|
De parasjat
hasjawoe’a is Tsav
(Leviticus
6:1-8:36)
De Haftara
is van Sjabbat Hagadol, Malachi 3:4-24
Maandagavond
2 april is Sederavond
Pesach is
van maandagavond 2 april tot en met maandag 9 april.
In verband
met Pesach zal er volgende week geen Sjabbat Sjalom verschijnen
Overzicht Tsav
De Tora richt zich tot Aharon en zijn zonen om hen nog meer lessen te
leren, die betrekking hebben op hun dienst. De as van het korban
olah – het offer dat de hele nacht op het altaar brandt – moet
daar door de kohen worden weggehaald, nadat hij zijn speciale
linnen kleren heeft uitgedaan. Het olah wordt gebracht door
iemand die vergeten is een positief gebod van Tora te doen. De
kohen mag de huid houden. Het vuur op het altaar moet constant
brandend gehouden worden. Het korban mincha is een meel offer
dat bestaat uit fijn meel, olie en specerijen. Een handvol ervan wordt
op het altaar verbrand en een kohen eet de rest op voordat het
gaat gisten. De parasja beschrijft de speciale korbanot
die iedere dag door de kohen ĝadol geofferd worden, en
door de zonen van Aharon en hun toekomstige afstammelingen, op de dag
van hun inauguratie. Het korban chataat – het schuldoffer dat
gebracht wordt na een onopzettelijke overtreding, wordt beschreven,
evenals de wetten voor het slachten en het sprenkelen van het bloed
van het korban asjam – het schuldoffer. De details van
korbanot sjelamiem – verschillende vredeoffers – worden
beschreven, waaronder het verbod om het korban todah –
het dankoffer – ongegeten tot de ochtend achter te laten. Alle offers
moeten verbrand worden, wanneer de tijd dat zij gegeten mogen worden
is verstreken. Een offerdier mag niet geslacht worden met de bedoeling
om het na de toegestane tijd te eten. Wanneer korbanot onrein
zijn geworden, mogen zij niet meer worden gegeten, maar moeten
verbrand worden. Men mag een ritueel onrein korban niet eten.
Bloed en chelev – de verboden dierlijke vetdelen – mag men
niet eten. Aharon en zijn zonen mogen van ieder korban sjelamiem
het borststuk en de schenkel hebben. De inauguratie ceremonie voor
Aharon, zijn zonen, het Misjkan en alle bijbehorende
gebruiksvoorwerpen wordt beschreven.
©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden
De
Wekelijkse Haftara
Door Reuben Ebrahimoff
De Haftara voor Sjabbat Hagadol
De Parasja van deze week is
Parasjat Tsav. Maar het is de Sjabbat voor Pesach en dat noemen we
de Sjabbat Hagadol. De Hafatara wordt dan gelezen uit Malachie 3:4-24.
De Profeet Malachi voorspelt dat
Hasjem blij zal zijn met de toekomstige offers van Israël. Hasjem
stoort zich echter aan het wangedrag van Israël en daar zal Hij streng
naar handelen. Hasjem keurt het af dat de Joden de giften voor de
Kohaniem achterhouden. Het Joodse volk mag 90% van hun inkomen
houden, en hoeft slechts 10% af te dragen aan mensen die dat meer
nodig hebben, en als erkenning daarvoor zullen zij de bron van zegen
van Hasjem zijn. Hasjem zegt, dat wanneer het Joodse volk zich houdt
aan de voorschriften van ma’aser (het geven van een tiende van
iemands inkomen aan de armen), dat dan hun lippen rauw zullen worden
van het herhaalde zeggen van „Baroech Hasjem” „Dank U, Hasjem, ik heb
veel om dankbaar voor te zijn.” Vervolgens wordt Israël vermaand dat
zij Hasjems voorzienigheid en bescherming in twijfel trekken. In de
toekomst zal Hasjem grote beloningen geven aan hen die Hem trouw zijn
gebleven. De grote Dag des Oordeels komt eraan en de slechte mensen
zullen gestraft worden en de goede beloond. Hasjem drukt het Joodse
volk op het hart zich aan Tora te houden. De Haftara eindigt met de
belofte dat op een zekere dag Hasjem Eliahoe Hanawie – Elia de Profeet
– zal sturen, als aankondiger van de Grote Dag van de komst van de
Masjiach.
