|
Parasjat
Tetsawee
(Exodus
27:20-30:10) – Parasjat Zachor (Deut.25:17-19)
ZONDAG 4 MAART IS POERIEM
Overzicht Tetsawee
asjem zegt tegen Mosjé dat hij het Joodse volk de
opdracht moet geven om zuivere olijfolie te bereiden voor de Menora
in het Misjkan (Tent der samenkomsten). Hij zegt ook tegen
Mosjé dat hij moet zorgen voor de bigdei kehoena (de
priesterkleren): een choosjen – borstschild –, een efod
– een soort schort –, een schoudermantel, een onderkleed met ingeweven
vakjes, een tulband en een gordel, een voorhoofdsplaat en een linnen
broek. Wanneer dat klaar is moet Mosjé gedurende zeven dagen een
ceremonie uitvoeren om Aharon en zijn zonen in te wijden. Dit houdt in
het brengen van offers, de aankleding van Aharon en diens zonen in hun
speciale kleren en de zalving van Aharon met de speciale zalvingsolie.
Hasjem beveelt dat iedere ochtend en middag een schaap geofferd moet
worden op het altaar in het Misjkan. Dit offer moet begeleid
worden door een meel-offer en plengoffers met wijn en olie. Hasjem
geeft opdracht dat er een altaar voor de reukoffers gemaakt moet
worden van acaciahout, bekleed met goud. Aharon en zijn nakomelingen
moeten iedere dag op dit altaar reukwerk verbranden.
©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden
Parasjat Zachor
Deze
Sjabbat is de Sjabbat voor Poeriem, het feest waarop wij de
verhindering van het plan van Haman vieren om het Joodse volk te
vernietigen. Haman was een nakomeling van de Amalekieten en daarom
lezen wij deze Sjabbat nadat zeven mannen zijn opgeroepen voor de
wekelijkse parasja, voor de Maftier de afdeling Zachor
(Deuteronomium 25:17-19), waarin wij geboden worden om het kwaad van
Amalek te herinneren en het uit te wissen van het aardoppervlak:
Gedenk wat Amalek je gedaan
heeft op de weg, toen je uit Egypte trok. Hoe hij je getroffen heeft
op de weg, en de krachtelozen in je achterhoede afsneed, terwijl je
afgemat en vermoeid was; en G-d niet vreesde. En het zal zijn ... dat
je Amalek zult uitwissen van onder de hemel; vergeet het niet.
Deuteronomium 25:17-19
Haftara
Parasjat Zachor
(I
Sjmoeël 15:1-34, Asjkenaziem beginnen bij vers 2)
Door Reuben Ebrahimoff
Korte samenvatting van de Haftara
De Profeet
Sjmoeël geeft aan Koning Sjaoel een G-ddelijke bevel door om het volk
van de Amalekieten uit te roeien en om al hun bezittingen te
vernietigen. Koning Sjaoel voert het gebod maar gedeeltelijk uit. Hij
heeft zijn twijfels en laat de koning van de Amalakieten, Agag, in
leven en diens veestapel groten-deels intact. Hasjem beslist dat voor
deze ongehoorzaamheid Sjaoel gestraft zal worden: hij moet sterven. De
Profeet Sjmoeël verwijt Sjaoel diens gedrag en zegt hem dat Hasjem
het Koningschap van Sjaoel heeft afgenomen en het zal geven aan
iemand anders, niet een van zijn eigen nakomelingen. Tot slot doodt
Sjmoeël eigenhandig de Amalekieten-Koning Agag.
Het
verband tussen de Haftara en de parasja
Als
maftier wordt deze week de afdeing van Amalek gelezen, hoe die
Israël aanviel bij hun uittocht uit Egypte. In de Haftara wordt Amalek
daarvoor gestraft.
De
moraal van het verhaal
De meeste
Joden doen veel mitswot correct, maar bijna iedereen heeft wel een
mitswa, waarvan hij zegt: „Wacht even, ik doe al zoveel goede mitswot,
deze mitswa hoef ik niet te doen, die doe ik wel op mijn manier,”
daarmee Hasjems nadrukkelijke opdracht negerend, net zoals Sjaoel
dacht: „Ik voer die op-dracht van Hasjem wel op mijn manier uit.” Laat
iedereen eens nadenken wat zijn eigen mitswa is die hij op zijn eigen
manier (of helemaal niet) doet: Lasjon Hara – roddel? Kosjer
eten buitenshuis? Autorijden op Sjabbat? Taharat misjpacha? Een
klein lichtje aansteken op Sjabbat? Laat ieder bij zichzelf nagaan wat
hij kan verbeteren, beetje bij beetje. Hasjem zal de inspanning merken
en zeker helpen.
