Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 212 Parasjat Tetsawee-Zachor  13 Adar 5767

3 maart 2007

Parasjat Tetsawee (Exodus 27:20-30:10) – Parasjat Zachor (Deut.25:17-19)

ZONDAG 4 MAART IS POERIEM

Overzicht Tetsawee

H

asjem zegt tegen Mosjé dat hij het Joodse volk de opdracht moet geven om zuivere olijfolie te bereiden voor de Menora in het Misjkan (Tent der samenkomsten). Hij zegt ook tegen Mosjé dat hij moet zorgen voor de bigdei kehoena (de priesterkleren): een choosjen – borstschild –, een efod – een soort schort –, een schoudermantel, een onderkleed met ingeweven vakjes, een tulband en een gordel, een voorhoofdsplaat en een linnen broek. Wanneer dat klaar is moet Mosjé gedurende zeven dagen een ceremonie uitvoeren om Aharon en zijn zonen in te wijden. Dit houdt in het brengen van offers, de aankleding van Aharon en diens zonen in hun speciale kleren en de zalving van Aharon met de speciale zalvingsolie. Hasjem beveelt dat iedere ochtend en middag een schaap geofferd moet worden op het altaar in het Misjkan. Dit offer moet begeleid worden door een meel-offer en plengoffers met wijn en olie. Hasjem geeft opdracht dat er een altaar voor de reukoffers gemaakt moet worden van acaciahout, bekleed met goud. Aharon en zijn nakomelingen moeten iedere dag op dit altaar reukwerk verbranden.

Door Ohr Somayach in Jeruzalem, Israël

©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden

Parasjat Zachor

Deze Sjabbat is de Sjabbat voor Poeriem, het feest waarop wij de verhindering van het plan van Haman vieren om het Joodse volk te vernietigen. Haman was een nakomeling van de Amalekieten en daarom lezen wij deze Sjabbat nadat zeven mannen zijn opgeroepen voor de wekelijkse parasja, voor de Maftier de afdeling  Zachor (Deutero­no­mium 25:17-19), waarin wij geboden worden om het kwaad van Amalek te herinneren en het uit te wissen van het aardoppervlak:

Gedenk wat Amalek je gedaan heeft op de weg, toen je uit Egypte trok. Hoe hij je getroffen heeft op de weg, en de krachtelozen in je achterhoede afsneed, terwijl je afgemat en vermoeid was; en G-d niet vreesde. En het zal zijn ... dat je Amalek zult uitwissen van onder de hemel; vergeet het niet.

Deuteronomium 25:17-19


Haftara Parasjat Zachor (I Sjmoeël 15:1-34, Asjkenaziem beginnen bij vers 2)

Door Reuben Ebrahimoff

Korte samenvatting van de Haftara

De Profeet Sjmoeël geeft aan Koning Sjaoel een G-ddelijke bevel door om het volk van de Amalekieten uit te roeien en om al hun bezittingen te vernietigen. Koning Sjaoel voert het gebod maar gedeeltelijk uit. Hij heeft zijn twijfels en laat de koning van de Amalakieten, Agag, in leven en diens veestapel groten-deels intact. Hasjem beslist dat voor deze ongehoorzaamheid Sjaoel gestraft zal worden: hij moet sterven. De Profeet Sjmoeël verwijt Sjaoel diens gedrag  en zegt hem dat Hasjem het Koningschap van Sjaoel heeft afge­no­men en het zal geven aan iemand anders, niet een van zijn eigen nakomelingen. Tot slot doodt Sjmoeël eigen­handig de Amalekieten-Koning Agag.

Het verband tussen de Haftara en de parasja

Als maftier wordt deze week de afdeing van Amalek gelezen, hoe die Israël aanviel bij hun uittocht uit Egypte. In de Haftara wordt Amalek daarvoor gestraft.

