|
Daf 28
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Deed hij de mitswa?
De Geleerden van de Tora-academie’s Beit Hillel en
Beit Sjammai bezochten eens Rabbi Jochanan ben Hacharanit op Soekot en
troffen hem aan, zittend in zijn soeka, maar met zijn tafel in huis.
Volgens Geleerden van een latere generatie van Beit Sjammai werd hem
door zijn bezoekers gezegd, dat wanneer dit de manier was waarop hij
altijd in zijn soeka gewoond had, hij in zijn hele leven de mitswa van
soeka niet gedaan had!
Dit incident wordt door Beit Sjammai geciteerd als
steun voor hun standpunt, dat ondanks dat Tora niet vereist dat de
tafel in de soeka staat, de Rabbijnen verordend hebben dat de tafel in
de soeka moet staan en niet in het huis, om te voorkomen dat men
achter zijn eten aangaat en in huis aan tafel gaat zitten eten.
Hoe letterlijk moeten wij deze verklaring opvatten,
welke schijnt erop te wijzen, dat wanneer men een Rabbijns decreet
niet vervult, met ook de Tora-wet niet nakomt?
Rabbeinoe Nissim meent dat Rabbi Jochanan wel degelijk
de Tora-wet uitvoerde en dat zijn critici alleen bedoelden dat hij het
Rabbijnse voorschrift niet in acht genomen had. Hij citeert hiertoe
een parallele situatie in traktaat Pesachiem (116b), waar staat
dat als iemand op de avond van Pesach niet vertelt over Pesach,
matsa en maror, hij niet de mitswa van de haggada
voldaan heeft. Ook daar, zegt hij, is de betekenis van die uitsprak
dat men weliswaar het Tora-gebod vervuld heeft, maar dat men zijn werk
niet volledig heeft afgemaakt, door zich niet te houden aan de
voorschriften van de Rabbijnen.
Er kan echter nog van een andere benadering sprake
zijn. Rabbeinoe Jona (Berachot 2a) stelt dat als men het avond-Sjema
uitstelt tot na middernacht, het uiterste tijdstip waarvóór men het
volgens de Rabbijnen moet gezegd hebben, om te voorkomen dat men
anders in slaap valt en de hele nacht doorslaapt, zonder Sjema
te hebben gezegd [waarmee men het gebod van Tora zou overtreden], die
heeft de mitswa niet uitgevoerd, ondanks het feit dat men volgens Tora
daarvoor de hele nacht de tijd heeft.
Gesuggereerd wordt dat ditzelfde idee geldt voor de soeka.
Daf 29b-30a
Een rechtvaardige koning
en ongerechtvaardige middelen
Een gestolen loelav, zegt de Misjna, is
ongeldig. Daar geen verschil wordt gemaakt tussen de eerste dag van
Soekot en de andere dagen, wanneer de mitswa buiten het Beit
HaMikdasj alleen maar mid’Rabbanan is, wordt verondersteld
dat een gestolen loelav ook op de andere dagen ongeldig is.
De diskwalificatie op de eerste dag is gebaseerd op de
woorden: „Voor jezelf” (Wajjikra 23:40), hetgeen
geïnterpreteerd wordt als een vereiste dat op de eerste de loelav
het eigendom moet zijn van degene die hem gebruikt, en hij mag
noch geleend, noch gestolen zijn. Dit werpt de vraag op, waarom een
gestolen loelav op de overige dagen ongeldig is, hoewel een
geleende loelav dan wel geldig is.
De verklaring die Rabbi Jochanan geeft, in naam van
Rabbi Sjim’on bar Jochai, is dat een gestolen loelav een
mitswa-voorwerp is, dat in iemands bezit is gekomen op een onwettige,
dus zondige manier. Daarom kan men er geen mitswa mee doen: „Want Ik,
Hasjem, houd van gerechtigheid en haat diefstal met een offer als
doel” (Jesjajahoe 61:8). Dit profetisch vers wordt aangehaald
als de bron voor het verbod om een mitswa te doen, die uit zonde
geboren is.
