|
Uit Daf Yomi Digest van het Chigago Center for Torah Chesed
Mo’eed Katan 24a
De
kria voor een Geleerde
Onze Gemara behandelt het probleem van het maken van een
inscheuring – kria – in de kleding bij het overlijden van
een naast familielid. De Geleerde Sjmoeël heeft daarover gezegd
dat die kria gemaakt moet worden op het moment van het
meest intensieve verdriet. Voor wie aanwezig was bij het moment
van overlijden, is dat het tijdstip waarop hij de kria moet
maken. Wie daarbij niet aanwezig was, maakt de kria op het
moment dat hij van het overlijden hoort.
Voorts leert de Gemara ons wie die naaste familieleden zijn, voor
wie men een kira maakt: een vader, moeder, broer of
ongetrouwde zuster, zoon, ongetrouwde dochter en echtgenoot
(-note). Maar men maakt ook een kria wanneer men hoort van
het overlijden van een groot Tora-Geleeerde.
De Gemara op onze daf vertelt hoe de Geleerde Sjmoeël bij het
overlijden van zijn collega, de Geleerde Rav, in zijn rouw
daarover in twaalf kledingstukken een kria
maakte en dat hij daarbij jammerde:
„Heen
gegaan is de man voor wie ik vreesde.”
De Gemara merkt op dat het onwaarschijnlijk is dat Sjmoeël die
kleren tegelijk over elkaar droeg op het moment dat hij van het
overlijden hoorde en dat het ook ook onwaarschijnlijk is dat hij
op diezelfde dag twaalf maal van kleren verwisselde. De Gemara
concludeert dat hij die verschillende kleren op eenvolgende dagen
droeg en dus alle dagen achtereenvolgens een kria maakte.
Echter, hierboven heeft Sjmoeël gezegd dat men alleen een kria
maakt op het moment van het meest intensieve verdriet; dat wil
zeggen, niet op twaalf dagen achter elkaar! Hoe zit dat?
De Gemara concludeert dat het verdriet over het verlies een
Tora-Geleerde niet te vergelijken is met het verdriet over een
gewoon familielid. Het verlies van een Tora-Geleerde betekent het
verlies van Tora en dat verlies blijft men voelen, iedere dag.
Maar waarom was Sjmoeël bang voor Rav?
Tosafot HaRosj
citeert de Ra’awad, die schrijft dat wegens het grote
ontzag dat Sjmoeël had voor de enorme kennis van Rav, die nog
rechtstreeks van de
Tanna
Rabbi Jehoeda HaNasi geleerd had, (Sjmoeël zelf trouwens ook), en
ook van Rabbi Chia, dat dit ervoor zorgde dat Sjmoeël uiterst
voorzichtig was in zijn uitspraken en geen soepele beslissingen
nam. Maar nu Rav overleden was, was er niemand meer voor wie hij
bang hoefde te zijn, dat hij op zijn vingers getikt zou worden,
hetgeen zou kunnen veroorzaken dat hij niet voldoende doordachte
beslissingen zou nemen en fouten zou maken en daarmee het publiek
zou veroorzaken overtredingen te maken.
Dat was waar Sjmoeël hij nu bang voor was.
Uit Insights to the Daf, van
Kollel Iyun Hadaf, Jerusalem
Mo’eed Katan 24b
Wanneer één dag voor
veertien dagen telt
De Gemara leert ons dat als iemand een aweel – rouwende –
wordt op de dag voor Sjawoe’ot, dat het dan, met het voorbijgaan
van Sjawoe’ot is, alsof veertien dagen van aweloet – rouw –
voorbij zijn en de aweel hoeft nog maar 16 dagen te tellen om zijn
sjelosjiem aan te vullen. Dit is omdat Sjawoe’ot de
sjiwa opheft (zoals de Misjna op 19a zegt), en dus is het
alsof de zeven dagen van de sjiwa, die meetellen voor de
sjelosjiem, al voorbij zijn. Wanneer Sjawoe’ot voorbij is,
wordt het beschouwd alsof er nog eens zeven dagen voorbij zijn,
want Sjawoe’ot is een Jom Tov met dezelfde status als Pesach en
Soekot, die zeven dagen duren [Sjemini Atsèret (Simchat Tora)
hoort niet meer bij Soekot].
Wat is de basis voor het tweede deel van de regeling van de
Gemara, dat één dag van Sjawoe’ot beschouwd wordt als zeven dagen?
