Overzicht
Parasjat Wajjikra
(Wajjikra 1:1-5:26)
et Boek Wajjikra (Leviticus) waarmee wij deze
weken beginnen, is ook bekend onder de naam Torat Kohaniem —
de Wetten van de Priesters. Het gaat hoofdzakelijk over de
korbanot (offers) die gebracht werden in het Misjkan
(Tent der Samenkomst). De eerste groep offers wordt korban olá
– brandoffer – genoemd. Het dier wordt naar de ingang van het
Misjkan gebracht. Bij vee legt degene die het offer brengt, zijn
handen op het dier. Daarna wordt het geslacht en de kohen
sprenkelt het bloed op het altaar. Het dier wordt gestroopt en in
stukken gesneden. De stukken worden gesorteerd, gewassen en op het
altaar verbrand. Een soortgelijk proces wordt beschreven voor de
verbranding van andere dieren en gevogelte. De verschillende
meeloffers worden beschreven. Een deel van de meeloffers wordt
verbrandt op het altaar, de rest wordt door de kohaniem
opgegeten. Het is verboden om gist of honing te mengen met de
offers. De vredesoffers, die gedeeltelijk op het altaar worden
verbrand, en gedeeltelijk worden opgegeten, kunnen zowel rundvee,
schapen als geiten zijn. De Tora verbiedt het eten van bloed of
chelev (bepaalde vetten van de dieren). De offers die verzoenen
voor onopzettelijke overtredingen die door de Kohen Ĝadol,
door de hele gemeenschap, door de vorst of door een gewone burger
gepleegd worden, worden uitgebreid besproken. De voorschriften voor
schuldoffers worden opgenoemd. De meeloffers voor diegenen die zich
geen normaal schuldoffer kunnen permiteren, de offers die verzoening
doen voor misbruik van heiligdommen, de voorschriften voor
„twijfelachtige schuld” en offers voor oneerlijkheid worden in
detail besproken.
©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden
De
Wekelijkse Haftara
Door Reuben Ebrahimoff
De Haftara voor Sjabbat Parasjat Wajjikra
Alleen Hasjem is waardig om te
worden gediend
We lezen de Haftara van
Jesjajahoe (Jesaja) Hoofdstuk 43:21-44:23
Het verhaal van de Haftara
van deze week: 43:21
Het doel van het Joodse volk is om Hasjem te eren. 43:22-25 Hasjem
is teleurgesteld, in plaats van Hem te eren, beledigen wij Hem met
offers die niet acceptabel zijn. Hasjem belooft de tesjoewa
[het berouw en de inkeer] van de Bné Jisraël te accepteren.
43:26-28 Jesjajahoe houdt vol dat Israël straf verdient. 44:1-5 De
Haftara verandert van toon: Jesjajahoe spreekt in naam van Hasjem en
belooft ons zegeningen in de toekomst. 44:6-8 Hasjem verklaart dat
Hij „De ene en enige G-d is en dat er geen ander is!” 46:9-16 De
Haftara legt uit waarom afgoderij absurd is. 46:17-22 Jesjajahoe
moedigt de Joden aan tesjoewa te doen. 46:23 De Haftara
eindigt met de verklaring dat tesjoewa de verlossing van het
Joodse volk zal brengen.
Het verband tussen de
Haftara en de Parasja:
De Parasja van Wajjikra
spreekt over de procedures die gemoeid zijn met het brengen van de
korbanot (offers). De Haftara heeft het ook over korbanot.
In de Haftara zegt Jesjajahoe dat Hasjem op de hoogte is van het
feit dat dezelfde Joden die de offers brengen, ook afgoden dienen.
Een dergelijk Jodendom is niet acceptabel voor Hasjem.
Enkele
gegevens over Jesjajahoe
·
De
naam Jesjajahoe betekent „Redding door G-d”.
·
Jesjajahoe schreef zijn eigen boek, 66 hoofdstukken lang.
·
Zijn vader was de Profeet Amoz.
·
Hij werd geboren in het jaar 765 v.G.J.
