Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 216 Parasjat Tsav  12 Niesan 5767

 31 maart 2007

De parasjat hasjawoe’a is Tsav (Leviticus 6:1-8:36)

De Haftara is van Sjabbat Hagadol, Malachi 3:4-24

Maandagavond 2 april is Sederavond

Pesach is van maandagavond 2 april tot en met maandag 9 april.

In verband met Pesach zal er volgende week geen Sjabbat Sjalom verschijnen

---

Overzicht Tsav

De Tora richt zich tot Aharon en zijn zonen om hen nog meer lessen te leren, die betrekking hebben op hun dienst. De as van het korban olah – het offer dat de hele nacht op het altaar brandt – moet daar door de kohen worden weggehaald, nadat hij zijn speciale linnen kleren heeft uitgedaan. Het olah wordt gebracht door iemand die vergeten is een positief gebod van Tora te doen. De kohen mag de huid houden. Het vuur op het altaar moet constant brandend gehouden worden. Het korban mincha is een meel offer dat bestaat uit fijn meel, olie en specerijen. Een handvol ervan wordt op het altaar verbrand en een kohen eet de rest op voordat het gaat gisten. De parasja beschrijft de speciale korbanot die iedere dag door de kohen ĝadol geofferd worden, en door de zonen van Aharon en hun toekomstige afstammelingen, op de dag van hun inauguratie. Het korban chataat – het schuldoffer dat ge­bracht wordt na een onop­zette­lijke overtreding, wordt beschreven, evenals de wetten voor het slachten en het sprenkelen van het bloed van het korban asjam – het schuldoffer. De details van korbanot sjelamiem – verschillende vredeoffers – worden beschreven, waaronder het verbod om het korban todah – het dankoffer – ongegeten tot de ochtend achter te laten. Alle offers moeten verbrand worden, wanneer de tijd dat zij gegeten mogen worden is verstreken. Een offerdier mag niet geslacht worden met de bedoeling om het na de toegestane tijd te eten. Wanneer korba­not onrein zijn geworden, mogen zij niet meer worden gegeten, maar moeten verbrand worden. Men mag een ritueel onrein korban niet eten. Bloed en chelev – de verbo­den dierlijke vetdelen – mag men niet eten. Aharon en zijn zonen mogen van ieder korban sjelamiem het borststuk en de schenkel hebben. De inauguratie ceremonie voor Aharon, zijn zonen, het Misjkan en alle bijbehorende gebruiks­voor­werpen wordt beschreven.

Door Ohr Somayach in Jeruzalem, Israël

©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden

De Wekelijkse Haftara

Door Reuben Ebrahimoff

De Haftara voor Sjabbat Hagadol

De Parasja van deze week is Parasjat Tsav. Maar het is de Sjabbat voor Pesach en dat noemen we de Sjabbat Hagadol. De Hafatara wordt dan gelezen uit Malachie 3:4-24.

De Profeet Malachi voorspelt dat Hasjem blij zal zijn met de toekomstige offers van Israël. Hasjem stoort zich echter aan het wangedrag van Israël en daar zal Hij streng naar handelen. Hasjem keurt het af dat de Joden de giften voor de Kohaniem achterhouden. Het Joodse volk mag 90% van hun inkomen houden, en hoeft slechts 10% af te dragen aan mensen die dat meer nodig hebben, en als erkenning daarvoor zullen zij de bron van zegen van Hasjem zijn. Hasjem zegt, dat wanneer het Joodse volk zich houdt aan de voor­schriften van ma’aser (het geven van een tiende van iemands inkomen aan de armen), dat dan hun lippen rauw zullen worden van het herhaalde zeggen van „Baroech Hasjem” „Dank U, Hasjem, ik heb veel om dankbaar voor te zijn.” Vervolgens wordt Israël vermaand dat zij Hasjems voorzienigheid en bescherming in twijfel trekken. In de toekomst zal Hasjem grote beloningen geven aan hen die Hem trouw zijn gebleven. De grote Dag des Oordeels komt eraan en de slechte mensen zullen gestraft worden en de goede beloond. Hasjem drukt het Joodse volk op het hart zich aan Tora te houden. De Haftara eindigt met de belofte dat op een zekere dag Hasjem Eliahoe Hanawie – Elia de Profeet – zal sturen, als aankondiger van de Grote Dag van de komst van de Masjiach.

