|
Seder Nasjiem
Vandaag beginnen we met een nieuwe Seder van de Talmoed, Seder
Nasjiem – de Ordening van de Vrouwen
Dit bestaat uit de volgende traktaten:
Jewamot – Zwagerhuwelijk
Ketoebboet – Huwelijksacte
Nedariem – Eden en geloften
Nazier – Een nazireeër
Sota – Een overspelige vrouw
Gittien – Echtscheidingen
Kedoesjien – Verlovingen
Traktaat Jewamot
Korte Inleiding
a.
Reeds vóór de Tora aan het Joodse volk gegeven werd, bestond er al
in Israël het gebruik, dat wanneer een gehuwde man kinderloos
stierf, één van zijn naaste familieleden de weduwe trouwde. Dit
was doorgaans de oudste broer van de overledene, of wanneer die
dat niet wilde of niet kon, een jongere broer of een ander naast
familielid. b. De weduwe wordt een ‘jewama’ genoemd,
de broer die haar moet trouwen heet ‘jawam’ en het hele
instituut van het zwagerhuwelijk heet ‘jibboem’. In de Tora
werd dit gebruik wettelijk geregeld. De jewama is gebonden
aan haar jawam en mag geen andere man huwen, tenzij de
jawam in een speciale procedure, die ‘chalitsa’ genoemd wordt,
te kennen geeft dat hij haar niet wil huwen. Pas daarna is de
weduwe vrij te trouwen met wie zij wil.
c.
Het doel van dit zwagerhuwelijk is om de overledene nakomelingen
te geven die zijn grond en bezittingen, die hij geërfd heeft, van
hem te erven, opdat zijn erfdeel in zijn familie blijft.
d.
De zwager trouwt de weduwe alleen wanneer de overledene in het
geheel geen kinderen heeft gehad, ook niet uit een vorig huwelijk.
Wanneer niet aan deze voorwaarde is voldaan, mag de broer van de
overledene de vrouw niet huwen.
e.
Ook wanneer de jawam de jewama om andere redenen wil huwen, dan om
zijn plicht na te komen tegenover zijn overleden broer, is het
hem verboden de weduwe te trouwen en moet hij haar chalitsa
geven. Het woord chalitsa betekent het ‘uittrekken
van een schoen’: bij de procedure van de chalitsa trekt de
jewama namelijk in het bijzijn van een Beit Din de
schoen van de jewam uit waarbij zij verklaart dat de
jawam haar niet wil huwen en de jawam bevestigt dat. De
weduwe wordt daarna ook wel een chaloetsa genoemd –
iemand die chalitsa heeft gehad.
f.
Na de chalitsa mag noch de jawam, noch een van de
andere broers meer met de jewama trouwen.
g.
Vanwege de vele problemen die het zwagerhuwelijk oplevert, hebben
de Geleerden reeds vele eeuwen geleden dat verboden en de
chalitsa verplicht gesteld.
h.
Een vrouw die door de dood van haar echtgenoot aan een jawam
gebonden is, wordt een sjomèret jawam genoemd, iemand die
wacht op haar jawam (tot hij haar huwt of d.m.v.
chalitsa scheidt) en mag intussen met niemand anders trouwen.
Wanneer zij dat toch doet of gemeenschap heeft met een andere man,
wordt zij als een overspelige vrouw beschouwd en
dienovereenkomstig gestraft.
i.
Wanneer een man meerder vrouwen had, zijn zij allemaal gebonden
aan de jawam, maar de jawam trouwt met slechts één
van de jewamot en de andere vrouwen zijn daarmee, of met de
chalitsa, vrijgesteld en kunnen trouwen met wie zij willen.
j.
Medevrouwen van dezelfde man worden tsarot – ‘elkaars
verdriet’ genoemd.
k.
Soms is het zwagerhuwelijk onmogelijk, als bijvoorbeeld de broer
de vader van de weduwe is (en de overledene dus met zijn nichtje,
de dochter van zijn broer, getrouwd was). Daar een vader niet met
zijn dochter kan en mag trouwen, is hiermee de band tussen
jawam en jewama automatisch opgeheven en de vrouw en
haar eventuele medevrouwen zijn nu vrij om te huwen met wie zij
willen.
