|
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan
Ohr Somayach
Welkom voor de proseliet
Jevamot 109b
Wat is de houding van de Tora-gemeenschap ten opzichte van
bekeringen?
Het antwoord op deze zeer actuele vraag is eenvoudig. Bekering van
een niet-Jood naar het Jodendom wordt niet aangemoedigd, noch zal
een candidaat als Jood worden aangenomen voor dat onomstotelijk
vaststaat dat zijn plannen serieus zijn. Het spreekt vanzelf dat
het hele bekeringsproces behandeld moet worden door een bevoegde
rabbijnse rechtbank, overeenkomstig de halacha.
Een eerste blik op de uitlating van Rabbi Jitschak in onze Gemara
lijkt te wijzen op een politiek van: ‘daar willen we niets mee te
maken hebben’. „Kwaad na kwaad zal komen op degenen die
bekeerlingen accepteert,” zo verklaart hij, op basis van een vers
in Misjlee 11:5.
Deze waarschuwing tegen proselieten, legt Tosafot uit, is gericht
tegen situaties waarin de candidaat voor bekering door anderen
overgehaald was om deze stap de nemen, of iemand die te snel en te
makkelijk geaccepteerd was, zonder dat zijn bedoelingen behoorlijk
onderzocht waren. Maar wanneer de candidaat oprecht ernaar streeft
om lid te worden van het Joodse volk, dan zijn wij verplicht hem
te accepteren. Tosafot noemt dan historische voorbeelden op van
beroemde bekeringen tot het Jodendom: Jehosjoea accepteerde de
bekering van Rachav, de vrouw uit Jericho die de Israëlitische
spionnnen verborg; Naomi moedigde de bekering van Ruth, de
Moabitische aan, waar Koning David van afstamt.
Beiden, Rachav en Ruth demonstreerden duidelijk hun serieuze
bedoelingen en de Geleerden vertrouwden op hun vermogen om het
menselijk karakter te doorgronden. De Geleerde Hillel accepteerde
de bekering tot het Jodendom van een niet-Jood, die bij zijn
bekering de voorwaarde maakte dat men hem de hele Tora zou leren,
terwijl hij op één been stond (Sjabbat
31a). Hoewel een dergelijk standpunt een niet serieuze indruk
maakt, overtuigde Hillels oordeel over de man hem dat hij een
ongeveinsde proseliet was, en zijn oordeel bleek inderdaad juist
te zijn.
Het sterkste argument om proselieten te accepteren wordt door
Tosafot in de Gemara (Sanhedrin 99b) gebracht over de
afstammelingen van Avraham, Jitschak en Jaäkov, die moesten lijden
onder de handen van Amalek als een straf voor het feit dat de
voorvaderen de bekering van Timna geweigerd hadden. Nadat deze
heidense prinses door de aartsvaderen was afgewezen, werd zij de
bijvrouw van Elifaz, de zoon van Esav, omdat zij er de voorkeur
aan gaf om de dienstmeid te zijn van de aartsvaderen, dan een
prinses van een ander volk. Van haar stamde Amalek af, die Israël
zoveel moeilijkheden veroorzaakt heeft. Dit was de straf dat zijn
moeder werd afgewezen, toen zij Jodin wilde worden.
&
Studeren, doen en
onderwijzen
Jevamot 109b
„Iemand die beweert dat hij G-d alleen dient met zijn Tora-studie,
heeft geen andere verdiensten dan Tora-studie.”
Deze schijnbaar simplistische opmerking van Rabbi Jossi wordt in
de Gemara op twee volkomen verschillende manieren uitgelegd.
De ene benadering is gebaseerd op Rav Papa’s interpretatie van het
vers (Devariem 5:11): „Jullie zullen ze leren (de wetten
van Tora) en je eraan houden en ze ten uitvoer brengen.” Volgens
hem wijst dit erop dat alleen iemand die handelt in
overeenstemming met zijn leren, beschouwd wordt als iemand die de
verdienste van Tora verdiend heeft. Hieruit volgt dan, dat iemand
die zijn dienst aan G-d beperkt tot Tora-studie, de beloning voor
deze dienst mist.
