Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 211 Parasjat Teroema  6 Adar 5767

 24 februari 2007

Overzicht Troema

H

ashem geeft Mosjé de opdracht om een Misjkan (heiligdom) te bouwen en geeft hem gedetailleerde instructies. De Israëlieten worden gevraagd hun kostbare metalen en edelstenen te geven voor dat doel, als mede weefsels, huiden, olie en specerijen. Op de binnenplaats van het Misjkan is een altaar voor de brandoffers en een wasbekken voor de Kohaniem – priesters – om hun handen en voeten te was­sen. De Tent van de Samenkomst wordt door een gordijn in twee vertrekken verdeeld. Het buitenste vertrek is alleen toegankelijk voor de Kohaniem, de nakomelingen van Aharon. Hier staat een tafel met toonbroden, de menora – zevenarmige kandelaar – en het gouden reukwerk altaar. De binnenste kamer, het Heiligste der Heiligen, mag alleen door de Kohen Gadol – de hoge priester – betreden worden en dan nog alleen maar eenmaal per jaar, op Jom Kippoer. Hier staat de Ark, waarin de Tien Geboden, ingegraveerd in de twee ste­nen tabletten, liggen, die Hasjem op de Berg Sinai aan het Joodse Volk gegeven heeft. Al de voorwerpen en al het vaatwerk, dat in het Misjkan gebruikt moet worden, zowel als de constructie van het Misjkan, worden uitgebreid en in detail beschreven.

Met toestemming vertaald uit Torah Weekly van Ohr Somayach in Jerusalem, Israel

©1998 Ohr Somayach International - All rights reserved.

Haftarat Troema (I Koningen 5:26-6:13)

De bouw van de Tempel van Koning Salomo

De Haftara begint met de grote wijsheid van Koning Salomo te vermelden van en dat er vrede heerste tussen Koning Salomo en Chiram, de koning van Tyrus (gelegen in het hedendaagse Libanon). Koning Salomo recruteerde 30.000 man om in Libanon te werken. Hij rouleerde hen in groepen van 10.000 per keer. Hij stuurde iedereen voor een maand naar Libanon en dan mochten ze terugkomen en twee maanden thuisblijven. Er werkten 150.000 mensen aan de Tempel, met 3.300 opzichters. Zij begonnen met het uithakken en vervoer van reusachtige stenen voor de fundering van de Tempel. 480 jaar na de Exodus uit Egypte, in het vierde jaar van de regering van Koning Salomo (toen hij 16 jaar was) begon hij met de bouw van de Tempel. De Tempel was 60 el lang, 20 el breed en 30 el hoog. Verdere informatie wordt gegeven over de bouw van de Tempel. De Tempel werd gebouwd van hele stenen en het metaal van gereedschap werd daarbij niet ge­hoord. De Tempel werd met balken en cederhout afgedekt. De Haftara besluit met de woorden van Hasjem: „Wat dit huis bouwt, dat je bouwt, indien je wandelt volgens Mijn wetten en Mijn rechtsvoorschriften zult uitvoeren en als je al Mijn geboden zult naleven en die zal volgen, dan zal Ik Mijn belofte, die Ik je vader David heb gedaan, met jou nakomen, en dan zal Ik daar wonen, te midden van de Israëlieten en Ik zal Mijn volk Israël nooit verlaten.”

Het verband tussen de parasja en de Haftara

De parasja vertelt ons over de bouw van het Misjkan (letterlijk: de Woning [van Hasjem], de reizende Tempel), waarin de heilige voorwerpen van het Joodse volk bewaard werden. Het Misjkan bevatte de Aron Hakodesj [de Heilige Ark] van het Verbond, waarin de Stenen Tafelen met de Tien Geboden lagen, de Menora [de zevenarmige kandelaar] en het Offer-altaar. In de Haftara lezen wij over de bouw van het Beit HaMikdasj – de Tempel, dat na 480 jaar de plaats in nam van het Misjkan.

De betekenis van de parasja en de Haftara voor vandaag

Het Misjkan wordt in Tora ook de Tent der Samenkomst genoemd. Daar verzamelde het volk zich om te horen wat Mosjé Rabbeinoe hen te leren had. In het Beit HaMikdasj kwam het volk bijeen om de zegeningen van de Kohaniem [de priesters] in ontvangst te nemen.

