|
Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 336 van Kollel Chassidei Sochatov,
Bnei Brak
דף
כו/ב בכל מערבין Men
mag met alles een eroev maken
De grenzen van
Sjabbat
Het derde hoofdstuk van Traktaat Eroevien
behandelt de halachot van eroev techoemien, door middel
waarvan men voorbij de 2000 amma grens
(± 1 km)
voorbij de Sjabbat-grens, bekend als de techoem Sjabbat,
mag gaan.
Voordat wij beginnen te praten over de eroev
techoem, zullen we eerst de techoem zelf bespreken.
Wat is de oorsprong van het verbod op het reizen buiten de
tweeduizend amma-grens?
De Gemara
(zie ook Sota 27b en
Eroevien 51a)
citeert een bron voor dit verbod van de passoek
(Sjemot
16:20): „Laat geen mens deze plaats
verlaten gedurende zeven dagen”
(Shemos 16:29. See Sotah
27b, Eroevin 51a). Volgens R.Akiwa is dit
een Tora-verbod. Volgens de Rabbaniem is het alleen maar een
Rabbijns verbod. Hoewel sommige Geoniem paskenen in
overeenstemming met R. Akiwa, is de algemene overeenstemming van
de Poskiem dat de grens van tweeduizend amma een Rabbijns
verbod is.
Niettemin, de Talmoed Jeroesjalmie vat deze
machloket op als alleen de tweeduizend amma-grens te
omvatten. Volgens de Jeroesjalmie is er een wijdere grens van
twaalf mil
[een mil is ongeveer 1 km. Dit kwam overeen met het oppervlak van
het kamp van de Israëlieten in de woestijn.],
hetgeen mideoraita is, zelfs volgens de Chachamiem.
De halachische conclusies van de Jeroesjalmie
hebben niet zoveel autoriteit als die van de Talmoed Bavli.
Daarom hebben de Risjoniem getracht na te gaan of de Bavli
hiermee akkoord gaat. Talrijke bewijzen zijn aan beide kanten
aangehaald. Bijvoorbeeld: R. Chia leerde dat het overschrijden van
de techoem- Sjabbat strafbaar was met makkot
[zweepslagen] volgens Tora
(Eroevien 17b).
Sommige Risjoniem beschouwden dit als een bewijs, dat zelfs
de Chachamiem ermee instemden dat er een techoem
de’Oraita is. Anderen verwerpen dit en zeggen dat R. Chia
alleen maar de mening van R. Akiwa weergeeft, die door de
Geleerden verworpen is.
Na de vele soegiot van de Bavli te hebben
onderzocht en met elkaar te hebben vergeleken, waren de
Risjoniem niet in staat om tot een eensluidende acceptabele
beslissing te komen. De Rambam
(Sjabbat 27:11),
Raävad (aangehaald
door Risjoniem op 17b), Smag
(Verbod 66),
en anderen, beslissen overeenkomstig de Jeroesjalmi, dat de
twaalf-mil-grens mide’Oraita is.
Aan de andere kant, Tosafot, Ramban, Ba’al HaMeor,
Rosj en anderen hebben gepaskend dat er geen techoem de’Oraita
is, en dat de passoek „Laat geen mens deze plaats verlaten”
alleen maar een asmachta is voor een Rabbijnse wet. Volgens
hun is de eenvoudige betekenis van de passoek een verbod op het
dragen op Sjabbat
(zie daf 17b, Tosafot s.v. Lav; Rasji: Shabbat 34a, s.v.
B’Eroevei).
De Sjoelchan Aroech en Rema
(O.C. 404)
concluderen dat de tweeduizend amma-grens zeker alleen
mideRabbanan is, maar dat mogelijk de twaalf-mil grens
mide’Oraita is. Wanneer wij onzeker zijn over een Rabbijns
voorschrift, zijn wij doorgaans soepel. Wanneer we onzeker zijn
over een Tora-voorschrift, moeten wij streng zijn. Daarom, mogen
wij soepel zijn wanneer er onzekerheid ontstaat in de halacha over
de tweeduizend amma-grens. Voor wat betreft de twaalf
mil-grens moeten wij streng zijn, ten einde rekening te houden
met die Risjoniem die menen dat dit mide’Oraita is.