Als Sjawoe’ot beschouwd wordt als zeven dagen, omdat het zes
dagen tasjloemiem heeft voor zijn korbanot (Chagiga 17a),
waarom telt de dag van Sjawoe’ot zelf dan als zeven dagen, en
tellen de volgende zes dagen mee voor de sjelosjiem? Deze dagen
worden tweemaal geteld!
Voorts, als om een of andere reden Jom Tov beschouwd wordt als
zeven dagen, dat zou Soekot voor 27 dagen moeten tellen (de eerste
zeven dagen van de sjiwa worden geannuleerd door de eerste dag Jom
Tov, de eerste dag Jom Tov telt vervolgens mee voor zeven dagen
van de sjelosjiem, dan zijn er zes dagen Chol HaMo’eed, en
tenslotte is er de Jom Tov van Sjemini Atsèret, die ook voor zeven
dagen telt, totaal dus 27), en niet 21 dagen, zoals de Gemara
zegt! Waarom tellen de zes dagen van Chol HaMo’eed niet voor
zichzelf mee voor de dertig dagen van de sjelosjiem, zoals de zes
dagen van tasjloemiem die volgen na Sjawoe’ot? De Gemara
zegt expliciet (20a) dat het hele feest, met inbegrip van Chol
HaMo’eed, is inbegrepen in de dertig dagen van de sjelosjiem!
De Tifèret LeMosjé (J.D. 399) suggereert een ingenieuze oplossing.
Hij verklaart dat gedurende de tijd van het Beit HaMikdasj,
Sjawoe’ot beschouwd werd als een feest van zeven dagen, wegens de
zes dagen van tasjloemiem die op de Jom Tov volgen [dat wil
zeggen, dat iemand die niet in de gelegenheid was om zijn offers
op Sjawoe’ot te brengen, daar nog zes dagen gelegenheid voor had,
net als bij de andere pelgrimfeesten]. Deze zes dagen telden mee
voor de dertig dagen van de sjelosjiem (zoals de Gemara op
20a zegt, met betrekking tot Chol HaMo’eed). Aan de andere kant,
tijdens deze dagen van tasjloemiem hield een aweel geen van
de voorschriften van de sjelosjiem, omdat de wetten dan opgeschort
zijn tijdens het feest. (Dit is gebaseerd op de woorden van de
Toer (J.D. 399) in naam van de Rosj, die schrijft dat een aweel
zijn haar niet mag knippen of zijn kleren mag strijken tijdens
Chol HaMo’eed – niet vanwege de wetten van de sjelosjiem, maar
vanwege de voorschirften van Chol HaMo’eed, zoals de Gemara zegt
op daf 19b. De andere wetten van de sjelosjiem, zoals het dragen
van schone, pas gestreken kleren, gelden helemaal niet op Chol
HaMo’eed. De Ramban (in Torat haAdam) schrijft echter dat al de
voorschriften voor de sjelosjiem van toepassing zijn gedurende het
feest, en dat men geen nieuw gestreken kleren mag dragen op Chol
HaMo’eed. De Tifèret LeMosjé suggereerd dat zelfs de Ramban deze
regeling alleen van toepassing verklaart in een geval waarbij het
overlijden plaatsvond op het feest zelf, in welk geval het feest
de sjiwa niet opheft. In zo’n geval zijn de beperkingen van de
sjelosjiem van toepassing, niet omdat deze dagen dan een onderdeel
vormen van de sjelosjiem, maar omdat zij een onderdeel vormen van
de sjiwa. Maar wanneer de dood vóór het feest plaatsvond, en het
feest de sjiwa dus opheft, dan is zelfs de Ramban het ermee eens
dat de voorschriften voor de sjelosjiem niet gelden tijdens het
feest.)
Dus in de tijd van het Beit HaMikdasj won een aweel zeven dagen,
gedurende welke hij niet de wetten van de sjelosjiem in acht
hoefde te nemen, terwijl die dagen toch meetelden voor zijn
sjelosjiem. De zeven dagen die meetelden voor zijn sjelosjiem
waren samengesteld uit één dag Sjawoe’ot en de zes dagen van de
tasjloemiem die daarop volgden. Toen het Beit HaMikdasj verwoest
was, wilden de Geleerden niet dat de aweel deze dagen zou
verliezen wegens de Verwoesting en daarom beslisten zij dat ook
vandaag nog de aweel zeven dagen aftrekt van de telling van
dertig, wanneer Sjawoe’ot voorbij is en hij telt zeven dagen
minder sjelosjiem. Dit is de betekenis van de Gemara hier, wanneer
die zegt dat Sjawoe’ot voor zeven dagen telt.