Vandaag hebben wij, ten gevolge van onze grote zonden, geen Tempel en geen Misjkan meer, maar we hebben wel een Huis van Samenkomst, een Beit Knesset of Synagoge [lett.: huis van samenkomst of vergaderplaats] waar we kunnen horen voorlezen uit Tora en gezamelijk kunnen leren. Wanneer wij allen op Sjabbat samen naar de synagoge komen (en iemand uitnodigen die anders niet zou komen), misschien krijgen wij dan weer het Grote Huis van Samenkomst terug. 


Inzicht in de Parasja

Het ongekende

De parasjiot  (afdelingen) van de Tora komen vaak in paren, waarbij de tweede parasja de thema’s die in de eerste parasja geïntroduceerd werden, uitbreidt en verdiept. De twee parasjiot die handelen over de wetten die op de berg Sinai gegeven werden, Jitro en Misjpatiem, worden nu gevolgd door twee parasjiot die gaan over de bouw van het Misjkan (let.: de Woning. Het Heiligdom, ook wel Tabernakel genoemd), namelijk Teroema en Tetsawee. Troema gaat hoofdzakelijk over de bouw van het Misjkan en zijn onderdelen, terwijl Tetsawee de kleren en de inwijding van de Kohaniem  priesters, die in het Misjkan dienst deden, behandelt.

Het Misjkan, ongeveer twintig meter lang, was gelegen in het centrum van het Joodse kampement. Het was verdeeld in twee vertrekken. Het grootste vertrek, de Voorkamer, bevatte de menora − de gouden zeven-armige kandelaar − de Tafel met de Toonbroden en het Gouden Altaar. De kleinere kamer, bekend als het Heilige de Heiligen, bevatte de Ark van het Verbond, waarin de Stenen Tabletten met de Tien Geboden lagen. Het dagelijkse werk van de Kohaniem vond plaats in de voor­kamer, terwijl het Heilige der Heiligen uitsluitend en alleen toegankelijk was voor de Kohen Gadol, en dan nog slechts eenmaal per jaar, op Jom Kippoer − Grote Verzoendag.

Hoewel het idee van het Misjkan ver verwijderd lijkt van onze realiteit van vandaag, vertegenwoordigde het in de wereld van Tora de vervol­making van een proces dat zich uitstrekte over anderhalf boek (Genesis en de helft van Exodus) en dat 26 generaties bleef bestaan. In het Paradijs, de Tuin van Eden, kon de mensheid de stem van G-d horen. Sedert het verlies van het Paradijs echter, is de spirituele harmonie tussen G-d en de mensheid verbroken. Op de berg Sinai werd deze relatie ten slotte weer hersteld. Hemel en aarde raakten elkaar weer. Maar het Joodse volk kon niet voor eeuwig naast Sinai gelegerd blijven.

Wat zou er uiteindelijk gebeuren met deze Sinai-ervaring in de loop van de tijd? Zou het eenvoudig langzaam maar zeker verdwijnen zodra het Joodse volk zijn tocht begon, en de herinnering aan het Gebeuren op Sinai zou vervagen? Hoe kon het Joodse volk dit levensveranderende, wereldingrijpende moment bewaren?

Het uiteindelijke doel van het Misjkan was om een fysieke plaats te creëren, die de spirituele band zou vasthouden, die er was tussen G‑d en het Joodse volk en die zijn hoogtepunt bereikte op Sinai. „En daar zal Ik Mijn onmoetingen met jou vaststellen en Ik zal met je spreken van boven de deksel [van de Ark]” (Ex. 25:22). Nachmanides (Ramban) noemt het Misjkan een draagbare berg Sinai.

Iedere relatie vereist vernieuwing en moet af en toe nieuw leven ingeblazen krijgen, en soms is zelfs reparatie nodig. Het Misjkan was het instrument dat voor deze doeleinden dienst deed, voor de relatie tussen G-d en het Joodse volk.

Het symbolisme van de structuur en de componenten van het Misjkan weerspiegelen het geheim van de instandhouding van de relatie tussen G-d en het Joodse volk. De parasja van deze week geeft details van de twee voornaamste voorwerpen in de „Voorkamer,” de Tafel en de Menora. Op de Tafel, die langs de noord­wand van het Misjkan stond, lagen de twaalf Toonbroden, die door de Kohaniem, die de afgelopen week dienst gedaan hadden in het Misjkan, op Sjabbat werden gegeten. De broden symboliseerden de fysieke en materiële voeding van het Joodse volk. De Talmoed (Bawa Batra 25b) beschrijft dat iemand die er financiëel op vooruit wilde gaan, naar de Tafel moest kijken en daar inspiratie uit moest putten.