Duisternis voor de Dageraad
Door Dina Coopersmith
Poeriem leert ons hoe in G-d te vertrouwen wanneer wij overspoeld
worden door duisternis en twijfel
In het
Poeriemverhaal, wanneer de gebeurtenissen hun uiteindelijke hoogtepunt
lijken te krijgen, als Ester Koning Achasjverosj benadert om hem te
smeken haar volk te sparen, gebeurt er iets vreemds. Ester nodigt de
koning en Haman uit voor een party en op die party nodigt zij hen uit
voor nog een party. Pas op het tweede feestje wijst zij Haman aan als
de schurk die op het punt staat haar volk te vernietigen, waarmee zij
een ommekeer in de gebeurtenissen bewerkstelligt.
Waarom spuit
Ester haar aanklacht niet bij de eerste gelegenheid? Dan is alles
voorbij! Waarom moest zij hen nog eens uitnodigen voor een partijtje
en de kwellende onzekerheid van de toekomst van haar volk nog
verlengen?
Ester was een
slimme dame. Ze moet een strategie in gedachte hebben gehad.
„Waar
vinden we een aanwijzing voor Ester in de Tora? En Ik zal op die
dag Mijn aangezicht zeker verbergen (haster astier)” (Deut. 31:18)
(Talmoed
Choelien 139b)
De naam Ester
komt van de stam hester – verborgenheid. De Rol van Ester staat
bekend wegens de volkomen verborgenheid van G-ds aanwezigheid: Zijn
Naam wordt nergens in het verhaal genoemd.
Wanneer men
het verhaal leest, is het voor de hand liggend dat, hoewel
oppervlakkig bezien de gebeurtenissen tamelijk toevallig lijken,
Mordechai en Ester al die tijd wisten dat er een wonder moest gebeuren
en dat G-d de hele tijd achter de schermen aanwezig was en de
gebeurtenissen tot een schitterende symfonie van oorzaak en gevolg
componeerde.
Maar bij een
nadere studie komt een andere indruk boven. Zelfs Ester en Mordechai
konden G-ds aanwezigheid niet zien, verborgen in de duisternis van de
gebeurtenissen. Zij werden overstroomd door een afschuwelijk gevoel
van angst en verwarring gedurende
het hele verhaal, waarbij zij een afstand voelden tot G‑d, die hen
nimmer volledig verliet.
En iedere dag
liep Mordechai heen en weer voor de binnenplaats van het vrouwenhuis
(Ester 2:11).
Mordechai was
een van de vier rechtvaardige mensen aan wie een aanwijzing was
gegeven voor de dingen die zouden komen: Hij zei: „Kan het zijn dat
deze rechtvaardige vrouw zou trouwen met een onbesneden man? Het moet
zo zijn dat Israël door een grote catastrofe zal worden getroffen maar
dat het door haar wordt gered.”
(Tora
Temima, Ester 2:11)
De enige
aanwijzing die Mordechai had was de wetenschap dat als zijn
rechtschapen, zuivere nicht de veront-reinigende ervaring moest
meemaken om een jaar in een harem te leven, om uiteindelijk te trouwen
met een hedonistische, slechte Perzische koning, dat zoiets vreselijks
als dit een betekenis moest hebben. Dit versluierde gevoel van een
betekenis is de enige aanwijzing die hij krijgt. Geen profetie, alleen
maar een hint.
Ester had
zelfs het voordeel van die hint niet.
Wanhoop en twijfel
Wanneer
Mordechai Ester vraagt om Achasjverosj te benaderen en hem te smeken
om het afschuwelijke decreet van Haman te herroepen, is zij in het
geheel niet overtuigd van de goede afloop van het plan. Ester voelt
G-ds steun niet. Zij voelt zeker G-ds directe voorzienigheid gedurende
deze gebeurtenissen niet. Normaliter wordt iemand, die de koning
ongevraagd benadert, gedood. Hoe kan ze in vredesnaam ongevraagd bij
hem binnenkomen?