Het verband met Sjabbat HaGadol

Door Rabbi Moshe Weissman

De Sjabbat voor Pesach wordt „Sjabbat HaGadol” – de Grote Sjabbat – genoemd. Eén van de verkla-ringen voor deze naam is dat er een „groot wonder gebeurde op die Sjabbat.” De Midrasj vertelt, dat de Egyptische eerstge­borenen, bezorgd waren dat de op handen zijnde plaag hen zou uitroeien en van hun vaders eisten dat zij de Joden zouden laten gaan. Toen hun verzoek geweigerd werd, trokken zij hun zwaarden en doodden hun eigen vaders (Tosafot Sjabbat 87, Sjemot Rabba).

Volgens een andere mening is de naam ‘Sjabbat HaGadol’ afgeleid van het laatste vers van de Haftara van deze dag, waarin staat dat „de grote en ontzagwekkende dag van de rechtspraak nadert.”

Daar dit vers ook voorspelt dat Eliahoe zal komen om de uiteindelijke verlossing aan te kondigen, past het om dit gedeelte te lezen op de Sjabbat voor Pesach, „de tijd van de verlossing.” Onze Geleerden hebben ge­zegd: „In Nissan werden onze voorouders verlost, en in de toekomst zullen wij ook in die maand verlost worden.”

ô ô ô

Inzicht in Parasjat Tsav

De verschillende betekenissen van Tsav”

(Door HaRav Eliezer Chrysler)

„Draag Aharon en zijn zonen het volgende op: ‘Dit is de instructie voor het brandoffer…’ ” (Lev. 6:2).

Rasji verklaart dat tsav niets anders is dan een uitdrukking voor ziroez – een aansporing tot onmiddellijke uitvoering van een mitswa.

Rebbi Heshel legt dit uit in de context van de Gemara in Kiddoesjien (31a), waar staat dat als iemand een mitswa doet, omdat hij daartoe bevolen is, hij op een hoger niveau staat dan iemand die de mitswa vrijwillig doet. De reden hiervoor, verklaart Tosafot, is dat iemand die geboden wordt iets te doen, in tegenstelling tot een vrijwilliger, zijn natuurlijke neiging om te weigeren moet bevechten, en vechten tegen de Jetser haRa – de slechte neigingen in de mens – is ten slotte het voornaamste doel van de schepping van de mens. Dit is op zijn beurt iets dat geen geringe zerizoet – voortvarendheid – vereist.

Hoe passend daarom van Chazal om te zeggen dat tsav een uidrukking van ziroez is.

In een tweede verklaring haalt Rasji Rabbi Sjim’on aan, die zegt dat tsav wijst op een financiëel verlies (chesron kies). De commentatoren verklaren dat dit betrekking heeft op de huid van het ‘ola en de verschil­lende onderdelen van het korban, die de Kohaniem ontvangen, en die zij onder ver­schillende omstandigheden konden kwijtraken.

En het is in dit opzicht, zegt de Ma’adanei Melech, dat Rabbi Sjim’on het oneens is met de eerste interpre­tatie van tsav, in welke betekenis het betrekking heeft op zowel de tegenwoordige als de toekomstige genera­ties. Dit is eenvoudig niet waar, argumenteert Rabbi Sjim’on, want latere generaties zullen geen korbanot meer brengen; zij zullen alleen nog maar daarover leren (zoals Chazal afleidden van Zot Torat ha’Ola”, hetgeen in dezelfde pasoek voorkomt). In dat geval zal ziroez niet nodig zijn. Volgens hem heeft het dan alleen betrekking op de generaties van het Beit HaMikdasj, toen de Kohaniem inderdaad het risico liepen een financiëel verlies te lijden, wanneer er iets aan het korban mankeerde.

De Dwasj weChalav biedt een nieuwe interpretatie van chesron kies, waarbij hij verwijst naar Chazal, die drie lichaamsorganen noemen, waar iemand geen volledige controle over heeft, namelijk zijn ogen, oren en neus. G-d heeft de mens echter de mogelijkheid gegeven om daar wel controle over uit te oefenen, door elk daarvan van een bedekking te voorzien, die de eigenaar kan gebruiken, wanneer dat nodig is.  Men kan zijn ogen bedekken met zijn oogleden, zijn oren met zijn oorschelpen (die speciaal voor dit doel zacht zijn gemaakt), en men kan zijn neus dichtknijpen met zijn neusvleugels.

