|
We zijn vorige week een nieuw traktaat begonnen: Ta’aniet. De
volgende inleiding had in het nummer van vorige week moeten
staan, maar het is er helaas uitgevallen. Voor de volledigheid
volgt het hier alsnog.
(De genen die dagelijks de samenvatting van de Daf Hajomi
krijgen toegestuurd, hebben dit reeds ontvangen.)
Inleiding tot
traktaat Ta’aniet
Traktaat Ta’aniet heet naar het Hebreeuwse woord voor
‘vastendag’.
Rambam (Maimonides) schrijft in Hilchot Ta’aniot
(1:1-4):
1.
Het is een positief Tora-gebod om het uit te schreeuwen en om
de trompetten te doen schallen bij iedere akelige gebeurtenis
die de gemeenschap overvalt, zoals er geschreven staat [Bamidbar
10:9]: „[Wanneer jullie ten strijde trekken… tegen de
verdrukker die jullie onderdrukt, en jullie blazen de alarm op
trompetten…” [Dit gebod geldt echter niet alleen voor het
geval van oorlog, maar] dit wil zeggen: bij alles wat jullie
ellende bezorgt, zoals hongersnood, pest, sprinkhanen en
dergelijke, schreeuw het daarom dan uit [tegen G-d] en laat
de trompetten klinken.
2.
Dit is een van de manieren van berouw en inkeer, want wanneer
er moeilijke tijden aanbreken en het volk schreeuwt het uit
tegen G-d en blaast de trompetten, dan zal iedereen zich
realizeren dat de ellende gekomen is ten gevolge van hun
slecht gedrag, zoals er staat geschreven [Jeremiahoe
5:25]: „Jullie zonden hebben [de regens en het oogst-klimaat]
tegengehouden.” Dit zal de narigheid van hen terugdringen.
3. Maar als men niet [tegen G-d] schreeuwt en niet de
trompetten blaast, maar als men zegt: „Wat ons is overkomen is
een natuurlijk verschijnsel en deze narigheid is een
toevalligheid,” dat is iets wreeds en dat veroorzaakt dat zij
aan hun slechte gewoonten gehecht blijven. Daardoor zal deze
tijd van narigheid tot nieuwe narigheid leiden. Dat is de
betekenis van wat er staat in Tora [Wajjikra 26:27-28]:
„Wanneer je onverschillig voor Mij bent, dan zal Ik
onverschillig voor jou zijn in Mijn boosheid.” Dit betekent:
wanneer Ik ellende over jullie breng, opdat jullie tot inkeer
komen, en jullie zeggen dan dat het maar toeval is, dan zal
Mijn boosheid op jullie nog toenemen wegens die
onverschilligheid voor Mij.
4.
Het is een Rabbijnse verordening om te vasten bij iedere ramp
die de gemeenschap treft, totdat de Hemel erbarmen toont.
Op deze vastendagen schreeuwen we het uit in onze gebeden en
smeken wij en blazen we alleen op trompetten. In de Tempel
werd er behalve op de trompetten ook op de sjofar
geblazen. Op de sjofar werd een korte toon geblazen en
op de trompetten werd lang geblazen, want op deze dag is het
een mitswa om de trompet te doen klinken. En er wordt alleen
in de Tempel tegelijk op trompetten en op de sjofar
geblazen, zoals er gezegd is [Tehilliem 98:6]: „Laat de
sjofar en de trompet schallen voor Hasjem, de Koning.”
Zoals de Rambam schrijft, is het een Tora-gebod om op
moeilijke tijden G-d om vergeving van onze zonden te smeken en
onze Geleerden hebben daartoe vastendagen ingesteld.
In Talmoedische tijden werden vastendagen waarschijnlijk
voornamelijk uitgeroepen als de regentijd uitbleef.
De regen in het Land Israël valt niet het hele jaar door.
