Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 215 Parasjat Wajjikra 5 Niesan 5767

 24 maart 2007

Overzicht Parasjat Wajjikra (Wajjikra 1:1-5:26)

H

et Boek Wajjikra (Leviticus) waarmee wij deze weken beginnen, is ook bekend onder de naam Torat Kohaniem — de Wetten van de Priesters.  Het gaat hoofdzakelijk over de korbanot (offers) die gebracht werden in het Misjkan (Tent der Samenkomst). De eerste groep offers wordt korban olá – brandoffer – genoemd. Het dier wordt naar de ingang van het Misjkan gebracht. Bij vee legt degene die het offer brengt, zijn handen op het dier. Daarna wordt het geslacht en de kohen sprenkelt het bloed op het altaar. Het dier wordt gestroopt en in stukken gesneden. De stukken worden gesorteerd, gewassen en op het altaar verbrand. Een soortgelijk proces wordt beschreven voor de verbranding van andere dieren en gevogel­te. De verschillende meeloffers worden beschreven. Een deel van de meeloffers wordt verbrandt op het al­taar, de rest wordt door de kohaniem opgegeten. Het is verboden om gist of honing te mengen met de offers. De vredesoffers, die gedeeltelijk op het altaar worden verbrand, en gedeeltelijk worden opgegeten, kunnen zowel rundvee, schapen als geiten zijn. De Tora verbiedt het eten van bloed of chelev (bepaalde vetten van de dieren). De offers die verzoenen voor onopzettelijke overtredingen die door de Kohen Ĝadol, door de hele gemeenschap, door de vorst of door een gewone burger gepleegd worden, worden uitgebreid besproken. De voorschriften voor schuldoffers worden opgenoemd. De meeloffers voor diegenen die zich geen normaal schuldoffer kunnen permiteren, de offers die verzoening doen voor misbruik van heiligdommen, de voor­schriften voor „twijfelachtige schuld” en offers voor oneerlijkheid worden in detail besproken.

Door Ohr Somayach in Jeruzalem, Israël

©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden

De Wekelijkse Haftara

Door Reuben Ebrahimoff

De Haftara voor Sjabbat Parasjat Wajjikra

Alleen Hasjem is waardig om te worden gediend

We lezen de Haftara van Jesjajahoe (Jesaja) Hoofdstuk 43:21-44:23

Het verhaal van de Haftara van deze week: 43:21 Het doel van het Joodse volk is om Hasjem te eren. 43:22-25 Hasjem is teleurgesteld, in plaats van Hem te eren, beledigen wij Hem met offers die niet accepta­bel zijn. Hasjem belooft de tesjoewa [het berouw en de inkeer] van de Bné Jisraël te accepteren. 43:26-28 Jesjajahoe houdt vol dat Israël straf verdient. 44:1-5 De Haftara verandert van toon: Jesjajahoe spreekt in naam van Hasjem en belooft ons zegeningen in de toekomst. 44:6-8 Hasjem verklaart dat Hij „De ene en enige G-d is en dat er geen ander is!” 46:9-16 De Haftara legt uit waarom afgoderij absurd is. 46:17-22 Jesjajahoe moedigt de Joden aan tesjoewa te doen. 46:23 De Haftara eindigt met de verklaring dat tesjoewa de verlossing van het Joodse volk zal brengen.

Het verband tussen de Haftara en de Parasja: De Parasja van Wajjikra spreekt over de procedures die gemoeid zijn met het brengen van de korbanot (offers). De Haftara heeft het ook over korbanot. In de Haftara zegt Jesjajahoe dat Hasjem op de hoogte is van het feit dat dezelfde Joden die de offers brengen, ook afgoden dienen. Een dergelijk Jodendom is niet acceptabel voor Hasjem.

Enkele gegevens over Jesjajahoe

·        De naam Jesjajahoe betekent „Redding door G-d”.

·        Jesjajahoe schreef zijn eigen boek, 66 hoofdstukken lang.

·        Zijn vader was de Profeet Amoz.

·        Hij werd geboren in het jaar 765 v.G.J.

·        Jesjajahoe was 25 jaar oud toen hij zijn eerste profetische visioen kreeg.

·        Hij wordt beschouwd als de grootste profeet na Mosjé Rabbeinoe.