Er is echter nog een orgaan, waarvan Chazal schrijft dat het moeilijk is om te vermijden dat men ermee zondigt. Een orgaan dat volledig buiten onze jurisdictie ligt, maar in tegenstelling tot de andere organen, heeft dit orgaan niets om zich mee te bedekken, en de enige manier om het onder controle te houden is zich in te spannen. Wij hebben het natuurlijk over het proces van de gedachten.

Dat is de reden waarom Chazal verklaard hebben dat het ‘ola (dat verzoening doet voor onzedelijke gedachten) zerizoet vereist, want dat heeft een chesaron Kies (het mist een bedekking).

Nog een andere betekenis van tsav is die van awoda-zara, zoals vermeld wordt in de Midrasj en de Zohar. En de pasoek wijst op awoda-zara terwijl het spreekt tegen Aharon, wegens Aharons deelname aan het gouden kalf. We moeten geen moment denken dat zijn aandeel in Israëls zonde hem diskwalificeerde voor de dienst als Kohen, zoals de halacha een Kohen die zich aan awoda zara schuldig maakt diskwalificeert. Maar dat is hier niet het geval, want zelfs al werd hij gestraft voor die deelname, doordat zijn beide zonen als gevolg daarvan gedood werden, zijn gedrag werd anderzijds beschouwd als een enorme verdienste, en resulteerde erin dat hij de Kohen Gadol werd, een ambt dat hij anders niet zou hebben verkregen, volgens de Midrasj.

En de reden hiervoor is dat zijn enige motivatie was om Klal Jisraël te redden, hetgeen opzichzelf beschouwd werd als de allerhoogste vorm van zelfopoffering.

Enkele ideeën voor bij de Haggada

====================

Matsa = Lechem Oni

Twee verklaringen: brood der armen en brood waarover geantwoord wordt op vragen.

Brood der armen: of armoe.

Welke armoe? Verschillende verklaringen:

1. Wij aten matsot in Egypte want wij waren arm en dat kregen wij te eten van Par’o.

2. Wij hadden haast bij de uittocht en hadden  geen tijd om het brood te laten gisten en rijzen.

3. De matsa ziet er zelf armoedig en nederig uit, tegenover de opgeblazen broden.

   Nederigheid is de belangrijkste eigenschap:

- Mosjé Rabbeinoe was nederig.

- Het was de enige mida  – eigenschap – die Hasjem verlangde van Paro’ van al de vermaningen  van Mosjé: „Wees nederig en erken Mij”.

4. Maharal: De matsa is eenvoudig, bestaat uit het minimum. Dat past bij de nivdal, de afgescheiden wereld waarin wij uit Egypte zijn gevoerd. Het past bij de hogere wereld die vrij is van de aardse complicaties. Het  past bij de witte kleren die de Kohen Gadol droeg als hij het allerheiligste inging. Het past bij onze witte kleren op Jom Kippoer. Het  past ook bij het Mincha offer dat uit meel bestond en geen chameets mocht bevatten. Het symbool van nederigheid en bescheidenheid dat ieder siert.

5. Het armenbrood, want een arme heeft honger en geen tijd om te wachten tot het brood gerezen is. Hij eet het nu!

Armoe en nederigheid gaan gepaard aan wijsheid. Wie veel Tora leert, krijgt steeds meer bewondering voor de onbegrensde wijsheid van Hasjem's schepping en voelt zich nog nederiger en kleiner. Vanavond leren wij veel en voelen wij ons klein bij de grote wonderen die Hasjem voor ons verricht heeft, als wij vertellen over de uittocht uit Egypte over Lechem 'Oni.

 Op de Seder schotel symboliseert de Matsa het Pesach-Lam dat geofferd werd in de tijd van de Tempel. Waarom kozen onze geleerden Matsot? (Het wordt als afikoman gegeten, dat in plaats van het Pesachlam gegeten wordt).

Een verklaring is: Wij treuren dat wij geen offer meer kunnen brengen, ten gevolge van de onderdrukking der volkeren.

