|
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Chagiga 16a
Tussen engel en beest
Zes dingen zijn er gezegd over de
mens, zeggen onze Geleerden; in drie daarvan is hij gelijk aan een
engel, en in drie is hij gelijk aan een beest.
Mensen lijken op engelen in zover
dat zij intelligentie bezitten, zij rechtop lopen en de heilige
taal, Hebreeuws spreken. Mensen lijken op dieren in zoverre dat
zij eten en drinken, zich vermenigvuldigen en afval uit hun
lichaam afscheiden.
De Midrasj (Bereisjiet Rabba
8) voegt aan elk nog een vergelijking toe: Mensen zien als engelen
en vergaan als dieren.
Waarom worden deze laatste
vergelijkingen niet in onze Gemara genoemd?
De vergelijking van het gezicht
vormt niet zo’n groot probleem, want ook een dier kan zien. Maar
waarom is de vergelijking tussen een dier en de mens betreffende
de dood genegeerd?
De commentatoren brengen twee
antwoorden: Rabbi Jesjajahoe Pinto suggereert dat de Gemara het
heeft over de aanvankelijke schepping van de mens, voordat Adam
van de Boom der Kennis at en dood op de wereld bracht. Ijoen
Ja’akov verklaart dat hoewel zowel mens als dier een beperkte
bestaansduur hebben op deze wereld, de oorzaak van hun dood niet
hetzelfde is. De mens sterft ten gevolge van zijn zonden, terwijl
een dier sterf omdat Hasjem het zo geprogrammeerd heeft.
Chagiga 18a
Chol Hamo’eed – Het Grote Debat
Chol HaMo’eed,
de tussendagen van Pesach en Soekot, waren de voornaamste
onderwerpen van het vorige traktaat Mo’eed Katan, en komt even
weer terug in ons huidige traktaat. Verschillende Tora-bronnen
worden geciteerd als bewijs dat het verboden is om bepaalde vormen
van arbeid te verrichten gedurende deze dagen. Het lijkt er daarom
op dat het verbod op arbeid gedurende Chol HaMo’eed een
verbod van Tora is, net zoals het bredere verbod om allerlei
werkzaamheden op de eerste en laatste dagen van het feest zeker
zijn oorsprong in Tora vindt.
Dit is inderdaad de mening van sommigen van de leidinggevende
commentatoren, zoals Rasji en Rif. Tosafot echter heeft problemen
met deze benadering en concludeert dat de ban op arbeid tijdens
Chol HaMo’eed van Rabbinale oorsprong is. De verzen die in
onze Gemara aangehaald worden, zegt Tosafot, zijn niet meer dan
een soort van asmachta – steun, die de Geleerden vaak
gebruiken, om hun verordeningen te verbinden met een hint van
Tora. [D.w.z. een asmachta is de steun en aanwijzing die
een Tora-vers biedt, als bewijs dat de Rabbijnen het recht en de
autoriteit hebben om de desbetreffende verordening te maken.]
Een van de voornaamste bezwaren die Tosafot opwerpt tegen de
mening dat het verbod op arbeid tijdens Chol HaMo’eed zijn
oorsprong in Tora vindt, is het feit dat er bepaalde categorieën
arbeid zijn – zoals iets dat niet kan worden uitgesteld tot na het
feest, zonder een ernstig verlies te leiden – die zijn toegestaan
tijdens Chol HaMo’eed. Waar, vraagt Tosafot, vinden we een
verbod in Tora met een dergelijke uitzondering op de regel?
De weerlegging van dit argument kan gevonden worden in de tekst
van een Baraita in onze Gemara. Na ogenschijnlijk tegenstrijdige
signalen van Tora te hebben gepresenteerd, betreffende de vraag of
bepaalde werkzaamheden al dan niet zijn verboden op
Chol HaMo’eed,
wordt de conclusie bereikt dat de Tora aan de Geleerden de
autoriteit gedelegeerd heeft, om te beslissen welke werkzaamheden
verboden zijn en welke zijn toegestaan.
Dit nu is de sleutel tot de benadering van Rasji en Rif. De Tora
heeft inderdaad arbeid op Chol HaMo’eed verboden, maar
heeft aan de Geleerden de autoriteit gegeven om te beslissen welke
categorieën arbeid daarvan zijn uitgesloten.