·        In de tijd van Jesjajahoe leefden er nog drie andere profeten: Hosea, Amoz en Micha.

·        Jesjajahoe werd besneden geboren.

·        Hij overleefde vier koningen, Oeziah, Jothan, Achaz en Chizkiah.

·        Hij werd 120 jaar oud.

Hij werd gedood door zijn schoonvader, Koning Menasje van Jehoeda.


Chassidisch inzicht in de parasja

Het offerdier

Gebaseerd op leringen van de Lubavitcher Rebbe

Waarom, als iemand gezondigd heeft of als hij verzoening wil doen, of als hij alleen maar in een royale bui was en iets voor G-d wilde doen, waarom moet hij dan een onschuldig dier offeren? Waarom offert hij bijvoorbeeld zichzelf niet op?

De Chassidische meesters antwoorden: Dat is precies wat doet.

Dit is, zo verklaren zij, wat Tora bedoelt met het vers dat de wetten van de korbanot – de offers – introdu­ceert:

Een man die van jullie een offer brengt aan Hasjem, van vee, die zal van het rundvee en van het kleinvee jullie offer brengen (Lev. 1:2).

Rabbijn Schneuer Zalman van Liadi wijst erop dat het vers niet zegt: Een man van jullie die een offer brengt,” maar: Een man die van jullie een offer brengt” – het offer is van jullie.” Het offerdier is een projectie, de extra-menselijke sfeer, een proces dat zich afspeelt in de intra-menselijke sfeer.

De mens, zegt de Talmoed, is een miniatuur-wereld. Dat betekent dat de wereld een macro-mens is. Onze wereld bevat oceanen en continenten, bossen en woestijnen, mensen en beesten; zo ook de mens. De menselijke psyche omvat een onbewuste zee” en een aardse” persoonlijkheid; het heeft welig bossen en kale woestijnen; en het heeft een menselijke ziel” en een dierlijke ziel.”

De menselijke zie – ook wel de G-ddelijke ziel” genoemd, belichaamt alles wat omhoog reikt en wat transcedent is in de mens. Het wordt aangetrokken tot zijn bron in G-d, gedreven door een alles verterende liefde voor G-d en het verlangen om zichzelf de verliezen in Zijn alles doordringende essentie. Zijn manieren van uitdrukking zijn de gedachte, de spraak en de daad van Tora – de middelen waarmee de mens nabijheid en verbondenheid met zijn Schepper bereikt.

De dierlijke ziel” is het zelf” dat de mens deelt met alle levende schepselen: een op zichzelf gedrevenheid en vervuld van zijn eigen fysieke noden en verlangens. Zijn middel om zich uit te drukken is de inspan­ning voor een materiëel leven.

Een man die van jullie een offer brengt aan Hasjem, van vee, die zal van het rundvee en van het kleinvee jullie offer brengen. Wanneer iemand een dier brengt van zijn kudde als een gift voor G-d, is het een gebaar zonder inhoud, tenzij hij ook het beest in hemzelf offert.

De Os en de Ploeg

Wat moet er gedaan worden met dit dier?

De beest in de mens is daar niet geplaatst opdat het onderdrukt of uitgerukt zal worden. Veel graan wordt er geproduceerd met de kracht van een os,” zegt de wijste  van alle mensen, en de Chassidische meesters zeggen dat dit een verwijzing is naar het beest in onze harten. Als een os wild wordt, vertrapt en vernielt hij alles, maar wanneer hij overheerst wordt door een verantwoordelijke menselijke visie en voor zijn ploeg ingespannen wordt, wordt de energie van het beest omgezet in veel graan” – een veel rijkere oogst dan wat menselijke energie alleen kan produceren.

Hetzelfde geldt voor het beest in de mens. Niets – nog niet de felste verlangens van de G-ddelijke ziel kunnen wedijveren met de intensiteit waarmee de dierlijke ziel ziijn verlangens nastreeft. Wanneer hij aan zijn eigen lot wordt overgelaten, heeft de dierlijke ziel de neiging zich over te geven aan zijn destructief gedrag; maar de juiste begeleiding en training kan de negatieve uitdrukkingen van deze potente drift elimineren en hem omzetten en exploiteren tot een goed en G-ddelijk doel.