De Gaon van Wilna zegt dat er geen techoem de’Oraita is
(Misjna Beroera
ibid, s.k. 7).
Welk ziekenhuis kiezen?
Deze discussie heeft een praktische betekenis in
het geval dat iemand moet beslissen naar welk ziekenhuis hij op
Sjabbat moet rijden. Zelfs als men Sjabbat moet ontwijden voor
Pikoeach nefesj, heeft het de voorkeur om alleen een
Rabbijns verbod te overtreden, boven een Tora-verbod. Er gebeurde
eens een ongeluk, waarna een Kohen een zieke per ambulance
op Sjabbat begeleidde. Toen de niet-Joodse chauffeur hem vroeg
naar welk ziekenhuis hij hen moest brengen, werd hij
geconfronteerd met een dilemma: het dichtstbijzijnde ziekenhuis
was gelegen binnen de twaalf-mil-grens, maar als kohen
was het hem verboden om daar binnen te gaan, omdat daar vaak de
doden werden bewaard zonder de nodige halachische voorzieningen,
ter voorkoming van de verspreiding van de toema door het
hele ziekenhuis. Tora verbiedt een kohen zich bloot te
stellen aan verontreiniging aan een dode. Een verder weg gelegen
ziekenhuis had voorzieningen voor kohaniem, maar het lag
buiten de twaalf mil-grens.
Hoewel de Maharik (45) beslist dat het verboden is
de techoem te overschrijden, zelfs als men in een wagen zit
die bestuurd wordt door een niet-Jood, is dat zeker een Rabbijns
verbod. Daarom had het voor de kohen in dit verhaal de
voorkeur om het verder weg gelegen ziekenhuis te kiezen. Maar als
de chauffeur van de ambulance een Jood was geweest, dan was het
beter geweest als hij het nabijgelegen ziekenhuis gekozen had, ten
einde te vookomen dat hij onnodig veel zou moeten rijden op
Sjabbat (zie Kirat
Ariël, ch. 1, footnote 9).
Men mag met alles een
eroev maken
דף כו/ב בכל
מערבין
Het verleggen van de
grens
Zoals we in het vorige
artikel besproken hebben, is de techoem Sjabbat een grens
op een afstand van 2000 amma rondom de plaats waar iemand
zich bij de aanvang van Sjabbat bevindt. Echter, op die plaats
hoeft hij zich niet noodzakelijk daadwerkelijk te bevinden. Onze
Geleerden zeggen dat men een andere plaats kan verkrijgen, door
middel van een voedselpakketje en daarmee maakt men dan een
eroev techoemiem. Zijn tweeduizend amma-grens wordt dan
getrokken rondom dit voedselpakket, in plaats van rondom hemzelf.
Als iemand bijvoorbeeld vierduizend ammot in een bepaalde
richting wil wandelen op Sjabbat, dan moet hij de eroev op
een afstand van tweeduizend amma plaatsen vanwaar hij zich
nu bevindt. Hij mag dan naar de eroev wandelen en vandaar
nog eens tweeduizend amma. Technisch gesproken geeft de
eroev geen permissie om voorbij de techoem te lopen,
maar het creëert een nieuwe techoem, met de eroev
in het centrum daarvan.
De Minchat Chinoech
(24:2)
werpt de vraag op of de eroev alleen effectief is voor de
tweeduizend amma techoem, die alleen mideRabbanan
is, of ook geldt voor de twaalf mil techoem welke
volgens vele Risjoniem mide’Oraita is. Bijvoorbeeld
als iemand een eroev legt op tweeduizend amma van
zijn huis en dan daar voorbij tot 12 mil van zijn huis
loopt, maar niet twaalf mil van de eroev. Dan heeft
hij zeker de Rabbijnse grens gepasseerd, maar beschermt de
eroev hem tegen het Tora-verbod van techoemien?
