|
Door Rabbi
Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
De grenzen van de profetie
Jevamot 41b
Wanneer kan een profeet een halachisch verbod beïnvloeden en
wanneer niet? De demarcatielijn wordt duidelijk getrokken in het
onderscheid dat onze Gemara maakt tussen twee gevallen van
jibboem.
Eén geval gaat over een man die met één van twee zusters trouwde,
maar er bestaat twijfel over welke van de twee zijn vrouw is.
Wanneer hij vervolgens kinderloos sterf, kan zijn broer met geen
van de twee zusters jibboem doen, want het is mogelijk dat
hij, zonder het te weten, met de zuster van de weduwe trouwt (en
dat is verboden door de Geleerden, omdat het lijkt op een huwelijk
met de zuster van zijn vrouw, hetgeen een verbod van Tora is.)
Daar jibboem niet mogelijk is, tenzij getuigen verklaren
wie de werkelijke weduwe is, moet hij chalitsa doen met
beide vrouwen, om het hen mogelijk te maken om buiten de familie
te trouwen.
Het andere geval betreft een man die voor Rabbi Jossi kwam en hem
vroeg chalitsa te mogen doen binnen drie maanden na de dood
van zijn broer. Hem werd verteld dat hij dat niet kon doen, omdat
de Misjna zegt dan men noch jibboem, noch chalitsa
kan doen binnen drie maanden. Men kan geen jibboem doen,
want binnen drie maanden is het niet met zekerheid vast te stellen
of de vrouw zwanger is. Zou zij inderdaad zwanger zijn en een
levend kind ter wereld brengen, dan heeft zij geen jibboem
nodig, want jibboem is alleen als er geen levend kind
geboren is, en bovendien is zij dan verboden voor de broer van
haar overleden echtgenoot.
Maar waarom, vraagt de Gemara, is chalitsa dan niet
toegestaan binnen drie maanden? Er wordt dan toch geen overtreding
begaan, zelfs al blijkt de vrouw zwanger te zijn?
Het antwoord is dat de Tora jibboem verbindt met
chalitsa, en wanneer er geen jibboem kan gedaan wordt,
dan is er ook geen chalitsa.
Als dat de regel is, vraagt Rabbi Chanina, waarom doen we dan
chalitsa in het geval van twee zusters, waar geen jibboem
mogelijk is?
Het antwoord op dit probleem is als volgt: Als de Profeet Eliahoe
komt, en ons onthult welke van de twee zusters de echte weduwe is,
dan is er geen belemmering voor jibboem. We beschouwen haar
daarom in aanmerking komend voor jibboem en zelfs als een
echte jibboem niet kan worden gedaan, kan zij toch
chalitsa hebben. Als Eliahoe echter komt en ons onthult dat de
weduwe niet zwanger is, dan kunnen we nog steeds geen jibboem
doen binnen drie maanden, want de Geleerden hebben een
wachtperiode van drie maanden ingesteld voor ieder geval, zelfs
als was de weduwe een minderjarige, die nog niet zwanger kan zijn.
Deze Gemara wordt door de commentatoren aangehaald als de bron
voor het onderscheid tussen de macht van de profeet om te
interveniëren in halachische aangelegenheden en zijn macht om de
feiten van een bepaald geval op te helderen, zoals in het geval
van de twee zusters. Waar de feiten niet het probleem vormen,
zoals in het geval van de wachtperiode, dat zelfs geldt als we de
feiten kennen, daar heeft de profeet geen macht om de halacha te
wijzigen. Dit is zo, omdat sinds de Tora via Mosjé gegeven is aan
het Joodse volk, geen profeet die halacha kan veranderen.
&
De
Kohen
en het slachtoffer van het gemengde huwelijk
Jevamot 45a
Eén van de problemen waarmee een
Kohen
in deze generatie geconfronteerd wordt, is een vrouw te vinden,
waarmee hij mag trouwen. Zelfs als de jongedame kuis genoeg is
geweest om seksuele gemeen-schap voor het huwelijk te vermijden
met een niet-Jood, kan zij gediskwalificeerd worden om met een
Kohen
te trouwen, als haar vader niet Joods was.
Hoewel er geen twijfel bestaat over haar status als Jodin, omdat
haar moeder Joods was, bestaat er een ernstige vraag of een
Kohen
met haar mag trouwen.
De bron voor dit probleem is een kal vechomer – een manier
van halachische interpretatie, die de status van iets dat zwaarder
weegt, maar dat niet expliciet in Tora genoemd wordt, afleidt van
iets dat minder ernstig is, maar wel in Tora genoemd wordt. In dit
geval is het minder ernstige onderwerp de weduwe die voor de
Kohen Gadol verboden is. Dit verbod geldt alleen voor de
Kohen Gadol, maar het kind dat uit een dergelijke verbintenis
geboren wordt, is ongeschikt om met een kohen te trouwen.