Zoals in zovele andere gebieden in de wereld valt de regen er
uitsluitend in een bepaald regenseizoen, dat overeenkomt met
het tweede deel van de herfst en de winter. Als dat seizoen
voorbij gaat zonder regen, dan is er praktisch geen kans meer
op regen tot het volgende jaar. De consequentie hiervan –
droogte en hongersnood – is catastrofaal. Daarom wordt iedere
vertraging van de aanvang van het regenseizoen met grote zorg
beschouwd.
Het onderwerp van dit traktaat is daarom tweevoudig:
vastendagen en regen, omdat deze twee onderwerpen nauw aan
elkaar verwant zijn door het feit dat de meest algemene reden
waarom in Talmoedische tijden vastendagen werden uitgeroepen,
waarschijnlijk het uitblijven van het regenseizoen was.
Regen, en het gebrek daar aan, zijn de onderwerpen van twee
Rabbijnse verordeningen. De eerste stelt gebeden voor regen
vast in de dagelijkse dienst vóór en tijdens het regenseizoen.
De tweede verordening is de instelling van een serie
vastendagen die worden uitgeroepen als de regens uitblijven.
De discussie van deze onderwerpen introduceert vele aggadische
passages betreffende de zegeningen van de regen en de
spirituele oorzaken van droogte. In het derde hoofdstuk wordt
dit uitgebreid toegelicht met vele van de meest bekende en
inspirerende verhalen van heilige mensen die leefden in de
tijd van de Talmoed – grote leiders zowel als gewone mensen.
Publieke vastendagen worden niet alleen uitgeroepen bij gebrek
aan regen, maar ook ter afwending van op handen zijn de
rampen, die de hele gemeenschap bedreigen. Ook die worden
besproken in dit traktaat.
In het Joodse antwoord op tegenslag en gevaar moeten altijd
berouw en gebeden tot G-d om genade zijn inbegrepen. Dit is
het geloof waarop het instituut van vasten gebaseerd is.
Ta’aniet 8a
De
menselijke slang
(Door
Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)
Wat is de verklaring van Prediker 10:11: „Als de slang bijt
omdat hij niet bezworen was, dan heeft de bezweerder geen nut
meer [lett.: dan heeft de meester van de spraak geen
voordeel]”?
Reisj Lakisj verklaart: Het vers is een toespeling op de
toekomst, wanneer alle dieren zich zullen verzamelen rondom de
slang en hem zullen vragen waarom hij andere dieren bijt,
terwijl hij ze niet eet, zoals leeuwen en wolven, die hun
prooi doden en vervolgens opeten. De slang zal dan antwoorden:
wat heeft de ‘meester van de spraak’ die anderen belastert,
voordeel van zijn kwaadsprekerij? [Op de dag des oordeels
zullen de kwaadsprekers en de slang samen veroordeeld worden
zegt Rasji.]
Deze dialoog van de toekomst kan worden opgevat als meer dan
het beantwoorden van de ene vraag met de andere. Totdat de
eerste slang de misdaad beging om de eerste man en vrouw te
verleiden tot het eten van de verboden vrucht van de Boom van
de Kennis, liep hij rond op twee benen, net als een mens. Als
straf voor zijn misdaad werd hij veroordeeld om op zijn buik
te kruipen en om eeuwig ruzie te hebben met de mens. Dit
conflict tussen slang en mens wordt beschreven in de Tora als
de poging van de mens om op de kop van de slang te gaan staan
en de poging van de slang om de mens in zijn hiel aan te
vallen (Gen. 3:15).
Sedert die val benijdt de slang de staande houding van de
mens, omdat hij ooit ook het genoegen had die te bezitten.
Bewust van het feit dat hij die houding nimmer meer kan
terugkrijgen ten gevolge van de G‑ddelijke vloek, probeert de
slang zijn best te doen om de mens omlaag te brengen door hem
zijn venijn in zijn lichaam te spuiten.