Matsa is het symbool van de onderdrukking der Egyptenaren en het symbool van de overgang  naar de vrij­heid. Dus wat is logischer dan matsot te nemen als symbool van het verboden offer, met de hoop van de toe­komstige verlossing.

De bron van de verplichting om over de uittocht te vertellen is Sjemot 13:8:

åÀäÄâÌÇãÀúÈ ìÀáÄðÀêÈ áÌÇéÌåÉí äÇäåÌà ìÅàîåÉø: áÌÇòÂáåÌø æÆä òÈùÒÈä ä' ìÄé áÌÀöÅàúÄé îÄîÌÄöÀøÈéÄí.

¯ ¯ ¯

IEDER GESLACHT MOET ZICHZELF ZIEN

áëì ãåã åãåø çééá àãí ìøàåú àú òöîå ëàéìå äåà éöà îîöøéí

In ieder geslacht moet men zich zien alsof hijzelf uit Egypte trok.

Waarom is dit zo belangrijk?

Wat verschilt Pesach met alle andere feesten?

Geen feest heeft zoveel voorbereiding.

Geen feest heeft zo’n feestmaal met vertelling.

Ook met Poeriem werden we verlost, evenals met Chanoeka. Maar er is een groot verschil.

Wij gaan door de tijd als langs een spiraal. Binnen één cyclus van één jaar verwijderen we ons van een bepaalde gebeurtenis, waarna we het weer naderen. Tot de eerste verjaardag, maar die is toch een beetje verwijderd van de bron. En zo de tweede verjaardag, enz.

Ieder jaar valt Pesach in de lente. De bevrijding van de winterkou.

We leren dat ook in de toekomst, laat die spoedig zijn, en in onze dagen, de bevrijding om deze tijd van het jaar zal zijn.

En we leren dat de viering van de seder daarbij helpt en wie veel vertelt, brengt de Masjiach dichterbij.

Waarom?

Alleen vertellen is niet de bedoeling.

Het is geen leeravond, zoals op Sjawoe’ot.

En Par’o zei (Sjemot 5:2): Wie is Hasjem, dat ik naar Hem zou luisteren?”

Vele mensen weigeren zich te onderwerpen aan een hogere autoriteit die voorschriften afdwingt die we niet prettig vinden. Voorschriften die we logisch vinden om na te volgen en die overeenkomen met onze gewoonten, daarmee hebben we geen moeite. Maar die voorschriften opvolgen is nog niet luisteren naar Zijn stem.” Echter, iets doen wat we niet logisch of niet prettig vinden, maar alleen omdat Hasjem het ons beveelt, dat is Zijn avoda.

G-d zit niet alleen in het begrijpelijke, in het natuurlijke en/of het wetenschappelijk bewezene. Maar juist in al dat onbegrijpelijke, ongrijpbare.

Daarom praten we over zoveel wonderen tijdens de seder.

Pesach is het feest van de bevrijding maar ook van de gebondenheid.

De vier vragen duiden daarop: twee ervan wijzen op de vrijheid (het leunen en indopen), en twee andere vragen wijzen op de gebonden­heid, gesymboliseerd door slavernij (matsa en maror)

Maar vrijheid is gebondenheid. Hoe meer je jezelf kunt binden, des te vrijer ben je van je slechte eigenschappen en van anderen die wat van je willen.

Wij vieren de onafhankelijkheid van onszelf. Het Joodse volk is niet geëvolueerd, maar het is plotseling uit een ander volk genomen, zoals Hij de wereld geschapen heeft.

Rav en Sjmoeël hebben het in de Talmoed over twee soorten bevrijding: een fysieke en een geestelijke bevrijding.

Als we nu weer bevrijd worden, zullen het ook beide soorten bevrijdingen zijn.

De Maharal schrijft in Netsach Jisrael dat voordat de masjiach ben David komt, de masjiach ben Joséf komt, die een fysieke bevrijding brengt op geestelijk gronden: een verlossing die gebonden is aan deze wereld, met middelen van deze wereld.

Pas als we daarvan loskomen, zijn we echt vrij.

We verlangen vaak naar te veel aardse zaken. Goede gewoonten zijn niet echt ingegeven door de nefesj Elokiet. Zelfs de behoefte aan Tora-leren, alleen om te weten, is voldoen aan een lager instinct op geestelijk niveau.