Volgens R. Jossi is deze uitspraak gericht tot iemand die een
ander aanspoort om een mitswa te doen, die hijzelf niet doet, en
die veronderstelt dat hij daarmee beloond wordt alsof hij hetzelf
gedaan heeft. Volgens deze opvatting wordt hij inderdaad beloond
voor zijn Tora-studie, maar niet voor de uitvoering van de
mitswot, waarvan hij dacht dat hij daar ook voor beloond zou
worden.
Wij kunnen hieraan toevoegen dat wanneer hij die mitswa zelf ook
doet, en hem ook aan anderen leert, hij ook beloond zal worden
voor de uitvoering van de mitswot door zijn studenten.
&
Houd dat kind tegen!
Jevamot 114a
De synagoge was op slot die Sjabbat en de sleutels waren ergens op
straat verloren.
Dit was een probleem voor Rabbi Jitschak bar Bitna, tot wiens
verantwoordelijkheid het behoorde om de sjoel voor de mensen te
openen. Zelfs al zou hij de sleutels vinden, dan nog zou hij ze
niet mee kunnen nemen en ze vervoeren over straat op Sjabbat over
publiek terrein. Toen hij dit dilemma voorlegde aan Rabbijn Pedos,
adviseerde deze hem een groep kinderen te leiden en daarmee naar
het gebied te gaan waar de sleutels waren verloren, in de hoop
dat zij ze zouden vinden en ze naar de synagoge zouden brengen.
De halachische conclusie die hieruit door sommige rabbijnen
getrokken wordt, is dat als een kind wordt aangetroffen terwijl
het iets eet wat verboden is, of dat een andere overtreding
begaat, er geen verplichting bestaat om hem dat te verhinderen.
Alleen de vader is verplicht hem terecht te wijzen en te
verhinderen dat hij een overtreding begaat, want hij heeft de
verantwoordelijkheid van chinoech – opvoeding van zijn
minderjarige kinderen, ter voorbereiding op hun eigen
verantwoordelijkheid als zij die leeftijd bereikt hebben.
Tosafot (op Sjabbat 121a) bestrijdt dat de regeling van
onze Gemara over het verhinderen van een kind om Sjabbat te
ontheiligen, beperkt is tot een kind dat nog niet de leeftijd van
chinoech bereikt heeft. Maar wanneer het kind eenmaal die
leeftijd bereikt heeft, dan heeft iedere Jood de verplichting om
te voorkomen dat het kind zondigt, niet alleen de vader.
De Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 243:1) beslist
volgens de eerste mening, namelijk dat de chinoech alleen
tot de verantwoordelijkheid van de vader behoort (en de moeder
eveneens, volgens sommige autoriteiten), en niet van anderen.
Rama citeert echter de mening van Tosafot dat iedereen die
verplichting heeft. De Misjna Beroera (ibid) haalt het
compromis van de Chajei Adam aan, die een iets strengere
benadering heeft voor overtredingen van Tora-geboden, maar die een
soepeler standpunt inneemt voor overtredingen van rabbijnse aard.
&
Het gevoel is
wederzijds
Jevamot 117a
Zoals het spiegelbeeld is dat men ziet, wanneer men in het water
kijkt, zo is het hart van mens tot mens.
(Misjlei 27:19)
Deze waarneming van de wijste van alle mensen, Sjlomo HaMelech,
heeft verschillende toepassingen. In onze Gemara vinden wij er
twee van.
De Geleerden die het niet met Rabbi Jehoeda eens zijn, passen het
toe op menselijke relaties. Hoewel de getuigenis van een enkele
getuige over de dood van een echtgenoot voldoende is om de weduwe
te laten hertrouwen, zijn bepaalde familieleden gediskwalificeerd.