De Menora, een zevenarmige kandelaar, werd dagelijks aangestoken door de Kohaniem. Hij stond langs de zuidelijke wand van het Misjkan. Zijn licht symboliseerde de menselijke verlichting en begrip. De Talmoed vertelt dat als iemand wijs wilde worden, hij naar de Menora kwam kijken. Zo ook waren de vrouwen van Tekoa (een dorp ten zuiden van Jeruzalem) bekend om hun wijsheid, dankzij hun nauwgezet gebruik  van olijfolie voor het aansteken van de Sjabbat-lampen (Menachot 85b). Deze bronnen vormden de basis voor de gewoonten om op vrijdagavond na het aansteken van de Sjabbat-kaarsen, en tijdens de Kiddoesj naar de lichtjes te kijken.

De Voorkamer, die de materiële en intellectuele prestaties van de mensheid representeerde, was echter niet de eindbestemming. Het was inderdaad de ‘Voorkamer’ tot de essentie van het Misjkan, het ‘Heilige der Heiligen” − de Kodesj HaKodasjiem. Daarin stond de Ark waarin de Tabletten met de Tien Geboden lagen, de fysieke herinnering van het contact tussen de mens en het transcedente.

Echter, deze kamer, het hart van het Misjkan en van het Joodse kamp, was ontoegankelijk voor bijna heel het Joodse volk. Meer dan iets anders symboliseerde het Heilige der Heiligen datgene wat onbereikbaar,  ontoegankelijk en buiten het menselijke domein lag. In tegenstelling tot de hedendaagse synagogen, die bedoeld zijn als huizen van samenkomst en gebed, was het Misjkan in de eerste plaats een huis van mysterie.

De aanwezigheid van deze onbereikbare, onkenbare realiteit, deze verborgen kamer, zou de herinnering aan het moment op de berg Sinai levend houden. Het primaire obstakel om de spirituele harmonie tussen de mens en G-d in stand te houden, is de afwezigheid van het bewustzijn dat er iets bestaat buiten deze fysieke wereld. Het niet horen van G-ds stem is vaak alleen maar het gevolg van daar niet naar te luisteren. De ver­borgenheid van het Heilige der Heiligen herinnerde het Joodse volk aan de „niet-gekende” realiteit in deze wereld, en nodigde hen uit om te luisteren naar en beïnvloed te worden door datgene wat daar voorbij ligt.

---

Misjna van de week − Berachot

Hoofdstuk 2

Misjna 8

Wanneer een bruidegom op de eerste avond [van zijn huwelijk] Sjema’ wil zeggen, dan mag hij dat zeggen. Rabban Sjim’on ben Gamliël zegt: Niet iedereen die een „naam”1 wil verkrijgen, krijgt die2.

Aantekeningen bij Misjna 2:8

1. De naam dat hij zorgvuldig is in de uitvoering van de mitswot.

2. Niet iedereen die een naam wil verkrijgen, krijgt die: Wanneer hij niet bekend staat als een geleerde, die ook in andere dingen bekend staat, dan is het slechts hoog­hartigheid, want hij laat zien hoe hij zijn hart kan beheersen. Maar de halacha is niet volgens Rabban Sjim’on ben Gamliël. Wij zien dat een aantal van onze geleerden zeggen dat tegenwoordig iedereen Sjema’ moet zeggen op de eerste avond [van zijn huwelijk], omdat in deze ge­neraties men zich ook op de overige dagen niet zo sterk concen­treert. En als hij het niet op de eerste avond zou zeggen zou dat juist hooghar­tig lijken. Want dan geeft hij daarmee voor, alsof hij op de andere dagen zich wel zo voortreffelijk concentreert, behalve nu, omdat hij zo bezorgd is voor de mitswa [van de coïtus] (RAV).

Hoofdstuk 3

Misjna 1

Iemand wiens dode [familielid] voor hem ligt1, is vrijgesteld van het lezen van Sjema2 [en van de tefilla] en van tefillien. De dragers van de baar en hun vervangers3 en degenen die de vervangers ver­vangen, zowel diegenen die zich voor de kist bevinden4, als degenen er­achter5, zijn vrijgesteld. Maar wie de baar niet hoeven te dragen6, die zijn verplicht [Sjema te zeggen]. Maar zij zijn allen vrijgesteld van de te­filla7.

Aantekeningen bij Misjna 3:1

1. Iemand wiens dode voor hem ligt: D.w.z. één van de naaste familie­leden voor wie men verplicht is te rouwen [vader, moeder, echtgenoot, echtgenote, zoon, dochter, broer en zuster] en die men verplicht is te begraven (RAV).