Hoeveel te meer geldt dan ook voor een kind uit een vereniging van
een Joodse vrouw met een niet-Joodse man, een verbod wat voor alle
Joden geldt, dat zij verboden is voor een kohen!
Of dit inderdaad de conclusie is van onze Gemara, is onderwerp van
discussie. Waar Rav Alfas (de RIF) en Rambam menen
dat er geen definitieve conclusie is en de zaak aan de twijfel
overlaten, zegt de Rosj heel duidelijk dat een
Kohen
niet mag trouwen met een dochter van een Joodse vrouw en een
niet-Joodse man.
De Sjoeclchan Aroech (Even Ha’ezer 4:5) beslist dat
een dergelijke vrouw verboden is voor een
Kohen.
De commentatoren wijzen er echter op, dat wanneer een dergelijk
huwelijk toch, zij het illegaal, gesloten is, het niet hoeft te
worden ontbonden.
&
Jouw volk is mijn volk
Jevamot 47b
Behalve besnijdenis en onderdompeling in een mikwa moet een
niet-Jood die tot het Jodendom wil toe-treden, zich verplichten de
mitswot, die op een Jood rusten, na te komen. Als bron voor de
basisinstructie die aan een candidaat voor conversie tot het
Jodendom gegeven wordt, citeert de Gemara de dialoog tussen Naomi
en Roet, waar slechts met enkele woorden op gezinspeeld wordt in
Megillat Roet (1:16-18):
„Ameech
ami
– uw volk is mijn volk,” zegt Roet tegen haar schoonmoeder, die
wijst op de moeilijkheden van het Jood-zijn. Dit, verklaart Rabbi
Elazar, was het antwoord aan Naomi, nadat zij Roet had uitgelegd
dat Joden 613 geboden moeten naleven.
Waar, vragen de commentaroren, is er in de woorden van Roet een
aanwijzing te vinden dat zij zich ver-plichtte al de mitswot na te
leven?
Maharsja biedt twee benaderingen, de één gebaseerd op de numerieke
waarde in het Hebreeuws van het woord ameech, en de ander
op de connotatie van de woorden als een typerend kenmerk van het
Joodse volk.
Het woord ameech bestaat in het Hebreeuws uit drie letters.
De eerste, de ajin heeft de waarde van 70 in het Hebreeuwse
getalsysteem, de tweede, de mem is gelijk aan 40 en de
laatste letter, de slot-chaf heeft de numerieke waarde van
500 (na de laatste letter taf, die 400 waard is, komen de
vijf letters die anders geschreven worden wanneer zij aan het eind
van een woord komen en hun numerieke waarde is 500-900). Als we
deze drie numerieke waarde bij elkaar tellen en daar het getal
drie – het aantal letters van het woord ameech – bij
optellen, krijgen we 613.
De tweede benadering heeft betrekking op het spottende commentaar
van heidense critici over Joden, dat wij een
„impulsief
volk” zijn, omdat wij
„onze
mond vóór onze oren plaatsen” (Sjabbat 88a, Ketoebot
112a). In tegenstelling tot andere volken, die het aanbod van Tora
verwierpen, hebben wij zoveel geboden geaccepteerd, zelfs nog
voordat wij gehoord hadden wat ze allemaal inhielden, toen wij
zeiden:
„wij
zullen doen en wij zullen horen.”
Deze
„impulsiefheid,”
die de Geleerde Rav (Sjabbat 88a) verklaart als het
resultaat van het feit dat wij vertrouwen hebben dat de Schepper
ons niet verplicht tot iets wat buiten onze capacieit valt, heeft
ons tot een uniek volk gemaakt voor wat betreft de geboden. Roets
antwoord hierop was:
„Uw
volk is mijn volk,” en ik ben bereid verantwoordelijkheid aan te
nemen voor alles wat u op Sinai op u genomen heeft.”
&
Hoe betrouwbaar is het register
Jevamot 49a
Een mamzer is door Tora verboden
„om
de gemeente van Hasjem binnen te gaan,” hetgeen betekent dat er
strenge beperkingen zijn op wie hij kan trouwen.
Maar wat is precies een mamzer? De Tora definiëert een
mamzer als een kind dat geboren is uit ouders, wier huwelijk
bij wet verboden is. Hoe ernstig de overtreding moet zijn om een
mamzer te produceren, is onderwerp van discussie.
De strengste benadering is die van Rabbi Akiva, die beslist dat
zelfs wanneer een verhouding alleen maar strafbaar is met
geseling, – en niet met de dood – het product een mamzer
is. Daartegenover staat de mening van Rabbi Jehosjoea, dat meent
dat alleen een verhouding die de de doodstraf verdient, een
mamzer oplevert. Daar tussenin vinden we de mening van de
Geleerde Sjim’on de Timniet, dat zelfs als de verbintenis
strafbaar is met kareet (Uitroeiing door de Hemel, een
vroegtijdige dood), het kind een mamzer is.