En ik ben de
afgelopen dertig dagen niet bij de koning geroepen.
(Ester 4:11)
Volgens de
Zohar (3:109) wordt iedere keer, als in de Megilla
„de
koning” genoemd wordt, zonder de naam Achasjverosj, daarmee de Koning
der koningen bedoeld, i.e. G-d.
Dus Ester was
al dertig dagen niet door G-d geroepen – ondanks dat zij een profetes
was, had zij gedurende vele dagen niet de ervaring gehad van de
nabijheid van de Sjechina [de G-ddelijke aanwezigheid]. Zij
voelde de steun van G-d in dit plan niet, ze voelde de juistheid ervan
niet. Dat is de oorzaak van haar aarzeling.
Mordechai was
echter positief dat G-d Zijn volk niet in de steek zou laten. Terwijl
Ester overspoeld werd door duisternis en twijfel, was Mordechai er
zeker van dat zijn benadering de enige juiste was:
Wanneer je
stil blijft, zal er geen redding en velossing voor het Joodse volk
zijn op een andere manier en dan zullen jij en de familie van je vader
verloren zijn…
(Ester 4:14).
G-d zal Zijn
kinderen redden, wat er ook gebeurt. Zelfs al hebben ze dat niet
verdiend. In het aangezicht van deze wanhoop, is alles wat we kunnen
doen vertrouwen hebben in G-d en dan Zal Hij het Zijne doen, als een
direct gevolg van ons vertrouwen in Hem. Mordechai leerde Ester een
nieuwe manier van denken – een manier van denken voor tijden van
duisternis. Net zoals toen het Joodse Volk, dat zojuist Egypte
verlaten had, op weg was naar de zee met de Egyptenaren pal achter
hen, en G-d tegen Mosjé zei:
„Zeg
hen dat zij voort gaan! Wat jammer je tegen Mij?” G-d leerde hen deze
lessen voor alle eeuwigheid. Wanneer je geconfronteerd wordt met een
schijnbaar onoverkoombare crisis – jammer of bidt dan niet, maar doe
wat – verwacht van Mij dat Ik reageer, loop de zee in met volkomen
vertrouwen in Mij – en wanneer Ik deze soort vertrouwen zie, dan zal
Ik overeenkomstig handelen en dan zal Ik je redden.
Ester was een
schrandere leerling. Zij voelde zich nog steeds erg ver van Hasjem
verwijderd:
Toen Ester
naar Achasjverosj ging, voelde zij een accuut verlies van de
Sjechina. Ze zei:
„Mijn
G-d, mijn G-d, waarom heeft u mij verlaten?” (Talmoed, Megilla
15b)
Maar op
intellectueel niveau had zij wel een aanwijzing gekregen: handel alsof
je zeker bent van redding. Ga en verwacht een wonder – risceer je
leven voor het Joodse Volk. Vertrouwen is de sleutel.
Ester ging
verder dan Mordechai in haar begrip van de ijzingwekkende situatie
waarin zij zich bevonden en van hoever het Joodse Volk verwijderd was
van een herstel van het verkeerde wat zij gedaan hadden. Ze
realiseerde zich dat zij een plan moest maken dat het vertrouwen van
het hele Joodse Volk zou versterken. Het zou niet genoeg zijn wanneer
zij naar Achasjverosj zou gaan, terwijl het volk zou verwachten dat
het alleen dankzij haar verdiensten gered werd.
Esters plan
Ga alle Joden
verzamelen en vast voor mij: eet en drink niet gedurende drie dagen en
nachten … en dan zal ik naar de koning gaan; en als ik verloren ben,
dan ben ik verloren.
(Ester 4:16)
Het Joodse
Volk vastte en bad tot G-d drie dagen, maar Ester wist dat diep van
binnen zij nog steeds het nodige vertrouwen in G-d misten:
Wat was Esters
reden, dat zij Haman uitnodigde (voor het feestmaal)? Rabbi Jehoedas
zei: ze nodigde Haman uit, opdat de Joden niet zouden zeggen::
„We
hebben een zuster in het paleis die voor ons zal spreken,” en daardoor
zouden zij het nalaten om tot G-d te bidden en om genade te vragen.
(Talmoed Megilla 15b).