De reden hiervoor is, dat zij ervan verdacht worden dat zij haar
voldoende haten om haar door middel van een valse getuigenis in
moeilijkheden te brengen, namelijk door valselijk te vertellen
dat haar echtgenoot is overleden, en daardoor haar huwelijk te
ruïneren als haar doodgewaande echtgenoot levend verschijnt, nadat
zij met een ander getrouwd is. Tot deze personen hoort een
schoonmoeder, want we verdenken haar ervan dat zij het haar
schoondochter kwalijk neemt dat zij uiteindelijk de goederen, die
zij, de schoonmoeder in haar huwelijk heeft meegenomen, zal
opmaken, en die anders naar haar gezin via de erfenis zouden
terugkeren.
Hoewel deze reden verklaart waarom de schoonmoeder mogelijk een
wrok koestert tegen haar schoondochter, verklaart het niet waarom
het omgekeerde ook waar is – namelijk dat de schoondochter niet
kan getuigen betreffende de echtgenoot van haar schoonmoeder. Dit
is zo, zeggen de Geleerden, omdat gevoelens wederkerig zijn.
Wanneer men glimlachend in het water kijkt, ziet men een glimlach
die wordt weerspiegeld. En als men fronsend in het water kijkt,
ziet met een gefronsd gezicht weerspiegeld. Hetzelfde geldt voor
haat.
Rabbi Jehoeda’s interpretatie van Sjlomo’s model van reciprociteit
is dat het geldt voor Tora-studie. Rasji biedt twee mogelijke
verklaringen hoe dit kan. Eén daarvan is dat iemands succes om
Tora-kennis te verkrijgen, weerspiegelt hoeveel hart en inspanning
hij in zijn studie geïnvesteerd heeft. Een andere verklaring gaat
over de verhouding tussen een leraar en zijn leerling. Wanneer de
leraar een prettig gezicht toont aan de leerling, en een oprechte
interesse toont voor diens vorderingen, dan zal de student wijs
worden; anders zal hij niet veel leren van zijn leraar.
Tosafot in traktaat Pesachiem (113b) past dit idee van
wederkerige gevoelens toe op de situatie waarin een
gerechtvaardigde haat voor een zondaar reciproke haatgevoelens
opwekt, hetgeen kan terugkaatsen in de ongerechtvaardigde haat van
een Jood „omdat hij mij haat,” in plaats van de oorspronkelijke
aanleiding.
&
De
„Daf”
van overleving
Jevamot 121a
Ik voer eens op een schip,” vertelde Rabban Gamliël, „toen ik een
ander schip zag, dat schipbreuk geleden had. Mijn hart deed pijn
van verdriet speciaal voor één van de passagiers, de Geleerde
Rabbi Akiva. Toen ik het land bereikte en mijn studie hervatte,
zag ik hem plotseling voor mij zitten, halachische problemen met
mij discussiërend.”
Toen Rabban Gamlël hem vroeg wie hem uit de zee gered had,
antwoordde Rabbi Akiva: Een daf [plank] van het schip dreef
in mijn richting en daar heb ik mij aan vast geklampt. Voor iedere
golf die mijn richting uit kwam, boog ik mijn hoofd en liet hem
over mij heen gaan.”
Hieruit concluderen onze Geleerden, zegt de Gemara, dat wanneer
een iemand een slecht mens ontmoet, hij zijn hoofd moet buigen,
totdat het gevaar voorbij is.
Maharsja (op Bava Batra 73a) legt het verband uit tussen
het verhaal van Rabbi Akiva en de conclusie van de Geleerden. De
vijanden van de Joden worden vergeleken met de golven van de zee,
die te vergeefs trachten het zand op het strand te overspoelen,
waarmee de Israëlieten vergeleken worden. Net zoals iedere
volgende golf niets geleerd heeft van het falen van zijn
voorganger, in diens poging om de grenzen van de zee, zoals die
door de Hemel zijn vastgesteld, te buiten te gaan, zo leren de
vijanden van de Joden niet van het falen van hun voorgangers om
het Joodse volk te vernietigen, wiens eeuwig bestaan door de Hemel
gegarandeerd is, en die alleen maar hun hoofden hoeven te buigen
in onderwerping, totdat de Hemel hen redt.