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Jewamot 5b
Relatief respect
Het respect dat Tora eist voor de ouders is zo verstrekkend, dat
men zelfs zou kunnen veronderstellen dat als ouders aan hun kind
vragen om een bepaalde dienst voor hen te verrichten, waarbij hij
Sjabbat zouden moeten overtreden, hij dat zouden moeten doen. Om
die gedachten te verdrijven, vertelt Tora:
„Een
man moet zijn moeder en zijn vader respecteren, maar je zult Mijn
Sjabbat in acht nemen, want Ik ben Hasjem, je G-d.” (Wajjikra
19:3). Door die laatste woorden eraan toe te voegen, lost Hasjem
het conflict op dat zou ontstaan tussen het respect voor de ouders
en het respect voor de Sjabbat, door ons eraan te herinneren dat
Hij eveneens de G-d van de ouders is, en dat zij dus ook verplicht
zijn om Zijn wil uit te voeren.
Tosafot werpt de vraag op hoe de Gemara van dit vers kan afleiden
dat Hasjem de Sjabbat boven het respect voor ouders heeft
geplaatst. We zouden even goed kunnen veronderstellen dat de
woorden aan het eind van dit vers op het eerste deel van het vers
betrekking hebben en dat het doel ervan is om de noodzaak van het
respect voor de ouders nog eens te herhalen, zelfs al betekent
dit, dat men Sjabbat daarvoor moet overtreden.
Het valt te veronderstellen dat de uitdaging van Tosafot gebaseerd
is op het begrip dat respect voor ouders een vorm van respect voor
de uiteindelijk ouder, Hasjem, onze Vader in de Hemel, is. De
Gemara (Bawa Metsia
32a) vraagt aandacht voor het feit dat Hasjem dezelfde uitdrukking
gebruikt voor de eerbied die men ouders verschuldigd is als voor
de eerbied voor Hemzelf, ten einde die twee met elkaar te
vergelijken.
Ondanks deze gelijkstelling, zegt Tosafot in zijn antwoord op zijn
eigen vraag, was het voor onze Geleerden duidelijk dat respect
voor de Sjabbat een grotere vorm van eerbied voor Hasjem betekent,
dan respect voor de ouders. Dit is zo, omdat het in acht nemen van
de Sjabbat een blijk is van de overtuiging dat Hasjem de wereld
geschapen heeft. Iemand die geen Sjabbat houdt, zeggen onze
Geleerden (Eroevien 69b), wordt beschouwd alsof hij de
G-ddelijke schepping ontkent.
In zijn tweede antwoord stelt Tosafot voor dat de laatste woorden
„Ik
ben Hasjem,” hetgeen de noodzaak overbrengt om respect te tonen
voor Hasjems autoriteit, betrekking moet hebben op een respect
voor een autoriteit die eerder in dat vers genoemd wordt, en dat
het dient als een beperking daarop. Wij zien dat de Midrasj op het
vers: „Je
zult jezelf heiligen en heilig zijn,” het volgende commentaar
geeft: wij moeten niet veronderstellen dat wij zo heilig als
Hasjem Zelf kunnen worden, want Hasjem besluit dat vers met:
„Ik
ben heilig” – Ik, niet jij – Mijn heiligheid is groter dan de
jouwe. Op dezelfde manier, concludeert Tosafot, kwalificeert
Hasjem het respect dat Hij eist voor ouders, door ons eraan te
herinneren dat het respect voor Hem voorrang verdient.