Ester besloot
haar Joodse broeders de indruk te geven en de schok daarvan, dat zij
samenspande met de vijand!
Stel je de
vernietigende teleurstelling voor, wanneer na drie dagen vasten en
bidden voor hun
„zuster
in het paleis”, opdat die het decreet zo kunnen laten intrekken, zou
blijken dat zij Haman op haar feestje had uitgenodig, samen met de
koning, en dat daar niets anders bereikt was dan dat er een ander
feest gepland werd. Koningin Ester had het op een akkoord gegooid met
hun aartsvijand!
Het resultaat
van de daaruit ontstane paniek zou een verlies aan vertrouwen zijn in
hun laatste afgezant en redder en zou hen doen realiseren dat er niets
anders voor hen overbleef, dan volledig en zonder gebreken op G-d te
vertrouwen.
Dit was het
ingenieuze plan van Ester. Op het eerste feest was de tijd nog niet
rijp voor de verlossing, het volk verdiende nog niet de ommekeer. Zij
moesten eerst in een staat van paniek geraken en dan effectief bidden.
Alleen die nacht, toen Achasjverosj heen en weer draaide in zijn bed
en Haman opgewekt Mordechai’s ondergang voorbereidde, bereikte het
gejammer van het Joodse volk een hoogtepunt en drong het door tot in
de Hemel. Het getij begon eindelijk te keren.
De volgende
ochtend, na te hebben gehoord van Mordechai’s verheffing in status en
zijn rit door de stad, geleid door Haman, voelde Ester zich vertrouwd
dat ze gedaan hadden wat ze konden en dat de schalen van de spirituele
balans waren omgeslagen in haar voordeel en dat nu haar missie zou
kunnen slagen.
Ester in duisternis tot het einde
Voor Ester was
er een duidelijk gevoel dat G-d niet aanwezig was. Haar persoonlijke
tragedie komt niet volledig tot een happy end. Haar offer is evident
en is duidelijk ten behoeve van het Joodse Volk gemaakt:
En wanneer ik
verloren ben, dan ben ik verloren –
voor deze
wereld en de Komende Wereld (Rasji).
De Talmoed (Megilla
15a) vertelt ons dat door vrijwillig naar Achasjverosj te gaan en de
smeken voor haar volk, Ester een vrijwillige keuze maakte om
gemeenschap met hem te hebben en als gevolg daarvan zou zij, volgens
de Joodse wet, zich fysiek en spiritueel aan een niet-Joodse, slechte
man overgeven. Er was voor haar daarna geen hoop meer om ooit nog
terug te keren naar een normaal Joods leven, een geheiligd huwelijk
(want volgens de Mondelinge Traditie was Ester getrouwd met
Mordechai). Want na zich vrijwillig aan een ander man te hebben
gegeven, mag een vrouw niet meer terugkeren naar haar vroegere
echtgenoot.
Voor een jood
is het gevoel om te zijn verworpen door G-d, het moeilijkste om te
verdragen, zelfs als men intellectueel weet dat Hij er is en dat de
enige keuze is om zo te handelen. En toch, risceerde Ester doelbewust
haar leven, en legde ze haar vertrouwen in de Almachtige en bracht
tegelijkertijd het berouw en inkeer en ten gevolge daarvan de redding
van heel haar volk.
En bij de
Joden was licht en vreugde en blijdschap en eer.
(Ester 8:16)
De les die
Ester ons leerde weerklinkt door tot in eeuwigheid:
Alle
boeken van de Profeten en de heilige geschriften zullen ophouden (te
worden gelezen) in de Messiaanse tijd, met uitzondering van het Boek
Ester. Het zal blijven bestaan, net zoals de Vijf Boeken van de Tora
en de Mondelinge Leer, die nooit zullen ophouden te bestaan.” (Rambam,
Hil. Megilla 2:18)
Wat is de les
in dit boek, welke nimmer zijn relevantie zal verliezen, zelfs als
alle ellende van het Joodse volk in de herinnering zal vervagen?