Het verband
met Sjabbat HaGadol
Door Rabbi Moshe Weissman
De Sjabbat voor Pesach wordt
„Sjabbat HaGadol” – de Grote Sjabbat – genoemd. Eén van de
verkla-ringen voor deze naam is dat er een „groot wonder gebeurde op
die Sjabbat.” De Midrasj vertelt, dat de Egyptische eerstgeborenen,
bezorgd waren dat de op handen zijnde plaag hen zou uitroeien en van
hun vaders eisten dat zij de Joden zouden laten gaan. Toen hun verzoek
geweigerd werd, trokken zij hun zwaarden en doodden hun eigen vaders
(Tosafot Sjabbat 87, Sjemot Rabba).
Volgens een andere mening is de
naam ‘Sjabbat HaGadol’ afgeleid van het laatste vers van de Haftara
van deze dag, waarin staat dat „de grote en ontzagwekkende dag van de
rechtspraak nadert.”
Daar dit
vers ook voorspelt dat Eliahoe zal komen om de uiteindelijke
verlossing aan te kondigen, past het om dit gedeelte te lezen op de
Sjabbat voor Pesach, „de tijd van de verlossing.” Onze Geleerden
hebben gezegd: „In Nissan werden onze voorouders verlost, en in de
toekomst zullen wij ook in die maand verlost worden.”
ô
ô
ô
Inzicht in
Parasjat Tsav
De
verschillende betekenissen van
„Tsav”
(Door HaRav Eliezer Chrysler)
„Draag Aharon en zijn zonen het
volgende op: ‘Dit is de instructie voor het brandoffer…’ ” (Lev. 6:2).
Rasji verklaart dat tsav
niets anders is dan een uitdrukking voor ziroez – een
aansporing tot onmiddellijke uitvoering van een mitswa.
Rebbi Heshel legt dit uit in de
context van de Gemara in Kiddoesjien (31a), waar staat dat als iemand
een mitswa doet, omdat hij daartoe bevolen is, hij op een hoger niveau
staat dan iemand die de mitswa vrijwillig doet. De reden hiervoor,
verklaart Tosafot, is dat iemand die geboden wordt iets te doen, in
tegenstelling tot een vrijwilliger, zijn natuurlijke neiging om te
weigeren moet bevechten, en vechten tegen de Jetser haRa – de
slechte neigingen in de mens – is ten slotte het voornaamste doel van
de schepping van de mens. Dit is op zijn beurt iets dat geen geringe
zerizoet – voortvarendheid – vereist.
Hoe passend daarom van Chazal om
te zeggen dat tsav een uidrukking van ziroez is.
In een tweede verklaring haalt
Rasji Rabbi Sjim’on aan, die zegt dat tsav wijst op een
financiëel verlies (chesron kies). De commentatoren verklaren
dat dit betrekking heeft op de huid van het ‘ola en de
verschillende onderdelen van het korban, die de
Kohaniem
ontvangen, en die zij onder verschillende omstandigheden konden
kwijtraken.
En het is in dit opzicht, zegt de
Ma’adanei Melech, dat Rabbi Sjim’on het oneens is met de eerste
interpretatie van tsav, in welke betekenis het betrekking
heeft op zowel de tegenwoordige als de toekomstige generaties. Dit is
eenvoudig niet waar, argumenteert Rabbi Sjim’on, want latere
generaties zullen geen korbanot meer
brengen; zij zullen alleen nog maar daarover leren (zoals Chazal
afleidden van „Zot
Torat ha’Ola”, hetgeen in dezelfde pasoek voorkomt). In dat
geval zal ziroez niet nodig zijn. Volgens hem heeft het dan
alleen betrekking op de generaties van het Beit HaMikdasj, toen de
Kohaniem
inderdaad het risico liepen een financiëel verlies te lijden, wanneer
er iets aan het korban mankeerde.
De Dwasj weChalav biedt een nieuwe
interpretatie van chesron kies, waarbij hij verwijst naar
Chazal, die drie lichaamsorganen noemen, waar iemand geen volledige
controle over heeft, namelijk zijn ogen, oren en neus. G-d heeft de
mens echter de mogelijkheid gegeven om daar wel controle over uit te
oefenen, door elk daarvan van een bedekking te voorzien, die de
eigenaar kan gebruiken, wanneer dat nodig is. Men kan zijn ogen
bedekken met zijn oogleden, zijn oren met zijn oorschelpen (die
speciaal voor dit doel zacht zijn gemaakt), en men kan zijn neus
dichtknijpen met zijn neusvleugels.
