|
Daf 30b
Door Rabbi Mendel
Weinbach, decaan Ohr Somayach
Drie demensies van heiligheid
In deze
afdeling van ons traktaat worden drie categorieën van moektse
besproken.
Het schach
– de dakbedekking van de soeka – en het hout dat gebruikt wordt
voor de wanden ervan mag niet gebruikt worden voor een ander doel
gedurende het hele Soekot-feest. Zelfs als iemand voor het begin van
het feest verklaart dat het materiaal ook voor een ander doel gebruikt
kan worden, is het hem toch verboden dat te doen.
De vruchten en de
andere dingen die aan het schach als versiering hangen, mag men
ook niet voor een ander doel gebruiken gedurende het hele
Soekot-feest, want ook zij worden beschouwd als te zijn geheiligd voor
de mitswa. Echter, als men van te voren nadrukkelijk bepaalt dat men
ze ook voor iets anders mag gebruiken, dan is dat toegestaan.
Wanneer men vóór
het Soekot-feest een aantal etrogiem opzij legt, voor iedere
dag een andere, dan mag men de etrog die voor de mitswa
gebruikt is, de dag daarna eten.
Dit onderscheid
roept een aantal vragen op.
-
Waarom helpt een verklaring vooraf wel bij decoratie van het
schach maar niet voor het schach zelf?
-
Waarom geldt de heiligheid van de soeka vanaf het begin van het
feest tot het einde, terwijl die welke zich aan de etrog
gehecht heeft, aan het eind van die dag verdwijnt?
De heiligheid die
zich aan de soeka hecht tijdens de schemering bij het begin van de
eerste feestdag, geldt voor het hele feest. Maar als men een
voorwaarde stelt tijdens deze schemering, dat men zich het recht
voorbehoudt om de decoratie voor iets anders te gebruiken, dan wordt
die heiligheid niet geëffectueerd. Dit geldt echter alleen voor de
decoratie, die verwijderd kan worden tijdens de schemering, zonder dat
men de feestdag schendt. Men kan een dergelijke verklaring echter niet
doen voor de soeka zelf, want men kan de schach of de wanden
van de soeka niet verwijderen zonder de heiligheid van de feestdag te
schenden [het neerleggen van de dakbedekking of de verwijdering
daarvan, evenals het opzetten van de wanden of het afbreken daarvan
valt onder het verbod van bonee – bouwen op Sjabbat of
feestdagen].
(Opmerking:
Betreffende de voorwaarde van de decoratie geldt dat die alleen geldig
is als men verklaart dat men niet afziet van zijn rechten om er
gebruik van te maken gedurende één van de schemer-periodes tijdens het
Soekot-feest. Anders gaat de heiligheid, die zulk gebruik verbiedt, in
tijdens de volgende schemering en duurt tot het einde van het feest.
Gezien de ingewikkeldheid van een dergelijke voorwaarde schrijft de
Rama in de Sjoelchan Aroech, O.Ch. 638: 2 dat het de
gewoonte is om een dergelijke voorwaarde niet te maken, behalve voor
de wanden van de soeka, waar de halacha soepeler is.)
Betreffende het
verschil tussen de heiligheid van de soeka, die zich over alle dagen
uitstrekt (zelfs al verlaat men halverwege het feest zijn soeka voor
een andere soeka), en de etrog, die de volgende dag gegeten mag
worden, wanneer men voor iedere dag een andere etrog bestemd
heeft, biedt de Gemara een eenvoudige verklaring. De mitswa van de
etrog kan men alleen overdag uitvoeren. De nacht vormt daarom een
scheiding tussen de dagen en beperkt de heiligheid van de etrog
tot die ene dag. Maar men is verplicht in de soeka zowel overdag als
’s nachts te wonen. Daarom wordt het hele Soekot-feest als één lange,
ononderbroken heiligheid beschouwd.
&
Daf 32b
Door Rabbi Mendel
Weinbach, decaan Ohr Somayach
Zes trieste gevallen
Drie mensen,
verklaren onze Geleerden, hebben het zo moeilijk in hun leven, dat men
kan zeggen dat hun leven eigenlijk geen echt leven is:
-
Iemand zonder middelen van bestaan en die afhankelijk is van anderen
voor zijn onderhoud;
-
Iemand die overheerst wordt door zijn vrouw;
-
Iemand wiens lichaam onderhevig is aan voortdurend lijden.