Het is deze benadering, suggereert de Misjna Beroera
(530:1), die de Rama (ib.) volgt, wanneer hij aan de
woorden van de Sjoelchan Aroech:
„Op
Chol HaMo’eed zijn sommige werkzaamheden verboden en
anderen toegestaan” het volgende commentaar toevoegt: „Voorzover
de Geleerden de noodzaak van een uitzondering rechtvaardigden.”
Een derde benadering, die een soort van compromis voorstelt, wordt
geciteerd door de hierboven genoemd Misjna Beroera in zijn
Bioer Halacha. Volgens deze zienswijze maakte de Tora zelf
uitzonderingen op het verbod van arbeid op Chol HaMo’eed,
en waren het de Geleerden, die hun eigen verboden invoerden, om de
uitzonderingen van Tora te beperken.
Chagiga 22a
De
vrede bewaren
Zelfs al bestond er een verdenking in de tijd van het
Beet-HaMikdasj dat een am haärets (een Jood die onbekend
was met de wetten van Tora) niet zorgvuldig was met de
voorschriften voor rituele reinheid en dat het vaatwerk dat hij
gebruikte, ritueel onrein was, werden er enkele uitzonderingen op
gemaakt. De wijn die hij doneeerde als plengoffer op het altaar en
de olie die hij gaf voor meeloffers, werden geaccpeteer. Hetzelfde
gold voor de schalen die hij van zijn huis meebracht voor het
gebruik van de as of het water voor het reinigingsproces van de
rode koe.
De gedachte achter deze soepele houding is, verklaart Rabbi Jossi,
om een situatie te voorkomen dat de am haärets een zodanige
haat tegen de Geleerden zal ontwikkelen, omdat zijn voorwerpen
geweigerd worden, dat hij dan geneigd zal zijn om zijn eigen
altaar op te richten, om daar zijn eigen rode koe op te
verbranden.
Rav Pappa breidt deze overweging verder uit en past hem toe om de
getuigenis van een am haärets te accepteren, om te
voorkomen dat we slechte gevoelens bij dit deel van het Joodse
volk kweken. Tosafot past dit ook toe, door, net als wij
tegenwoordig doen, een am haärets mee te tellen voor een
zimoen – de uitnodiging tot het dankgebed na de maaltijd,
ondanks de regeling van de Gemara (in Berachot 47b) om hem niet
mee te tellen.
Dit is de benadering van Tosafist Rabbijn Elchanan. De Tosafist
Rabbijn Jitschak ziet geen reden om een am haärets mee te
tellen voor een zimoen, alleen om wanklank te vermijden.
Wie zijn wij, zo vraagt hij uitdagend, om te veronderstellen dat
wij de Tora-geleerden zijn, die de Geleerden wilden ontmoedigen om
zich te socialiseren met ammei haärets? Zijn antwoord op
deze theoretische vraag is dat wij inderdaad onszelf niet
beschouwen als Torageleerden in dit opzicht, en dat wij daarom
geen probleem hebben om met een am haärets samen een
zimoen te vormen.
Chagiga 22b
De
berouwvolle Geleerde aan het graf
Toen Rabbi Jehosjoea ben Levi in scherpe bewoordingen zijn
afkeuring uitte over een regeling van een vroegere generatie van
de Beet Sjammai-Geleerden, gebruikte hij de volgende woorden:
„Ik
ben beschaamd over jullie woorden, Beet Sjammai.” De reden voor
die regeling werd vervolgens aan hem uitgelegd door een van zijn
geleerde tijdgenoten van de Talmoed academie. Een berouwvolle
Rabbi Jehosjoea wierp zichzelf vervolgens op de graven van de
Geleerden van Beet Sjammai en smeekte hen om vergiffenis.
Deze scene van een berouwvolle Geleerde aan een graf roept
herinneringen op aan een soortgelijk incident in het vorige
hoofdstuk van ons traktaat.