Er wordt een parabel genoemd, om het punt te
illustreren:
Een koning en zijn gevolg kwam langs een tolstation,
waar belasting werd geheven voor de konink-lijke
schatkist. Toen hij zijn dienaren beval de belasting te betalen,
vroegen zij verbaasd waarom de koning belasting zou betalen die in
zijn eigen schatkist zou terecht komen. „Al mijn reizende onder-danen
zullen hier een voorbeeld aan nemen,” verklaarde hij, „dat zij niet
moet vermijden de tol te betalen.”
Op soortgelijke wijze zegt Hasjem dat hij offers van
gestolen dieren haat, en dat al Zijn kinderen van Zijn voorbeeld
zullen leren dat zij diefstal moeten mijden.
De overeenkomst tussen de G-ddelijke Koning en de
sterfelijke is, dat beiden de uiteindelijke eigenaars van de middelen
zijn. Maar hoe zullen de onderdanen van de sterfelijke koning, die
geld uit zijn ene zak haalt, omdat in zijn andere zak te stoppen, de
morele les leren, dat zij de tol moetten betalen, die niet in hun
eigen zak terugkeert?
Misschien is de boodschap van de parabel om de
rationalisatie die de mensen gebruiken, te ver-drijven,
om geen belasting te hoeven te betalen, of als ze op een andere manier
oneerlijk zijn. Men vindt altijd wel een of ander slap excuus, waarom
men geen belasting hoeft te betalen, of waarom men het recht heeft om
iemand anders zijn eigendommen te gebruiken. De koning trachtte deze
doorzichtige „excuses” op te blazen, door zijn dienaren opdracht te
geven de tol van zijn eigen geld te betalen, hoewel niemand een betere
reden dan hij had om het niet te hoeven betalen. „Oneerlijk-heid
is oneerlijk,” is de boodschap die hij wilde overbrengen aan zijn
onderdanen en geen enkele rationalisatie kan dat rechtvaardigen.
Daf 31a-b
Vervangende soorten
Op de eerste dag van Soekot gebiedt Tora ons om de
vier plantensoorten, die in parasjat Emor (Wajjikra
23:40) genoemd worden, op te nemen. Na de verwoesting van het Beit
HaMikdasj hebben de Geleerden verordend, dat we alle zeven dagen van
Soekot de vier soorten moeten nemen, als een aandenken aan het Beit
HaMikdasj, waar de vier soorten ook alle zeven dagen werden opgenomen,
zoals Tora dat gebiedt. Zij stelden ook een beracha in die men moet
zeggen voordat men de mitswa uitvoert, zoals zij dat deden voor bijna
alle mitswot.
Wat gebeurt er als een Jood niet alle vier de soorten
kan krijgen? Twee bronnen in de Gemara dienen als achtergrond voor de
discussie van de commentatoren over dit onderwerp.
De vier plantensoorten zijn onderling van elkaar
afhankelijk, zegt de Misjna (in traktaat Menachot 27), hetgeen
betekent dat men de mitswa niet kan doen, wanneer één van de vier
soorten ontbreekt. Voor wat betreft het gebruik van een andere soort
ter vervanging, zegt onze Gemara, dat als men geen etrog kan
vinden, men hem niet moet vervangen door een granaatappel of een
andere vrucht met de bedoeling dat men de mitswa niet zal vergeten,
want het gevaar bestaat dat de mensen gewend raken aan het gebruik van
de ongeldige soort, zelfs wanneer de geldige soort beschikbaar is.