Wanneer de slang van de toekomst – die zijn frustratie van
alle slangen vanaf het begin der tijden uit – zijn uitdaging
richt op de kwade tong van de roddelaar, biedt hij hen een
voorbeeld van zijn eigen gedrag op menselijk niveau. Een mens
die het karakter van een ander, waarop hij jaloers is,
vernielt door zijn boze tong, wordt gemotiveerd door de
behoefte om zijn slachtoffer in de ogen van zijn toehoorders
tot zijn eigen niveau omlaag te brengen.
Ta’aniet 10a
Tot de laatste Jood
thuis is
In Erets Jisraël beginnen de Joden voor regen te bidden door
te zeggen: Weteen tal oematar liwracha in de negende
beracha van de Sjemoné Esré op de zevende dag van de
maand Marchesjwan [of kortweg Chesjwan genoemd].
Waarom op deze dag en niet met Soekot, wanneer regen al voor
de landbouw nodig is?
Op Soekot zelf vragen we niet om regen, want als zo’n gebed
beantwoord zou worden, zouden we niet in onze soeka kunnen
zitten en dat zou dan geïnterpreteerd kunnen worden als een
teken dat Hasjem onze pogingen om Hem te dienen door de mitswa
uit te voeren, verwerpt. Maar waarom beginnen we dan niet
zodra Soekot voorbij is?
Rabban Gamliël legt uit dat wij ons gebed voor regen
uitstellen, omdat we rekening willen houden met de Joden die
niet naar Jeruzalem komen van de meest ver verwijderde
plaatsen in Erets Jisraël, om hun mitswa te doen van een
pelgrimstocht naar het Beit HaMikdasj. Wij zijn bezorgd dat
zij niet op tijd terug thuis zouden kunnen zijn, zonder
onderweg te worden overvallen door de regen. Daar zo’n tocht
naar een plaats nabij de rivier de Eufraat wel tot vijftien
dagen kan duren, wachten we zo lang met om regen te bidden.
Deze overweging schijnt beperkt te zijn tot de tijd dat wij
nog een Beit HaMikdasj hadden, waarheen wij geboden werden een
pelgrimstocht te maken op de drie feestdagen Pesach, Sjawoe’ot
en Soekot. Echter, de Talmoed, noch de latere commentatoren
maken onderscheid tussen toen en nu.
Eén van deze commentatoren, de Ran geeft hiervoor een
interssante verklaring:
Deze gewoonte geldt ook voor de periode na de verwoesting van
de Tempel omdat het de gewoonte van de Joden was om nog steeds
naar Jeruzalem te komen op deze feesten. (Hij schrijft dat het
in zijn tijd – ongeveer zeshonderd jaar geleden – nog steeds
de gewoonte was om dat te doen.) Om rekening te kunnen houden
met die Joden, die de geest van de Beit
HaMikdasj-pelgrimstocht in stand hielden, werd het gebed om
regen uitgesteld tot iedereen thuis was, zonder te worden
overvallen door de regen.
Iedereen die leeft in Erets Jisraël, met name in Jeruzalem,
kan getuigen dat deze gewoonte om Jeruzalem en de plaats waar
het Beit HaMikdasj heeft gestaan, te bezoeken op deze
feestdagen, nog steeds door velen in de praktijk wordt
gebracht.
Taániet 9a
„Zaken doen” met de
Hemel
De Midrasj vertelt het volgende, hoogst inspirerende verhaal
over het „zaken
doen” met de Hemel.
Een rijke Jood werd ieder jaar gezegend met een overvloedige
oogst van duizend kor [1 kor is ongeveer 250
liter], waarvan hij plichtsgetrouw 110 kor afscheidde,
in overeenstemming met het Tora-voorschrift om de
landbouwopbrengst te vertienden en dat aan de Levieten te
geven. Op zijn sterfbed riep hij zijn zoon bij zich en drong
er bij hem aan om met deze gewoonte van vertienden trouw door
te gaan.