Er is echter nog een orgaan, waarvan Chazal schrijft
dat het moeilijk is om te vermijden dat men ermee zondigt. Een orgaan
dat volledig buiten onze jurisdictie ligt, maar in tegenstelling tot
de andere organen, heeft dit orgaan niets om zich mee te bedekken, en
de enige manier om het onder controle te houden is zich in te spannen.
Wij hebben het natuurlijk over het proces van de gedachten.
Dat is de reden waarom Chazal verklaard hebben dat het
‘ola (dat verzoening doet voor onzedelijke gedachten)
zerizoet vereist, want dat heeft een chesaron Kies (het
mist een bedekking).
Nog een andere betekenis van tsav is die van
awoda-zara, zoals vermeld wordt in de Midrasj en de Zohar. En de
pasoek wijst op awoda-zara terwijl het spreekt tegen
Aharon, wegens Aharons deelname aan het gouden kalf. We moeten geen
moment denken dat zijn aandeel in Israëls zonde hem diskwalificeerde
voor de dienst als
Kohen, zoals de halacha een
Kohen
die zich aan awoda zara schuldig maakt diskwalificeert. Maar
dat is hier niet het geval, want zelfs al werd hij gestraft voor die
deelname, doordat zijn beide zonen als gevolg daarvan gedood werden,
zijn gedrag werd anderzijds beschouwd als een enorme verdienste, en
resulteerde erin dat hij de Kohen Gadol
werd, een ambt dat hij anders niet zou hebben verkregen, volgens de
Midrasj.
En de reden hiervoor is dat zijn enige motivatie was
om Klal Jisraël te redden, hetgeen opzichzelf beschouwd werd
als de allerhoogste vorm van zelfopoffering.

Enkele ideeën voor bij de
Haggada
====================
Matsa = Lechem Oni
Twee verklaringen: brood der armen en brood waarover
geantwoord wordt op vragen.
Brood der armen: of armoe.
Welke armoe? Verschillende verklaringen:
1. Wij aten matsot in Egypte want wij waren arm en dat
kregen wij te eten van Par’o.
2. Wij hadden haast bij de uittocht en hadden geen
tijd om het brood te laten gisten en rijzen.
3. De matsa ziet er zelf armoedig en nederig uit,
tegenover de opgeblazen broden.
Nederigheid is de belangrijkste eigenschap:
- Mosjé Rabbeinoe was nederig.
- Het was de enige mida – eigenschap – die
Hasjem verlangde van Paro’ van al de vermaningen van Mosjé: „Wees
nederig en erken Mij”.
4. Maharal: De matsa is eenvoudig, bestaat uit het
minimum. Dat past bij de nivdal, de afgescheiden wereld waarin
wij uit Egypte zijn gevoerd. Het past bij de hogere wereld die vrij is
van de aardse complicaties. Het past bij de witte kleren die de
Kohen Gadol droeg als hij het allerheiligste inging. Het past bij
onze witte kleren op Jom Kippoer. Het past ook bij het Mincha offer
dat uit meel bestond en geen chameets mocht bevatten. Het symbool van
nederigheid en bescheidenheid dat ieder siert.
5. Het armenbrood, want een arme heeft honger en geen
tijd om te wachten tot het brood gerezen is. Hij eet het nu!
Armoe en nederigheid gaan gepaard aan wijsheid. Wie
veel Tora leert, krijgt steeds meer bewondering voor de onbegrensde
wijsheid van Hasjem's schepping en voelt zich nog nederiger en
kleiner. Vanavond leren wij veel en voelen wij ons klein bij de grote
wonderen die Hasjem voor ons verricht heeft, als wij vertellen over de
uittocht uit Egypte over Lechem 'Oni.
Op de Seder schotel symboliseert de Matsa het
Pesach-Lam dat geofferd werd in de tijd van de Tempel. Waarom kozen
onze geleerden Matsot? (Het wordt als afikoman gegeten, dat in plaats
van het Pesachlam gegeten wordt).
Een verklaring is: Wij treuren dat wij geen offer meer
kunnen brengen, ten gevolge van de onderdrukking der volkeren.