Jewamot 6b
Heiligdom – groot en klein
Toen de Tora ons gebood om het Heiligdom te eerbiedigen,
definiëerde het niet expliciet de aard van dit respect;
theoretisch zou dat respect kunnen betekenen dat we ons voor het
Heiligdom op de grond moeten werpen, zoals men dat voor Hasjem
doet. Om deze gedachte te verwijderen, koppelt Tora in het vers
Wajjikra 19:30 het gebod om Sjabbat te respecteren aan het
gebod om het Heiligdom te respecteren:
„Mijn
rustdagen zullen jullie in acht nemen en Mijn Heiligdom zullen
jullie respecteren.” Dit is om ons te leren dat zoals het niet
nodig is om respect voor Sjabbat te tonen door voor de dag te
buigen [want Tora vraagt geen ‘respect’ voor de Sjabbat (Rasji)],
maar dat het respect voor de Ene is Die ons geboden heeft de
Sjabbat te houden, zo ook is het respect dat voor het Heiligdom
vereist wordt, niet een respect voor het gebouw, maar een respect
voor de Ene Die ons geboden heeft het te bouwen.
Maar hoe dan toont men respect voor Hasjem door zijn gedrag in het
Heiligdom?
Onze Geleerden noemen een aantal dingen op waarvan wij ons moeten
onthouden om die te doen op de Tempelberg, waar het Beit HaMikdasj
stond. Die lijst bevat o.a. het verbod op het dragen van schoenen,
hetgeen wij niet van toepassing verklaring voor onze
„kleinere
heiligdommen,” de synagogen. Maar het houdt wel in dat men de
Tempelberg niet mag gebruiken om zijn weg af te steken, wanneer
men van de ene kant van de Tempelberg naar de andere moet. Dit
teken van gebrek aan respect geldt ook voor een synagoge en wordt
ook genoemd in de Sjoelchan Aroech (Orach Chaim
151:5).
Wanneer men de synagoge alleen maar gebruikt om zijn weg af te
snijden, of om iemand naar buiten te roepen, die zich daar
bevindt, dan wordt dat beschouwd als een gebrek aan eerbied, omdat
het beschouwd wordt als de exploitatie van een heilige plaats voor
een persoonlijk doel. De halacha zegt dat wij in zo’n geval wat
woorden uit Tora moeten lezen of een misjna of een halacha,
voordat wij ons overgeven aan onze persoonlijke activiteiten.
Wanneer iemand niet instaat is om op deze manier zijn aanwezigheid
in het ‘klein heiligdom’ te rechtvaardigen, dan kan hij een kind
vragen om het Tora-vers te citeren dat hij zojuist geleerd heeft
op school, en anders kan hij op zijn minst een paar minuten rustig
blijven zitten, want zelfs zitten in een synagoge wordt als een
mitswa beschouwd, zoals blijkt uit het vers (Tehilliem
84:5): „Gelukkig
is hij die in Uw huis zit.”
Jewamot 7a
De
moordzuchtige Kohen
Een
Kohen
die een moord gepleegd heeft, is ongeschikt om enige offerdienst
te verrichten. „Neem
hem van Mijn altaar mee, om hem te executeren,” zegt Tora (Sjemot
21:14).
Daar deze regel ook van kracht is als er geen andere
Kohen
aanwezig is om de dienst te verrichten in het Beit HaMikdasj,
concludeert de Gemara dat de noodzaak om de moordenaar te
executeren, groter is dan de noodzaak om een offer te brengen.
Tosafot betwijfelt deze conclusie en suggereert dat de
verhindering van de moordenaar om dienst te doen, gebaseerd
is op het feit dat hij persoonlijk gediskwalificeerd is en niet
dat zijn executie belangrijker is dan de dienst.
Deze diswalificatie zou te vergelijken zijn met die van een
Kohen
die iemand gedood heeft, zelfs onopzettelijk, en die daarom niet
geschikt is om zijn handen op te heffen en de priesterzegen uit te
spreken.
Er is een veschil tussenbeide gevallen, concludeert Tosafot. In
het geval van het opheffen van de handen om de gemeenschap te
zegenen, is het niet passend dat dezelfde handen, die bloed
vergoten hebben, het instrument van zegening worden, want
„de
aanklager kan niet tegelijk verdediger zijn.” Dit geldt niet voor
een moordzuchtige
Kohen
voor wat betreft de offerdienst, zodat de verhindering dat hij
zo’n offerdienst uitvoerd, gezien moet worden als een bewijs dat
executie van een moordenaar de offerdienst opzij schuift. (Zie
Sjoelchan Aroech O. Ch. 128:35 voor de vraag of een
Kohen
die tesjoewa heeft gedaan [tot inkeer is gekomen] de
priesterzegen mag uitspreken.