Rabbi Jitschak
Hutner verklaart dit in zijn boek Pachad Jitschak met een
schitterende metafoor: Er zijn twee manieren waarop men zijn vriend in
het donker kan herkennen. Eén manier is om een zaklantaarn te
gebruiken. De andere is om de vriend goed te leren kennen, door
andere zintuigen te gebruiken, waarmee hij te herkennen is. Wanneer
de zon opkomt, zal men de zaklantaarn niet meer nodig hebben en die
weggooien. Maar degene die zich getraind heeft om zijn zintuigen te
gebruiken om zijn vriend te leren kennen, die verkrijgt een dieper
inzicht en begrip van zijn vriend en de relatie zal ten gevolge
daarvan onvermijdelijk zelfs bij daglicht verbeterd worden.
Zo hebben ook
wij – het Joodse Volk duizende jaren gespendeerd in een poging om G-d
te herkennen. De Uittocht uit Egypte was een zaklantaarn – de Tien
Plagen en de wonderlijke gebeurtenissen die daarop volgden leerden het
Joodse Volk onschatbare lessen over hun Koning. En toch, wanneer de
zon opkomt en de Masjiach komt, zal de openbaring en de helderheid zo
sterk zijn, dat alle feestdagen en geschriften die deze gebeurtenissen
gedenken, in vergelijking daarmee vervagen.
Poeriem
daarentegen was een verhaal waarin geen licht werd ontstoken. De
helden van dat uur en het volk als geheel moesten rondtasten en
struikelen in de eindenloze duisternis en ze moesten zichzelf intussen
langzaam en aarzelend trainen in een nieuwe benadering van hun relatie
tot G-d.
Vertrouwen
hebben in G-d als liefhebbende vader, tegen alle verwachtingen en
afschuwelijke decreten in en ondanks een volk dat dit niet verdient en
ondanks een schijnbare volkomen afwezigheid van iedere G‑ddelijke
aanwezigheid, dat vereist training van zulk een grote afmeting dat dit
voor altijd in het bewustzijn van ons volk blijft rusten. En het zal
ons ten dienste staan, zelfs tegen de tijd dat de dageraad aanbreekt
en historie zijn uiteindelijke schijnende bestemming krijgt.
Alle
feestdagen zullen ophouden, behalve Poeriem, zoals er geschreven
staat:
„En
het aandenken eraan zal niet stoppen bij hun nakomelingen” (Ester
9:28) (Midrasj Jalkoet Sjim’oni, Misjlei 9).
Dit artikel is
ook te vinden (in het Engels) op:
http://www.aish.com/purimthemes/purimthemesdefault/Darkness_Before_the_Dawn.asp
Misjna van de week
Berachot – Hoofdstuk 3
Misjna 2
Nadat men de dode begraven heeft en terugkeert
[van
het graf]
en wanneer men kan beginnen
en eindigen voor zij
de rij bereikt hebben, dan
beginnen zij. En zo niet,
dan beginnen zij niet.
Degenen die in de rij aan de binnenkant
staan, zijn vrijgesteld, die aan de buitenkant
zijn verplicht
[Sjema te zeggen].
8. Aan de buitenkant: Die
de gezichten van de rouwenden niet kunnen zien (RAV).
Dit artikel is ook (in het Engels) te vinden op:
www.aish.com/purimbasics/purimbasicsdefault/The_ABC_of_Purim.asp
De wekelijkse daf
van de Talmoed
Uit Daf Yomi
Digest (aangepast)
Megilla 18a
Veeg
Amalek de deur uit
De Misjna op daf 17a zegt:
Als men het seroegien
leest, heeft men zijn plicht gedaan.
De Rabbijnen, de leerlingen
van Rebbi, wisten niet wat seroegien betekent, totdat, toen
zij het huis van Rebbi voor de zoveelste keer die dag binnengingen,
zij de dienstmeid van Rebbi tegen hen hoorden zeggen: „Hoe lang zijn
jullie nog van plan seroegien seroegien binnen te gaan?” Toen
begrepen zij dat het betekende
„met
tussenpozen.”
Een soortgelijk incident: De
Rabbijnen wisten niet wat haloglogot betekende, totdat zij van
de dienstmeid van Rebbi begrepen dat het postelein is.
Zij begrepen ook niet de
betekenis van het vers (Spreuken 4:8):
„Slaseleha
en het zal je
verheffen.” Ze leerden van de dienstmeid van Rebbi dat salseleha
omdraaien betekent.
De Rabbijnen wisten ook niet
van het woord jahav betekende in Psalmen 55:23:
„Werp
je jahav op Hasjem.” Van Rabba bar bar Channa leerden zij dat
jahav ‘last’ betekent.