Het eerste soort korban dat onze parasja beschrijft, is het ola – het opgaand” offer, doorgaans het brandoffer” genoemd. Het ola is uniek, omdat het een absoluut offer is: nadat het geslacht is op de Tempel-binnenplaats en zijn bloed op het altaar uitgegoten is, wordt het naar boven op het altaar gebracht en daar in zijn geheel verbrand, als een vurig genoegen voor G-d.”

De verbranding van iets is het fysieke tegendeel van het sublimatie-proces dat hierboven werd beschreven. Wanneer een substantie wordt verbrand, wordt zijn buitenste, zijn materiële vorm verwijderd, waarbij de energie die erin is opgesloten, vrijkomt. Dat is de innelijke betekenis van het korban: de dierlijke energie in de mens wordt ontdaan  zijn materiële vormen en geofferd op het altaar voor G-d.

De offers die gegeten worden

Na de details gegeven te hebben van de verschillende soorten korban ola, gaat de Tora verder met de andere twee primaire offers te beschrijven – het korban chataat (het zondoffer) en het korban sjelamiem (het vredesoffer). Net als dat van het ola, wordt het bloed van deze offers op het altaar gegoten. Maar niet zoals het volledig verbrande offer, gaan slechts bepaalde delen van het chataat en sjelamiem op” in vuur. De Tora noemt bepaalde vetstukken (chalabiem), die verwijderd en verbrand moeten worden. Maar het vlees van het korban wordt gegeten onder bepaalde omstandigheden en in heiligheid. (Het vlees van het chataat werd gegeten door de priesters, en dat van de sjelamiem door de persoon die het offer bracht, waarbij bepaalde delen aan de priesters gegeven werden.

Er zijn delen van ons materiële leven die, zoals de brandoffers, volledig omgezet worden in heiligheid: het geld dat we geven aan liefdadigheid, het leer waarvan tefillien gemaakt worden, de energie die we besteden aan Tora-studie, aan gebeden en aan het doen van mitswot. Maar daar is ook het geld dat wij besteden om onze familie te voeden, het leer waarvan onze shcoenen gemaakt zijn, de energie die wij steken in de arbeid van alle dag voor een fysiek leven. Maar ook deze kunnen dienen als een korban  voor G-d, wanneer zij in heiligheid gegeten” worden – wanneer het geld eerlijk verdiend is, het voedsel kosjer is en onze dagelijkse activiteiten geleid worden op een manier die door onze medemens beschouwd wordt als trouw aan de verheven wetten van het leven.

Het bloed” van het dier – zijn vuur en passie voor materiële dingen – moet op het altaar gegooid worden; zijn vet” – zijn excessieve neiging tot mateloos plezier en lichamelijke bevrediging – moet verbrand worden. Maar de essentie van het dier zelf – zijn vlees” – kan geheiligd worden, zelfs al wordt het niet helemaal omgezet in een heilige daad. Zolang als het in heiligheid” wordt gegeten, kunnen onze materiële inspanningen een middel zijn om een mens dichterbij” (de betekenis van het woord korban) tot G–d te brengen.

Misjna Berachot

Hoofdstuk 3

Misjna 4

Een ba’al Keri[1] overdenkt het in zichzelf [2] en hij zegt noch de voor- noch de naberacha[3]. En over de maaltijd zegt hij de naberacha[4], maar hij zegt geen beracha vooraf [5]. Rabbi Jehoeda zegt: „Hij zegt de beracha zowel ervoor als erna.[6]

-----------------------------------

Aantekeningen bij Misjna 3.4

[1]. Een ba’al Keri [is iemand die een zaadlozing gehad heeft] Ezra heeft ingesteld dat een ba’al Keri niet in Tora leest, of hij nu een zaadlozing per ongeluk had [bijvoorbeeld in zijn slaap] of met opzet [door geslachtsge­meenschap], maar dat hij eerst in het mikwe moet. En dit is niet wegens toema en tahara, want woorden van Tora kunnen geen toema aannemen, maar opdat de Tora-studenten niet als hanen achter de vrouwen aanrennen (RAV).