Jewamot 10b
Alleen of een Agent?
Wanneer een man sterft zonder kinderen, heeft een van zijn
overlevende broers de mitswa van jibboem – om de weduwe te
trouwen. Als hij dat niet wil, dan moet hij chalitsa doen
en daarmee de weduwe bevrijden, zodat zij buiten de familie kan
trouwen [zie inleiding].
Hoe beschouwen we deze daad van chalitsa? Is het een
persoonlijke handeling, waarbij van de weduwe de status van ‘vrouw
van een broer’ alleen opgeheven wordt voor die ene broer? Of
beschouwen wij hem als een agent voor zijn broers, en met zijn
chalitsa bereikt hij dat de jewama-status van de weduwe
ook voor zijn broers wordt opgeheven?
Hierover verschillen Rabbi Jochanan en Rabbi Sjim’on ben Lakisj
van mening.
Rabbi Sjim’on ben Lakisj, ook wel Reisj Lakisj genoemd in de
Gemara, neemt het strengere standpunt in. Wanneer een van de
broers chalitsa doet met één van de vrouwen van een
overleden broer, en één van de andere broers trouwt vervolgens met
haar of met een van haar tsarot, dan wordt hij gestraft met
kareet (uitroeiing door de Hemel).
Rabbi Jochanan daarentegen neemt een soepeler standpunt in, en
meent dat als één broer chalitsta gedaan heeft met één van
de vrouwen van zijn overleden broer, en één van zijn broers trouwt
vervolgens met de chaloetsa of met één van haar
medevrouwen, dan is hun straf geen kareet (maar geseling).
Jevamot 11b
Gooi het water niet weg
Iemand die water in zijn put heeft, moet dat niet weggooien, zelfs
als hij het niet nodig heeft, want iemand anders kan het nodig
hebben.
Deze les, zegt Rav Joséf, werd ons geleerd door Rabbi Jehoeda
Hanasi, de samensteller van de Misjna, in een halacha betreffende
de wetten van Jibboem en chalitsa, die het
voornaamste onderwerp van ons traktaat vormen.
Wanneer een man kinderloos sterft, wordt zijn broer verondersteld
jibboem te doen door haar te huwen. Wanneer hij dat niet
wil, moet hij chalitsa doen, waarmee de vrouw bevrijd is
van haar band met de familie en zij met iemand anders kan trouwen.
Maar niet met iedereen. Hoewel Tora haar niet verbiedt met een
Kohen
te trouwen, hebben de Geleerden haar dat wel verboden. Haar
gelijkenis met een gescheiden vrouw is zo sterk, dat wanneer zij
zou zijn toegestaan te trouwen met een
Kohen,
er gevaar zou bestaan dat de mensen ten onrechte zouden denken dat
dit is ook toegestaan aan een gescheiden vrouw, hetgeen door Tora
verboden is.
Verderop (44a) wordt het geval besproken van een man die getrouwd
was met twee vrouwen, waarvan er een gescheiden was uit een
vroeger huwelijk. Wanneer hij overlijdt zonder kinderen na te
laten, moet zijn broer jibboem of chalitsa doen met
één van de twee weduwen, waarmee de ander automatisch vrij is om
te trouwen met wie zij wil.
Hij kan kiezen met welke vrouw hij de jibboem wil doen,
maar als hij chalitsa kiest, wordt hij aangespoord om dat
met de gescheiden vrouw te doen. Dit heeft voor hemzelf geen
enkele consequenties. Maar wel voor de nog niet gescheiden vrouw.
Als hij met haar chalitsa doet, kan zij niet meer met een
kohen trouwen, iets wat hij kan voorkomen door de
chalitsa te doen met de gescheiden vrouw, want voor haar
verandert er niets: een
Kohen
was al voor haar verboden. Gooi dus geen water weg, als een ander
het nog kan gebruiken.
|