Matsa is het symbool van de onderdrukking der
Egyptenaren en het symbool van de overgang naar de vrijheid. Dus wat
is logischer dan matsot te nemen als symbool van het verboden offer,
met de hoop van de toekomstige verlossing.
De bron van de verplichting om over de uittocht te
vertellen is Sjemot 13:8:
åÀäÄâÌÇãÀúÈ ìÀáÄðÀêÈ áÌÇéÌåÉí äÇäåÌà ìÅàîåÉø: áÌÇòÂáåÌø æÆä òÈùÒÈä ä'
ìÄé áÌÀöÅàúÄé îÄîÌÄöÀøÈéÄí.
¯
¯
¯
IEDER GESLACHT MOET ZICHZELF ZIEN
áëì ãåã åãåø çééá àãí ìøàåú àú òöîå ëàéìå äåà éöà
îîöøéí
In ieder geslacht moet men zich zien alsof hijzelf uit
Egypte trok.
Waarom is dit zo belangrijk?
Wat verschilt Pesach met alle andere feesten?
Geen feest heeft zoveel voorbereiding.
Geen feest heeft zo’n feestmaal met vertelling.
Ook met Poeriem werden we verlost, evenals met
Chanoeka. Maar er is een groot verschil.
Wij gaan door de tijd als langs een spiraal. Binnen
één cyclus van één jaar verwijderen we ons van een bepaalde
gebeurtenis, waarna we het weer naderen. Tot de eerste verjaardag,
maar die is toch een beetje verwijderd van de bron. En zo de tweede
verjaardag, enz.
Ieder jaar valt Pesach in de lente. De bevrijding van
de winterkou.
We leren dat ook in de toekomst, laat die spoedig
zijn, en in onze dagen, de bevrijding om deze tijd van het jaar zal
zijn.
En we leren dat de viering van de seder daarbij helpt
en wie veel vertelt, brengt de Masjiach dichterbij.
Waarom?
Alleen vertellen is niet de bedoeling.
Het is geen leeravond, zoals op Sjawoe’ot.
En Par’o zei (Sjemot 5:2):
„Wie
is Hasjem, dat ik naar Hem zou luisteren?”
Vele mensen weigeren zich te onderwerpen aan een
hogere autoriteit die voorschriften afdwingt die we niet prettig
vinden. Voorschriften die we logisch vinden om na te volgen en die
overeenkomen met onze gewoonten, daarmee hebben we geen moeite. Maar
die voorschriften opvolgen is nog niet
„luisteren
naar Zijn stem.” Echter, iets doen wat we niet logisch of niet prettig
vinden, maar alleen omdat Hasjem het ons beveelt, dat is Zijn avoda.
G-d zit niet alleen in het begrijpelijke, in het
natuurlijke en/of het wetenschappelijk bewezene. Maar juist in al dat
onbegrijpelijke, ongrijpbare.
Daarom praten we over zoveel wonderen tijdens de
seder.
Pesach is het feest van de bevrijding maar ook van de
gebondenheid.
De vier vragen duiden daarop: twee ervan wijzen op de
vrijheid (het leunen en indopen), en twee andere vragen wijzen op de
gebondenheid, gesymboliseerd door slavernij (matsa en maror)
Maar vrijheid is gebondenheid. Hoe meer je jezelf kunt
binden, des te vrijer ben je van je slechte eigenschappen en van
anderen die wat van je willen.
Wij vieren de onafhankelijkheid van onszelf. Het
Joodse volk is niet geëvolueerd, maar het is plotseling uit een ander
volk genomen, zoals Hij de wereld geschapen heeft.
Rav en Sjmoeël hebben het in de Talmoed over twee
soorten bevrijding: een fysieke en een geestelijke bevrijding.
Als we nu weer bevrijd worden, zullen het ook beide
soorten bevrijdingen zijn.
De Maharal schrijft in Netsach Jisrael dat
voordat de masjiach ben David komt, de masjiach ben Joséf komt, die
een fysieke bevrijding brengt op geestelijk gronden: een verlossing
die gebonden is aan deze wereld, met middelen van deze wereld.
Pas als we daarvan loskomen, zijn we echt vrij.
We verlangen vaak naar te veel aardse zaken. Goede
gewoonten zijn niet echt ingegeven door de nefesj Elokiet.
Zelfs de behoefte aan Tora-leren, alleen om te weten, is voldoen aan
een lager instinct op geestelijk niveau.