De moraal van het verhaal

De meeste Joden doen veel mitswot correct, maar bijna iedereen heeft wel een mitswa, waarvan hij zegt: „Wacht even, ik doe al zoveel goede mitswot, deze mitswa hoef ik niet te doen, die doe ik wel op mijn manier,” daarmee Hasjems nadrukkelijke opdracht negerend, net zoals Sjaoel dacht: „Ik voer die op-dracht van Hasjem wel op mijn manier uit.” Laat iedereen eens nadenken wat zijn eigen mitswa is die hij op zijn eigen manier (of helemaal niet) doet: Lasjon Hara – roddel? Kosjer eten buitenshuis? Autorijden op Sjabbat? Taharat misjpacha? Een klein lichtje aansteken op Sjabbat? Laat ieder bij zichzelf nagaan wat hij kan verbeteren, beetje bij beetje. Hasjem zal de inspanning merken en zeker helpen.


Duisternis voor de Dageraad

Door Dina Coopersmith

Poeriem leert ons hoe in G-d te vertrouwen wanneer wij overspoeld worden door duisternis en twijfel

In het Poeriemverhaal, wanneer de gebeurtenissen hun uiteindelijke hoogtepunt lijken te krijgen, als Ester Koning Achasjverosj benadert om hem te smeken haar volk te sparen, gebeurt er iets vreemds. Ester nodigt de koning en Haman uit voor een party en op die party nodigt zij hen uit voor nog een party. Pas op het tweede feestje wijst zij Haman aan als de schurk die op het punt staat haar volk te vernietigen, waarmee zij een ommekeer in de gebeurtenissen bewerkstelligt.

Waarom spuit Ester haar aanklacht niet bij de eerste gelegenheid? Dan is alles voorbij! Waarom moest zij hen nog eens uitnodigen voor een partijtje en de kwellende onzekerheid van de toekomst van haar volk nog verlengen?

Ester was een slimme dame. Ze moet een strategie in gedachte hebben gehad.

Waar vinden we een aanwijzing voor Ester in de Tora? En Ik zal op die dag Mijn aangezicht zeker verbergen (haster astier)” (Deut. 31:18)

(Talmoed Choelien 139b)

De naam Ester komt van de stam hester – verborgenheid. De Rol van Ester staat bekend wegens de volkomen verborgenheid van G-ds aanwezigheid: Zijn Naam wordt nergens in het verhaal genoemd.

Wanneer men het verhaal leest, is het voor de hand liggend dat, hoewel oppervlakkig bezien de gebeur­tenissen tamelijk toevallig lijken, Mordechai en Ester al die tijd wisten dat er een wonder moest gebeuren en dat G-d de hele tijd achter de schermen aanwezig was en de gebeurtenissen tot een schitterende symfonie van oorzaak en gevolg componeerde.

Maar bij een nadere studie komt een andere indruk boven. Zelfs Ester en Mordechai konden G-ds aanwezigheid niet zien, verborgen in de duisternis van de gebeurtenissen. Zij werden overstroomd door een afschuwelijk gevoel van angst en verwarring gedurende het hele verhaal, waarbij zij een afstand voelden tot G‑d, die hen nimmer volledig verliet.

En iedere dag liep Mordechai heen en weer voor de binnenplaats van het vrouwenhuis (Ester 2:11).

Mordechai was een van de vier rechtvaardige mensen aan wie een aanwijzing was gegeven voor de dingen die zouden komen: Hij zei: „Kan het zijn dat deze rechtvaardige vrouw zou trouwen met een onbesneden man? Het moet zo zijn dat Israël door een grote catastrofe zal worden getroffen maar dat het door haar wordt gered.”

(Tora Temima, Ester 2:11)

De enige aanwijzing die Mordechai had was de wetenschap dat als zijn rechtschapen, zuivere nicht de veront-reinigende ervaring moest meemaken om een jaar in een harem te leven, om uiteindelijk te trouwen met een hedonistische, slechte Perzische koning, dat zoiets vreselijks als dit een betekenis moest hebben. Dit versluierde gevoel van een betekenis is de enige aanwijzing die hij krijgt. Geen profetie, alleen maar een hint.