Hoe zit dat met een gedroogde soort, als iets anders
niet beschikbaar is? De misjnajot door heel dit hoofdstuk
zeggen duidelijk dat als een van de vier soorten uitgedroogd is, hij
onbruikbaar is. Rabbi Jehoeda is echter van mening dat dit alleen
geldt als een versere beschikbaar is en hij citeert als bewijs voor
zijn stelling, dat er een tijd was dat stadsbewoners, die niet in de
buurt van palmbomen woonden, hun loelaviem aan hun kleinzonen
nalieten, ondanks het feit dat ze tegen de tijd dat die kleinzonen ze
erfden, ongetwijfeld al lang waren uitgedroogd. Maar de andere
Geleerden verwerpen het bewijs, omdat men geen bewijs kan brengen van
een buitengewone omstandigheid.
Er zijn verschillende benaderingen om deze Gemara te
begrijpen, maar wij zullen ons beperken tot die van de Ra’avad, wiens
mening de basis is voor de Sjoelchan Aroech (Orach Chaïm
651:12-13).
Toen de geleerden Rabbi Jehoeda vertelden dat hij geen
bewijs kon brengen van een buitengewone situatie, bedoelden zij niet
te zeggen dat in een dergelijke situatie men de mitswa kan doen met
een uitgedroogde loelav, maar dat men in een dergelijke
situatie de uitgedroogde loelav moet opnemen, om te voorkomen
dat men de mitswa zou vergeten. Zo ook, als men wel een loelav
heeft, maar geen etrog, dan moet men de soorten die men wel
heeft, opnemen, om de mitswa te gedenken. Maar in beide gevallen kan
men geen beracha zeggen, want in werkelijkheid heeft men dan de mitswa
niet gedaan.
Maar waarom moedigen wij het opnemen van de drie
soorten aan, als de vierde niet beschikbaar of uitgedroogd is? Waarom
zijn wij niet bang dat de mensen hetzelfde zullen doen in andere jaren
als wel alle soorten beschikbaar zijn, zoals wij bang zijn voor het
gebruik van een substituut voor een etrog? Het antwoord is, dat
aangezien de Tora specifiek vier soorten noemt, is het
onwaarschijnlijk dat iemand met minder dan vier soorten genoegen zal
nemen als er vier beschikbaar zijn; noch is het waarschijnlijk dat
iemand een uitgedroogde loelav zal gebruiken, als een verse
beschikbaar is. Maar wat betreft de etrog, die de Tora alleen
maar beschrijft als een „schitterende vrucht,” daar bestaat het
gevaar, dat als wij zouden toestaan dat iemand een granaatappel
gebruikt in plaats van een etrog, iemand inderdaad zou denken
dat de granaatappel die „schitterende vrucht” is, waar de Tora over
spreekt en dan zullen zij die ook in de toekomst gebruiken, wanneer er
wel een etrog beschikbaar is.
Daf 34b
Apart maar Gelijk
De verhouding van elk van de soorten tot elkaar is
fascinerend. Het is onmogelijk om de mitswa van de vier soorten te
doen op Soekot, tenzij ze alle vier aanwezig zijn. Dit wijst op
eenheid. En toch heeft elk van de soorten zijn eigen individuele
karakter.
De Gemara (Menachot 27a) verdeelt ze in
categorieën – de loelav en de etrog zijn afkomstig van
bomen die vruchten voortbrengen, en de hadas en de arava
komen van bomen zonder vruchten. De Midrasj maakt een nog fijner
onderscheid door aan de etrog de kwaliteit van smaak en geur
toe te schrijven, terwijl de loelav alleen smaak (van de
dadels) heeft, maar geen geur. De hadas heeft geur maar geen
smaak en de arava heeft geen van beide.
Smaak en geur symboliseren Tora-kennis en goede daden,
resp. Er zijn vier soorten Joden, die met deze vier plantensoorten
overeenkomen: degenen die zowel Tora-kennis als goede daden hebben;
zij die Tora-kennis hebben maar goede daden missen; zij die goede
daden doen maar geen kennis van Tora hebben en Joden die allebei
missen.
