|
Daf 23
De soeka in een boom
De Misjna die onderaan de vorige daf begint en doorgaat op onze daf,
leert
dat het is toegestaan om een soeka te maken boven op een wagen of op
een schip. Een dergelijke soeka is mobiel en dus zeker geen permanente
woning. Men mag op Jom Tov de wagen beklimmen en de soeka ingaan. Maar
wanneer iemand zijn soeka bovenin een boom of op de rug van een dier
bouwt, dan is de soeka weliswaar geldig, maar men mag er op Jom Tov
niet in, want het is verboden om op Jom Tov (of Sjabbat) in een boom
te klimmen, of gebruik te maken van een dier. Maar wanneer drie wanden
van de soeka door mensenhanden gemaakt zijn en de boom vormt alleen de
vierde soekawand, dan mag men er zelfs met Jom Tov ingaan. [In de
tekening rechts steunt de soeka slechts op één handgemaakte wand en de
rest van de soeka steunt op de boom. Wanneer de soeka echter op drie
handgemaakte wanden steunt, heeft hij de boom niet nodig als steun.
Dan mag men dus wel in de soeka op Jom Tov, mits men daarbij niet in
de boom klimt.]
Een soeka op een schip
Het gebeurde eens dat Rabbi Akiwa en Rabban Gamliël op een schip
voeren en Rabbi Akiwa bouwde zijn soeka bovenop het schip. De volgende
dag blies de wind de soeka weg. Rabban Gamliël riep uit: „Akiwa, waar
is nu je soeka?” Hieruit blijkt dat Rabban Gamliël meende dat een
soeka die een gewone zeewind niet kan weerstaan, geen geldige soeka
is, maar Rabbi Akiwa was van mening dat alleen wanneer een soeka geen
gewone landwind kan weerstaan, het geen geldige soeka is, maar hij
hoeft geen gewone zeewind te weerstaan [en zo paskent de
Sjoelchan Aroech O.Ch. 628:2].
Een dier als wand van een soeka
Rabbi Meïr staat het toe dat men een dier gebruikt als zijwand van een
soeka,
maar
Rabbi Jehoeda verbiedt het. De reden van Rabbi Meïr is volgens
Abbajjé, dat hij bang is dat het dier op Jom Tov zal sterven en zal
omvallen, zodat de soeka één van zijn minimaal drie vereiste muren zal
missen, waardoor de soeka ongeldig wordt. Rabbi Zera zegt dat R. Meïr
bang is dat het dier zal weglopen. Dus wanneer men
een olifant vastbindt aan de soeka,
zodat hij niet kan weglopen, is er geen probleem, want zelfs al
valt hij dood om, dan is zijn lijk nog hoog genoeg (tien tefachiem)
om als soekawand te dienen.
[Hoe voorkomt men dat de olifant wegloopt? (Zwi)]
Men moet echter wel de lege plek tussen de poten van het dier opvullen
met takken e.d. en men moet het dier steunen, zodat het niet in elkaar
zakt en lager wordt dan tien tefachiem.
Daf 24
Een
soeka tussen de bomen
De Misjna op deze daf zegt dat wie zijn soeka tussen de bomen bouwt,
met de bomen als soekawanden, een geldige soeka heeft. Hier, in
tegenstelling tot het geval op de vorige daf, rust de soeka op de
grond.
De Gemara werpt tegen, dat een wand, die door de wind heen en weer
bewogen wordt, geen soekawand kan zijn. En bomen wuiven heen en weer
in de wind!
Het probleem wordt opgelost, wanneer we alleen de dikke stam van een
stevige boom gebruiken, die niet heen en weer beweegt in de wind.