[Volgens Tora (Wajj.16:17) is een ba’al keri onrein als iemand die iets onreins heeft aangeraakt en mag hij geen troema en andere heilige voorwerpen aanraken of het Beit HaMikdasj binnengaan, voordat hij in het mikwe geweest is. Ezra heeft dit verbod uitgebreid tot het lezen van Tora en het zeggen van berachot om bovenvermelde redenen].

[2]. Hij overdenkt het in zichzelf: Hij zegt Sjema in zichzelf als de tijd van Sjema is aangekomen (RAV). [Hij zegt het niet hardop. Hoewel men Sjema eigenlijk hardop moet zeggen, heeft men zijn plicht gedaan als men  het alleen zachtjes voor zichzelf zegt]

[3]. En hij zegt noch de voor- noch de naberacha: Hij zegt ze zelfs niet zacht­jes, want de berachot zijn geen Tora-voorschrift [maar zijn door de rabbijnen ingesteld], en daarom hebben de geleerden het niet van [de ba’al keri] geëist.  (RAV).

[4].  Hij zegt de naberacha, want het is een plicht van Tora [Dew. 8:10] (RAV).

[5]. Maar hij zegt geen beracha vooraf: Want dat is geen verplichting van Tora [maar ze zijn ingesteld door de rabbijnen]. En reeds is als halacha ge­pas­­kend dat de vereiste voor een ba’al keri om in het mikwe te gaan is opge­heven, en een ba’al keri leest Sjema op de normale manier, en hij mag Tora leren en dawwenen en alle berachot zeggen en niemand maakt daar bezwaar te­gen.

[6].  D.w.z. zowel de voor- en naberachot van Sjema en van de maaltijd (Tosefot Jom Tov)


Het Orh Somayach

Haĝĝada Supplement

Het essentiële doel van de Pesach Seder is het verhaal van de Uittocht uit Egypte te vertellen. Hier volgen wat inzichten van de rabbijnen van Ohr Somayach.

Pesach

De Tora noemt  Pesach „Chag Hamatsot.” Maar wij noemen het „Pesach”. Waarom is dat? Rav Chaim Volozhiner legt dat als volgt uit:

Het woord Matsot en het woord Mitswot worden in het Hebreeuws precies hetzelfde geschreven. Dus „Chag HaMatsotkan ook gelezen worden als „Chag HaMitswot”, hetgeen zou betekenen dat door uit Egypte te trekken en deTora in ontvangst te nemen, het Joodse volk nu de gelegenheid heeft om een grote beloning te krijgen door mitswot te doen.

Pesach echter betekent „passeren”: Hasjem „passeerde over” de huizen van de Bnei Jisraël. Door het Pesach te noemen leggen wij de nadruk op het goede dat Hasjem ons bewezen heeft.

Onze geleerden leren ons dat wij Hasjem niet moeten dienen met een oog gericht op de beloning; maar wij moeten Hem dienen uit een gevoel van liefde en dankbaarheid. Door het Pesach te noemen „ont-nadrukken” wij de beloning die iedere Mitswa meebrengt, en in plaats daarvan concentreren wij ons op het goede dat Hasjem voor ons gedaan heeft.

Rabbijn Reuven Lauffer

Pesach II

De Tora noemt dit feest Chag HaMatsot (het Feest van de Matses), terwijl wij het Pesach noemen. We noemen het Pesach omdat Hasjem onze huizen in Egypte oversloeg (pasach = overslaan in het Hebreeuws). Hasjem noemt het Chag HaMatsot wegens de “Mitswot” (in het Hebreeuws precies eender gespeld als Matsot) die we doen met de Matsot. De Ari z”l wijst erop dat het woord Pesach is samen gesteld uit de woorden (mond) en Sach (spreekt), een aanduiding dat wij op deze avond spreken over de geschiedenis van de Uittocht.

Op het feest lezen we verschillende gedeelten van de Tanach (een afkorting voor Tora, Neviïem [Profeten] en Ketoeviem [Geschriften]). Daarin worden Pesach en zijn halachische details genoemd, zijn geschiedenis en de beschrijving van de viering op een bepaalde tijd. Er zijn drie uitzonderingen: de Haftarot op de laatste twee dagen van Jom Tov en Sjier HaSjiriem (Het Hooglied). De Haftara op de zevende dag is Davids lied van dank nadat hij gered was van Koning Sjaoel. Dit correspondeert met de Tora-afdeling voor die dag, het Lied van de Zee, dat de Israëlieten zongen nadat zij door de zee getrokken waren.