En van de dienstmeid leerden
zij de betekenis van het vers [Jesjajahoe 14:23]: „En Ik zal
tetatia met een mateatee van vernietiging”. Zij wisten niet
wat tetatia met een mateatee was. Totdat zij hoorden hoe
de meid tegen iemand zei: Neem deze mateatee [bezem] en
tetatia [veeg op] deze rommel van de vloer. Toen begrepen zij dat
het vers betekende:
„Ik
zal het wegvegen met een bezem van vernietiging.”
Het jaar 1915 was een
turbulent jaar voor oost Europa en de Jodsen en voor de hele wereld:
de Eerste Wereldoorlog was op zijn hoogtepunt. In Polen was zelfs een
eenvoudig reisje levensgevaarlijk. Daarom, toen de Lev Simcha zt”l
ging trouwen, verklaarde zijn vader, de Imrei Emet zt”l dat
niemand er ook maar aan mocht denken om te reizen, om het huwelijk bij
te wonen. Hij zei:
„Ieder
van hen die anders zouden komen, moet in plaats daarvan maar met ons
in gedachten feest vieren in de veiligheid van zijn eigen huis.
Niemand mag zichzelf in gevaar brengen in deze gevaarlijke tijden.
Op de avond van het
huwelijk, Rosj Chodesj Eloel, was er voor al de aanwezigen een grote
verrassing. De vroegere melamed – onderwijzer – van de Imrei
Emet, Rav Hirsch Ber Bronspiegel, zt”l, had werkelijk een grote
afstand gereisd om het feest van de familie mee te mogen maken,
ondanks zijn vergevorderde leeftijd. Hij was toen al over de negentig
jaar. Hoewel de Rebbe blij was toen hij zijn oude mentor zag, was hij
niettemin verstoord dat Rav Bronspiegel de lange en gevaarlijke reis
gemaakt had.
De Rebbe gaf zijn dagelijkse
sji’oer en Rav Hirsch voegde zich bij de groep om de sji’oer
mee te horen. Toen de Rebbe begon te discussiëren over het eind van
daf 18a van traktaat Megilla, vroeg Rav Hirsch:
„We
zien dat de amoed [bladzijde] eindigt met twee verzen, die
woorden bevatten, waarvan de geleerden de betekenis niet begrepen,
maar die zij later leerden toen zij hoorden hoe de dienstmeid van
Rebbi die woorden gebruikte in hun juiste context. Het eerste vers was
(Psalmen 55:23):
„Werp
je jahav op Hasjem.” hetgeen betekent:
„Werp
je last op Hasjem,” en het tweede was: [Jesjajahoe 14:23]: „En
Ik zal tetatia met een mateatee van vernietiging – Ik
zal het met de bezem der vernietiging wegvegen.”
In Rosj Hasjana 26 vinden we
dezelfde vraag en hetzelfde antwoord, maar de volgorde ervan is
omgekeerd. Waarom?
De Rebbe wachtte geduldig
tot Rav Hirsch het antwoord zou geven op zijn eigen vraag.
„De
Isjbitzer Rebb, zt”l, leert dat de Gemara eindigt met de meest
relevante vraag voor ons. In traktaat Rosj Hasjana is het thema de
rechtspraak en hartstochtelijk gebed is dan het voornaamste. Daarom
eindigden Chazal daar met het advies dat men zijn lasten aan
Hasjem moet toevertrouwen. Maar in traktaat Megilla is het thema
Poeriem. Daarom eindigden zei met het vers dat zinspeelt op de mitswa
van de dag: om Amalek weg te vegen!”
Bij de Joden was
licht en vreugde
Vers 8:16: „Bij de Joden was
licht en vreugde, blijdschap en eer.” Rav Jehoeda verklaart: ‘Licht’
is Tora, ‘vreugde’ is Jom Tov, ‘blijdschap’ is besnijdenis en ‘eer’ is
tefillien, want er staat geschreven [Dew. 28:10]:
„Want alle volken van de wereld zullen zien dat de naam van G-d op jou
genoemd is en zij zullen ontzag voor je hebben.” R. Eliëzer zei: deze
ontzag inboezemende voorwerpen zijn de tefillien van het hoofd.
¯
¯
¯
|