Ester had zelfs het voordeel van die hint niet.

Wanhoop en twijfel

Wanneer Mordechai Ester vraagt om Achasjverosj te benaderen en hem te smeken  om het afschuwelijke decreet van Haman te herroepen, is zij in het geheel niet overtuigd van de goede afloop van het plan. Ester voelt G-ds steun niet. Zij voelt zeker G-ds directe voorzienigheid gedurende deze gebeurtenissen niet. Norma­liter wordt iemand, die de koning onge­vraagd benadert, gedood. Hoe kan ze in vredesnaam onge­vraagd bij hem binnen­komen?

En ik ben de afgelopen dertig dagen niet bij de koning geroepen. (Ester 4:11)

Volgens de Zohar (3:109) wordt iedere keer, als in de Megilla de koning” genoemd wordt, zonder de naam Achasjverosj, daarmee de Koning der koningen bedoeld, i.e. G-d.

Dus Ester was al dertig dagen niet door G-d geroepen – ondanks dat zij een profetes was, had zij gedurende vele dagen niet de ervaring gehad van de nabijheid van de Sjechina [de G-ddelijke aanwezigheid]. Zij voelde de steun van G-d in dit plan niet, ze voelde de juistheid ervan niet. Dat is de oorzaak van haar aarzeling.

Mordechai was echter positief dat G-d Zijn volk niet in de steek zou laten. Terwijl Ester overspoeld werd door duisternis en twijfel, was Mordechai er zeker van dat zijn benadering de enige juiste was:

Wanneer je stil blijft, zal er geen redding en velossing voor het Joodse volk zijn op een andere manier en dan zullen jij en de familie van je vader verloren zijn… (Ester 4:14).

G-d zal Zijn kinderen redden, wat er ook gebeurt. Zelfs al hebben ze dat niet verdiend. In het aangezicht van deze wanhoop, is alles wat we kunnen doen vertrouwen hebben in G-d en dan Zal Hij het Zijne doen, als een direct gevolg van ons vertrouwen in Hem. Mordechai leerde Ester een nieuwe manier van denken – een manier van denken voor tijden van duisternis. Net zoals toen het Joodse Volk, dat zojuist Egypte verlaten had, op weg was naar de zee met de Egyptenaren pal achter hen, en G-d tegen Mosjé zei: Zeg hen dat zij voort gaan! Wat jammer je tegen Mij?” G-d leerde hen deze lessen voor alle eeuwigheid. Wanneer je gecon­fronteerd wordt met een schijnbaar onoverkoombare crisis – jammer of bidt dan niet, maar doe wat – verwacht van Mij dat Ik reageer, loop de zee in met volkomen vertrouwen in Mij – en wanneer Ik deze soort vertrouwen zie, dan zal Ik overeenkomstig handelen en dan zal Ik je redden.

Ester was een schrandere leerling. Zij voelde zich nog steeds erg ver van Hasjem verwijderd:

Toen Ester naar Achasjverosj ging, voelde zij een accuut verlies van de Sjechina. Ze zei: Mijn G-d, mijn G-d, waarom heeft u mij verlaten?” (Talmoed, Megilla 15b)

Maar op intellectueel niveau had zij wel een aanwijzing gekregen: handel alsof je zeker bent van redding. Ga en verwacht een wonder – risceer je leven voor het Joodse Volk. Vertrouwen is de sleutel.

Ester ging verder dan Mordechai in haar begrip van de ijzingwekkende situatie waarin zij zich bevonden en van hoever het Joodse Volk verwijderd was van een herstel van het verkeerde wat zij gedaan hadden. Ze realiseerde zich dat zij een plan moest maken dat het vertrouwen van het hele Joodse Volk zou versterken. Het zou niet genoeg zijn wanneer zij naar Achasjverosj zou gaan, terwijl het volk zou verwachten dat het alleen dankzij haar verdiensten gered werd.