Volledig vrij zijn, dat moeten we ieder jaar weer
leren en beleven.
¯
¯
¯
Enkele gedachten bij:
îÇòÂùÒÅä áÌÀøÇáÌÄé àÁìÄéòÆæÆø åÀøÇáÌÄé éÀäåÉùÑËòÇ åÀëå' ùÑÆäÈéåÌ
îÀñËáÌÄéï áÌÄáÀðÅé áÀøÈ÷
Het gebeurde eens, dat Rabbi Eliëzer en Rabbi Joshua
etc. bijeen zaten in Bnei Barak.
Deze afdeling volgt onmiddellijk op de laatste zin van
het voorlopige antwoord op de vier vragen:
åÀëÈì äÇîÌÇøÀáÌÆä ìÀñÇôÌÅø áÌÄéöÄéàÇú îÄöÀøÈéÄí äÂøÅé æÆä îÀùÑËáÌÈç
.
Er zijn vele verklaringen door onze geleerde gegeven
voor het verschil van deze avond met alle andere avonden. Daarvan zijn
er hier reeds verschillende verteld. De meeste, van of al die
verklaringen leggen de nadruk op „deze avond”. Maar in de Joodse
kalender begint de dag, het etmaal, met de avond. Dus misschien mogen
wij hier interpreteren dat de betekenis ook is: Wat verschilt deze
dag, dit feest, van alle andere feesten. En misschien mogen wij nog
een stapje verder gaan en vragen: Wat verschilt een Joods feest van
andere niet-Joodse feesten en wat verschilt het Joodse volk van alle
andere volken.
In het ma nisjtana komen vier vragen voor die
op tegenstrijdigheid wijzen: vanavond doen wij „dit” alle andere
avonden doen wij wat anders. Maar heel de manier van Sederavond vieren
is anders dan andere feesten maar kennelijk zo kenmerkend voor het
Jodendom dat de anti-godsdienstige zionisten het hebben overgenomen
voor één van hun feesten, het Jom Ha'atsma'oet feest. Dat kenmerkende,
cognitieve voor het Jodendom is het „leren”. Dit feest vieren wij
door te leren. Zeker érèv - sjewoe'ot leren wij de hele nacht
door, zo ook de nacht van Hosja'ana Rabba. Maar dat gebeurt niet als
onderdeel van het feest zelf. Niet het hele gezin doet daaraan mee. Ik
ken ook geen andere godsdiensten die een feest viert door met het hele
gezin te leren, speciaal met de vrouwen en kinderen. Dat is één van de
grote tegenstellingen van het Joodse volk met andere volken, en ook
binnen het Joods volk. Want zelfs de meest
çÄéìåÉðÄé - Joden „moeten”, als het ware leren
op „hun” feest,
éåí äòöîòåú. Leren is een Joods kenmerk.
Deze innerlijke tegenstrijdigheid komen wij in het
hele Jodendom tegen, b.v.:
- De eerste dag pesach valt altijd op
dezelfde weekdag als
úéùò áàá, de dag van onze grootste vreugde en
de dag van ons grootste verdriet.
- Men zegt ook wel dat de Joden meesters zijn in het
bedenken van grappen met een trieste ondertoon en dat de ware humor de
Joodse humor is, omdat die laat zien hoe relatief vreugde is: wij
verheugen ons vandaag over onze vrijheid, maar betreuren het
tegelijkertijd dat onze vrijheid nog niet volledig is
- Hasjem was er al voordat de wereld werd geschapen,
Hij schiep de wereld, maar Hij bevindt zich ook in deze wereld op
iedere plaats.
- Wie onrein is van een dode wordt besprenkeld met de
as van een rode koe en wordt daarmee gereinigd. Maar degene die de as
sprenkelt, wordt zelf onrein.
- Sja'atnez: De gewone Israëlieten mogen geen
wol met linnen samen dragen, maar in de kleding van het
îùëï en van de
ëäï âãåì zat wel sja'atnez.
Dit zijn slechts enkele van de zeer vele voorbeelden
van tegenstellingen binnen het Joodse geloof. Maar al die
tegenstelling maken het contrast tussen het Joodse volk en andere
volken groter. Het Joodse volk scheidt zich af van alle andere volken.