·
Jesjajahoe was 25 jaar oud toen hij zijn eerste profetische visioen
kreeg.
·
Hij wordt beschouwd als de grootste profeet na Mosjé Rabbeinoe.
·
In
de tijd van Jesjajahoe leefden er nog drie andere profeten: Hosea,
Amoz en Micha.
·
Jesjajahoe werd besneden geboren.
·
Hij overleefde vier koningen, Oeziah, Jothan, Achaz en Chizkiah.
·
Hij werd 120 jaar oud.
Hij werd
gedood door zijn schoonvader, Koning Menasje van Jehoeda.
Chassidisch inzicht in de parasja
Het offerdier
Gebaseerd op leringen van de Lubavitcher Rebbe
Waarom, als iemand gezondigd
heeft of als hij verzoening wil doen, of als hij alleen maar in een
royale bui was en iets voor G-d wilde doen, waarom moet hij dan een
onschuldig dier offeren? Waarom offert hij bijvoorbeeld zichzelf
niet op?
De Chassidische meesters
antwoorden: Dat is precies wat doet.
Dit is, zo verklaren zij, wat
Tora bedoelt met het vers dat de wetten van de korbanot – de
offers – introduceert:
Een man die van jullie een
offer brengt aan Hasjem, van vee, die zal van het rundvee en van het
kleinvee jullie offer brengen
(Lev. 1:2).
Rabbijn Schneuer Zalman van
Liadi wijst erop dat het vers niet zegt:
„Een
man van jullie die een offer brengt,” maar:
„Een
man die van jullie een offer brengt” – het offer is
„van
jullie.” Het offerdier is een projectie, de extra-menselijke sfeer,
een proces dat zich afspeelt in de intra-menselijke sfeer.
De mens, zegt de Talmoed, is
een miniatuur-wereld. Dat betekent dat de wereld een macro-mens is.
Onze wereld bevat oceanen en continenten, bossen en woestijnen,
mensen en beesten; zo ook de mens. De menselijke psyche omvat een
onbewuste
„zee”
en een
„aardse”
persoonlijkheid; het heeft welig bossen en kale woestijnen; en het
heeft een
„menselijke
ziel” en een
„dierlijke
ziel.”
De menselijke zie – ook wel de
„G-ddelijke
ziel” genoemd, belichaamt alles wat omhoog reikt en wat transcedent
is in de mens. Het wordt aangetrokken tot zijn bron in G-d, gedreven
door een alles verterende liefde voor G-d en het verlangen om
zichzelf de verliezen in Zijn alles doordringende essentie. Zijn
manieren van uitdrukking zijn de gedachte, de spraak en de daad van
Tora – de middelen waarmee de mens nabijheid en verbondenheid met
zijn Schepper bereikt.
De
„dierlijke
ziel” is het
„zelf”
dat de mens deelt met alle levende schepselen: een op zichzelf
gedrevenheid en vervuld van zijn eigen fysieke noden en verlangens.
Zijn middel om zich uit te drukken is de inspanning voor een
materiëel leven.
Een man die van jullie een
offer brengt aan Hasjem, van vee, die zal van het rundvee en van het
kleinvee jullie offer brengen.
Wanneer iemand een dier brengt van zijn kudde als een gift voor G-d,
is het een gebaar zonder inhoud, tenzij hij ook het beest in hemzelf
offert.
De Os en de Ploeg
Wat moet er gedaan worden met
dit dier?
De beest in de mens is daar
niet geplaatst opdat het onderdrukt of uitgerukt zal worden.
„Veel
graan wordt er geproduceerd met de kracht van een os,” zegt de
wijste van alle mensen, en de Chassidische meesters zeggen dat dit
een verwijzing is naar het beest in onze harten. Als een os wild
wordt, vertrapt en vernielt hij alles, maar wanneer hij overheerst
wordt door een verantwoordelijke menselijke visie en voor zijn ploeg
ingespannen wordt, wordt de energie van het beest omgezet in
„veel
graan” – een veel rijkere oogst dan wat menselijke energie alleen
kan produceren.
