Aanmelden

donderdag 19 februari 2006

2 Sjewat 5766

Aan de orde van de daf

Door Zwi Goldberg

VERKLARENDE WOORDENLIJST

Adar – twaalfde maand vanhet Joodse jaar (omstreeks februari/maart)

amida – staande gebed, Sjemonee Esree.

amma [mv. ammot]el, lengte maat van ± 54 cm.

aninoet – de toestand van rouw waarin iemand verkeerd wiens naaste familielid is overleden, totdat die is begraven.

askera – een ziekte waarbij de keel wordt opgezet, hetgeen het ademhalen bemoeilijkt. Mogelijk dyfterie.

asmachta – lett. steun. Een vers dat door de Gemara genoemd wordt als autorisatie voor een Rabbijns voorschrift.

Av – zie Menachem Av.

Av melacha (mv. Avot melachot) Een van de 39 hoofdwerkzaamheden die op Sjabbat en Jom Tov verboden zijn.

Aweel – Iemand die rouwt om één van zijn zeven naaste familieleden: vader, moeder, broer, zuster, zoon, dochter of echtgenoot.

bal tosief – voeg niets toe [aan de geboden].

Bamidbar – het boek Numeri.

baraita [mv. baraitot] Uitspraken door Tannaïem die niet door Rabbi Jehoeda HaNasi werden opgeschreven. Zij werden verzameld en opge­schre­ven door R. Chia en R. Asaja, de leer­lin­gen van Rabbi Jehoeda HaNasi.

bedi’awad – achteraf, wanneer het al gebeurd is, aposteriori

Beit HaBa'al Een veld dat door de regen voldoende bevloeid wordt.

Beit HaMikdasj – De Tempel in Jeruzalem.

Beit Hasjelachien – Een veld dat bevloeid moet worden.

Bereisjiet – het boek Genesis.

chalitsa – echtscheidingsprocedure bij jibboem.

chataat – zondoffer. Het wordt doorgaans ge­bracht voor een onopzettelijke overtreding van een Tora-verbod, waarop, wanneer dat opzettelijk gebeurde, de straf van kareet staat.

chatsitsa – a. afscheiding, scheidingswand; b. een vreemd voorwerp op de huid of op een voorwerp, dat een afscheiding vormt met het water, en dat de onderdompeling in het mikwe ongeldig maakt.

cherem – Excommunicatie door een Beit Din, zwaarder dan een niddoei, meestal uitgesproken nadat over iemand reeds herhaaldelijk een niddoei is uitgesproken.

Chesjwan – zie Marchesjwan.

choemra – verzwaring.

Dewariem – Deuteronomium.

Eloel – zesde maand van het Joodse Jaar (omstreeks augustus/september)

eroev tavsjilien – het voedsel dat vóór de Jom Tov opzij gezet wordt als die op vrijdag valt, als teken dat men die Jom Tov mag koken voor de Sjabbat.

etrog [mv. etrogiem] – bep. citrusvucht. Een van de vier plantensoorten in de plantenbundel die gebruikt wordt op Soekot.

ezrat nasjiem – 1. in de Tempel de binnenplaats voor de vrouwen; 2. in een synagoge de afdeling waarde vrouwen zitten, veelal een balkon.

gamatria – de numerieke waarde van de Hebreeuwse letters.

gezera sjawa – één van de dertien exegetische verklaringen van de Bijbel. Wanneer eenzelfde woord of uitdrukking op verschillende plaatsen voorkomt in Tora, dan leert de mondelinge overlevering dat deze twee plaatsen met elkaar in verband staan en dat de wetten die gelden voor voor het ene vers, ook gelden voor het andere vers.

get [mv gittien] echtscheidingsbrief.

halacha – 1. een Tora-wet; 2. De hele Joodse wet; 3. bij een meningsverschil, de positie die door de latere autoriteiten geaccepteerd is als de te volgen praktijk.

Hasjem – lett. de Naam; een manier om G-d te noemen zonder de vierletterige onuitspreekbare naam te noemen.

Heichal – het Heiligdom van de Tempel in Jeruza­lem, de hal waarin de Menora, het gouden Reukwerk-altaar en de tafel met de Toonbroden stonden.

jibboem – zwagerhuwelijk.

jesjiwa [mv. jesjiwot] – talmoedhogeschool.

jewama – weduwe van een man die kinderloos oveleden is en die nu niet met een vreemde mag hertrouwen, maar moet trouwen met de broer van haar overleden echtgenoot, tenzij hij van haar scheidt in een chalitsa-procedure.

Jom Kippoer – Grote Verzoendag.

Jom Tov – Feestdag.

jotsee – Hij heeft zijn plicht gedaan

Joweel-jaar – Het vijftigste jaar, jubeljaar.

kareet – uitroeiïng, vroegtijdige dood door de Hemel.

kav (mv. kabien) –  inhoudsmaat van ± 1,4 liter.

kavana – intentie.

kemitsa – de dienst van de Kohen, waarbij hij het meel voor de mincha-dienst met zijn hand op­schept en zijn drie middelste vingers over zijn handpalm sluit. Wat daaronder zit wordt geof­ferd op hetaltaar.