De Tifèret LeMosjé wijst erop dat dit ook verklaart waarom de
dagen van Chol HaMo’eed van Soekot en Pesach niet meetellen voor
de sjelosjiem zelf. Alleen de eerste dag van Jom Tov telt mee als
zeven dagen, omdat de enige reden waarom een feestdag voor zeven
dagen telt, is omdat het zes dagen Chol HaMo’eed heeft die daarop
volgen. Dus alleen als een Jom Tov niet werkelijk Chol
HaMo’eed-dagen heeft (zoals Sjawoe’ot), hebben de Geleerden het
een status van zeven dagen gegeven.
Waarom echter tellen elk van de eendags-feesten, zoals Sjemini
Atsèret, Rosj Hasjana en Jom Kippoer als zeven dagen voor de
sjelosjiem volgens Rabban Gamliël (en zijn mening is halacha)? Die
dagen zijn geen feesten van zeven dagen, en in de tijd van het
Beit HaMikdasj werden ze ook niet gevolgd door zes dagen van
tasjloemiem. De Ramban verklaart dat zij niettemin als zeven dagen
geteld worden, omdat de Tora alle feesten aan elkaar gelijk stelt
(traktaat Sjawoe’ot 10a), en daar Sjawoe’ot voor zeven dagen telt,
ondanks dat het een een-dags-feest is, tellen ook de andere
een-dags-feesten als zeven dagen, ook als werden zij nimmer
gevolgd door dagen van tasjloemiem.
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Mo’eed Katan 25a
Profetie buiten Erets Jisraël
Bestaat er profetie buiten Erets Jisraël?
Deze vraag komt op in onze Gemara als resultaat van een grafrede
die Rabbi Abba hield bij het overlijden van Rav Hoena.
„Onze
leraar,” zo verklaarde hij,
„was
het waardig dat de G-ddelijke aanwezigheid op hem rustte [om
profetie te krijgen], maar het feit dat hij in Babylonië woonde,
verhinderde dat.”
Toen Rav Nachman bar Rav Chisda deze uitlating hoorde, dat
profetie beperkt is tot Erets Jisraël, wees hij op de inleidende
verzen van het Boek Jechezkel (Ezechiël), waar staat: „Het
gebeurde dat het woord van G-d kwam tot Jechezkel ben Boezi
HaKohen in het land van de Chaldeeën” (Jechezkel 1:3). Met andere
woorden, hieruit zou blijken dat er wel degelijk profetie is
buiten het Land Israël!
Deze uitdaging vond echter geen gunst in de ogen van zijn vader,
Rav Chisda, die hem een reprimande gaf voor het stellen van te
veel vragen. De woorden ‘Het gebeurde’ aan het begin van dat vers
worden nogmaals herhaald, en dat wijst erop dat dit een
uitzondering op de regel was.
Rasji biedt twee verklaringen voor deze uitzondering. Eén is dat
dit een eenmalige profetie was, die niet meer terugkwam. Zijn
andere verklaring is dat ‘Het gebeurde’ de eerste keer dat het
woord van G-d tot Jechezkel kwam in Erets Jisraël en daarom
gebeurde dat nogmaals buiten Erets Jisraël.
Jehoeda Halevi geeft in zijn klassieke boek
„De
Koezarie” nog een derde verklaring. Omdat Jechezkel profeteerde
over Erets Jisraël, verkreeg hij de profetie buiten het Land.
Het best bekende voorbeeld van profetie die berperkt was tot Erets
Jisraël, is te vinden in het boek Jona, dat wij als Haftara lezen
bij Mincha op Jom Kippoer. Toen hem door G-d geboden werd om naar
de Ninevé te gaan, om haar bewoners aan te sporen om tot inkeer te
komen, trachtte hij per schip uit Erets Jisraël te vluchten, zodat
hij geen profetie meer zou krijgen en hij verlost zou worden van
de verantwoordelijkheid.
Mo’eed Katan 26a
De paradox van een overlijden
Het overlijden van tsaddikiem wordt vergeleken met de rode koe,
waarvan de as gebruikt wordt om reiniging te verkrijgen voor die
Joden, die spiritueel onrein zijn geworden door contact met een
dode.