De Haftara voor de achtste dag geeft een beschrijving van de Messiaanse verlos­sing, waarvan de Geleerden zeggen dat die in Niesan begint, net zoals de verlos­sing uit Egypte in Niesan begon. Sjier HaSjiriem wordt op Sjabbat Chol HaMo’eed gelezen en is een zinspeling op onze bevrijding uit Egypte, en legt de nadruk op de sterke verbondenheid die op Sinai ontstaan was tussen Israël en Hasjem. Dit thema wordt tot uitdrukking gebracht door een metafoor van een schit­terende relatie tussen een man en een vrouw.

De Seder

De Seder bestaat uit 15 delen, die corresponderen met de vijftien treden die omhoog leiden naar de Tempel. Onze Geleerden zeggen dat onze tafel is als een altaar en dat dit speciaal geldt op de Seder-avond, wanneer onze familie-tafel een instrument is om nieuwe spirituele hoogten te bereiken. Net zoals de Tempel het Joodse Volk hielp de G-ddelijke Orde in de wereld te voelen, zo helpt ook de Seder, het Hebreeuwse woord voor ‘Orde’, ons eraan herinneren dat Hasjem de wereldgeschiedenis leidt.

Gebaseerd op de Maharal  

Karpas

De Talmoed legt uit dat door de Seder-maaltijd op een ongewone manier te beginnen, namelijk met groente in plaats van met brood, de kinderen nieuwsgierig worden en zullen vragen: „Waarom beginnen we de maaltijd met groente in plaats van met brood?” Wanneer hun nieuwsgierigheid eenmaal is opgewekt, zullen zij met meer aandacht naar het verhaal van de Exodus luisteren. Maar waarom juist groente? Zoals groente de eetlust opwekt, zo ook zijn de ongewone dingen die wij deze avond doen, bedoeld om de nieuwsgierigheid van de kinderen op te wekken.

Rabbi Yehuda Albin

De Vier bekers

De vier bekers corresponderen met de vier uitdrukkingen die de Tora gebruikt voor de beschrijving van onze vrijheid van Egypte. De eerste beker, die ook gebruikt wordt voor de kiddoesj, correspondeert met: „Ik zal jullie uitvoeren,” toen Hasjem ons hielp te erkennen dat wij Egyptische Joden waren en geen Joodse Egypte­naren. Dit is de essentie van de kiddoesj – heiliging – de realisatie dat het Joodse Volk een unieke rol speelt in deze wereld. De Haggada, het verhaal van onze fysieke exodus uit Egypte, wordt over de tweede beker uitgesproken, hetgeen onze fysieke redding symboliseert, hetgeen correspondeert met: „Ik zal jullie redden.” Iemand is een slaaf van zijn fysieke behoeften. Toen het volk in de woestijn door Hasjem gevoed werd, zoals vandaag nog op een minder wonder-baarlijke manier, werden zij bevrijd van de ketenen van de fysieke wereld, ten einde zich te con­cen­treren op meer verheven zaken. Birkat HaMazon, de zegenspreuk die ons eraan herinnert dat Hasjem ons in ons dagelijks onderhoud voorziet, wordt over de derde beker gezegd, corresponderend met: „Ik zal jullie verlossen” – het doel van de Exodus om een unieke relatie te vormen met Hasjem. Hallel wordt gereciteerd over de vierde beker. Hallel is een loflied voor Hasjem, waarin wij erkennen dat Hij gezegd heeft: „Ik zal jullie voor Mij als een volk nemen.”

Rabbi Milevsky

De vier Vragen

Volgens Abarbanel wijst de zoon op een tegenstrijdigheid: aan de ene kant leunen wij als vrije mensen en dopen ons voedsel in als aristocraten. Maar aan de andere kant eten we het „brood van de armoede” en bitterkruid. Vieren we nu vrijheid of geden­ken we de slavernij?

Het antwoord is beide!

„We waren slaven van Par’o in Egypte en Hasjem, onze G-d heeft ons daar uitge­leid mer ‘sterke hand’…” Vanavond ervaren we de overgang van slavernij naar de vrijheid.