De zoon deed dat het eerste jaar na het overlijden van zijn
vader. Het volgende jaar bracht het veld weer zoveel op, maar
deze keer kon de zoon zichzelf er niet toe brengen om tien
procent daarvan weg te geven. Het resultaat was dat het veld
slechts 100 kor produceerde. Zijn familie legde hem uit
wat er gebeurd was:
„Toen
jij het veld erfde, was je de landeigenaar en G-d was de
priesterlijke ontvanger, die kon bepalen aan wie het zou
worden gegeven. Nu dat je gefaald hebt om te vertienden, is
G-d de landeigenaar en jij bent de priesterlijke begunstigde
die slechts tien procent krijgt van wat het veld gewoonlijk
opbracht.”
Tosafot
haalt deze Midrasj aan met betrekking tot wat Rabbi Jochanan
zegt als een verklaring voor de dubbele taal die Tora gebruikt
in Dewariem (14:22) wanneer het een Jood gebiedt te
vertienden: „Vertiend,
je zult ieder jaar al je oogst welke je veld
voortbrengt, vertienden.” De letters van het Hebreeuwse
woord assaïer kunnen op twee manieren gelezen worden,
namelijk als ‘vertiend’ maar ook als ‘word rijk’, zodat het
bovengenoemde vers ook gelezen kan worden als:
„Vertiend,
opdat je rijk zult worden.”
De G-ddelijke belofte om beloond te worden als men vertiendt,
is niet beperkt tot het vertienden van landbouwproducten. Onze
Geleerden zeggen dat het woord al in het vers een
indicatie is dat de belofte ook geldt voor het vertienden van
geld dat men uit bedrijf of met ander inkomen verdiend heeft.
Ta’aniet 11a
Privé vasten
Sjmoeël heeft gezegd:
„Ieder
die het op zich neemt om te vasten (terwijl dat niet van hem
vereist wordt en wanneer hij daar fysiek niet sterk genoeg
voor is) wordt beschouwd als een zondaar. Dit is gebaseerd op
het feit dat de Tora een nazier, die zich van wijn
onthoudt, een zondaar noemt. Hoeveel te meer dus geldt dit
voor iemand die alle voedsel en drinken weigert.”
Ta’aniet 12b
Een teken van de
Hemel
De vastendagen die door onze Geleerden werden ingesteld
wanneer de regens niet op tijd waren, begonnen met de maand
Chesjwan en duurden tot de maand Nissan. De reden dat men na
Nissan niet vastte, zegt de Misjna, is dat de regen die in het
Land Israël valt na de maand Nissan een teken is van een
Hemelse vloek, omdat het na die datum schadelijk is.
Als bron hiervoor haalt de Misjna een confrontatie aan tussen
Sjmoeël en de Israëlieten als deze laatsten een koning eisen
om over hen te regeren in zijn plaats. Om hun te bewijzen dat
de Hemel de manier waarop zij hun verzoek inkleedden afkeurt,
verklaarde hij:
„Vandaag
is het de tijd van de tarwe-oogst, maar ik zal naar Hasjem
uitroepen en Hij zal donder en regen geven; zo zullen jullie
zien en weten hoe groot het kwaad is in de ogen van Hasjem wat
jullie gedaan hebben, om een koning te eisen” (I Sjmoeël
12:17).
Hoewel de oppervlakkige lezer van onze misjna hieruit zou
afleiden dat als er na Nissan regen valt, dit te allen tijde
een teken van een vloek is, citeren de commentatoren een
opmerking in de Jeruzalemse Talmoed (1:8), waaruit blijkt dat
dit alleen zo is wanneer er voor die tijd geen regen gevallen
is; want anders is regen na Nissan eerder een zegen dan een
vloek.
Dit onderscheid, zegt Tosafot Jom Jov in zijn commentaar op de
misjna, blijkt duidelijk uit de tekst van onze misjna zoals
die voorkomt in de standaard uitvoeringen van de misjnajot.