Volledig vrij zijn, dat moeten we ieder jaar weer leren en beleven.

¯ ¯ ¯

Enkele gedachten bij:

îÇòÂùÒÅä áÌÀøÇáÌÄé àÁìÄéòÆæÆø åÀøÇáÌÄé éÀäåÉùÑËòÇ åÀëå' ùÑÆäÈéåÌ îÀñËáÌÄéï áÌÄáÀðÅé áÀøÈ÷

Het gebeurde eens, dat Rabbi Eliëzer en Rabbi Joshua etc. bijeen zaten in Bnei Barak.

Deze afdeling volgt onmiddellijk op de laatste zin van het voorlopige antwoord op de vier vragen: åÀëÈì äÇîÌÇøÀáÌÆä ìÀñÇôÌÅø áÌÄéöÄéàÇú îÄöÀøÈéÄí äÂøÅé æÆä îÀùÑËáÌÈç .

Er zijn vele verklaringen door onze geleerde gegeven voor het verschil van deze avond met alle andere avonden. Daarvan zijn er hier reeds verschillende verteld. De meeste, van of al die verklaringen leggen de nadruk op „deze avond”. Maar in de Joodse kalender begint de dag, het etmaal, met de avond. Dus misschien mogen wij hier interpreteren dat de betekenis ook is: Wat verschilt deze dag, dit feest, van alle andere feesten. En misschien mogen wij nog een stapje verder gaan en vragen: Wat verschilt een Joods feest van andere niet-Joodse feesten en wat verschilt het Joodse volk van alle andere volken.

In het ma nisjtana komen vier vragen voor die op tegenstrijdigheid wijzen: vanavond doen wij „dit” alle andere avonden doen wij wat anders. Maar heel de manier van Sederavond vieren is anders dan andere fees­ten maar kennelijk zo kenmerkend voor het Jodendom dat de anti-godsdienstige zionisten het hebben overgenomen voor één van hun feesten, het Jom Ha'atsma'oet feest. Dat kenmerkende, cognitieve voor het Jo­dendom is het „leren”. Dit feest vieren wij door te leren. Zeker érèv - sjewoe'ot leren wij de hele nacht door, zo ook de nacht van Hosja'ana Rabba. Maar dat gebeurt niet als onderdeel van het feest zelf. Niet het hele gezin doet daaraan mee. Ik ken ook geen andere godsdiensten die een feest viert door met het hele gezin te leren, speciaal met de vrouwen en kinderen. Dat is één van de grote tegenstellingen van het Joodse volk met andere volken, en ook binnen het Joods volk. Want zelfs de meest çÄéìåÉðÄé - Joden „moeten”, als het ware leren op „hun” feest, éåí äòöîòåú. Leren is een Joods kenmerk.

Deze innerlijke tegenstrijdigheid komen wij in het hele Jodendom tegen, b.v.:

-  De eerste dag pesach valt altijd  op dezelfde weekdag als úéùò áàá, de dag van onze grootste vreugde en de dag van ons grootste verdriet.

-  Men zegt ook wel dat de Joden meesters zijn in het bedenken van grappen met een trieste ondertoon en dat de ware humor de Joodse humor is, omdat die laat zien hoe relatief vreugde is: wij verheugen ons vandaag over onze vrijheid, maar betreuren het tegelijkertijd dat onze vrijheid nog niet volledig is

-  Hasjem was er al voordat de wereld werd geschapen, Hij schiep de wereld, maar Hij bevindt zich ook in deze wereld op iedere plaats.

-  Wie onrein is van een dode wordt besprenkeld met de as van een rode koe en wordt daarmee gereinigd. Maar degene die de as sprenkelt, wordt zelf onrein.

Sja'atnez: De gewone Israëlieten mogen geen wol met linnen samen dragen, maar in de kleding van het îùëï en van de ëäï âãåì zat wel sja'atnez.