Esters plan

Ga alle Joden verzamelen en vast voor mij: eet en drink niet gedurende drie dagen en nachten … en dan zal ik naar de koning gaan; en als ik verloren ben, dan ben ik verloren. (Ester 4:16)

Het Joodse Volk vastte en bad tot G-d drie dagen, maar Ester wist dat diep van binnen zij nog steeds het nodige vertrouwen in G-d misten:

Wat was Esters reden, dat zij Haman uitnodigde (voor het feestmaal)? Rabbi Jehoedas zei: ze nodigde Haman uit, opdat de Joden niet zouden zeggen:: We hebben een zuster in het paleis die voor ons zal spreken,” en daardoor zouden zij het nalaten om tot G-d te bidden en om genade te vragen. (Talmoed Megilla 15b).

Ester besloot haar Joodse broeders de indruk te geven en de schok daarvan, dat zij samenspande met de vijand!

Stel je de vernietigende teleurstelling voor, wanneer na drie dagen vasten en bidden voor hun zuster in het paleis”, opdat die het decreet zo kunnen laten intrekken, zou blijken dat zij Haman op haar feestje had uitgenodig, samen met de koning, en dat daar niets anders bereikt was dan dat er een ander feest gepland werd. Koningin Ester had het op een akkoord gegooid met hun aartsvijand!

Het resultaat van de daaruit ontstane paniek zou een verlies aan vertrouwen zijn in hun laatste afgezant en redder en zou hen doen realiseren dat er niets anders voor hen overbleef, dan volledig en zonder gebreken op G-d te vertrouwen.

Dit was het ingenieuze plan van Ester. Op het eerste feest was de tijd nog niet rijp voor de verlossing, het volk verdiende nog niet de ommekeer. Zij moesten eerst in een staat van paniek geraken en dan effectief bidden. Alleen die nacht, toen Achasjverosj heen en weer draaide in zijn bed en Haman opgewekt Mordechai’s ondergang voorbereidde, bereikte het gejammer van het Joodse volk een hoogtepunt en drong het door tot in de Hemel. Het getij begon eindelijk te keren.

De volgende ochtend, na te hebben gehoord van Mordechai’s verheffing in status en zijn rit door de stad, geleid door Haman, voelde Ester zich vertrouwd dat ze gedaan hadden wat ze konden en dat de schalen van de spirituele balans waren omgeslagen in haar voordeel en dat nu haar missie zou kunnen slagen.

Ester in duisternis tot het einde

Voor Ester was er een duidelijk gevoel dat G-d niet aanwezig was. Haar persoonlijke tragedie komt niet volledig tot een happy end. Haar offer is evident en is duidelijk ten behoeve van het Joodse Volk gemaakt:

En wanneer ik verloren ben, dan ben ik verloren – voor deze wereld en de Komende Wereld (Rasji).

De Talmoed (Megilla 15a) vertelt ons dat door vrijwillig naar Achasjverosj te gaan en de smeken voor haar volk, Ester een vrijwillige keuze maakte om gemeenschap met hem te hebben en als gevolg daarvan zou zij, volgens de Joodse wet, zich fysiek en spiritueel aan een niet-Joodse, slechte man overgeven. Er was voor haar daarna geen hoop meer om ooit nog terug te keren naar een normaal Joods leven, een geheiligd huwelijk (want volgens de Mondelinge Traditie was Ester getrouwd met Mordechai). Want na zich vrijwillig aan een ander man te hebben gegeven, mag een vrouw niet meer terugkeren naar haar vroegere echtgenoot.