Hetzelfde geldt voor het beest
in de mens. Niets – nog niet de felste verlangens van de G-ddelijke
ziel kunnen wedijveren met de intensiteit waarmee de dierlijke ziel
ziijn verlangens nastreeft. Wanneer hij aan zijn eigen lot wordt
overgelaten, heeft de dierlijke ziel de neiging zich over te geven
aan zijn destructief gedrag; maar de juiste begeleiding en training
kan de negatieve uitdrukkingen van deze potente drift elimineren en
hem omzetten en exploiteren tot een goed en G-ddelijk doel.
Het eerste soort korban
dat onze parasja beschrijft, is het ola – het
„opgaand”
offer, doorgaans het
„brandoffer”
genoemd. Het ola is uniek, omdat het een absoluut offer is:
nadat het geslacht is op de Tempel-binnenplaats en zijn bloed op het
altaar uitgegoten is, wordt het naar boven op het altaar gebracht en
daar in zijn geheel verbrand, als
„een
vurig genoegen voor G-d.”
De verbranding van iets is het
fysieke tegendeel van het sublimatie-proces dat hierboven werd
beschreven. Wanneer een substantie wordt verbrand, wordt zijn
buitenste, zijn materiële vorm verwijderd, waarbij de energie die
erin is opgesloten, vrijkomt. Dat is de innelijke betekenis van het
korban: de dierlijke energie in de mens wordt ontdaan zijn
materiële vormen en geofferd op het altaar voor G-d.
De offers die gegeten worden
Na de details gegeven te hebben
van de verschillende soorten korban ola, gaat de Tora verder
met de andere twee primaire offers te beschrijven – het korban
chataat (het zondoffer) en het korban sjelamiem (het
vredesoffer). Net als dat van het ola, wordt het bloed van
deze offers op het altaar gegoten. Maar niet zoals het volledig
verbrande offer, gaan slechts bepaalde delen van het chataat
en sjelamiem
„op”
in vuur. De Tora noemt bepaalde vetstukken (chalabiem), die
verwijderd en verbrand moeten worden. Maar het vlees van het korban
wordt gegeten onder bepaalde omstandigheden en in heiligheid. (Het
vlees van het chataat werd gegeten door de priesters, en dat
van de sjelamiem door de persoon die het offer bracht,
waarbij bepaalde delen aan de priesters gegeven werden.
Er zijn delen van ons materiële
leven die, zoals de brandoffers, volledig omgezet worden in
heiligheid: het geld dat we geven aan liefdadigheid, het leer
waarvan tefillien gemaakt worden, de energie die we besteden
aan Tora-studie, aan gebeden en aan het doen van mitswot. Maar daar
is ook het geld dat wij besteden om onze familie te voeden, het leer
waarvan onze shcoenen gemaakt zijn, de energie die wij steken in de
arbeid van alle dag voor een fysiek leven. Maar ook deze kunnen
dienen als een korban voor G-d, wanneer zij in
„heiligheid
gegeten” worden – wanneer het geld eerlijk verdiend is, het voedsel
kosjer is en onze dagelijkse activiteiten geleid worden op een
manier die door onze medemens beschouwd wordt als trouw aan de
verheven wetten van het leven.
Het
„bloed”
van het dier – zijn vuur en passie voor materiële dingen – moet op
het altaar gegooid worden; zijn
„vet”
– zijn excessieve neiging tot mateloos plezier en lichamelijke
bevrediging – moet verbrand worden. Maar de essentie van het dier
zelf – zijn
„vlees”
– kan geheiligd worden, zelfs al wordt het niet helemaal omgezet in
een heilige daad. Zolang als het in
„heiligheid”
wordt gegeten, kunnen onze materiële inspanningen een middel zijn om
een mens
„dichterbij”
(de betekenis van het woord korban) tot G–d te
brengen.

Misjna Berachot
Hoofdstuk 3
Misjna 4
Een ba’al Keri
overdenkt het in zichzelf
en hij zegt
noch de voor- noch de naberacha.