Deze uitspraak van de Misjna, dat men zijn soeka tussen de bomen mag
bouwen, kan ook homiletisch worden opgevat. Een soeka symboliseert de
fragiliteit van de mens, en de bomen zijn de rechtvaardigen, die
vergeleken worden met bomen (Tehilliem 1). Toen de verspieders
terugkeerden uit het land Kena’an met hun ontmoedigend verslag van
hun reis, reageerde Calev daarop met: „Hun bescherming is van hen
geweken; Hasjem staat aan onze kant. Vreest niet.” De Midrasj vertelt
dat dit Ijov (Job) was, een rechtvaardige mens, die gestorven was (zie
Rasji). Dus we zien dat de tsaddikiem – rechtvaardigen –
met de ‘beschermers’ worden aangeduid en dat de rechtvaardigen het
volk beschermen, net zoals een soeka schaduw biedt voor wie daar in
verblijft. Wanneer we in een soeka zitten, zijn we daar niet alleen,
want de Oesjpizien, de zielen van de zeven rechtvaardige
aartsvaderen en leiders van ons volk uit het verleden, zijn ook daar
bij ons in de soeka.
Daf 25
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Het mysterie van hen die
erbuiten gelaten werden
Een van de meest intrigerende mysteries, waar de Talmoed zich mee
bezighoudt, draait om de identificatie van de Joden die klaagden dat
zij buitengesloten werden van deelname aan het Korban Pesach-offer
in de woestijn.
„Zij brachten het Pesach-offer in de eerste maand… in de woestijn
Sinai. Maar er waren mannen die door het lijk van een mens onrein
waren en het Pesach-offer niet konden brengen op die dag.” (Bamidbar
9:5-6)
Wie waren die mannen en hoe waren zij ritueel onrein geworden? Er
worden drie verschillende meningen gegeven.
Rabbi Jossi HaGalili zei dat dit de mannen waren die de kist met de
stoffelijke resten van Joséf uit Egypte hadden meegedragen, om
in Erets Israël te worden begraven.
Rabbi Akwia identificeert hen als Misjaël en Eltsafan, de neven van
Nadav en Awihoe, de zonen van Aharon, die stierven toen zij een
„vreemd vuur” op het altaar brachten op de dag dat het Misjkan
werd ingewijd. Zij hadden van Mosjé instructies gekregen: „Komt
dichterbij, en draagt uw broeders weg van voor het Heiligdom, tot
buiten de legerplaats” (Leviticus 10:4).
Rabbi Jitschak verwerpt beide verklaringen. Wanneer zij de dragers van
de kist van Joséf waren, dan hadden zij tien maanden de tijd gehad,
sedert de uittocht uit Egypte, om zich te kunnen reinigen. Misjaël en
Eltsafan waren onrein geworden op de eerste dag van Nisan van het
tweede jaar van de Uittocht, toen het Misjkan werd ingewijd
(Exodus 40:17). Ook zij hadden dus genoeg tijd om zich te reinigen,
want wie verontreinigd is door aanraking met een dode, wordt op de
derde en zevende dag besprenkeld met het mei chataat (het
water, waarin de as van de Rode Koe vermengd is) en gaat daarna in het
mikwe en is rein als de nacht invalt. Dit was de achtste dag
van de inwijding (zie Leviticus 9:1) en op die dag werd de wet van de
Rode Koe gegeven en Elazar, de Kohen, de zoon van Aharon had
die ochtend het mei chataat bereid, zodat ieder zich voor het
korban Pesach tijdig kon reinigen (Gittin 60b,
Jeroesjalmi Megilla 3:5).
Rabbi Jitschak concludeert dat het simpele, ongeïdentificeerde Joden
waren, die zich de afgelopen week hadden bezig gehouden met de
begrafenis van een meet mitswa [een gestorven naast familielid,
voor wie iemand de verplichting heeft om voor zijn begrafenis te
zorgen]. En zij waren het, die hun zeven dagen durende reiniging niet
op tijd die dag vóór Pesach konden voltooien.
Wij leren hiervan dat het was toegestaan om gedurende de zeven dagen
vóór Pesach de doden te begraven, ondanks dat dit betekende dat zij
dan niet konden deelnemen aan de mitswa van het korban Pesach.
Dit betekent dat iemand die zich bezig houdt met een mitswa, is
vrijgesteld van een andere mitswa, die hij op dat moment zou moeten
doen, zelfs als die andere mitswa belangrijkere is dan de eerste
mitswa.