De Geleerde Jehoeda ben Tabbai veroordeelde eens een getuige ter
dood, wiens getuigenis in een halszaak volkomen weerlegd werd door
andere getuigen, die verklaard hadden dat hij in hun gezelschap
ergens anders was op de tijd van het misdrijf, welke hij beweerde
gezien te hebben. Deze Geleerde voerde het Tora-gebod uit, om een
dergelijke valse getuige te straffen met dezelfde straf die hij
getracht had de beklaagde te laten opleggen. Hij was er in het
bijzonder op gebrand om deze straf te doen uitvoeren, ondanks het
feit dat de beklaagde nog niet was geëxecuteerd, ten einde de ware
Tora-positie van de Geleerden aan te tonen, in tegenstelling tot
de Tsedokiem-seperatisten, die beweerden dat de straf alleen kon
worden toegepast als de beklaagde reeds was geëxecuteerd op basis
van de valse getuigenis.
In zijn haast echter zag hij het feit over het hoofd, dat een
getuige een dergelijke vergelding alleen schuldig is wanneer het
hele getuigen-team in diskrediet is gebracht, hetgeen hier niet
het geval was. Toen hij door een mede-geleerde beschuldigd was van
verspilling van onschuldig bloed, wierp hij zich op het graf van
de geëxecuteerde getuige en smeekte om vergiffenis. Een
jammerende stem werd er gehoord, waarvan de mensen dachten dat het
de stem was van de dode getuige. Rabbi Jehoeda ben Tabbai hield
echter vol dat het zijn eigen stem was die gehoord zou blijven
worden tot zijn dood.
In het geval van Rabbi Jehosjoea schijnt er ook een levenslange
poging geweest te zijn om vergiffenis te krijgen van de Geleerden
van de Beet Sjammai. Er werd gezegd dat zijn tanden zwart waren
geworden van het vasten dat hij deed als berouw voor zijn scherpe
woorden.
Chagiga 27a
De
tafel als altaar
In de dagen van het Beet HaMikdasj, zeggen Rabbi Jochanan en Reesj
Lakisj, bereikte het altaar verzoening voor iemands zonden; maar
nu is het iemands tafel die verzoening voor hem doet.
Dit wordt afgeleid van een vers in de profetie van Jecheskel
(41:22) betreffende het Beet HaMikdasj van de toekomst. De
profetie begint met de beschrijving van de dimensies van het
altaar en eindigt met de woorden:
„Dit
is de tafel voor Hasjem.”
Wat doet een tafel, waaraan wij eten, veranderen in een virtuele
altaar en maakt dat hij geplaatst wordt
„voor
Hasjem”?
Rasji verklaart dat het de tafel is, waar men zijn gastvrijheid
aan behoeftige gasten toont. Tosafot verwijst ons naar de
verklaring van dezelfde Rabbi Jochanan (Sanhedrin 103b) over de
kracht van het samen dineren, om mensen dichter tot elkaar te
brengen.
Variaties op dit thema worden ook op andere plaatsen gevonden. In
Berachot 55a zegt Rabbi Jehoeda dat iemand die lange tijd aan zijn
tafel doorbrengt om zo de hongerigen te voeden, beloond zal worden
met een lang leven. In Pirkei Awot (3:4) verklaart Rabbi Sjim’on
dat een tafel, waaraan woorden van Tora gezegd worden een
„tafel
voor Hasjem” wordt en degenen die daar dineren, worden beschouwd
alsof zij van de G-ddelijke tafel eten.
Dit thema van de tafel als een instrument van gastvrijheid en
liefdadigheid vindt op een poëtische wijze uiting in een gewoonte
die genoemd wordt door een van de vroege commentatoren van de
Choemasj, Rabbeinoe Bachia:
„Het
is de gewoonte van de zeer vrome Joden in Frankrijk,” schrijft hij
in Parasjat Troema (Sjemot 25:23),
„om
het hout van hun tafels te gebruiken om daar de kisten van te
maken waarin zij begraven worden. Dit is om aan te tonen dat een
mens niets meeneemt en dat niets van al zijn arbeid hem zal
begeleiden, behalve de liefdadigheid die hij betoonde tijdens zijn
leven en de goedheid die hij uitdeelde aan zijn tafel. Dit is wat
de Geleerden bedoelden toen zij zeiden dat iemand die lang aan
tafel zit [om zo in de gelegenheid te zijn om voedsel aan een arme
uit te delen, die misschien langs komt] gezegend zal zijn met een
lang leven.
|