Rabbi Dr. David Gottlieb

De vier Vragen II

Meer dan op ieder ander feest is de Seder-avond opgedragen aan de kinderen, omdat de Tora voorschrijft dat wij de geschiedenis van de Uittocht deze avond aan onze kinderen moeten vertellen. De Haggada dirigeert ons om vele ongewone handelingen te verrichten, om de nieuwsgierigheid van de kinderen op te wek­ken, zodat zij willen weten „waarom deze avond anders is dan andere avonden.” Onmiddellijk na de Kiddoesj begint de nieuwsgierigheid. We wassen handen, zoals iedere Sjabbat of feest, maar vanavond wassen we zonder beracha, omdat we eerst karpas (een soort groente) eten en geen brood. Net zoals karpas onze eetlust voor de matsa opwekt, zo wekken de ongewone handelingen van vanavond de nieuwsgierigheid op naar de geheimen van deze avond. De vier vragen die de interesse van de kinderen uitdrukken, zijn meer dan alleen maar een springplank voor onze discussie. Zij maken deel uit van het antwoord – het beste verhaal is dat wat je hoort! Dat is de reden waarom de Geleerden zeggen dat zelfs als je alleen bent, je in de materie geïnteresseerd moet zijn en jezelf vragen moet stellen. Men moet niet bang zijn om te vragen. Wie zich schaamt om wat te vragen, leert niets. De gewoonte om de kinderen snoep te geven, helpt hen niet alleen om wakker te blijven, maar dient ook als een stimulans voor hun vragen en als beloning voor hun deelname.

Rabbi Milevsky

En als de Heilige…

gezegend is Hij, onze voorouders niet uit Egypte gevoerd had, dan zouden wij en onze kinderen en onze klein­kinderen nog steeds onder de overheersing van Par’o in Egypte zuchten. Daarom moeten wij Hasjem danken  [en] prijzen…

De Haggada vertelt ons dat Hasjem Zelf en niet enige andere kracht ons uit Egypte bevrijd heeft. Toen de oneindige G-dheid contact maakte met deze eindige wereld, moet er iets veranderd zijn. Daar Hasjem Zelf ons uit Egypte haalde, veranderde er iets in de Joodse ziel, zodat een eventuele toekomstige fysieke slavernij van toe­komstige generaties nooit meer zou kunnen leiden tot een slaven-mentaliteit. Onze aspiraties zullen altijd gericht zijn op verheven doeleinden, zelfs als onze dagelijkse activiteiten gevuld zijn van geestdodend werk. Ons uniek streven naar een beteke­nis­vol bestaan dat het Joodse volk naar de voorste gelederen van iedere belang­rijke gebeurtenis dreef in de wereldgeschiedenis, is het directe resultaat van het feit dat Hasjem Zelf ons uit Egypte gehaald heeft. Wanneer wij ons realiseren wat Hasjem voor ons deed, en niet alleen voor onze voorouders, zullen we instaat zijn om die Ene, Die wonderen voor onze voorouders en voor ons verricht heeft, „te danken [en] te prijzen…”

De Naam van de Hemel heiligen door zijn leven op te geven is geen mitswa welke iedere Jood kan doen En zo gebeurde het dat er in Auschwitz een discussie ontstond tussen de godsdienstige gevangen: Wat is de juiste vorm van de beracha voor deze mitswa? „Baroech Atta … Lekadeesj Sjemo barabbiem” (Geze­gend bent U… Die ons geboden heeft om Zijn Naam in het openbaar te heili­gen) of: „…Al Kiddoesj Sjemo barabbiem” (…Die ons geboden heeft ‘omtrent de heiligingvan Zijn Naam in het openbaar).

Het werd de Rabbijn gevraagd en hij antwoordde: Voor een mitswa die een ander voor je kan doen, zegt met „Al.” Maar voor een mitswa die men alleen maar zelf kan doen, zoals het leggen van tefillien, zegt men „Le” – het is „Lehaniach tefillien.” Daar het opofferen van je leven niet door iemand anders voor je gedaan kan wor­den, is de juiste beracha „LeKadeesj Sjemo barabbiem.”