Een interssante steun wordt geboden voor de positie van R.
Jehosjoea door Rabbi Sjim’on ben Azzai. (De Rasjasj merkt
op, dat de titel ‘Rabbi’ hier niet op zijn plaats is, omdat deze
Geleerde overleed, voordat hij als zodanig benoemd was, zoals Rav
Ovadja van Bartenoera opmerkt in traktaat Avot 4:1). Hij
vond een oud familieregister in Jeruzalem, waarin vermeld stond
dat een bepaald persoon een mamzer was, geboren uit een
onwettige, want overspelige verhouding van een man met de vrouw
van een ander. Het lijkt erop, dat alleen omdat de overtreding
strafbaar was met de dood door een aards gerechtshof, hij als een
mamzer beschouwd werd en dat hij dat niet zou zijn geweest
wanneer de overtreding met een mindere straf straf-baar was
geweest. De halacha is niettemin overeenkomstig Sjim’on de
Timniet. Het register dat door Sjim’on ben Azzai genoemd wordt,
wordt niet als een sluitend bewijs beschouwd, want het is mogelijk
dat het alleen de feiten vermeldde van het geval, en niet de
halacha.
Sjim’on ben Azzai echter, interpreteerde dit register als een
halachische uitspraak, dat alleen een over-treding waarop de
doodstraf staat, uitgesproken door een
Beet Din,
een mamzer produceert. Waarom dan, vraagt Tosafot,
vermeldde het register dan niet alleen dat die persoon een
mamzer was, omdat zijn ouders een halsmisdaad begaan hadden,
in plaats van de misdaad te specificeren?
Hij antwoordt dat het register er de nadruk op wilde leggen, dat
hoewel overspel slechts strafbaar is met de minst zware vorm van
doodstraf, het resultat daarvan desalniettemin een mamzer
is, ondanks dat een getrouwde vrouw nog tijdens het leven van haar
man, als zij gescheiden is, voor een andere man toege-staan is.
(Dit is een unieke situatie voor een getrouwde vrouw, die niet
bestaat voor familieleden die ver-boden zijn met haar te trouwen;
zulke familieleden blijven verboden, zelfs als het huwelijk
geëindigd is.)
&
Mishandeling van de agent
Jevamot 52a
Hoewel de straf van geseling, die in Tora genoemd wordt, alleen
geldt voor een overteding van een Tora-verbod, hadden ook de
Geleerden de bevoegdheid om iemand te laten geselen (makot
mardoet) die bepaalde rabbinale verboden had overtreden.
Eén van de overtredingen waarvoor de Geleerden een dergelijke
straf hadden vastgesteld, was de mis-handeling van een agent van
de Rabbijnen. Rasji verklaart dat het hier gaat om een
agent van het
Beet Din.
Tosafot beweert echter dat het hier gaat over een agent van
iedere Tora-geleerde en niet noodzakelijk van een
Beet Din.
Als steun voor zijn mening citeert Tosafot het volgende
incident, dat vermeld staat in traktaat Kiddoesjien (70a).
Een bewoner van de Babylonische stad Nehardea ging een slagerij in
de stad Poempe-dita binnen en bestelde wat vlees. Hem werd verteld
dat hij alleen bediend kon worden, nadat zij de bestel-ling van
een agent van Rav Jehoeda ben Jecheskel hadden uitgevoerd.
Verstoord omdat hij moest wach-ten, schreeuwde hij:
„Wie
is Jehoeda ben Sjviskel [een beledigende verwijzing naar een
gulzige veelvraat van geroosterd vlees (Rasji)] dat hij
verdiend vóór mij geholpen te worden?”
Toen aan Rav Jehoeda gerapporteerd werd hoe deze ruwe vent zijn
agent beledigd had, excommunicerde hij hem. Dit, concludeert
Tosafot, bewijst dat de belediging van een agent van een
Tora-geleerde, verdient bestraft te worden, zelfs al is hij geen
agent van het
Beet Din.
Hiermee blijft er echter één probleem over: de Gemara (Pesachiem
52a) zegt dat excommunicatie een ernstigere straf is dan geseling.
Waarom dat, vraagt Tosafot, eiste Rav Jehoeda dan geen
geseling, de straf die de Geleerde Rav had vastgesteld?
Het antwoord, suggereert Tosafot, kan zijn dat geseling een
voldoende straf is voor iemand die een agent van de Geleerden
beledigt, want dat is alleen maar een indirecte belediging van de
Geleerde zelf. Maar in het aangehaalde incident was de belediging
gericht aan Rav Jehoeda zelf, door de naam van diens vader te
verbasteren op een beledigende manier en daarom verdiende de man
een zwaardere straf: excommuni-catie.
& |