Dit zijn slechts enkele van de zeer vele voorbeelden van tegenstellingen binnen het Joodse geloof. Maar al die tegenstelling maken het contrast tussen het Joodse volk en andere volken groter. Het Joodse volk scheidt zich af van alle andere volken. Ons kenmerk is niet dat wij op de één of andere manier een G-d dienen die de wereld geschapen heeft. Dat, zo zegt Jehoeda Halevi in de Koezari, kan iedereen bedenken. Wij dienen een G-d die ons uit Egypte gevoerd heeft, op een boven natuurlijke manier. Dat is de basis van ons geloof en van ons bestaan. Wanneer wij daar niet in geloofden, dan zouden wij al tweeduizend jaar geleden hebben opge­houden te bestaan. Dankzij ons leren over die uittocht bestaan wij. Dankzij ons gezamelijk leren met de hele familie, met ieder die dat wil aanhoren, zelfs met diegenen die het niet willen aanhoren. Want als zij willen overleven zullen zij het ook moeten leren.

Iedere ochtend herhalen wij in àÅéï ëÌÅàìÉ÷ÅéðåÌ de woorden uit traktaat Berachot 64a: àÈîÇø øÈáÄé àÆìÀòÈæÈø àÈîÇø ø' çÂðÄéðÈà úÌÇìÀîÄéãÅé çÂëÈîÄéí  îÇøÀáÄéí ùÑÈìåÉí áÌÈòÉåÈìí, ùÑÆðÌÆàÁîÇø[1]: åÀëÈì áÌÈðÇéÄêÀ ìÄîåÌãÅé éÀéÈ åÀøÇá ùÑÀìÉåí áÌÈðÈéÄêÀ, àÇì úÌÄ÷ÀøÅé áÌÈðÈéÄêÀ, àÆìÌÈà áÌåÉðÈéÄêÀ   R.Eleazar heeft gezegd in de naan van R. Chanina: De geleerden zijn het die vrede – Sjalom – in de wereld brengen, zoals er geschreven staat in Jesajahoe 54: 13: „Al je kinderen zullen over Hasjem onderricht worder en groot zal de vrede van je kinderen zijn". Lees dit niet als – áÌÈðÈéÄêÀ kinderen – maar als  áÌåÉðÈéÄêÀ , bonajich, de bouwers, de geleerden.

Daarom leerden onze grote geleerden in de tijd van Rabbi Akiwa, in de tijd van de grote opstand tegen de Ro­meinen. Want het zijn niet de soldaten die de vrede brengen niet de politici, noch van „links,” noch van „rechts”.

Want als het alleen aan hen had gelegen, dan was het Joodse volk ergens  tussen tweeduizend jaar geleden en vandaag allang verdwenen. Het zijn de mensen die Tora leren die uiteindelijk de vrede brengen. Daar in ver­schilt het Joodse volk met alle andere volken, daarin verschilt dit feest met alle andere feesten, daarin verschilt deze avond met alle andere avonden.

¯ ¯ ¯

îÇä ðÌÄùÑÀúÌÇðÈä äÇìÌÇéÀìÈä äÇæÌÆä

Vóór Manistana wordt de sederschotel van tafel gezet en de tweede beker wijn ingeschonken. Sommigen dekken alleen de matsot dicht, zoals op meer plaatsen tijden de Seder.

In Dewariem 29:28 staat:  äÇðÌÄñÀúÌÈøÉú ìÇä' àÁìÉ÷ÅéðåÌ åÀäÇðÌÄâÀìÉú ìÈðåÌ åÌìÀáÈðÅéðåÌ – „Het verborgene is voor Hasjem, onze G-d, maar wat geopenbaard is, is voor ons en onze kinderen.”

De Ari z”l zegt hierop dat de mitswot die we doen opdat anderen ons zullen nadoen, mitswot bein adam leädam – van mens tot mens – die doen we in het openbaar. Maar de mitswot die alleen Hasjem kan waarderen, bein adam lemakom – tussen de mens en de Alomtegenwoordige, die doen we in het geheim, met de nodige bescheidenheid.

Veel mensen doen het echter andersom: zij laten aan iedereen zien hoe vroom zij zijn en hoe zorgvuldig zij de mitswot voor Hasjem doen, terwijl zij de mitswot bein adam leädam zorgvuldig onder het vloerkleed ver­stoppen…

îÇä ðÌÄùÑÀúÌÇðÈä äÇìÌÇéÀìÈä äÇæÌÆä

Waarom juist deze vier vragen?