En over de maaltijd zegt hij de naberacha,
maar hij zegt geen beracha vooraf
. Rabbi Jehoeda
zegt: „Hij zegt de beracha zowel ervoor als erna.
|
Het Orh Somayach
Haĝĝada
Supplement |
Het essentiële doel van de Pesach Seder is het verhaal van de
Uittocht uit Egypte te vertellen. Hier volgen wat inzichten van de
rabbijnen van Ohr Somayach. |
|
Pesach |
De Tora noemt Pesach „Chag Hamatsot.” Maar
wij noemen het „Pesach”. Waarom is dat? Rav Chaim
Volozhiner legt dat als volgt uit:
Het
woord Matsot en het woord Mitswot worden in het
Hebreeuws precies hetzelfde geschreven. Dus „Chag HaMatsot”
kan ook gelezen worden als „Chag HaMitswot”,
hetgeen zou betekenen dat door uit Egypte te trekken en deTora in
ontvangst te nemen, het Joodse volk nu de gelegenheid heeft om een
grote beloning te krijgen door mitswot te doen.
Pesach
echter betekent „passeren”: Hasjem „passeerde over” de huizen van
de Bnei Jisraël. Door het Pesach te noemen leggen
wij de nadruk op het goede dat Hasjem ons bewezen heeft.
Onze
geleerden leren ons dat wij Hasjem niet moeten dienen met een oog
gericht op de beloning; maar wij moeten Hem dienen uit een gevoel
van liefde en dankbaarheid. Door het Pesach te noemen
„ont-nadrukken” wij de beloning die iedere Mitswa
meebrengt, en in plaats daarvan concentreren wij ons op het goede
dat Hasjem voor ons gedaan heeft.
Rabbijn Reuven Lauffer |
|
Pesach II |
De Tora
noemt dit feest Chag HaMatsot (het Feest van de Matses), terwijl
wij het Pesach noemen. We noemen het Pesach omdat Hasjem onze
huizen in Egypte oversloeg (pasach = overslaan in het
Hebreeuws). Hasjem noemt het Chag HaMatsot wegens de “Mitswot” (in
het Hebreeuws precies eender gespeld als Matsot) die we doen met
de Matsot. De Ari z”l wijst erop dat het woord Pesach
is samen gesteld uit de woorden Pé (mond) en Sach
(spreekt), een aanduiding dat wij op deze avond spreken over de
geschiedenis van de Uittocht.
Op het
feest lezen we verschillende gedeelten van de Tanach (een
afkorting voor Tora, Neviïem [Profeten] en
Ketoeviem [Geschriften]). Daarin worden Pesach en zijn
halachische details genoemd, zijn geschiedenis en de beschrijving
van de viering op een bepaalde tijd. Er zijn drie uitzonderingen:
de Haftarot op de laatste twee dagen van Jom Tov en Sjier
HaSjiriem (Het Hooglied). De Haftara op de zevende dag is
Davids lied van dank nadat hij gered was van Koning Sjaoel. Dit
correspondeert met de Tora-afdeling voor die dag, het Lied van de
Zee, dat de Israëlieten zongen nadat zij door de zee getrokken
waren.
De
Haftara voor de achtste dag geeft een beschrijving van de
Messiaanse verlossing, waarvan de Geleerden zeggen dat die in
Niesan begint, net zoals de verlossing uit Egypte in Niesan
begon. Sjier HaSjiriem wordt op Sjabbat Chol HaMo’eed
gelezen en is een zinspeling op onze bevrijding uit Egypte, en
legt de nadruk op de sterke verbondenheid die op Sinai ontstaan
was tussen Israël en Hasjem. Dit thema wordt tot uitdrukking
gebracht door een metafoor van een schitterende relatie tussen
een man en een vrouw. |
|
De Seder |
De
Seder bestaat uit 15 delen, die corresponderen met de vijftien
treden die omhoog leiden naar de Tempel. Onze Geleerden zeggen dat
onze tafel is als een altaar en dat dit speciaal geldt op de
Seder-avond, wanneer onze familie-tafel een instrument is om
nieuwe spirituele hoogten te bereiken. Net zoals de Tempel het
Joodse Volk hielp de G-ddelijke Orde in de wereld te voelen, zo
helpt ook de Seder, het Hebreeuwse woord voor ‘Orde’, ons eraan
herinneren dat Hasjem de wereldgeschiedenis leidt.