Soeka
26
Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 383 van Kollel Chassidei
Sochatov, Bnei Brak
Een soeka onder vuur
Een Baraita in onze Gemara zegt, dat degenen die de stad overdag
bewaken, overdag zijn vrijgesteld van de mitswa om in een soeka te
wonen, maar dat zij ’s nachts daar niet van zijn vrijgesteld en dat
omgekeerd, wie de stad ’s nachts bewaakt, ’s nachts is vrijgesteld
maar overdag in een soeka moet wonen. En verder dat iemand die een
veld of boomgaard bewaakt, zowel overdag als ’s nachts daarvan is
vrijgesteld, want zo verklaart Abbajjé, Tora zegt: „Je zult in hutten
wonen,” hetgeen betekent, dat je op Soekot in een soeka moet wonen
zoals je in je huis woont. En daar iemand in zijn huis woont met al
zijn accessoires en comfort om zich heen, en hij een hut buiten in het
veld niet op diezelfde manier kan inrichten, is hij volledig
vrijgesteld van de mitswa.
Verderop verklaart de Gemara, dat wie zich ongelukkig voelt in zijn
soeka, vrijgesteld is van de mitswa. Zo paskent ook de
Sjoelchan Aroech O.Ch 640:4, en geeft daar als voorbeeld dat
iemand, die niet in zijn soeka kan slapen, omdat hij last heeft van de
wind, vliegen, stank of iets dergelijks, vrijgesteld is van de mitswa.
Maar men mag zijn soeka niet neerzetten op een plaats waar de kans op
wind of vliegen of stank groot is, en dan zeggen: „Ik kan daar niet
slapen, dus ik ben vrijgesteld.”
Tijdens de Jom Tov van Soekot 5771 (2001) lag de Jeruzalemse wijk
Gilo onder vuur van terroristen uit het naburige Arabische dorp Beit
Jala. Uit veiligheidsoverwegingen werden de bewoners van Gilo
gewaarschuwd om ’s avonds niet hun uit huis te gaan, opdat zij niet
bloot zouden staan aan de kogels van Beit Jala. Het was dus geen
sprake van of men ’s nachts in de soeka mocht slapen. De dunne
soeka-wanden boden geen enkele bescherming tegen de kogels. De vraag
was nu of die soekot dan helemaal passoel waren en nu
zelfs overdag onbruikbaar waren?
De Rama schrijft (id.) dat als iemand ’s nachts niet in zijn
soeka durft te slapen uit angst voor rovers, die hem wellicht zullen
overvallen als hij slaapt, dat dan zelfs overdag zijn soeka ongeldig
is en hij er niet in kan eten. Zeker, overdag is er geen gevaar voor
rovers. Niettemin leert de Gemara ons dat wij in een soeka moeten
wonen, zoals wij in ons huis wonen. Een soeka waar men niet als in een
normaal huis comfortabel kan slapen en eten, is geen kosjere soeka.
Hetzelfde zou dus theoretisch gezien, gelden voor de soekot in
Gilo. Daar zij niet geschikt waren om er ’s nachts in te slapen, waren
zij nu ook overdag passoel?
Een soeka in een koud klimaat –
Aan de andere kant vinden we een schijnbaar tegenstrijdige halacha,
ook door de Rama aangehaald. Hij schrijft dat in streken waar
het te koud is om ’s nachts in een soeka te slapen, men in zijn huis
mag slapen. Niettemin blijft de soeka kosjer om er overdag in te eten.
Wat is het verschil tussen de angst voor koude en de angst voor
rovers?
R. Zalman Nechemia Goldberg
sjlita suggereert een verklaring, gebaseerd op de Prie
Megadiem
[aangehaald in de Misjna Beroera 640:18].
Een soeka kan passoel verklaard worden als hij op een
ongeschikte plaats gebouwd is. Bijvoorbeeld midden in een gevaarlijk
bos is het niet geschikt om in een soeka te wonen en dan is de soeka
passoel. Die soeka had men in een beschermde, ommuurde tuin of
binnenplaats kunnen bouwen, of op het dak of balkon van zijn huis,
waar het veilig en kosjer zou zijn.