Toen Rabbijn Meïr Shapiro van Lublin zo’n tachtig
jaar geleden zijn idee van de daf jomi presenteerde,
zinspeelde hij op de wonderbaarlijke redding van Rabbi Akiva,
welke symbolisch is voor de overleving van het Joodse volk. Het
woord Daf betekent plank en het betekent ook een blad
Gemara. Het is de daf van de Gemara die Joden over de hele
wereld dagelijks leren, verklaarde hij, die zal dienen als het
vlot voor de overleving tegen alle golven van onderdrukking in,
die wij in onze ballingschap ondervinden en die, zoals in het
geval van Rabbi Akiva, ons in staat zal stellen de kust veilig te
bereiken.
&
Hemelse
en menselijke stemmen
Jevamot 122a
Wanneer een bat kol
gehoord wordt, die aankondigt dat een zeker mens is gestorven,
zegt de Misjna, dan staan we het zijn vrouw toe om een andere man
te trouwen, in de veronderstelling dat zij inderdaad weduwe is.
Deze bat kol is
duidelijk een geluid afkomstig van een mysterieuze bron, die ons
onbekend is. We hebben een dergelijk geluid al eerder ontmoet in
dit traktaat (Jevamot 14a), waar een bat kol
geïnterpreteerd werd als een Hemelse verklaring, dat de halacha
Beit Hillel volgt in de discussies met Beit Sjammai. Is
de bat kol in onze Misjna van dezelfde aard?
Beslist niet, zegt Tosafot
Jom Tov in zijn commentaar op de Misjna. De bat kol die
gehoord werd in de discussie tussen Beit Hillel en Beit
Sjammai en in de discussie tussen Rabbi Eliëzer en de
Geleerden (Bava Metsia 59b), was een G-ddelijke
communicatie, die bij die gelegenheid gehoord werd in de vorm van
een echo van een Hemelse stem, nadat de profetie tot een einde was
gekomen. De bat kol in onze Misjna is de stem van een mens,
die wij niet in staat waren te lokaliseren, nadat wij zijn
verklaring gehoord hadden.
Als steun voor zijn mening
haalt hij Rambam aan in diens commentaar op de Misjna, die
schrijft dat de bat kol in de volgende gevallen in die
Misjna verklaard wordt. Eén geval is dat van iemand, die bovenop
een heuvel stond en die zichzelf identificeerde en beweerde dat
hij gebeten was door een slang en gestorven was. Maar wanneer zij
de bron van de stem gevonden hebben, vinden zij een lichaam in
verregaande staat van ontbinding en onherkenbaar. De vrouw van die
man, die door zijn stem geïdentificeerd werd, mag opnieuw trouwen.
Rambam suggereert dus dat de bat kol in de Misjna
niet dezelfe bat kol is als die welke wij in bovengenoemde
discussies tussen de Geleerden tegenkwamen, maar een niet na te
sporen menselijke stem, zoals die in de volgende gevallen
voorkomt. Het is interessant om op te merken dat de Sjoelchan
Aroech (Even Haëzer 17:10) naar ons geval refereert als
het horen van een kol – een stem – en niet een bat kol.
Dit lijkt het standpunt van Tosafot te steunen.
Een andere steun die naar
voren gebracht wordt door Tosafot Jom Tov – namelijk dat wij niet
luisteren naar een bat kol in halachische kwesties – wordt
aangevallen door Rasjasj, die erop wijst dat Tosafot (in
Jevamot 14a) zegt dat dit alleen de mening is van Rabbi
Jehosjoea en niet van de andere Geleerden.