Gebaseerd op de Maharal
|
|
Karpas |
De
Talmoed legt uit dat door de Seder-maaltijd op een ongewone manier
te beginnen, namelijk met groente in plaats van met brood, de
kinderen nieuwsgierig worden en zullen vragen: „Waarom beginnen we
de maaltijd met groente in plaats van met brood?” Wanneer hun
nieuwsgierigheid eenmaal is opgewekt, zullen zij met meer aandacht
naar het verhaal van de Exodus luisteren. Maar waarom juist
groente? Zoals groente de eetlust opwekt, zo ook zijn de ongewone
dingen die wij deze avond doen, bedoeld om de nieuwsgierigheid van
de kinderen op te wekken.
Rabbi Yehuda Albin |
|
De Vier bekers |
De vier
bekers corresponderen met de vier uitdrukkingen die de Tora
gebruikt voor de beschrijving van onze vrijheid van Egypte. De
eerste beker, die ook gebruikt wordt voor de kiddoesj,
correspondeert met: „Ik zal jullie uitvoeren,” toen Hasjem ons
hielp te erkennen dat wij Egyptische Joden waren en geen
Joodse Egyptenaren. Dit is de essentie van de kiddoesj
– heiliging – de realisatie dat het Joodse Volk een unieke rol
speelt in deze wereld. De Haggada, het verhaal van onze fysieke
exodus uit Egypte, wordt over de tweede beker uitgesproken,
hetgeen onze fysieke redding symboliseert, hetgeen correspondeert
met: „Ik zal jullie redden.” Iemand is een slaaf van zijn fysieke
behoeften. Toen het volk in de woestijn door Hasjem gevoed werd,
zoals vandaag nog op een minder wonder-baarlijke manier, werden
zij bevrijd van de ketenen van de fysieke wereld, ten einde zich
te concentreren op meer verheven zaken. Birkat HaMazon,
de zegenspreuk die ons eraan herinnert dat Hasjem ons in ons
dagelijks onderhoud voorziet, wordt over de derde beker
gezegd, corresponderend met: „Ik zal jullie verlossen” – het doel
van de Exodus om een unieke relatie te vormen met Hasjem. Hallel
wordt gereciteerd over de vierde beker. Hallel is een
loflied voor Hasjem, waarin wij erkennen dat Hij gezegd heeft: „Ik
zal jullie voor Mij als een volk nemen.”
Rabbi Milevsky |
|
De vier Vragen |
Volgens
Abarbanel wijst de zoon op een tegenstrijdigheid: aan de ene kant
leunen wij als vrije mensen en dopen ons voedsel in als
aristocraten. Maar aan de andere kant eten we het „brood van de
armoede” en bitterkruid. Vieren we nu vrijheid of gedenken we de
slavernij?
Het
antwoord is beide!
„We
waren slaven van Par’o in Egypte en Hasjem, onze G-d
heeft ons daar uitgeleid mer ‘sterke hand’…” Vanavond ervaren we
de overgang van slavernij naar de vrijheid.
Rabbi Dr. David Gottlieb |
|
De vier Vragen II |
Meer
dan op ieder ander feest is de Seder-avond opgedragen aan de
kinderen, omdat de Tora voorschrijft dat wij de geschiedenis van
de Uittocht deze avond aan onze kinderen moeten vertellen. De
Haggada dirigeert ons om vele ongewone handelingen te verrichten,
om de nieuwsgierigheid van de kinderen op te wekken, zodat zij
willen weten „waarom deze avond anders is dan andere avonden.”