Wanneer iemand de dood in de ogen kijkt en hij is bezorgd dat hij de juiste beracha zal zeggen als hij deze wereld verlaat – dan is dat iemand die nooit geknecht kan worden. Nadat Hasjem ons uit Egypte verlost heeft, kunnen onze onderdrukkers onze lichamen overheersen, maar onze zielen kunnen nimmer meer in slavernij gebracht worden.

Rabbi Yaakov Asher Sinclair

De vier zonen

De auteur van de Haggada wijst met de volgorde van de vier zonen, op het gevaar van een gebrek aan opvoeding. Hij vreesde een degeneratie van mono­theïsme tot zelfverheerlijking (een vorm van afgoderij). Een wijs kind dat vragen stelt en daar­mee een basiskennis van het Jodendom toont, maar dat geen behoorlijk antwoord krijgt, kan daarover zo verbitterd raken, dat zelfs al houdt hij zichzelf aan de voor­schriften, zijn kind zich van Tora en mitswot zal afwenden. Deze eigenzinnige tweede generatie zal weigeren de derde de nodige kennis bij te brengen. Deze in Joods opzicht simpele derde generatie zal nooit begrijpen waarom zijn ouders het Jodendom van zich afgeworpen hebben. Hij zal niet over­matig geïnteres­seerd zijn in zijn erfenis. Hij zal een vierde generatie voortbrengen die het gevoel heeft dat Tora onmogelijk intellectueel kan bevredigen. Hij is daarom zover van Tora ver­wijderd dat hij geen interesse heeft om actief deel te nemen, noch zal hij weten hoe hij actief moet beginnen te onderzoeken. Wanneer hij de diepte van Tora niet naar boven haalt, zal de vijfde generatie zelfs niet bij de Seder aanwezig zijn.

Rabbi Milevsky

De slechte zoon

Wat zegt hij? Waarom doen jullie dit werk?

De vraag van de slechte zoon is een citaat uit de Tora: „Wanneer jullie kinderen tegen jullie zullen zeggen… wat betekent deze dienst voor jou!” De sleutel tot zijn slechtheid ligt in het woordje „zeggen”. Hij vraagt niet, hij zegt iets. Daarom…

Je moet zijn tanden afstompen en zeggen: „Het is hierom dat Hasjem dit voor mij deed toen ik uit Egypte trok. Voor mij en niet voor hem.

Het woord „hem” is derde persoon. Daar de vraag van de slechte zoon een rheto­rische vraag is, krijgt hij geen direct antwoord. Tegen wie spreekt de vader dan? Tegen de zoon die „niet weet wat hij moet vragen.” Hij stelt net zo min vragen als de slechte zoon. Er bestaat dus het gevaar dat hij zich ontwikkelt tot een „slechte zoon.” De vader kijkt naar deze zoon en waarschuwt hem: „Voor mij en niet voor hem… laat zijn sarcastische grijns jou niet om de tuin leiden… Als hij in Egypte was geweest was hij geassimileerd in de Egyptische maatschappij en zou niet verlost zijn.”

Rabbijn Gavriël Rubin

Die niet weet te vragen

Sommigen verliezen zich graag tijdens de Seder in diepzinnige verklaringen en discussies. De Chida waarschuwt ons dat we niet moeten vergeten dat er ook jonge kinderen aan tafel zitten die nog geen vragen kunnen stellen en die al die wijsheid niet kunnen volgen. Wij moeten ook aandacht besteden aan het kind dat nog niet weet wat het moet vragen, opdat wij niet over de hoofden heen van de jongere kinderen praten.

                                                                         Rabbijn Ephraim Yawitz

In iedere generatie...

„…En dit stond voor onze voorouders en voor ons. Want in iedere generatie stonden zij tegen ons op om ons te vernietigen maar HaKadosj Baroech Hoe redde ons uit hun handen. [Zie blz. 38 Haggada foutieve Ned. Vertaling.] Wat is dit?

Misschien heeft dit betrekking op het anti-semitisme. En misschien vermaant de Haggada ons ervoor, dat hoe wij ook proberen ons Jodendom te vergeten en de ge­woontes van de volken om ons heen aannemen, vroeger of later staan zij tegen ons op, ons herinnerend aan onze uniekheid en doen zij ons onze band met het Jodendom weer bewust maken.

                                                                            Rabbijn Shlomo Zweig