
De reden voor dit onderscheid is dat het gehoor het meest
ontvankelijke is van alle zintuigen, daar verboden woorden zo
overheersend zijn in de menselijke conversaties. Het is daarom nodig
om speciale discipline toe te passen met betrekking tot onze oren door
deze neutrale woorden buiten te sluiten, om te voorkomen dat zij ook
leiden tot de ontvangst van ongeschikte mededelingen.
Dat is de reden dat het oor in deze vorm geschapen is, zodat dit idee
voor iedereen duidelijk zou zijn. Of het nu een onbeschermd oor is,
dat pijnlijk rood wordt in de vrieskou of een tintelend oor in een
oververhitte kamer, we worden er voortdurend aan herinnerd hoe
gevoelig dit orgaan is voor externe invloeden. Dit helpt ons eraan te
herinneren dat het gehoor-zintuig dat in het oor gezeteld is, ook erg
ontvankelijk is voor externe invloeden en dat we zorgvuldig moeten
oppassen op wat we horen.
Het Moabitische mysterie
Ketoebot 7b
„En hij [Boaz] nam tien mannen van de oudsten van de stad en zei: „Ga
hier zitten” en zij gingen zitten.” (Ruth4:2).
Dit vers in het Boek Ruth, dat iedere Sjawoeot in de synagoge gelezen
wordt, geeft geen aanwijzing wat het doel was van deze bijeenroeping
van de tien stadsoudsten. Rabbi Nachman ziet dit als een bron voor de
vereiste van een minjan – een quorum van tien man voor het
uitspreken van zegeningen voor nieuwgehuwden, in dit geval Boaz en
Ruth. Rabbijn Aviahoe haalt een andere bron aan voor dit voorschrift
en zegt dat de bijeenroeping van tien man door Boaz diende om de wet
openbaar bekend te maken dat zijn bruid, hoewel van Moabitische
afkomst, met hem mocht trouwen, omdat de beperking die Tora legt op
Moabitische proselieten voor een huwelijk alleen voor mannen geldt.
Maharsja werpt de vraag op hoe het mogelijk kon zijn voor het anonieme
familielid van Naomie en Ruth, die de eerst aangewezen losser was, om
te weigeren om deze rol te spelen, omdat dat betekende dat hij dan een
verboden Moabitische zou trouwen. Daagde hij de openbare verordening
van Boaz uit, die vele jaren de rechter van Israël was? Hij werpt
dezelfde vraag op met betrekking tot Doëg (Jevamot77a), die
trachtte David te diskwalificeren als de nakomeling van de verboden
Moabitische Ruth.
Maharsj biedt een oplossing voor beide problemen, door te suggereren
dat beiden, de anonieme losser en Doëg geloofden dat de beperkingen op
het huwen met Moabieten zowel voor mannen als voor vrouwen gold, maar
dat het Boaz was toegestaan om met Ruth te trouwen, omdat de mitswa
van jibboem, welke in die dagen ook werd uitgeoefend door
andere de familieleden van de overledene dan zijn broer, het verbod om
met een Moabitische te trouwen opzij schuift. Als bron hiervoor haalt
Maharsja een commentaar van Ramban aan (op Bereisjiet 38:8),
die leert dat het huwelijk tussen Jehoeda en zijn schoondochter Tamar
een uitbreiding was van de jibboem met andere familieleden.
Deze benadering van Maharsja is aangevallen door andere commentatoren,
omdat wat Jehoeda deed, gebeurde
voordat Tora gegeven werd en jibboem als een mitswa werd daarin
beperkt tot de broer van de overledene.
Een tweede kijk op de Sjèva Berachot
Ketoebot 8a
De sjèva berachot – zeven zegeningen – die worden uitgesproken
op een bruiloft en op de feestelijke viering daarvan gedurende de
daaropvolgende week, bevatten iets voor iedereen, van de partijen die
trouwen tot de mensen die meehelpen dat te vieren. Wij bieden hier
opmerkingen van Rasji met betrekking tot enkele daarvan.
De eerste beracha (bij de choepa [bruiloft] zelf komt deze
beracha na de beracha over de wijn) is een lof voor Hasjem „Die alles
geschapen heeft voor Zijn eer.” Dit is niet waarlijk een onderdeel van
de daaropvolgende serie berachot, die gaan over het instituut van het
huwelijk zelf. Het is eerder een lofuiting voor diegenen die bijeen
gekomen zijn om de feestvreugde van chatan en de kalla te verhogen.
Het is een verheerlijking van de Schepper, omdat het de rol
weerspiegelt die Hij gespeeld heeft bij het eerste huwelijk in de
geschiedenis, toen Hij zorgde voor ieder detail om de eerste man en
vrouw te verenigen.
De laatste twee berachot lijken een gelijke climax te hebben: de één
prijst Hasjem voor „het brengen van vreugde voor de chatan en Kalla,”
en de ander voor „het brengen van vreugde voor de chatan met de
kalla.” De eerste gaat niet over de vreugde van het huwelijk zelf maar
is meer een gebed voor het succes, voorspoed en geluk van zowel chatan
als kalla voor heel hun toekomst. Daar zei allebei gezegend worden, is
onze climax het woord en. Het is alleen in de laatste
beracha dat we Hasjem prijzen voor het feit dat Hij de speciale
relatie tussen echtgenoten geschapen heeft door middel van wederzijdse
liefde en vreugde. Daarom besluiten we deze beracha met de woorden
„chatan met de kalla,” want het is dit samenzijn dat Hasjem gezegend
heeft met vreugde.