De boodschap van zowel de Gemara als de Midrasj is dat
Hasjem ons gebiedt alle vier de soorten op te nemen, om aan te geven
dat alle componenten van het Jodendom zich moeten verenigen wanneer
zij het uitschreeuwen tot Hasjem in een tijd van nood of wanneer zij
feest vieren in een tijd van vreugde.
Zulk een noodzaak voor eenheid zou ons ertoe kunnen
brengen om te denken dat alle vier de soorten samengebonden moeten
worden tot een eenheid. Rabbi Eliëzer wijst erop dat een analyse van
het vers (Wajjikra 22:4) erop wijst dat de etrog apart
gehouden moet worden van de andere drie. De Tora verbindt de
loelav, de hadas en de arava met het verbindende
voorvoegsel „We”, hetgeen wij vertalen met het woord „en”, maar
de etrog wordt daar niet mee verbonden. Dat is de reden waarom
wij die drie soorten samengebonden in de rechter hand vasthouden,
terwijl we de etrog apart in de linkerhand houden.
Wanneer eenheid zo belangrijk is, kan de vraag gesteld
worden waarom Tora de etrog, die de rechtvaardige Tora-geleerde
met zowel smaak als geur symbolissert, apart scheidt van de andere
drie soorten, welke zo afhankelijk zijn van zijn invloed?
Er is gesuggereerd dat in deze balans tussen eenheid
en apartheid de formule ligt voor een succesvolle interactie tussen de
leider en diegenen die hij wil onderwijzen en inspireren. De etrog
moet zorgvuldig op zijn hoge kwaliteit gehouden worden en mag niet
omlaag gehaald worden uit wens om een grotere sociale acceptatie te
verkrijgen. Maar het handhaven van deze afstand mag er echter niet toe
leiden dat hij zijn verantwoordelijkheid verwaarloost om de andere
soorten te verrijken met zijn eigen smaak en geur. Daarom moeten alle
vier soorten bij elkaar genomen worden, drie in de ene hand en de
etrog in de andere hand tegen die drie andere aan, om deze
perfecte eenheid te verkrijgen.
Daf 36b
Het missende stuk
Rabbi Chanina beet een stukje van zijn etrog
af, dipte dat in een sausje en at het op. Hij bleef de etrog
gebruiken om de mitswa van de vier soorten op Soekot te vervullen.
Drie vragen worden in dit verband gesteld:
·
De Gemara vraagt: hoe kon hij
een etrog gebruiken waar een stukje aan mankeerde, als de
Misjna (op daf 34b) expliciet zegt dat zulk een etrog ongeldig
is?
·
Tosafot vraagt: hoe kon hij
van een etrog eten, die speciaal bestemd is voor de vervulling
van een mitswa, als de Gemara (op daf 46b) expliciet zegt dat dit
verboden is?
·
Tosafot vraagt verder: hoe kon
hij ervan eten voordat hij de mitswa gedaan had, wanneer de Gemara
(38a) eist dat men zelfs zijn maaltijd moet onderbreken, wanneer hij
begon te eten voordat hij de vier soorten heeft opgenomen?
Voor wat betreft de eerste vraag, antwoordt de Gemara
dat de diskwalificatie van een incomplete etrog beperkt is tot
de eerste dag, waarop het een verplichting van Tora is om de vier
soorten op te nemen. Rabbi Chanina gebruikte zijn afgebeten etrog
op een van de andere dagen, waarop het opnemen van de vier soorten
alleen mideRabbanan is. De Geleerden die de mitswa verplicht
stelden voor de andere dagen eisten niet dat aan alle
Tora-verplichtingen van de eerste dag voldaan moest worden. Zoals zij
een geleende etrog op de deze dagen niet diskwalificeerden, zo
verklaarden zij ook een incomplete etrog op die dagen niet
ongeldig.