Ketoeviem – lett.: geschriften; de boeken van de Bijbel, die niet onder de Profeten of Tora vallen.

ketòret – het reukwerk, samengesteld uit ver­schil­lende kruiden, dat op het gouden binnen­altaar ge­of­ferd werd.

kior – koperen wasbekken, waar de Kohaniem hun handen en voeten onder wasten.

Kislev – derde maand van het Joodse jaar (omstreeks november/decemeber)

kodasjiem – offers.

Kohen [mv. Kohaniem] – lid van de priesterfa­mi­­lie, rechtstreekse afstammeling van Aharon. De Kohaniem deden dienst in de Tempel.

Kohen Gadol – Hoge Priester.

komets – dat wat de Kohen met de kemitsa afscheidt van het meel van het mincha-offer, door een handvol vanhet meel te nemen, daar zijn middelste drie vingers overheen te sluiten en de rest de verwijderen. Dat wat hij op deze manier in zijn handpalm houdt, wordt verbrandt op het altaar.

lechatchila – a-priori, zoals een mitswa of hande­ling hoort te worden uitgevoerd.

log [mv. loegien] – inhoudsmaat met het volume van zes eieren, ± 0,3 liter.

ma’amad [mv. ma’amadot]De vertegenwoordigers van het volk die bij de gemeenschapsoffers aanwezig zijn. Er waren 24 ma’amadot, parallel aan de 24 misjmarot.

ma’ariv – avondgebed.

ma’aser [mv. ma’aserot] – Bijbels tiende dat van landbouwproducten uit Israël moet worden afge­scheiden. Het eerste tiende moet gegeven wor­den aan een Leviet, het tweede tiende moet in Jeruzalem worden gegeten.

machloket – meningsverschil.

malkoet – 39 zweepslagen als straf voor over­treding van bepaald verboden van Tora.

mamzer [mv. mamzeriem] – nakomeling van een onwettige relatie.

manee  – de waarde van 100 zoez.

Marchesjwan [ook wel Chesjwan] tweede maand van het Joodse jaar (omstreeks oktober/ november).

matan Tora – het geven van Tora op de berg Sinai.

melika – het slachten van een vogeloffer, hetgeen gebeurt met de duimnagel van de Kohen.

Menachem Av – elfde maand van het Joodse jaar (omstreeks juli/augustus).

menoedè – iemand die geëxcommuniceerd is, door de Rabbijnen in de ban is gedaan.

menora – De gouden, zevenarmige kandelaar in de Tempel in Jeruzalem.

metsora – iemand die tsara’at heeft.

mezoeza – een klein rolletje perkament waarop de afdelingen Deuteronomium 6:4-9 en 11:13-21 staan geschreven en die op de rechter deurpost van huizen, poorten en kamers bevestigd wordt.

mikwe – ritueel bad met natuurlijk water waar mensen en voorwerpen, die onrein zijn, in gerei­nigd worden door onderdompeling.

mincha – 1. namiddaggebed. 2. [mv. menachot] meeloffer, bestaande uit fijn meel, olie en kruiden.

misjmar [mv. misjmarot]  misjmèret beit av.

misjmèret beit av – een beit av van een misjmar. Alle Kohaniem waren in 24 groepen verdeeld, misjmar – lett.: be­wa­kingsdienst – genoemd, die elk om de beurt een week dienst deden in de Tempel. Iedere misjmar was onder­ver­deeld in familiegroepen, beit av genoemd, lett. ‘vaders­huis.’ Ieder beit av deed één dag van die week dienst.

misjna [mv. misjnajot] 1. De door Rabbi Jehoeda haNasi geredi­geerde en systematisch ingedeelde mondelinge leer. – 2. Een paragraaf in dat werk.

mitsnèfet – de tulband van een Kohen.

moedar hanaä – iemand die zich met een eed of neder het profijt en gebruik van iets ontzegd heeft.

nazier – Iemand die zichzelf verplicht heeft geen wijn te drinken en geen druiven te eten en zijn haren niet te knippen en zich niet te verontreinigen aan een dode.

neder – gelofte.

Newiïem – lett.: profeten; de boeken van de Profeten in de Bijbel.

newela – het lijk van een dier dat niet volgens de voorschriften geslacht werd.

nidda – een vrouw die gemenstrueerd heeft en zich nog niet gereinigd heeft in een mikwe.

niddoei – lett.: uitbanning, uitgestoten. Een ban, uitgesproken door een beit din, welke doorgaans dertig dagen duurt en gedurende welke tijd men de menoedè niet binnen vier ammot mag naderen en niet met hem aan tafel mag zitten.

Nissan – eerste maand van het Joodse jaar (omstreeks maart/april).

Oelam – voorkamer van het Heiligdom.

ola – brandoffer

oneen [mv. oneniem] – iemand wiens naaste familielid is overleden, verkeert in een staat van aninoet totdat de overledene is begraven. Voor hem gelden speciale voorschriften.

orla – 1. voorhuid. 2. Boomvrucht gedurende de eerste drie jaar na de planting.

para adoema – rode koe.

prozbol – Tora verbiedt de inning van leningen na het sjemitta-jaar. Alle lenininge  die voor die tijd zijn aangegaan moet men dan kwijtschelden. Een prozbol is een document waarin het Beit Din gemachtigd wordt de lening namens de geldschieter te innen.

rasja – een slecht mens.