Ons kenmerk is niet dat wij op de één of andere manier een G-d dienen
die de wereld geschapen heeft. Dat, zo zegt Jehoeda Halevi in de
Koezari, kan iedereen bedenken. Wij dienen een G-d die ons uit
Egypte gevoerd heeft, op een boven natuurlijke manier. Dat is de basis
van ons geloof en van ons bestaan. Wanneer wij daar niet in geloofden,
dan zouden wij al tweeduizend jaar geleden hebben opgehouden te
bestaan. Dankzij ons leren over die uittocht bestaan wij. Dankzij ons
gezamelijk leren met de hele familie, met ieder die dat wil aanhoren,
zelfs met diegenen die het niet willen aanhoren. Want als zij willen
overleven zullen zij het ook moeten leren.
Iedere ochtend herhalen wij in
àÅéï ëÌÅàìÉ÷ÅéðåÌ de woorden uit traktaat
Berachot 64a:
àÈîÇø øÈáÄé àÆìÀòÈæÈø àÈîÇø ø' çÂðÄéðÈà úÌÇìÀîÄéãÅé çÂëÈîÄéí îÇøÀáÄéí
ùÑÈìåÉí áÌÈòÉåÈìí, ùÑÆðÌÆàÁîÇø:
åÀëÈì áÌÈðÇéÄêÀ ìÄîåÌãÅé éÀéÈ åÀøÇá ùÑÀìÉåí áÌÈðÈéÄêÀ, àÇì úÌÄ÷ÀøÅé
áÌÈðÈéÄêÀ, àÆìÌÈà áÌåÉðÈéÄêÀ R.Eleazar heeft
gezegd in de naan van R. Chanina: De geleerden zijn het die vrede –
Sjalom – in de wereld brengen, zoals er geschreven staat in
Jesajahoe 54: 13: „Al je kinderen zullen over Hasjem onderricht
worder en groot zal de vrede van je kinderen zijn". Lees dit niet als
–
áÌÈðÈéÄêÀ kinderen – maar als
áÌåÉðÈéÄêÀ , bonajich, de bouwers, de
geleerden.
Daarom leerden onze grote geleerden in de tijd van
Rabbi Akiwa, in de tijd van de grote opstand tegen de Romeinen. Want
het zijn niet de soldaten die de vrede brengen niet de politici, noch
van „links,” noch van „rechts”.
Want als het alleen aan hen had gelegen, dan was het
Joodse volk ergens tussen tweeduizend jaar geleden en vandaag allang
verdwenen. Het zijn de mensen die Tora leren die uiteindelijk de vrede
brengen. Daar in verschilt het Joodse volk met alle andere volken,
daarin verschilt dit feest met alle andere feesten, daarin verschilt
deze avond met alle andere avonden.
¯
¯
¯
îÇä ðÌÄùÑÀúÌÇðÈä äÇìÌÇéÀìÈä äÇæÌÆä
Vóór Manistana wordt de sederschotel van tafel
gezet en de tweede beker wijn ingeschonken. Sommigen dekken alleen de
matsot dicht, zoals op meer plaatsen tijden de Seder.
In Dewariem 29:28 staat: äÇðÌÄñÀúÌÈøÉú
ìÇä' àÁìÉ÷ÅéðåÌ åÀäÇðÌÄâÀìÉú ìÈðåÌ åÌìÀáÈðÅéðåÌ
– „Het verborgene is voor Hasjem, onze G-d,
maar wat geopenbaard is, is voor ons en onze kinderen.”
De Ari z”l zegt hierop dat de mitswot die we doen
opdat anderen ons zullen nadoen, mitswot bein adam leädam – van
mens tot mens – die doen we in het openbaar. Maar de mitswot die
alleen Hasjem kan waarderen, bein adam lemakom – tussen de mens
en de Alomtegenwoordige, die doen we in het geheim, met de nodige
bescheidenheid.
Veel mensen doen het echter andersom: zij laten aan
iedereen zien hoe vroom zij zijn en hoe zorgvuldig zij de mitswot
voor Hasjem doen, terwijl zij de mitswot bein adam leädam
zorgvuldig onder het vloerkleed verstoppen…
îÇä ðÌÄùÑÀúÌÇðÈä äÇìÌÇéÀìÈä äÇæÌÆä
Waarom juist deze vier vragen?