Twee oplossingen worden geboden voor het tweede
probleem. Tosafot antwoordt dat Rabbi Chanina alleen maar zoveel van
de etrog voor de mitswa bestemde, als nodig was en het deel dat
hij opat, was daar niet bij inbegrepen. Deze benadering is
problematisch, omdat hij op de eerste dag de hele etrog nodig
had. Tosafot lost dit probleem op door te veronderstellen dat Rabbi
Chanina op de eerste de hele etrog bestemde voor de mitswa,
maar voor de volgende dagen slechts zoveel van de etrog dat
nodig was voor de mitswa.
De Ritwa heeft een eenvoudigere benadering, namelijk
dat Rabbi Chanina van een etrog at, die bestemd was om te eten
en dat hij pas later besloot hem te gebruiken voor de mitswa.
De derde vraag en het antwoord daarop door Tosafot
vormen de basis voor een interessante discussie over het probleem van
het eten voordat men de vier soorten opneemt. Tosafot schrijft dat
Rabbi Chanina niet op dezelfde dag van de etrog at en daarna de
mitswa deed: hij at op de ene dag van de etrog, nadat hij de
mitswa daarmee gedaan had en deze incomplete etrog gebruikte
hij de volgende dag voor de mitswa van die dag.
De Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 652:2)
beslist dat het verboden is om te eten, voordat men de vier soorten
heeft opgenomen. De Mageen Awraham (noot 4) legt daar uit dat
dit op het eten van een maaltijd betrekking heeft, maar dat het niet
verboden is om een vrucht te eten of een lichte verfrissing te
drinken. Dat zou zijn toegestaan, zoals dat ook is toegestaan voordat
met ’s avonds ma’ariv zegt (Orach Chaim 235:2) of
voordat men op Erev Pesach naar chameets zoekt (ib.
421:2), hoewel in deze gevallen een complete maaltijd verboden is. Het
hiervoor genoemde antwoord van Tosafot lijkt dit te bestrijden, want
hij had eenvoudig kunnen antwoorden dat Rabbi Chanina niet een
complete maaltijd at, maar alleen maar een stukje van de etrog.
De Mageen Awraham antwoordt hierop door de
Gemara te citeren die dit incident verhaalt: Tosafot begreep daaruit
dat het verslag van het „dippen” van Rabbi Chanina’s etrog
suggereert dat hij een geregelde maaltijd at, waar het de gewoonte was
om de diverse componenten van de maaltijd ergens in te dompelen,
voordat men ze at.
Daf 41b
De kostbare Loelav
Op de eerste dag Soekot voeren de vier grote
Geleerden, Rabban Gamliël, Rabbi Akiwa, Rabbi Elazar ben Azarja en
Rabbi Jehoeda op een boot op zee. Alleen Rabban Gamliël beschikte over
een loelav, die hij gekocht had voor het gigantische bedrag van
duizend zoez [het dagloon van een arbeider was in die tijd
ongeveer 4 zoez, ± € 8, of € 200 per maand, zodat 1000 zoez
bijna een jaarloon was]. Nadat Rabban Gamliël zijn mitswa gedaan had,
gaf hij zijn loelav cadeau aan Rabbi Jehosjoea, die de mitswa
ermee deed en hem vervolgens aan Rabbi Elazar ben Azarja gaf. Die deed
hetzelfde en gaf daarop de loelav aan Rabbi Akiwa.
Het voornaamste punt van dit verhaal is, dat zelfs op
de eerste dag van Soekot, wanneer de vier soorten iemands eigendom
moeten zijn, het beschouwd wordt als iemands eigendom als men de vier
soorten aan iemand geeft, onder voorwaarde dat de ander het weer terug
geeft en die ander voldoet aan die voorwaarde. Dit was de manier
waarop alle vier de Geleerden de mitswa volvoerden: ieder was op een
zeker moment eigenaar van de loelav, hoewel aan het begin en
het einde er maar één enkele eigenaar was: Rabban Gamliël.