&
Onze Geleerden
De Maharsja
Rav Shmuel Eliezer Halevi
Eidels, 1555-1631, schreef een scherpzinnig commentaar en
verklaring op de Talmoed, op Rasji en op Tosafot. Zijn commentaren
zijn verhelderend, en geven een duidelijke verklaring van Tosafot.
Ze staan afgedrukt in bijna iedere editie van de Talmoed.
De naam Maharsja is een
afkorting van het Hebreeuwse ‘Onze leraar de Rabbijn Sjmoeël
Eidels’.
Behalve zijn commentaar op
de Talmoed schreef hij ook een uitgebreid commentaar op de
Kabbala.
De Maharsja was geboren
in Kraków, Polen. Zijn vader, Jehoeda, was een Talmoedist en beide
zijn ouders waren afstammelingen van Rabbijnse families - zijn
moeder Gitel was een nicht van Rabbi Jehoeda Loew, de Maharal van
Praag. Reeds van jongs af aan toonde de Maharsja een opmerkelijk
talent. Toen hij op huwbare leeftijd kwam, werden hem menig
gerenommeerde sjidoechiem (huwelijkspartners) aangeboden,
maar hij verwierp hen allemaal, omdat, zoals hij beweerde, hij
zich volledig aan de Tora-studie wilde wijden.
Hij trouwde uiteindelijk
de dochter van Edel Lifschitz uit Posen en wijlen Mosjé Lifschitz,
rabbijn van Brisk. Hij verhuisde daarop naar Posen en stichtte
daar een Jesjiwa. Gedurende twintig jaar werden alle kosten van de
Jesjiwa betaald door zijn schoonmoeder. Uit waardering voor haar
steun, nam hij haar naam aan. Na haar dood diende hij als rabbijn
in de volgende vooraanstaande gemeentes: Chel, Lublin en Ostrog.
&
Tosafot Jom Tov (1559-1654)
Rabbijn Jom Tov Lippmann Heller, beter bekend als
Tosafot Jom Tov, was de auteur van het klassieke commentaar op de
Misjna. Hij was al vanaf zijn geboorte in de stad Wallerstein in
de Duitse provincie Beieren wees van zijn vader en werd opgevoed
door zijn grootvader, Rabbijn Mosjé Wallerstein. Als jongeman
leerde hij onder Rabbijn Jehoeda Loew (de Maharal van Praag) en
Rabbijn Efraim Lunchitz (de Kli Jakar), van Praag. Zijn commentaar
werd geschreven in het eerste deel van de zeventiende eeuw, in een
tijd dat het Joodse volk nog veel te lijden had van vervolgingen.
In 1624 werd hij aangesteld als opperrabbijn van
Wenen. Daarvoor had hij twintig jaar als Dajan [een
rabbijnse rechter) gediend in Praag en een korte tijd als rabbijn
in Nikolsburg, Moravië. In 1627 werd hij gekozen tot opperrabbijn
van Praag, in opvolging van grote voorgangers als de Maharal en de
Kli Jakar.
Ingevolge de hoge kosten van de Dertigjarige
Oorlog, werd aan de Joden een enorm hoge belasting opgelegd, en de
rabbijn probeerde dat te verhalen op de rijkere Joden van Praag.
Die namen hem dat niet in dank af, maar bedachten daarop de valse
aanklacht tegen hem, dat hij het Christendom beledigd had. Hij
werd daarop in de gevangeis gegooid. In het daaropvolgende proces
verdedigde hij zich glansrijk en werd weliswaar door de rechter
ter dood veroordeeld, maar door de Keizer vrijgesproken.
Na zijn vrijlating in 1643 werd hem de positie van
Rabbijn van Krakow aangeboden, in opvolging van de Bach, Rabbijn
Joël Sirkus. Hij was tevens co-Rosj Jesjiawa naast de Pnei
Jehosjoea van de Jesjiwa van Krakov.
De belangrijkste van
zijn werken zijn zijn commentaren op de Misjna, die ‘Tosafot Jom
Tov’ genoemd worden. |