Een soeka kan echter niet passoel worden verklaard door
ongeschiktheid die ontstaat door de fragiliteit van de soeka. Een
soeka is bedoeld als een tijdelijke structuur. Hij hoeft niet
kogelvrij te zijn, noch hoeft hij tegen de kou te isoleren. Dit zijn
moeilijkheden die men bij iedere kosjere soeka kan verwachten, waar
die ook gebouwd is. Om die reden waren de soekot dat jaar in
Gilo kosjer. De gevaren van het geweervuur zouden aanwezig blijven,
ongeacht waar men de soeka [bij zijn huis in Gilo] zou bouwen, ten
gevolge van de kwetsbare aard van de soeka-constructie.
Daf 27
Een nieuw huis of
reparatie?
Het gebeurde eens dat twee vrienden samen een stuk grond kochten,
waarop reeds twee huizen stonden, één groot en één klein huis. Zij
kwamen contractueel met elkaar overeen dat de een in het grote en de
ander in het kleine huis zou wonen, maar dat, wanneer de bewoner van
het grote huis, zijn huis zou afbreken en opnieuw opbouwen, hij een
kleiner huis moest bouwen, zodat hij slechts de helft van het stuk
grond zou in beslag nemen.
De overeenkomst was voor beiden acceptabel en zij leefden verscheiden
jaren in vrede naast elkaar. Op een dag echter, ontdekte de eigenaar
van het grote huis, dat de balken die zijn huis overeind hielden,
begonnen te rotten. Om zijn huis te sparen, moest hij die rotte balken
verwijderen en vervangen door stevige nieuwe balken. Toen zijn buurman
de constructiewerkzaamheden zag, die eruit zagen alsof het hele huis
uit elkaar genomen en opnieuw gebouwd werd, klaagde hij dat dit
beschouwd moest worden als de bouw van een nieuw huis en dat het
contract vermeldde dat in een dergelijk geval het huis kleiner gemaakt
moest worden.
Sommige rabbijnen wilden een bewijs van onze soegia brengen dat
reparaties aan een huis, ongeacht hoe intensief ook, niet beschouwd
kunnen worden alsof het huis herbouwd wordt. Zij merkten op dat
volgens Rabbi Eliëzer een soeka alleen kosjer is, wanneer die voor de
totale duur van Soekot staat. Daarom is een soeka die tijdens Chol
Hamo’eed [de tussendagen van Soekot] gebouwd is, passoel.
Niettemin stemt R. Eliëzer ermee in dat als een soeka vóór Soekot
gebouwd is en tijdens Chol Hamo’eed instort, hij opnieuw
opgebouwd mag worden en dat hij dan perfect kosjer is. Dit lijkt een
duidelijk bewijs dat een gerepareerde structuur niet beschouwd moet
worden als een nieuw bouwwerk.
Echter R. Naftali Zwi Berlin
(Meisjiv Dawar III:1)
besliste dat de herbouw van een huis met nieuwe steunbalken beschouwd
moet worden als het bouwen van een nieuw huis. Daarom moest de
eigenaar van het grote huis voldoen aan de voorwaarde van het contract
en een kleiner huis maken. Hij verwierp het bewijs van onze Gemara
door te verklaren dat het enige bezwaar van R. Eliëzer was dat een
soeka niet gebouwd mag worden voor alleen een deel van het
Soekot-feest. Het moet gebouwd worden om voor het hele feest te kunnen
worden gebruikt. Wanneer iemand aan deze voorwaarde voldoet en zijn
soeka bouwt met de bedoeling daar het hele feest in te wonen, maar dan
stort het plotseling in elkaar, dan mag hij het van hetzelfde
materiaal opnieuw opbouwen en het gebruiken om erin te wonen. Hoewel
de herbouwde soeka een nieuw bouwsel is, kan het beschouwd worden als
een continuering van de vorige soeka. En daarom heeft het niet de
ongeldige status van een soeka die alleen maar voor een deel van het
feest is opgezet. R. Eliëzer zou alleen een volkomen nieuwe soeka
verbieden, die geen verband had met de oude soeka.