Een scheiding op voorwaarden
Ketoebot 9b
Een vrouw die overspel pleegt is verboden voor zowel haar echtgenoot
als haar overspelige partner. De vraag die dan opkomt is: hoe kon
Koning David met Batsjèva trouwen, wanneer de eenvoudige lezing van de
tekst (II Sjmoeël 11:2-3) suggereert dat hij relaties met haar
had, terwijl zij nog met Uria getrouwd was.
Rabbijn Sjmoeël Nachmani lost het probleem op door te onthullen dat
iedereen die voor Koning David ten oorlog ging, een get
(echtscheidingsdocument) schreef voor zijn vrouw, voordat hij het huis
verliet.
Rasji verklaart dat aangezien de soldaten van David bang waren dat zij
de oorlog niet zouden overleven en daarmee hun weduwe bloot zouden
stellen aan jibboem [of agoena], zij hun vrouwen
scheidden op voorwaarde dat als zij niet uit de strijd zouden
terugkeren, de echtscheidng in werking zou zijn gegaan met
terugwerkende kracht naar de dag waarop de get gegeven was.
Daar Uria de strijd niet overleefde, was zijn huwelijk reeds ontbonden
toen David haar nam.
Tosafot is het met deze benadering niet eens en brengt de mening van
Rabbeinoe Tam naar voren, dat de get niet een voorwaardelijke
get was, maar dat het een onvoorwaardelijke ontbinding van het
huwelijk was. Het probleem met deze benadering is, dat de Gemara (Bava
Metsia 59a) Davids handeling een relatie noemt met een „twijfelachtig
getrouwde vrouw.” Als Batsjèva behoorlijk gescheiden was, waarom zou
haar status dan twijfelachtig zijn? Het antwoord dat gegeven
wordt, is dat zulke echtscheidingen gegeven werden in het geheim,
zodat niemand de gelegenheid zou uitbuiten om de vrouw te trouwen,
voordat haar ex-echtgenoot zou terugkeren om haar te hertrouwen. Daar
het publiek niet op de hoogte was van de echtscheiding van Batsjèva,
bestond er verdenking dat David schuldig was aan overspel, ook al was
dit niet het geval.
Bari wesjèma, bari adief
(Een zekere claim en een
twijfelachtig verweer, dan wint de zekere claim)
Ketoebot 12b
Misjna
–
Wanneer iemand met een vrouw trouwt en hij vindt bij haar geen tekenen
van maagdelijkheid [geen bloed en geen maagdenvlies] en zij zegt:
„Nadat jij mij verloofde ben ik verkracht en dit is jouw risico,” maar
hij zegt: „Nee, het is gebeurd voordat ik je verloofde en ik heb je
bijvergissing gekocht,” dan zeggen Rabban Gamliël en Rabbi Eliëzer:
„Zij wordt geloofd.”
Gemara
–
Er is verklaard: Als de één zegt: „Je bent me een manee
schuldig” en de ander zegt: „Dat weet ik niet,” dan zeggen Rav Jehoeda
en Rav Hoena dat die ander moet betalen, want in een geval waar de één
bari – zeker – is, terwijl de ander sjèma – misschien –
zegt, daar is bari sterker.
Rasji
verklaart de Gemara dat het feit dat zij volgens Rabban Gamliël en
Rabbi Eliëzer geloofd wordt, dit zou zijn omdat zij met zekerheid
verklaart en weet wat er gebeurd is, terwijl haar bruidegom dat niet
zeker weet.
Wanneer Re’oeveen beweert dat Sjim’on hem 100 euro schuldig is en
Sjim’on antwoordt dat hij niet zeker weet of hij dat nog schuldig is,
dan beslissen Rav Hoena en Rav Jehoeda dat hij moet bealen. De
algemene regel is dat iemand alleen van een ander geld kan loskrijgen
als hij bewijst dat hij daar recht op heeft. De bewering van Re’oeveen
is geen bewijs. Waarom kan hij zijn vordering dan toch innen?
Pnei Jehosjoea zegt dat we er vanuit gaan (chazaka) dat iemand
een ander niet confronteert met een volkomen ongegronde claim op geld.
We veronderstellen niet dat Re’oeveen opzettelijk en bewust liegt. En
omdat Sjim’on de eis niet tegenspreekt, mag Re’oeveen incasseren.
Chatam Sofer verklaart dat met zijn twijfelachtig antwoord Sjim’on
toegeeft dat hij niet met zekerheid de bezitter van het geld is.
Daarom geldt hier niet de regel dat wie iets wil hebben wat van een
ander is, moet bewijzen dat hij daar recht op heeft.
Sja’arei Josjer legt uit, dat iedere claim voor een rechtbank een
tegenclaim verwacht. Op zichzelf is de claim van Re’oeveen niet sterk
genoeg, maar daar Sjim’on daar nauwelijks iets tegenin brengt, wordt
de claim van Re’oeveen niet geneutraliseerd. Dus wordt hij in het
gelijk gesteld.
(Zwi)
|