Onmiddellijk na de Kiddoesj begint de nieuwsgierigheid. We wassen
handen, zoals iedere Sjabbat of feest, maar vanavond wassen we
zonder beracha, omdat we eerst karpas (een soort groente)
eten en geen brood. Net zoals karpas onze eetlust voor de
matsa opwekt, zo wekken de ongewone handelingen van vanavond de
nieuwsgierigheid op naar de geheimen van deze avond. De vier
vragen die de interesse van de kinderen uitdrukken, zijn meer dan
alleen maar een springplank voor onze discussie. Zij maken deel
uit van het antwoord – het beste verhaal is dat wat je hoort! Dat
is de reden waarom de Geleerden zeggen dat zelfs als je alleen
bent, je in de materie geïnteresseerd moet zijn en jezelf vragen
moet stellen. Men moet niet bang zijn om te vragen. Wie zich
schaamt om wat te vragen, leert niets. De gewoonte om de kinderen
snoep te geven, helpt hen niet alleen om wakker te blijven, maar
dient ook als een stimulans voor hun vragen en als beloning voor
hun deelname.
Rabbi Milevsky |
|
„En
als de Heilige…
gezegend is Hij, onze
voorouders niet uit Egypte gevoerd had, dan zouden wij en onze
kinderen en onze kleinkinderen nog steeds onder de overheersing
van Par’o in Egypte zuchten. Daarom moeten wij Hasjem danken [en]
prijzen… |
De
Haggada vertelt ons dat Hasjem Zelf en niet enige andere kracht
ons uit Egypte bevrijd heeft. Toen de oneindige G-dheid contact
maakte met deze eindige wereld, moet er iets veranderd zijn. Daar
Hasjem Zelf ons uit Egypte haalde, veranderde er iets in de Joodse
ziel, zodat een eventuele toekomstige fysieke slavernij van
toekomstige generaties nooit meer zou kunnen leiden tot een
slaven-mentaliteit. Onze aspiraties zullen altijd gericht zijn op
verheven doeleinden, zelfs als onze dagelijkse activiteiten gevuld
zijn van geestdodend werk. Ons uniek streven naar een
betekenisvol bestaan dat het Joodse volk naar de voorste
gelederen van iedere belangrijke gebeurtenis dreef in de
wereldgeschiedenis, is het directe resultaat van het feit dat
Hasjem Zelf ons uit Egypte gehaald heeft. Wanneer wij ons
realiseren wat Hasjem voor ons deed, en niet alleen voor
onze voorouders, zullen we instaat zijn om die Ene, Die wonderen
voor onze voorouders en voor ons verricht heeft, „te danken [en]
te prijzen…”
De Naam
van de Hemel heiligen door zijn leven op te geven is geen mitswa
welke iedere Jood kan doen En zo gebeurde het dat er in Auschwitz
een discussie ontstond tussen de godsdienstige gevangen: Wat is de
juiste vorm van de beracha voor deze mitswa? „Baroech Atta …
Lekadeesj Sjemo barabbiem” (Gezegend bent U… Die ons
geboden heeft om Zijn Naam in het openbaar te heiligen) of: „…Al
Kiddoesj Sjemo barabbiem” (…Die ons geboden heeft ‘omtrent
de heiliging’ van Zijn Naam in het openbaar).
Het
werd de Rabbijn gevraagd en hij antwoordde: Voor een mitswa die
een ander voor je kan doen, zegt met „Al.” Maar voor
een mitswa die men alleen maar zelf kan doen, zoals het
leggen van tefillien, zegt men „Le” – het is
„Lehaniach tefillien.” Daar het opofferen van
je leven niet door iemand anders voor je gedaan kan worden, is de
juiste beracha „LeKadeesj Sjemo barabbiem.”
Wanneer iemand de dood in de ogen kijkt en hij is bezorgd dat hij
de juiste beracha zal zeggen als hij deze wereld verlaat – dan is
dat iemand die nooit geknecht kan worden.
Nadat Hasjem ons uit Egypte verlost heeft, kunnen onze
onderdrukkers onze lichamen overheersen, maar onze zielen kunnen
nimmer meer in slavernij gebracht worden.