Voor een jood is het gevoel om te zijn verworpen door G-d, het moeilijkste om te verdragen, zelfs als men intellectueel weet dat Hij er is en dat de enige keuze is om zo te handelen. En toch, risceerde Ester doelbewust haar leven, en legde ze haar vertrouwen in de Almachtige en bracht tegelijkertijd het berouw en inkeer en ten gevolge daarvan de redding van heel haar volk.

En bij de Joden was licht en vreugde en blijdschap en eer. (Ester 8:16)

De les die Ester ons leerde weerklinkt door tot in eeuwigheid:

Alle boeken van de Profeten en de heilige geschriften zullen ophouden (te worden gelezen) in de Messiaanse tijd, met uitzondering van het Boek Ester. Het zal blijven bestaan, net zoals de Vijf Boeken van de Tora en de Mondelinge Leer, die nooit zullen ophouden te bestaan.” (Rambam, Hil. Megilla 2:18)

Wat is de les in dit boek, welke nimmer zijn relevantie zal verliezen, zelfs als alle ellende van het Joodse volk in de herinnering zal vervagen?

Rabbi Jitschak Hutner verklaart dit in zijn boek Pachad Jitschak met een schitterende metafoor: Er zijn twee manieren waarop men zijn vriend in het donker kan herkennen. Eén manier is om een zaklantaarn te gebrui­ken. De andere is om de vriend goed te leren kennen, door andere zintuigen te gebruiken, waarmee hij te her­kennen is. Wanneer de zon opkomt, zal men de zaklantaarn niet meer nodig hebben en die weggooien. Maar degene die zich getraind heeft om zijn zintuigen te gebruiken om zijn vriend te leren kennen, die verkrijgt een dieper inzicht en begrip van zijn vriend en de relatie zal ten gevolge daarvan onvermijdelijk zelfs bij daglicht verbeterd worden.

Zo hebben ook wij – het Joodse Volk duizende jaren gespendeerd in een poging om G-d te herkennen. De Uittocht uit Egypte was een zaklantaarn – de Tien Plagen en de wonderlijke gebeurtenissen die daarop volgden leerden het Joodse Volk onschatbare lessen over hun Koning. En toch, wanneer de zon opkomt en de Masjiach komt, zal de openbaring en de helderheid zo sterk zijn, dat alle feestdagen en geschriften die deze gebeurtenissen gedenken, in vergelijking daarmee vervagen.

Poeriem daarentegen was een verhaal waarin geen licht werd ontstoken. De helden van dat uur en het volk als geheel moesten rondtasten en struikelen in de eindenloze duisternis en ze moesten zichzelf intussen langzaam en aarzelend trainen in een nieuwe benadering van hun relatie tot G-d.

Vertrouwen hebben in G-d als liefhebbende vader, tegen alle verwachtingen en afschuwelijke decreten in en ondanks een volk dat dit niet verdient en ondanks een schijnbare volkomen afwezigheid van iedere G‑ddelijke aanwezigheid, dat vereist training van zulk een grote afmeting dat dit voor altijd in het bewustzijn van ons volk blijft rusten. En het zal ons ten dienste staan, zelfs tegen de tijd dat de dageraad aanbreekt en historie zijn uiteindelijke schijnende bestemming krijgt.

Alle feestdagen zullen ophouden, behalve Poeriem, zoals er geschreven staat: En het aandenken eraan zal niet stoppen bij hun nakomelingen” (Ester 9:28) (Midrasj Jalkoet Sjim’oni, Misjlei 9).

Dit artikel is ook te vinden (in het Engels) op: http://www.aish.com/purimthemes/purimthemesdefault/Darkness_Before_the_Dawn.asp


Misjna van de week

 Berachot – Hoofdstuk 3

Misjna 2

Nadat men de dode begraven heeft en terugkeert [van het graf] en wanneer men1 kan beginnen en eindigen2 voor zij3 de rij4 bereikt hebben, dan beginnen zij5. En zo niet, dan beginnen zij niet6. Degenen die in de rij aan de binnenkant7 staan, zijn vrijgesteld, die aan de buitenkant8 zijn verplicht [Sjema te zeggen].