De Gemara in
Pesachiem (113b) noemt nog drie groepen mensen op, wier leven geen
leven genoemd kan worden:
-
Iemand die abnormaal barmhartig is;
-
Iemand die extra snel geïrriteerd raakt;
-
Iemand die te gevoelig is.
Al deze mensen, zegt Rasjbam, worden regelmatig geconfronteerd met
situaties die hen niet met rust laten ten gevolge van hun over-reactie
en daarom is hun leven geen leven. Maar waarom, vraagt Tosafot in
Pesachiem, worden deze zes lijders in twee categorieën van drie
ingedeeld en worden ze niet alle zes bij elkaar opgenoemd?
Tosafot veronderstelt dat de drie mensen in Pesachiem lijden ten
gevolge van hun eigen karaktereigenschappen, terwijl die welke in
Beitsa genoemd worden, lijden door omstandigheden, waar zij geen
invloed op hebben, zoals armoede, ziekte of een mislukt huwelijk.
&
Daf 33a
Uit Meorot
HaDaf HaYomi, Vol. 392 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak
Het gebruik van electriciteit op Jom Tov
Tegenwoordig weet ieder kind dat het verboden is om de electriciteit
aan te zetten op Jom Tov, net zoals dat verboden is op Sjabbat.
Echter, toen electrisch licht nog maar pas was uitgevonden, was dit
helemaal niet zo eenvoudig. Zelfs geleerde Rabbijnen hadden het er
moeilijk mee om te verklaren waarom het verboden was, want zij waren
voor het grootste deel onzeker hoe de electriciteit werkte. Daardoor
ontstond er een fascinerende discussie over de vraag of men op Jom Tov
al dan niet electriciteit mag gebruiken.
Het maken van een nieuw vuur op Jom Tov –
We leren in onze Misjna dat het verboden is om een nieuw vuur te maken
op Jom Tov door twee stokjes tegen elkaar te wrijven. Maar het is wel
toegestaan om een reeds brandende vlam over te brengen en zo de ene
kaars aan de andere aan te steken. Waarom is het maken van een nieuw
vuur verboden? De Gemara verklaart dat dit beschouwd kan worden als de
schepping van een nieuw voorwerp op Jom Tov. Daar dit lijkt op een
melacha, is het bij Rabbijnse wet verboden (Rasji s.v.
D’Kamolid).
Electrische stromen –
De Tsiets Eliëzer (I:20) behandelt het probleem van
electriciteit in halacha vanuit verschillende gezichtspunten, met
inbegrip van het gebruik ervan op Jom Tov. Hij schrijft dat met eens
dacht dat een electrische stroom al in het circuit bestond, nog
voordat enig apparaat met het stopcontact was verbonden. Men dacht dat
het was alsof de electriciteit wachtte aan het eind van de draad,
klaar om „de sprong” naar het apparaat te maken, zodra dat ermee
verbonden werd Er werd dus geen nieuwe electriciteit gecreëerd, zo
redeneerde men. Er werd alleen maar reeds bestaande electriciteit in
het apparaat getrokken. Daarom dachten Poskiem dat het te
vergelijken was met het aansteken van de ene kaars met de ander en dat
het dus toegestaan was.
Later werd echter ontdekt dat de electrische lading niet ligt te
wachten aan het eind van het circuit. Maar alleen wanneer het apparaat
met het stopcontact wordt verbonden en geactiveerd wordt, pas dan
wordt de electrische lading van zijn bron getrokken. Dit wordt
beschouwd als vergelijkbaar met het „scheppen” van een electrische
stroom in het circuit, hetgeen verboden is.
Electriciteit is geen vuur –
De Chazon Nachum (I, O.Ch. 30) schrijft dat het onnodig is om
zo diep te graven, om te weten of het gebruik van een electrisch
apparaat beschouwd moet worden als het „overbrengen van electriciteit”
of het „creëren van electriciteit.” De Gemara past dit onderscheidt
toe op vuur, maar er is geen enkele reden om electriciteit te
vergelijken met vuur. Alleen als de electrische stroom het filament
van een gloeilamp laat gloeien, dan wordt er een nieuw vuur geschapen.