Als bron voor deze vergelijking noemt Rav Ami het feit dat het
hoofdstuk over de wetten voor de rode koe (Bamidbar 19) gevolgd
wordt door het verslag van het overlijden van Miriam (Bamidbar
20:1). Dat is om ons te leren dat net zoals de rode koe dient voor
verzoening (het wordt in Bamidbar 20:9 als een zondoffer genoemd –
Marhasja), zo werkt ook de dood van een tsaddiek als een
verzoening.
Een interessante verklaring voor deze vergelijking wordt gegeven
door Rabbijn Jonatan Eibeschitz in zijn klassieke werk Ja’arot
Devasj, tegen de achtergrond van de paradox die zweeft boven
de kracht van de rode koe om reiniging te verkrijgen: terwijl het
sprenkelen van de as daarvan op een verontreinigd persoon, op de
manier zoals Tora voorschrijft, hem rein maakt, worden degenen die
zich met dit sprenkeling-proces bezig houden, er onrein van.
Deze paradox van
„het
reinigen van de onreine, dat de reine onrein maakt” gaat ieder
menselijk begrip te boven en wordt daarom een chok genoemd.
Een soortgelijke paradox bestaat er betreffende het gevolg van de
dood van een tsaddiek. Net zoals de as van de rode koe reiniging
verkrijgt voor de onreine op een of andere mystieke manier, zo ook
verkrijgt de dood van de tsaddiek op een of andere mystieke manier
verzoening voor de zonden van de generatie van de tsaddiek. Maar
voor de leerlingen van de tsaddiek en hen die hem nabij waren en
die profiteerden van zijn leiding, is zijn dood een enorm gemis,
want zij hebben de bron van hun kennis en inspiratie verloren.
Over hen kan gezegd wordem dat
„de
reine onrein geworden is” ten gevolge van het verlies.
Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 410 van Kollel
Chassidei Sochatov, Bnei Brak
Mo’eed Katan 27a
Lijkkleding
Ongeveer negentig jaar geleden werd aan Rabbijn Jehoeda Leib
Friedman, die verbonden was aan het plaatselijke Beit Din van
Pressburg, Hongarije, een sombere vraag voorgelegd. Tot op dat
moment was het de gewoonte om de doden te begraven in lijkkleding
die gemaakt was van
„leinwand,”
een hoge kwaliteit linnen. Met het uitbreken van de Eerste
Wereldoorlog nam de armoede toe en de last van het begraven van
talloze oorlogslachtoffers viel op de chewra kadisja. Zij
konden zich niet langer meer permitteren om de doden in de
leinwand te begraven en zij vroegen daarom of zij in plaats
daarvan ‘papierleinwand’ mochten gebruiken, een mindere kwaliteit,
die zo genoemd werd omdat het op dun papier leek. De vraag was
gebaseerd op de waarschuwing van de Be’er Heteev (J.D. 352:1):
„Wijk
niet af van de geaccepteerde gewoonte van de kleding van de doden.
De dode maakt bezwaar tegen deze aanslag op zijn eer.”
Het precedent van Rabban Gamliël
– R. Friedman stond het gebruik van papierleinwand toe voor
lijkkleding (Tesjoewot Riwad 64). Als bewijs citeerde hij
onze Gemara, dat het eens de gewoonte was om de doden in
buitengewoon dure kleding te begraven. Dit werd zulk een zware
last voor de overlevende familie, dat zij soms het lichaam in de
steek lieten en er vandoor gingen, liever dan de hoge kosten van
de lijkkleding te betalen.
Rabban Gamliël zag de benarde toestand van de gemeenschap en gaf
opdracht dat wanneer hij zou overlijden, hij begraven moest worden
in simpele linnen kleren. Rabban Gamliël was toen de Nasi,
de leider van de Geleerden. Het volk realiseerde zich dat als hij
afzag van de eer van een extravagante begrafenis, zij dat ook
konden doen. (Ter waardering van de grote verlichting die hij voor
het Joodse volk bracht, werd het de gewoonte om een beker wijn te
drinken als men de rouwenden ging troosten – Ketoebot 8b.)
Later werd het de gewoonte om de doden in kleren van nog
simpelere stof te begraven.
R. Friedman concludeerde dat hoewel dit hem correct leek te zijn,
men niet op zijn beslissing mocht afgaan, voordat Tora-geleerden
hiermee zouden instemmen.
|