Aantekeningen bij Misjna 3.2

1. De aanwezigen die de rouwenden zijn komen troosten.

2. Beginnen en eindigen: Eén afdeling van Keriat Sjema [te zeggen] (RAV). [Zelfs wanneer zij slechts voldoende tijd hebben om alleen de eerste paragraaf van Sjema te zeggen, dan moeten zij dat volgens de Gemara (19a) doen.]

3. De rouwenden.

4. De rij: Want men maakte een aantal rijen om de rouwende, om hem te troosten bij zijn terugkeer van het graf (RAV). [Dus men stond een aantal rijen dik langs het pad vanaf het graf, waartussen de rouwende doorliep.]

5. Zie noot 1.

6. En zo niet: Wanneer de afstand van het graf tot de plaats waar men de rijen gevormd heeft te kort is en men daardoor geen voldoende tijd had om [één paragraaf] te beginnen en te eindigen voordat hij [de rouwende] de rij bereikt heeft RAV).

7. Aan de binnenkant: Degenen die het gezicht van de rouwenden kunnen zien (RAV). [Die het dichtst in de rij bij de rouwenden staan, de binnenste twee rijen, zijn druk bezig met het troosten van de rouwenden. Echter na af­loop moeten zij alsnog Sjema zeggen (Tifèret Jisraël).]

8. Aan de buitenkant: Die de gezichten van de rouwenden niet kunnen zien (RAV).


Poeriem kort samengevat
Door Rabbi Shraga Simmons

Poeriem in tien woorden samengevat: Ze probeerden ons te vermoorden; wij wonnen, laten we eten.

Poeriem is het meest dramatische en tegelijk meest vrolijke Joodse feest. Poeriem wordt gevierd op de 14de Adar (in sommige steden, zoals Jeruzalem wordt „Sjoesjan Poeriem op de 15de Adar gevierd).

De voornaamste gebeurtenis is de lezing van het Boek Ester. De „Meĝilla”, zoals het verhaal doorgaans genoemd wordt, speelt zich af in het Perzië van 2.300 jaar geleden, en vertelt hoe een schijnbare reeks onsamenhangende gebeurtenissen worden samengesponnen tot een geheel, dat het Joodse volk redt van uitroeiing. Kort samengevat:

Wanneer Koning Achasjverosj zijn zes maanden durende feest van de eeuw geeft en de koningin weigert gehoor te geven om haar schoonheid te laten bewonderen, wordt zij vervangen door een nieuwe koningin – de Jodin Ester. Esters oom, Mordechai, de leider van de Joden, ontdekt een samenzwering om de koning te vermoorden. Dat brengt hem in een gunstige positie bij de koning en dat komt handig te pas wanneer Haman, de top-raadsheer van de koning, vergunning krijgt om alle Joden uit te roeien. Door een complexe ommekeer van gebeurtenissen verkrijgt Ester echter een tegen-decreet, Haman wordt aan de galg gehangen en Mordechai wordt Minister President.

De naam Meĝillat Ester [Rol van Ester, want het wordt altijd op Poeriem uit een perkamente rol voorgelezen] betekent eigenlijk „het verborgene onthuld.” In tegenstelling tot ieder ander boek uit de Bijbel, wordt in de Meĝillat Ester nergens de naam van G-d genoemd. Maar de verborgen hand van G-d schijnt overal doorheen. Er zijn geen toevalligheden.

 Meĝillat Ester leert ons dat het leven een uitdaging is om het beste te bereiken, want wat eruit ziet als obstakels, blijken in werkelijkheid mogelijkheden te zijn om onszelf beter te ontwikkelen. En het komt allemaal van G-ds onzichtbare hand, die ons lot stap voor stap langs de weg begeleidt.