Don Isaac Abarbanel zegt: om de tegenstelling te laten
zien tussen slavernij en vrijheid:
Slavernij: Matsa en Maror
Vrijheid: indopen en leunen
Dus van elk twee voorbeelden, die in zichzelf
tegengesteld zijn.
Rabbi Ephraïm Lintschutz zei: Wat verschilt deze
ballingschap met alle = beide vorige ballingschappen (die in Egypte en
Babylonië)?
In de vorige ballingschappen was er eenheid onder de
Joden. Nu is er ruzie. Sekten als
Sadduceeërs, Karaïten, Reform; tegenstellingen tussen Chassidiem
en niet-Chassidiem; tussen Charediem en „Moderne
Orthodoxie”, enz.
Ruzie is
îöä. Het verhindert de verlossing.
Een andere hindernis is de hebzucht. Het verbittert
het leven van een mens. Het berooft hem van slaap, brengt veel
narigheid en ellende, brengt haat onder vrienden: Bitterheid, dat is
Maror.
Een derde obstakel voor de verlossing is dat men de
reinheidswetten overtreedt. In Egypte en Babylonië hield men zich daar
nog aan, thans niet meer. Men dompelt zich onder in de gewoonten van
de tijd en zijn omgeving.
Ten slotte: men is lui geworden. Het kost te veel
inspanning zich aan de Joodse wetten te houden, in plaats van naar een
gewoon restaurant te gaan. Of op reis af te zien van warme maaltijden
of om driemaal daags onze gebeden te zeggen op de voorgeschreven
tijden.
Men plaatst zijn eigen trots en conclusies boven de
G-ddelijke wijsheid als excuus en uitvlucht:
äÇìÌÇéÀìÈä äÇæÌÆä ëÌËìÈðåÌ îÀñËáÌÄéï
vanavond leunen wij allemaal
(deze ballingschap nemen we er allemaal
ons gemak van)
In de Jeruzalemse Talmoed Pesachiem, laatste
hoofdstuk, eerste Misjna, worden drie vragen genoemd:
1) Het indopen;
2) over de matsa;
3) over het pesachoffer, dat we vanavond alleen
geroosterd vlees eten.
De Misjna in de Babylonische Talmoed noemt er vier:
1ste vraag:
Over de matsa;
2de vraag:
Over het indopen;
3de vraag: Over de maror;
4de vraag: Over het Pesach-offer
De Rambam noemt er vijf: 1. indopen; 2. matsa; 3.
maror; 4. Pesach; 5. Leunen.
De vijfde, het leunen, wordt niet in de Talmoed
genoemd.
Mogelijk waren er eerst drie vragen. Rabban Gamliël
zegt: over drie dingen moet men praten: Pesach, Matsa en Maror. Dus
voor drie antwoorden heeft men drie vragen nodig. Maar er is ook de
mitswa van het vertellen zelf.
In de tijd van de Tempel was het algemeen gebruikelijk
om aan tafel aan te liggen (en dus te leunen, en men leunde op zijn
linker zij, om met zijn rechter hand te kunnen eten). Het leunen
tijdens de Seder was dus niets bijzonders en gaf geen
aanleiding om er vragen over te stellen. Na de verwoesting van de
Tempel kon er geen Pesach-offer meer gebracht worden en de vraag
daarna was dus niet meer relevant. Daarvoor in de plaats kwam de vraag
van het leunen, want dat was intussen in onbruik geraakt.
¯
¯
¯
Het getal 4
- Vier dingen op de
Sederschotel: been, matsa, maror, charoset.
- Vier bekers wijn;
- Vier vragen;
- Vier zonen.
1ste betekenis: Parallel hiermee: vier personen
bedanken G-d voor een redding uit een gevaarlijke situatie:
1) Na een zeereis
(vergelijk de tocht door de rietzee);
2) Na een woestijnreis
(vgl. de 40-jarige omzwerving door de woestijn);
3) Na onrechtvaardige
gevangenschap (in Egypte zaten we gevangen);
4) Na een ziekte (vgl. de ziekte van de Egyptische
cultuur).
2de betekenis: Vier deugden hadden de Israëlieten in
Egypte, en daarom werden zij verlost:
1) ze veranderden hun
naam niet;
2) ze behielden hun
Hebreeuwse taal;
3) ze hielden zich aan
de strenge zedenwetten;
4) ze lasterden niet.
Slaven
Een diepere betekenis is de veel ergere vorm van
slavernij waarin men slaaf is van zijn natuur en gewoonten, zoals te
veel eten, roken, drugs, enz.