In de standaard editie van de Talmoed staat:
„Nissan
is voorbij gegaan en de regen valt,” terwijl daarentegen in de
Misjna 1:7 van standaard edities van de Misjnajot
staat: „Is Nissan voorbij en het heeft nog niet geregend.” [In
de Nederlandse vertaling van Hammelburg, uitgegeven door het
NIK in Seder Mo’eed, is dit foutief weergegeven en
staat het ten onrechte gedrukt (en vertaald) zoals het in de
Talmoed staat (Zwi).] Hoewel beide teksten betrekking
hebben op de regen na Nissan, impliceert de tekst van de
Misjnajot, net als de Jeruzalemse Talmoed, dat er alleen
een probleem is wanneer er voorheen geen regen gevallen is.
Als parallel citeert Tosafot Jom Tov de Misjna in
traktaat Mo’eed Katan (3:3)
[(? niet in mijn uitgaven van de Misjna. Het lijkt mij een
drukfout in het commentaar op de Misjna, maar ik weet niet
waar het wel staat (Zwi).],
waar onderscheid gemaakt wordt tussen planten die vóór Pesach
al water kregen en die welke dat niet kregen, in verband met
het nut dat zij hebben als zij onmiddellijk na Pesach water
krijgen.
We mogen suggereren dat er zelfs een aanwijzing is in de
Bijbelse tekst voor dit onderscheidt. Na de verklaring van
Sjmoeël staat er dat de profeet tot Hasjem riep:
„En
Hasjem gaf donder en regen op die dag” (I Sjmoeël
12:8). De nadruk die hier gelegd wordt op
„die
dag” lijkt een aanwijzing dat er vóór die dag geen regen was
gevallen en dat dit beschouwd werd als een teken van Hemelse
afkeuring, hetgeen het niet geweest zou zijn als de regen ook
al vóór die dag gevallen was.
Ta’aniet 16a
Gooi dat dooie beest
weg!
Wat wordt beschouwd als een complete tesjoewa [berouw]
voor een zonde?
Een wijsgerig inzicht wordt ons in onze Gemara geboden door
Rabbi Adda bar Ahawa:
„Iemand
die gezondigd heeft en zijn zonde bekent maar zich niet ervan
distantiëert, is te vergelijken met iemand die ritueel onrein
geworden is doordat hij een dode sjèrets vasthoudt [één
van de acht dieren die Tora noemt, en waarvan het lijk rituele
onreinheid veroorzaak van degene die het aanraakt] en zichzelf
onderdompelt in een mikwe om zich daarmee te reinigen,
terwijl hij het dode beest nog steeds vasthoudt. Hij kan zich
baden in alle wateren van de wereld, maar zij zullen hem niet
reinigen. Maar zodra hij de sjèrets weggooit, zal ieder
mikwe hem reinigen.”
Rambam (Hilchot Tesjoewa 2:3) gebruikt deze uitspraak
als basis voor zijn voorschrift voor complete tesjoewa,
maar hij gebruikt de woorden:
„die
van plan is zich ervan te distantiëren” in plaats van
„die
zich ervan distantiëert,” zoals het in de Gemara staat. Deze
verandering kan opgevat worden in het licht van de
voorafgaande paragraaf waar melding wordt gemaakt van de
verschillende componenten waaruit de tesjoewa bestaat:
spijt over het verleden, verbale bekentenis van de zonden en
een besluit om de zonde niet meer te herhalen. Hij noemt het
allemaal, maar hij voegt er nog aan toe dat men
„de
zonde moet verlaten.”
Distantiëring en spijt zijn zeker vitaal voor het proces van
tesjoewa, maar als men de wortel van de zonde die men
begaan heeft niet analiseert – de onderliggende karakterzwakte
die er de oorzaak van is dat hij in de fout ging – dan is hij
inderdaad als iemand die tracht zich te reinigen met een dode
sjèrets in zijn hand, zodat hij verontreinigd blijft.
Gooi de sjèrets weg, adviseert de Geleerde en zorg dat
je de problemen kwijt raakt, alleen op die manier kan je
volledig tot inkeer komen.
|