Poeriem vandaag

Poeriem heeft vier specifieke mitswot:

·        Het lezen van de Meĝilla;

·        Feestvieren en blij zijn (het Poeriemmaal);

·        Het zenden van voedselgeschenken aan vrienden (Misjloach manot);

·        Het geven van giften aan de armen (Matanot laèvjoniem).

Het Boek Ester wordt de avond voor Poeriem gelezen en de volgende ochtend nogmaals. Men moet ieder woord duidelijk horen. We lezen het in de synagoge, want hoe groter de menigte, des te meer publiciteit wordt er gegeven aan het wonder dat wij gered werden.

Op Poeriem-ochtend haasten wij ons door de stad om vrienden te bezoeken en hun lekkere tractaties te brengen – Misjloach manot. Op Poeriem omhelzen wij onze medejoden – onverschillig godsdienstige of sociale verschillen. Ten slotte maakte Haman ook geen onderscheid tussen ons.… daarom is het zo belangrijk om geschenken te geven aan diegenen waarmee wij een „probleem” hebben, of iemand die nieuw is in de gemeenschap en die een nieuwe vriend nodig heeft.

Op Poeriem is het een speciale mitswa om giften of geld aan de armen te geven. Het Joodse volk is één eenheid – we kunnen onmogelijk blij zijn en feestvieren wanneer de armen niet genoeg hebben.

Dan komt de grote finale van de dag: het feestmaal. Wij eten onze lichamen vol, want het waren de Joodse lichamen die Haman wilde vernielen. Wij moeten ons ook te buiten gaan aan alcohol, zodat wij niet meer het verschil weten tussen „vervloekt is Haman” en „gezegend is Mordechai.” Met andere woorden, we drinken totdat wij het verschil niet meer zien tussen goed en kwaad, dat wil zeggen, totdat wij in slaap vallen.

Wij verkleden ons in costuums en zetten maskers op, om onze natuurlijke verdediging te laten vallen en de diepere realiteit van onszelf te onthullen aan de wereld. Al onze huidige problemen en levensfouten smelten samen tot iets goeds, totdat zij een verenigde uitdrukking zijn geworden van de oneindige perfectie van de Almachtige.

Er is werkelijk geen feestdag als Poeriem!

Dit artikel is ook (in het Engels) te vinden op: www.aish.com/purimbasics/purimbasicsdefault/The_ABC_of_Purim.asp


De wekelijkse daf van de Talmoed

Uit Daf Yomi Digest (aangepast)

Megilla 18a

Veeg Amalek de deur uit

De Misjna op daf 17a zegt: Als men het seroegien  leest, heeft men zijn plicht gedaan.

De Rabbijnen, de leerlingen van Rebbi,  wisten niet wat seroegien betekent, totdat, toen zij het huis van Rebbi voor de zoveelste keer die dag binnengingen, zij de dienstmeid van Rebbi tegen hen hoorden zeggen: „Hoe lang zijn jullie nog van plan seroegien seroegien binnen te gaan?” Toen begrepen zij dat het betekende met tussenpozen.”

Een soortgelijk incident: De Rabbijnen wisten niet wat haloglogot betekende, totdat zij van de dienstmeid van Rebbi begrepen dat het postelein is.

Zij begrepen ook niet de betekenis van het vers (Spreuken 4:8): Slaseleha en het zal je verheffen.” Ze leerden van de dienstmeid van Rebbi dat salseleha omdraaien betekent.

De Rabbijnen wisten ook niet van het woord jahav betekende in Psalmen 55:23: Werp je jahav op Hasjem.” Van Rabba bar bar Channa leerden zij dat jahav ‘last’ betekent.