Dit huis, dat afgebroken moest worden, om te worden hersteld met
nieuwe steunbalken, daarvan zou zelfs R. Eliëzer gezegd hebben dat het
een nieuw bouwsel is. En volgens de voorwaarden van het contract,
mocht het huis alleen gebouwd worden op niet meer dan de helft van het
oppervlak van het gezamelijke terrein.
Daf 28
De Belgische soeka
We hebben vorige week
(Hearot HaDaf HaJomi 118, Soeka daf 22a)
al geleerd dat Rabbeinoe Tam op grond van de Misjna op onze daf leert,
dat als het schach zo dik is, dat de regen er niet doorheen kan
komen, de soeka niet kosjer is. Zijn bewijs dat hij van de Misjna op
onze daf brengt, is dat daar staat dat iemand zijn soeka mag verlaten
als er zoveel regen in valt dat zijn soep erdoor bederft. Wanneer men
het schach dik genoeg kan maken, zodat het de regen buiten
houdt, waarom is men dan niet verplicht het schach zo
dik te maken dat de soeka waterdicht is, zodat hij in de soeka kan
blijven zitten als het regent, in plaats van dat hij dan wordt
vrijgesteld van de mitswa om in de soeka te zitten?
Een tweede bewijs is van de Misjna in traktaat Ta’aniet
(2a),
waar staat dat regen op Soekot een slecht teken is, omdat het de
volvoering van de mitswa verhindert. Wanneer een soeka waterdicht
gemaakt kan worden, hoeft de regen geen slecht teken te zijn. Dit
allees leidt hem tot de conclusie dat een soeka niet waterdicht mag
worden gemaakt. De Taz
(635:2)
schrijft dat zelfs Rabbeinoe Tam het ermee eens is dat dit alleen een
Rabbijns verbod is, maar dat het volgens Tora is toegestaan.
Het advies van R. Chaim –
Oost Europa staat bekend om zijn frequente en stormachtige regenbuien,
speciaal in het Soekot-seizoen. Er is een gerucht dat zegt dat R.
Chaim van Volozhin eens voorstelde om soekot te maken met
zoveel schach, dat zij waterdicht zouden zijn, maar er een gat
in open te laten in een klein hoekje, waar de regen doorheen kon
vallen, om zo te voldoen aan de mening van Rabbeinoe Tam
(Pe’er Ets Chaim 29; zie Mo’adiem OeZemaniem I:96 en
appendix 8).
De
Belgische soeka –
Onlangs werd in Antwerpen een nieuw model ontwikkeld, die zowel
waterdicht als kosjer lijkt te zijn, zelfs volgens Rabbeinoe Tam. Hij
is gemaakt van dunne planken, van elkaar gescheiden door smalle reten,
waar de regen doorheen kan vallen. Onder iedere reet ligt, op een
korte afstand, een andere dunne plank, waarin een holte is
uitgespaard, dat als een goot dient om het water op te vangen en het
buiten de soeka leidt (zie tekening).
Dus de soeka heeft openingen, waardoor de sterren te zien zijn; het
regenwater kan vrijelijk binnenkomen; en toch stoort de regen niemand
in de soeka; omdat het onmiddellijk weer uit de soeka geleid wordt. De
meeste Poskiem hebben de soeka perfect kosjer verklaard. Echter
sommigen zeggen dat men lechatchila zo’n soeka niet moet
gebruiken, terwijl anderen menen dat de soeka zelfs bedi’awad
passoel is
(zie Sefer
HaSoeka p. 295, waar de meningen van R. Eliasjiv sjlita, R.
Wosner sjlita en Rav Weiss zt”l worden geciteerd).
Geen familie
N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd
worden, zijn uitsluiten bedoeld om de
gedachten en het
leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij
moeten niet
beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren
onderleiding van
een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd
is om een psak
halacha te geven.
|