Rabbi Yaakov Asher Sinclair |
|
De vier zonen |
De
auteur van de Haggada wijst met de volgorde van de vier zonen, op
het gevaar van een gebrek aan opvoeding. Hij vreesde een
degeneratie van monotheïsme tot zelfverheerlijking (een vorm van
afgoderij). Een wijs kind dat vragen stelt en daarmee een
basiskennis van het Jodendom toont, maar dat geen behoorlijk
antwoord krijgt, kan daarover zo verbitterd raken, dat zelfs al
houdt hij zichzelf aan de voorschriften, zijn kind zich van Tora
en mitswot zal afwenden. Deze eigenzinnige tweede
generatie zal weigeren de derde de nodige kennis bij te
brengen. Deze in Joods opzicht simpele derde generatie
zal nooit begrijpen waarom zijn ouders het Jodendom van zich
afgeworpen hebben. Hij zal niet overmatig geïnteresseerd zijn in
zijn erfenis. Hij zal een vierde generatie voortbrengen die het
gevoel heeft dat Tora onmogelijk intellectueel kan bevredigen. Hij
is daarom zover van Tora verwijderd dat hij geen interesse heeft
om actief deel te nemen, noch zal hij weten hoe hij actief moet
beginnen te onderzoeken. Wanneer hij de diepte van Tora niet
naar boven haalt, zal de vijfde generatie zelfs niet bij de Seder
aanwezig zijn.
Rabbi
Milevsky |
|
De slechte zoon
Wat zegt hij? Waarom doen
jullie dit werk? |
De
vraag van de slechte zoon is een citaat uit de Tora: „Wanneer
jullie kinderen tegen jullie zullen zeggen… wat betekent
deze dienst voor jou!” De sleutel tot zijn slechtheid ligt in het
woordje „zeggen”. Hij vraagt niet, hij zegt iets. Daarom…
Je
moet zijn tanden afstompen en zeggen: „Het is hierom dat Hasjem
dit voor mij deed toen ik uit Egypte trok. Voor mij en niet
voor hem.”
Het
woord „hem” is derde persoon. Daar de vraag van de slechte zoon
een rhetorische vraag is, krijgt hij geen direct antwoord. Tegen
wie spreekt de vader dan? Tegen de zoon die „niet weet wat hij
moet vragen.” Hij stelt net zo min vragen als de slechte zoon. Er
bestaat dus het gevaar dat hij zich ontwikkelt tot een
„slechte zoon.” De vader kijkt
naar deze zoon en waarschuwt hem: „Voor mij en niet voor
hem… laat zijn sarcastische grijns jou niet om de tuin
leiden… Als hij in Egypte was geweest was hij geassimileerd in de
Egyptische maatschappij en zou niet verlost zijn.”
Rabbijn Gavriël Rubin |
|
Die niet weet te vragen |
Sommigen verliezen zich graag tijdens de Seder in diepzinnige
verklaringen en discussies. De Chida waarschuwt ons dat we
niet moeten vergeten dat er ook jonge kinderen aan tafel zitten
die nog geen vragen kunnen stellen en die al die wijsheid niet
kunnen volgen. Wij moeten ook aandacht besteden aan het kind dat
nog niet weet wat het moet vragen, opdat wij niet over de hoofden
heen van de jongere kinderen praten.
Rabbijn Ephraim Yawitz |
|
In iedere generatie... |
„…En dit stond voor onze voorouders en voor ons. Want
in iedere generatie stonden zij tegen ons op om ons te vernietigen
maar HaKadosj Baroech Hoe redde ons uit hun handen.”
[Zie blz. 38 Haggada foutieve Ned. Vertaling.]
Wat is dit?
Misschien heeft dit betrekking op het
anti-semitisme. En misschien vermaant de Haggada ons ervoor, dat
hoe wij ook proberen ons Jodendom te vergeten en de gewoontes van
de volken om ons heen aannemen, vroeger of later staan zij tegen
ons op, ons herinnerend aan onze uniekheid en doen zij ons onze
band met het Jodendom weer bewust maken.
Rabbijn Shlomo Zweig |
| |
|
|