En van de dienstmeid leerden zij de betekenis van het vers [Jesjajahoe 14:23]: „En Ik zal tetatia met een mateatee van vernietiging”. Zij wisten niet wat tetatia met een mateatee was. Totdat zij hoorden hoe de meid tegen iemand zei: Neem deze mateatee [bezem] en tetatia [veeg op] deze rommel van de vloer. Toen begrepen zij dat het vers betekende: Ik zal het wegvegen met een bezem van vernietiging.”

Het jaar 1915 was een turbulent jaar voor oost Europa en de Jodsen en voor de hele wereld: de Eerste Wereldoorlog was op zijn hoogtepunt. In Polen was zelfs een eenvoudig reisje levensgevaarlijk. Daarom, toen de Lev Simcha zt”l ging trouwen, verklaarde zijn vader, de Imrei Emet zt”l dat niemand er ook maar aan mocht denken om te reizen, om het huwelijk bij te wonen. Hij zei: Ieder van hen die anders zouden komen, moet in plaats daarvan maar met ons in gedachten feest vieren in de veiligheid van zijn eigen huis. Niemand mag zichzelf in gevaar brengen in deze gevaarlijke tijden.

Op de avond van het huwelijk, Rosj Chodesj Eloel, was er voor al de aanwezigen een grote verrassing. De vroegere melamed – onderwijzer – van de Imrei Emet, Rav Hirsch Ber Bronspiegel, zt”l, had werkelijk een grote afstand gereisd om het feest van de familie mee te mogen maken, ondanks zijn vergevorderde leeftijd. Hij was toen al over de negentig jaar. Hoewel de Rebbe blij was toen hij zijn oude mentor zag, was hij niettemin verstoord dat Rav Bronspiegel de lange en gevaarlijke reis gemaakt had.

De Rebbe gaf zijn dagelijkse sji’oer en Rav Hirsch voegde zich bij de groep om de sji’oer mee te horen. Toen de Rebbe begon te discussiëren over het eind van daf 18a van traktaat Megilla, vroeg Rav Hirsch: We zien dat de amoed [bladzijde] eindigt met twee verzen, die woorden bevatten, waarvan de geleerden de betekenis niet begrepen, maar die zij later leerden toen zij hoorden hoe de dienstmeid van Rebbi die woorden gebruikte in hun juiste context. Het eerste vers was (Psalmen 55:23): Werp je jahav op Hasjem.” hetgeen betekent: Werp je last op Hasjem,” en het tweede was: [Jesjajahoe 14:23]: „En Ik zal tetatia met een mateatee van vernietiging – Ik zal het met de bezem der vernietiging wegvegen.”

In Rosj Hasjana 26 vinden we dezelfde vraag en hetzelfde antwoord, maar de volgorde ervan is omgekeerd. Waarom?

De Rebbe wachtte geduldig tot Rav Hirsch het antwoord zou geven op zijn eigen vraag.

De Isjbitzer Rebb, zt”l, leert dat de Gemara eindigt met de meest relevante vraag voor ons. In traktaat Rosj Hasjana is het thema de rechtspraak en hartstochtelijk gebed is dan het voornaamste. Daarom eindigden Chazal daar met het advies dat men zijn lasten aan Hasjem moet toevertrouwen. Maar in traktaat Megilla is het thema Poeriem. Daarom eindigden zei met het vers dat zinspeelt op de mitswa van de dag: om Amalek weg te vegen!”


Bij de Joden was licht en vreugde

Vers 8:16: „Bij de Joden was licht en vreugde, blijdschap en eer.” Rav Jehoeda verklaart: ‘Licht’ is Tora, ‘vreugde’ is Jom Tov, ‘blijdschap’ is besnijdenis en ‘eer’ is tefillien, want er staat geschreven [Dew. 28:10]: „Want alle volken van de wereld zullen zien dat de naam van G-d op jou genoemd is en zij zullen ontzag voor je hebben.” R. Eliëzer zei: deze ontzag inboezemende voorwerpen zijn de tefillien van het hoofd.

 ¯ ¯ ¯