Don Isaac Abarbanel zegt: om de tegenstelling te laten zien tussen slavernij en vrijheid:

Slavernij:                Matsa en Maror

Vrijheid:                 indopen en leunen

Dus van elk twee voorbeelden, die in zichzelf tegengesteld zijn.

Rabbi Ephraïm Lintschutz zei: Wat verschilt deze ballingschap met alle = beide vorige ballingschappen (die in Egypte en Babylonië)?

In de vorige ballingschappen was er eenheid onder de Joden. Nu is er ruzie. Sekten als Sadduceeërs, Karaïten, Reform; tegenstellingen tussen Chassi­diem en niet-Chassidiem; tussen Charediem en „Moderne Orthodoxie”, enz.

Ruzie is îöä. Het verhindert de verlossing.

Een andere hindernis is de hebzucht. Het verbittert het leven van een mens. Het berooft hem van slaap, brengt veel narigheid en ellende, brengt haat onder vrienden: Bitterheid, dat is Maror.

Een derde obstakel voor de verlossing is dat men de reinheidswetten overtreedt. In Egypte en Babylonië hield men zich daar nog aan, thans niet meer. Men dompelt zich onder in de gewoonten van de tijd en zijn omge­ving.

Ten slotte: men is lui geworden. Het kost te veel inspanning zich aan de Joodse wetten te houden, in plaats van naar een gewoon restaurant te gaan. Of op reis af te zien van warme maaltijden of om driemaal daags onze gebeden te zeggen op de voorgeschreven tijden.

Men plaatst zijn eigen trots en conclusies boven de G-ddelijke wijsheid als excuus en uitvlucht:

äÇìÌÇéÀìÈä äÇæÌÆä ëÌËìÈðåÌ îÀñËáÌÄéï

vanavond leunen wij allemaal

(deze ballingschap nemen we er allemaal ons gemak van)

In de Jeruzalemse Talmoed Pesachiem, laatste hoofdstuk, eerste Misjna, worden drie vragen genoemd:

1) Het indopen;

2) over de matsa;

3) over het pesachoffer, dat we vanavond alleen geroosterd vlees eten.

De Misjna in de Babylonische Talmoed noemt er vier:

1ste vraag: Over de matsa;

2de vraag: Over het indopen;

3de vraag: Over de maror;

4de vraag: Over het Pesach-offer

De Rambam noemt er vijf: 1. indopen; 2. matsa; 3. maror; 4. Pesach; 5. Leunen.

De vijfde, het leunen, wordt niet in de Talmoed genoemd.

Mogelijk waren er eerst drie vragen. Rabban Gamliël zegt: over drie dingen moet men praten: Pesach, Matsa en Maror. Dus voor drie antwoorden heeft men drie vragen nodig. Maar er is ook de mitswa van het vertellen zelf.

In de tijd van de Tempel was het algemeen gebruikelijk om aan tafel aan te liggen (en dus te leunen, en men leunde op zijn linker zij, om met zijn rechter hand te kunnen eten). Het leunen tijdens de Seder was dus niets bijzonders en gaf geen aanleiding om er vragen over te stellen. Na de verwoesting van de Tempel kon er geen Pesach-offer meer gebracht worden en de vraag daarna was dus niet meer relevant. Daarvoor in de plaats kwam de vraag van het leunen, want dat was intussen in onbruik geraakt.

¯ ¯ ¯

Het getal 4

- Vier dingen op de Sederschotel: been, matsa, maror, charoset.

- Vier bekers wijn;

- Vier vragen;

- Vier zonen.

1ste betekenis: Parallel hiermee: vier personen bedanken G-d voor een redding uit een gevaarlijke situatie:

1) Na een zeereis (vergelijk de tocht door de rietzee);

2) Na een woestijnreis (vgl. de 40-jarige omzwerving door de woestijn);

3) Na onrechtvaardige gevangenschap (in Egypte zaten we gevangen);

4) Na een ziekte (vgl. de ziekte van de Egyptische cultuur).

2de betekenis: Vier deugden hadden de Israëlieten in Egypte, en daarom werden zij verlost:

1) ze veranderden hun naam niet;

2) ze behielden hun Hebreeuwse taal;

3) ze hielden zich aan de strenge zedenwetten;

4) ze lasterden niet.

 

Slaven

Een diepere betekenis is de veel ergere vorm van slavernij waarin men slaaf is van zijn natuur en gewoonten, zoals te veel eten, roken, drugs, enz.