Daarom is het zeker verboden om electrisch licht op Jom Tov aan te
steken.
Het „bouwen” van een circuit –
De Chazon Iesj (O.Ch. 50, s.k. 9) suggereert een fascinerende
chiddoes, namelijk dat men met het sluiten van een electrisch
circuit het verbod op bonee – bouwen – overtreedt. Daarom is
het aansteken van electrisch licht op Jom Tov verboden door Tora en is
het niet alleen maar een Rabbijns verbod.
&
Daf 34b
Uit Meorot
HaDaf HaYomi, Vol. 392 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak
Oneg Jom Tov
De Avudraham, een van de klassieke Poskei Risjoniem schrijft in
naam van R. Gersjon ben R. Sjlomo, dat de mitswa om kaarsen aan te
steken voor sjabbat gebaseerd is op de mitswa van oneg Sjabbat
– het genoegen van Sjabbat. Ten einde te genieten van het voedsel dat
men op Sjabbat eet, moet men het kunnen zien. Daarom moet met de
Sjabbat-kaarsen aansteken op de plaats van de maaltijd. Er bestaat
echter niet een dergelijke mitswa om kaarsen aan te steken op Jom Tov,
omdat er geen mitswa bestaat van oneg Jom Tov. Daarom, zo
concludeert Rabbeinoe Gersjom, zegt men geen beracha voor het
aansteken van de kaarsen op Jom Tov
(Avudraham: Ma’ariv sjel Sjabbat).
In onze soegia wordt de mitswa van oneg Sjabbat
behandeld, welke gebaseerd is op de passoek
(Jesjajahoe 58:14):
„Noem de Sjabbat een bron van genoegen
(oneg).”
Hoewel deze passoek in de Profeten staat, beweren toch vele
Risjoniem dat het in feite een verplichting van Tora is
(zie Misjna Beroera 242:1).
De mitswa van oneg Sjabbat verleent grote betekenis aan al het
voedsel dat in de loop van Sjabbat gegeten wordt. Hoewel het in het
algemeen is toegestaan om tijdens een klein hapje tussendoor
onvertiend voedsel te eten, is dat op Sjabbat verboden. Sjabbat maakt
zelfs een kleine hoeveelheid voedsel significant en dat mag daarom
niet gegeten worden, voordat de tienden daarvan zijn afgescheiden.
Echter, de Gemara zegt niet duidelijk of er een soortgelijke mitswa
bestaat van oneg Jom Tov. Daarom discussiëren de Risjoniem
daarover.
Hamans
getuigenis –
De Rambam
schrijft expliciet dat er een mitswa bestaat van oneg Jom Tov.
„Net zoals er een mitswa is om de Sjabbat te eren en daar genoegen in
te scheppen
(oneg),
zo is er ook een mitswa met Jom Tov”
(Hilchot Jom Tov 6:16).
Ditzelfde schrijven ook andere Risjoniem.
Een bron hiervoor
is te vinden in de Midrasj, die Hamans gesprek met Achasjveros
beschrijft en zijn lasterlijke beschrijving van het Joodse volk. Haman
klaagde dat het Joodse volk zich voortdurend te buiten ging aan
overmatig gebruik van voedsel en drank met als excuus „oneg
Sjabbat en oneg Jom Tov.”
(Het is opmerkelijk dat de Poskiem de kwade Haman waardig
genoeg vonden om als bron te gebruiken voor halachische beslissingen).
Andere Risjoniem, waaronder de hierboven al genoemde Avudraham en de
Sja’ar HaMelech, die een mening van de Meïri aanhaalt, beweren
dat er geen mitswa van oneg Jom Tov bestaat. Tosafot zegt
hetzelfde en beslist daarom dat er geen verplichting bestaat om brood
te eten op Jom Tov
(Tosafot, Soeka 27a).
De Sjoelchan
Aroech
(O.Ch. 529)
stelt dat er wel een verplichting is van oneg op Jom Tov,
overeenkomstig de mening van Rambam. Deze verplichting wordt geleerd
uit het vervolg van de hierboven aangehaalde passoek: „Noem de
Sjabbat een bron van genoegen… om Hasjem in Zijn eer te heiligen.”