Maar waarom moest de Gemara ons vertellen hoeveel de
loelav gekost had? Het antwoord, dat ons verteld wordt, zegt
dat dit is om ons te laten weten hoe zeer Joden mitswot waarderen.
Deze Gemara wordt door Tosafot op Bawa Kamma 9b
aangehaald, waar zij bediscussiëren hoeveel een Jood moet uitgeven om
de middelen te verkrijgen die nodig zijn om een mitswa te kunnen doen.
(Voor wat betreft het vermijden van een overtreding van een verbod
hebben we al in Joma 92b geleerd dat het gebod om Hasjem
lief te hebben „met heel je vermogen” betekent dat je bereid moet zijn
om al je bezittingen op te offeren, om geen zonde te hoeven doen.) De
Gemara zegt daar dat een Jood niet verondersteld wordt om een derde
van zijn bezittingen uit te geven om een loelav te kopen, en
Tosafot merkt op dat een andere Gemara (Ketoebot 50a)
waarschuwt tegen het weggeven van meer dan een vijfde van iemands
bezittingen aan liefdadigheid. Als extra bewijs dat iemand niet alles
of zelfs niet het grootste deel van zijn bezittingen hoeft weg te
geven, merkt Tosafot op dat Rabban Gamliëls uitgave van zoveel geld
voor een loelav genoemd wordt als een uitdrukking van
exeptionele liefde voor de mitswot en niet als de te verwachten norm.
Hoeveel moet men uitgeven om een mitswa te kunen doen?
In de Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 656:1) schrijft de
Rama: „Wie geen etrog heeft of een ander voorwerp mist
dat nodig is voor een mitswa, die onmiddellijk gedaan moet worden, die
hoeft daar geen groot fortuin aan te besteden.” Ook hij stelt de grens
op een vijfde, zoals de hierboven vermelde Tosafot, want onze
Geleerden waren bang dat als iemand te veel weggeeft, hij zou kunnen
verarmen en afhankelijk gaat worden van anderen. De Misjna Beroera
noemt de halachische mening dat hoewel een vijfde het maximum is, dat
men voor een mitswa moet uitgeven, het minimum een tiende is. Hij
noemt echter de mogelijkheid dat in het geval van een mitswa zoals de
etrog, die niet kan wachten tot men de volgende dag een
goedkopere heeft gevonden, er mogelijk een verplichting bestaat dat
men tot een vijfde gaat.
[Men zou kunenn vragen: waarom hadden de andere
Geleerden dan geen loelav? Hadden die dan geen grote liefde
voor de mitswa? Maar het antwoord zou kunnen zijn: Uit de hoge prijs
valt op te maken dat de loelaviem dat jaar erg zeldzaam waren
en misschien waren zij in hun plaats helemaal niet te verkrijgen].
[De Chochmat Adam schrijft dat deze bovengrens
van een vijfde alleen geldt voor wie anders het gevaar loopt om te
verarmen, maar dat een zeer welvarend mens daar wel boven mag gaan. De
ondergrens van 10% geldt voor iedereen die dagelijks een normale warme
maaltijd met vlees eet en het geldt niet alleen voor de zeer rijken.
Dit is de mening van de Aroech Hasjoelchan en ook van Rav
Sjlomo Zalman Auerbach zt”l, en die voegt eraan toe dat men dat
moet rekenen over het volle inkomen, niet alleen van dat wat er
overblijft nadat men alles wat men voor zichzelf wilde kopen, heeft
uitgegeven. Dit geldt ook voor een ontvangen erfenis of iets
dergelijks.]
[U kunt
uw ma’aser kesafiem betalen aan de „Stichting Jad LeNetanya” te
Amsterdam, voor hulp aan terreur-en oorlogslachtoffers in en om
Netanya, girorekening 2421998. (Het is belasting aftrekbaar, dus als u
een vijfde geeft, kost u dat maar een tiende!)]
|