Zelfs een goede gewoonte is een vorm van slavernij: Iemand is pas echt vrij wanneer hij vrijheid van handelen heeft en los kan komen van de gewoon­ten van zijn omge­ving en van zichzelf.

¯ ¯ ¯

DE VIJF GELEERDEN UIT BNÉ BRAK

1.  Rabbi Eliëzer: Zijn ouders wilden hem niet laten leren. Hij liep van huis, verdiende als smid de kost en leerde dagelijks bij Rabbi Jochanan ben Zakkai. Later kwam het goed met zijn ouders en werd hij erg rijk.

2.  Rabbi Jehosjoea b. Chananja was de zoon van zeer vrome ouders. Van jongs af aan leerde hij Tora. Hij was een zeer arme houtskoolbrander.

3.  Rabbi Elazar ben Azarja was een zoon van zeer welgestelde ouders en een rechte afstammeling van Ezra de schrijver, die de Tweede Tempel herbouwd had.

Als tiende betaalde hij jaarlijks 1.200 kalveren. Hij was vroeg wees.

4.  Rabbi Akiwa was de zoon van een ger. Als kind leerde hij niets. Pas met 40 jaar startte hij zijn sudie, toen hij al getrouwd was en kinderen had. Hij leerde 16 jaar voordat hij met andere geleerden van gedachten kon wisselen. Pas na zijn 80ste werd hij de beroemde leider.

5.  Rabbi Tarfon was de zoon van een Kohen. Hij leerde en werkte hard en was de leraar van anderen.

En zelfs deze grote Geleerden en Wijze mannen leerden!

De voorouders van R. Akiwa waren nimmer in Egypte geweest, de overige vier waren Kohaniem of Levieten, die volgens de traditie vrijgesteld waren van slavendienst. Toch leerden zij!

Zij leerden blijkbaar tot de ochtend, want toen kwamen de leerlingen waarschuwen. Men is pas echt prijzenswaardig wanneer men meer doet dan zijn plicht en dus ook na de maaltijd, dus na middernacht, nog vertelt over Pesach.

RABBI ELAZAR BEN AZARJA

Ik ben als een man van zeventig”

Talmoed vertelt dat er een meningsverschil was tussen R. Gamliël en R. Jehosjoea, dat zo hoog opliep dat men R. Gamliël ontsloeg als hoofd (Nasi) van het Sanhedrin.

Men wilde R. Elazar ben Azarja benoemen, maar die was pas 18 jaar en die voelde zich nog te jong. Die nacht werd zijn haar grijs en leek hij op een oude man van zeventig jaar.

Er was ook een meningsverschil tussen Rabban Gamliël en R. Elazar. De eerste wilde alleen oudere en ervaren rabbijen tot het Sanhedrin toelaten. De laatste wilde ook jonge, knappe rabbijnen toelaten. Toen bleek dat er volgens de maatstaven van Rabban Gamliël geen opvolgers voor het Sanhedrin waren, koos men R. Azarja in plaats van Rabban Gamliël tot Nasi.

Als bewijs van zijn gelijk schoof R. Elazar Ben Zoma naar voren, niet eens Rabbi ben Zoma, maar een jonge man, wiens eigen naam niet genoemd wordt.

Het meningsverschil bleef, of men in de dagen van de Masjiach nog over de uittocht moet vertellen. Uiteindelijk werd men het eens dat men er iedere avond over moet spreken. Vandaar dat men ’s avonds de verplichting heeft het Sjema te zeggen na nacht.

Rabbi Eleazar Askenazi zegt: waarom zou deze discussie, die aldus verklaard niets met Pesach te maken heeft, maar met het dagelijks (of nachtelijks) lezen van de afdeling van Sjema, in de Haggada staan? R. Elazar b. Azarja zegt: Ik ben als iemand uit de 70-jarige Babylonische ballingschap. Die moesten, zoals nu in het galloet [ballingschap] praten over de verlossing. De vraag is dus: moet men ook nu, in tijd van duisternis praten over de vorige bevrijding?

Ja, zeggen Ben Zoma en R. Elazar.

De andere Geleerden zeggen: zelfs als de Masjiach komt.

 


 

[1] Jesajahoe 54:13