Daar de Jamiem Toviem geheiligd zijn voor Hasjem, want het vers
(Wajjikra 23:2)
noemt ze „Mikraei Kodesj”, is men verplicht brood te eten bij
de maaltijd om ze te eren. Om dezelfde reden moet men de Birkat
Hamazon herhalen wanneer men daarin vergeten is Ja’alee WeJawo
te zeggen
(zoals de halacha is voor alle verplichte broodmaaltijden – Sj.A.
O.Ch. 186:6).
Daar de geaccepteerde halacha is dat er een oneg Jom Tov is,
moet men een beracha zeggen voor het aansteken van de Jom Tov kaarsen.
&
Daf 35
Uit Daf Yomi Digest van
het Chigago Center for Torah & Chesed
Een druppel per keer
De Misjna op onze
daf zegt dat men een voorwerp onder een druppelend lek mag zetten, om
schade te voorkomen, zelfs op Sjabbat. De Mekor Chaim zt”l
verklaart dat dit druppelen de onophoudelijke aard is van het lijden.
Men moet van zichzelf een geschikt voorwerp maken om het gestage
lijden te verdragen zonder klagen.
Rebbe Aizik’l van
Kaliv zt”l leed aan een chronische ziekte die hem chronisch
veel pijn veroorzaakte. Toch was hij altijd zeer positief, hoewel het
bijna onmenselijk was dat hij die pijnen kon verdragen. Eens vroeg
zijn arts hem waar hij die kracht vandaan haalde. De Rebbe antwoordde:
„Je moet het zo bekijken: de pijn die geweest is, is voorbij. De pijn
die nog komen moet, is er nog niet, dus daar hoef ik mij niet over te
bekommeren. En wat zal ik mij druk maken over dit korte momentje van
ongemak?”
Hoe leefde de
Rebbe met zijn pijn? Een druppel per keer.
&
Daf 36b
Door Rabbi Mendel
Weinbach, decaan Ohr Somayach
Zullen we dansen?
Stel je voor, je bent uitgenodigd voor een maaltijd voor een sjewa
berachot op Sjabbat of op een feestdag en iedereen zingt om de
chatan en kalla te verblijden. Dan zie je hen opstaan om te
dansen en er wordt aan je getrokken om mee te doen. Maar dan herinner
je je dat je in de Misjna geleerd hebt, dat onze Geleerden het
verboden hebben om op deze heilige dagen te dansen of in de handen te
klappen. Dus waarom doen al deze vrome Joden dat dan?
Dan probeer je je te herinneren wat de Gemara gezegd heeft over de
reden van deze ban. Wanneer men dansen en handen klappen zou toestaan,
zeggen onze Geleerden, zou men ertoe kunnen komen om ook
muziekinstrumenten te gaan gebruiken, hetgeen een overtreding is van
een Tora-wet.
Nu heb je de sleutel in handen voor het gedrag van je dansende
vrienden. Tosafot (op Beitsa 30a) legt uit dat dit decreet van
toepassing was in de tijd van de Talmoed, toen veel mensen bekwaam
waren in het maken van muziekinstrumenten. In onze dagen echter, waar
er maar weinig van dergelijke experts rondlopen, is er geen verbod op
dansen en handen klappen.
De Rama haalt in de Sjoelchan Aroech, Orach Chaim
339 deze soepele beslissing van Tosafot aan. Maar de auteur van de
Sjoelchan Aroech, de Beit Joseef citeert alleen het verbod
van de Misjna, zonder te vermelden of dit in onze tijd al dan niet nog
geldt. Daarom durven sommige autoriteiten niet te vertrouwen op de
soepele mening van Tosafot, tenzij dat dansen voor een mitswa is,
zoals in ons geval (Misjna Beroera 339:10).
Halachische autoriteiten hebben gedurende de afgelopen eeuw zich grote
moeite getroost om erop te wijzen dat het zelfs voor een mitswa
verboden is om op muziekinstrumenten te spelen op Sjabbat en
feestdagen en zeker ook om betrokken te raken bij welke vorm van
dansen dan ook, waarbij mannen en vrouwen samen dansen.
(Zie Bé’oer Halacha, ib. en Igrot Moshe, Orach Chaim
2:100).
|