Een soortelijk en misschien
praktischer probleem ontstaat als iemand (bijvoorbeeld een arts)
voorziet dat hij op Sjabbat naar een ziekenhuis zal moeten rijden
wegens pikoeach nefesj. Wanneer het ziekenhuis binnen
twaalf mil van zijn huis is, moet hij dan een eroev
klaarleggen op een afstand van twaalf mil, om te voorkomen
dat hij een Tora-verbod overtreedt? Is een dergelijke eroev
„überhaupt” geldig?
De Toer schrijft in een
inleiding tot de wetten van eroev techoemien
(408)
dat aangezien het verbod op het reizen voorbij de techoem
alleen mideRabbanan is, hebben onze Geleerden de soepelheid
ingesteld van de eroev techoemien. Het is duidelijk dat de
eroev dus voor een Tora-verbod geen effect heeft.
De Acheroniem werpen
tegen dat we in de Gemara
(35b)
zien dat een eroev techoemien effectief is, zelfs
volgens de mening die zegt dat alle techoemien
mide’Oraita zijn. Zij antwoorden dat aangezien iedereen er in
theorie mee eens is, dat er zoiets als een eroev techoemien
bestaat, moet ook Rabbi Akiwa van mening
zijn dat een eroev techoemien effectief is, ondanks dat
techoemien mide’Oraita zijn. Echter volgens de
Chachamiem die beweren dat de tweeduizend-grens
mideRabbanan is, wordt het principe van eroev techoemien
alleen in de Gemara besproken in verband met de door de Rabbijnen
vastgestelde grens en niet de twaalf-mil-grens, die
mide’Oraita is
(zie
Tosafot Sjabbat en Beit Meir).
Uit de Ramban blijkt
duidelijk dat zelfs volgens de meningen dat de twaalf-mil-grens
mide’Oraita is, eroev techoemien effectief is.
Andere Risjoniem schijnen het tegendeel te beweren.
(Zie Kirat
Ariël 1:8, n. 26).
Daf 29b
De onvervangbare
Geleerde
Door Rav Mendel
Weinbach
De Gemara vertelt hoe
Rabbi Chanina ben Dosa doodziek werd nadat hij een giftige halve
ui gegeten had. Zijn collega’s baden voor zijn herstel, omdat zij
hem niet konden missen, en hij herstelde.
De Maharsjal vraagt aandacht voor het feit dat het
vaak voorkomt in de Talmoed, dat Geleerden voor elkaar dawwenen,
zonder dat daarbij melding gemaakt wordt van de onmisbaarheid van
de zieke. Hij verklaart dat de Gemara erop wilde wijzen waarom
Rabbi Chanina ben Dosa, die zo vaak in de Talmoed genoemd wordt
als de grote tsaddiek die met zoveel succes voor anderen bad, niet
voor zichzelf kon bidden voor herstel, maar de gebeden van anderen
nodig had. De gebeden van de tsaddiek voor hemzelf zijn
niet zo effectief als die anderen voor hem bidden, „want de
gevangene is niet in staat zichzelf te bevrijden” (Berachot
5b). Hoe machtig de gebeden van Rabbi
Chanina ook waren, zijn collega’s, die hem zo hard nodig hadden,
aarzelden om op zijn gebeden te vertrouwen toen die voor hemzelf
dienden. Daarom deden zij een collectieve poging om voor zijn
hersdtel te bidden.
De Ijoen Ja’akov geeft een andere
verklaring: de collega’s van Rabbi Chanina ben Dosa waren bang dat
het feit dat hij, omdat hij de waarschuwingen van de Geleerden in
de wind geslagen had en een gevaarlijk giftige ui gegeten had,
gestraft werd. Maar omdat zij hem niet als hun leraar konden
missen baden zij voor zijn herstel.
Hieraan moet worden toegevoegd dat Rabbi Chanina
zeker geen zelfmoordneigingen had, maar hij at deze giftige
groente zonder te weten dat het giftig was, waarschijnlijk omdat
hij de waarschuwing van de Geleerden om geen uien te eten, niet
gehoord had. Zijn collega’s hadden echter mogelijk kritiek op een
Geleerde van het niveau als Rabbi Chanina, omdat hij zich
kennelijk zo weinig bekommerde om de geschiktheid van het voedsel
dat hij at. Niettemin baden zij intensief voor zijn herstel,
wegens zijn belang voor de wereld.
|