Zelfs een goede gewoonte is een vorm van slavernij:
Iemand is pas echt vrij wanneer hij vrijheid van handelen heeft en los
kan komen van de gewoonten van zijn omgeving en van zichzelf.
¯
¯
¯
DE
VIJF GELEERDEN UIT BNÉ BRAK
1.
Rabbi Eliëzer:
Zijn ouders wilden hem niet laten leren.
Hij liep van huis, verdiende als smid de kost en leerde dagelijks bij
Rabbi Jochanan ben Zakkai. Later kwam het goed met zijn ouders en werd
hij erg rijk.
2.
Rabbi Jehosjoea b.
Chananja was de zoon van zeer vrome
ouders. Van jongs af aan leerde hij Tora. Hij was een zeer arme
houtskoolbrander.
3.
Rabbi Elazar ben Azarja was
een zoon van zeer welgestelde ouders en een rechte afstammeling van
Ezra de schrijver, die de Tweede Tempel herbouwd had.
Als tiende betaalde hij jaarlijks 1.200 kalveren. Hij
was vroeg wees.
4.
Rabbi Akiwa was de zoon van
een
ger.
Als kind leerde hij niets. Pas met 40 jaar
startte hij zijn sudie, toen hij al getrouwd was en kinderen had. Hij
leerde 16 jaar voordat hij met andere geleerden van gedachten kon
wisselen. Pas na zijn 80ste werd hij de beroemde leider.
5.
Rabbi Tarfon was de zoon van
een Kohen. Hij leerde en werkte hard en was de leraar van anderen.
En zelfs deze grote
Geleerden en Wijze mannen leerden!
De voorouders van R. Akiwa waren nimmer in Egypte
geweest, de overige vier waren
Kohaniem
of Levieten, die volgens de traditie
vrijgesteld waren van slavendienst. Toch leerden zij!
Zij leerden blijkbaar tot de ochtend, want toen kwamen
de leerlingen waarschuwen. Men is pas echt prijzenswaardig wanneer men
meer doet dan zijn plicht en dus ook na de maaltijd, dus na
middernacht, nog vertelt over Pesach.
RABBI ELAZAR BEN AZARJA
„Ik
ben als een man van zeventig”
Talmoed vertelt dat er een meningsverschil was tussen
R. Gamliël en R. Jehosjoea, dat zo hoog opliep dat men R. Gamliël
ontsloeg als hoofd (Nasi) van het Sanhedrin.
Men wilde R. Elazar ben Azarja benoemen, maar die was
pas 18 jaar en die voelde zich nog te jong. Die nacht werd zijn haar
grijs en leek hij op een oude man van zeventig jaar.
Er was ook een meningsverschil tussen Rabban Gamliël
en R. Elazar. De eerste wilde alleen oudere en ervaren rabbijen tot
het Sanhedrin toelaten. De laatste wilde ook jonge, knappe rabbijnen
toelaten. Toen bleek dat er volgens de maatstaven van Rabban Gamliël
geen opvolgers voor het Sanhedrin waren, koos men R. Azarja in plaats
van Rabban Gamliël tot Nasi.
Als bewijs van zijn gelijk schoof R. Elazar Ben Zoma
naar voren, niet eens Rabbi ben Zoma, maar een jonge man, wiens eigen
naam niet genoemd wordt.
Het meningsverschil bleef, of men in de dagen van de
Masjiach nog over de uittocht moet vertellen. Uiteindelijk werd men
het eens dat men er iedere avond over moet spreken. Vandaar dat men ’s
avonds de verplichting heeft het Sjema te zeggen na nacht.
Rabbi Eleazar Askenazi zegt: waarom zou deze
discussie, die aldus verklaard niets met Pesach te maken heeft, maar
met het dagelijks (of nachtelijks) lezen van de afdeling van Sjema, in
de Haggada staan? R. Elazar b. Azarja zegt:
„Ik
ben als iemand uit de 70-jarige Babylonische ballingschap. Die
moesten, zoals nu in het galloet [ballingschap] praten over de
verlossing. De vraag is dus: moet men ook nu, in tijd van duisternis
praten over de vorige bevrijding?
Ja, zeggen Ben Zoma en R. Elazar.
De andere Geleerden zeggen: zelfs als de Masjiach
komt.

|