Rosj Chodesj – de eerste dag van de nieuwe maand.

se’a – inhoudsmaat van ± 8,2 liter (6 kav).

Segan HaKohaniem – de vice-Kohen Gadol en de op één na hoogste in rang onder de Kohaniem.

semicha – 1. Rabbijnse bevoegdheid  om beslissin­gen over halacha te nemen. 2. Het ritueel bij vele persoonlijke offers, waarbij de eigenaar van het offer zijn handen op de kop van het offerdier legt en dat met alle kracht omlaag duwt.

sja’atnez – kleren gemaakt van een wol en linnen.

sjammasj – koster van de synagoge.

Sjawoe’ot – wekenfeest, het feest dat de schenking van Tora op Sinai gedenkt.

Sjechina – de G-ddelijke aanwezigheid.

sjechita – het slachten.

Sjeem Hasjem – de Naam van G-d, de vier­let­terige onuitspreekbare Naam.

sjemitta-jaar – zevende jaar in de zevenjarige landbouwcyclus, waarin het land braak moet blijven liggen en er niet geoogst mag worden en aan het eind waarvan schulden moeten worden kwijt-gescholden.

Sjemonee Esree – achtiengebed, de kern van het dagelijks gebed.

Sjemot – het boek Exodus.

sjèrets [mv. sjèretsiem] – één van de acht knaagdieren of reptielen die in Tora worden genoemd en waarvan het lijk bij aanraking toema veroorzaakt.

sjevariem – gebroken sjofartonen.

sjocheet – slachter.

sjofar – ramshoorn, gebruikt als trompet.

Soekot – lett. ‘hutten’. Loofhuttenfeest, van 15-21 Tisjri, ter herinnering aan de tocht door de woestijn na de uittocht uit Egypte, toen de Joden in hutten woonden.

Sota – Een vrouw wier gedrag aanleiding heeft gegeven om haar te verdenken van overspel. Numeri 11:5-31 vertelt wat er met haar moet gebeuren.

tahara – rituele reinheid.

tahor – ritueel rein.

tamee – iets of iemand die ritueel onrein is gewor­den.

tamied – het dagelijkse offer, dat tweemaal per dag gebracht werd.

Tanach – afkorting voor Tora, Neviïem, Ketoeviem, die samen de Bijbel vormen.

tanna [mv. tannaïem] – Geleerde uit de Misjna-periode, wiens mening vermeld wordt in een Misjna of Baraita.

tanna kamma – Een anonieme eerste mening in een Misjna of Baraita.

tefilla – 1. gebed. 2. Sjemonee Esree.

tekia – 1. het blazen op de sjofar. 2. een ononderbroken sjofartoon

tenoefa – wuiving. Een ritueel bij sommige offers, waarbij met bepaalde offerdelen door de Kohen en de eigenaar samen een wuivende beweging wordt gemaakt.

teroea – Een bepaalde, fibrerende sjofartoon.

tewel – product uit Israël, waarvan troema en ma’aser van moet worden afgescheiden en dat verboden is om te eten of te drinken, wanneer dat niet gebeurd is.

tewoel jom – Iemand die deze dag in het mikwe is geweest omdat hij onrein was geworden, maar op wie nog een beetje toema rust totdat het nacht is. Hij maakt troema en kodasjiem onrein door aanraking.

tewila [mv. tewilot] – onderdompeling in een mikwe.

Tisjri – zevende maand vanhet Joodse jaar (omstreeks september-oktober).

Toe Besjwat – Nieuwjaar van de bomen.

toema – rituele onreinheid.

toemat meet – de toema van een lijk.

toleda (mv. toledot) Verboden werkzaamheid, afgeleid van een van de avot melachot.

Tora – de eerste vijf boeken van de Bijbel.

troema – heffing van de oogst die het eerst wordt afgescheiden en aan een Kohen wordt gegeven. Doorgaans ongeveer 1/50 van de totale oogst.

tsaddiek – 1. een rechtvaardig mens; 2. iemand die volmaakt leeft volgens alle ge- en verboden van.

tsara’at – Een aandoening die in Leviticus hfd. 13 en 14 genoemd wordt en vaak ten onrechte vertaald wordt met melaatsheid of lepra.

tsedokiem – saduceeërs, nakomelingen van de Hoge Priester Tsadok, die de mondelinge leer van de Rabbijnen niet wilden erkennen, maar zich uitsluitend hielden aan de schriftelijke Tora.

tsiets – De gouden voorhoofdsplaat van de Kohen Gadol, waarin gegraveerd stond „Heilig voor Hasejm” (in het Hebreeuws).

Wajjikra – Leviticus.

widdoei –bekentenis, bekenning van zonden.

zerikat hadam – het gooien van het bloed van het offerdier tegen het altaar.

zoez – munt ter waarde van een dinar, bevat 4,25 gram zilver.