2. Is vrijgesteld van het lezen van Sjema omdat hij bezig is met een mitswa [n.l. het begraven van een dode] (RAV).

3. En hun vervangers: Want het is de gewoonte dat men elkaar aflost [bij het dragen van de kist]. Want ieder wil bijdragen aan de mitswa [om de dode naar zijn graf te dragen] (RAV).

4. Die zich voor de kist bevinden: Degenen die staan te wachten om de kist te dragen wanneer die hen bereikt heeft (RAV).

5. Als degenen er­achter: D.w.z, zowel degenen die voor de baar uit lopen of staan, als dege­nen die er achter lopen, wanneer zij nodig zijn om de baar te helpen dragen, dan zijn zij vrijgesteld (RAV).

6. Maar wie de baar niet hoeven te dragen: Wie alleen de dode [naar zijn graf] begeleidt om hem eer te bewijzen, is verplicht [Sjema te zeggen] (RAV).

7. Maar zij zijn allen vrijgesteld van de te­filla: Want dat is geen verplichting van Tora, zoals het lezen van Sjema. En sommigen zeggen [dat zij zijn vrijgesteld van tefilla] omdat het meer concentratie vergt [en deze „sommigen” menen dat tefilla wel mid’oraita is, zoals Rambam] (RAV).

---

 De Halacha van de week

Uit de Sjoelchan Aroech Orech Chaim

Hoofdstuk 70 Wie is vrijgesteld van het zeggen van Sjema

3. Als iemand een (10) maagd trouwt, is hij vrijgesteld (11) van het zeggen van Sjema (12) gedurende drie dagen, (13) mits hij de daad [de coïtus] nog niet gedaan heeft, omdat hij dan geheel in beslag genomen wordt met [de gedachte aan] deze mitswa.

Echter, dit gold alleen in de tijd van vroeger, maar tegenwoordig, nu andere mensen Sjema ook niet met de nodige concentratie zeggen, moet iemand die een maagd huwt, (14) het ook zeggen.

Misjna Beroera

(10) Maagd. Dit is omdat hij geheel in beslag genomen wordt met de [gedachte aan de] uitvoering van een mitswa, want hij moet voortdurend denken aan het maagdenvlies. Wanneer men een weduwe huwt heeft men dit probleem niet en dan geldt het niet.

(11) Van het zeggen van Sjema. En zijn berachot. Overeenkomstig is hij ook vrijgesteld van het Sjemonee Esree- gebed.

(12) Gedurende drie dagen. En vier nachten. Bijvoorbeeld, als men op woensdagmiddag trouwt, is men vrijgesteld tot en met Motsaei Sjabbat.

Er kan zich soms een situatie voordoen, waarbij de bruidegom vier dagen is vrijgesteld van het zeggen van Sjema. Bijvoorbeeld als hij op woensdagochtend onder de choepa gaat, voordat hij die ochtend Sjema gezegd heeft, dan is hij vier dagen vrijgesteld van het zeggen van Sjema.

(13) Mits hij de daad nog niet gedaan heeft. Maar wanneer hij de daad [de coïtus] al gedaan heeft, dan is hij niet meer in beslag genomen en dan is hij verplicht Sjema te zeggen. Ook vanaf het einde van deze periode [van drie dagen] is hij verplicht Sjema te zeggen, zelfs al heeft hij nog geen huwelijksgemeenschap met zijn bruid gehad. De reden hiervoor is, dat wanneer eenmaal drie dagen zijn verlopen, zonder dat hij de daad heeft uitgevoerd, dan heeft hij van de zaak afstand gedaan en dan is hij er helemaal niet meer mee bezig.

(14) Het ook zeggen. Dat wil zeggen dat hij verplicht is het te zeggen, samen met de berachot, overeenkomstig de halachische voorschriften. Hij moet ook het achttiengebed zeggen, want aangezien hij verplicht is Sjema te zeggen, is hij ook de Sjemonee Esree verplicht te zeggen.

Als hij Sjema niet zegt, wekt hij de indruk alsof hij pretentieus is, alsof hij daarmee wil tot uitdrukking brengen dat hij zich altijd volledig op Sjema concentreert.

Hoofdstuk 71 Een rouwende en wie zich met de dode bezig houdt, is vrijgesteld van het zeggen van Sjema

1. Wanneer een familielid van iemand, (1) voor wie hij verplicht is de rouwen, overleden is, dan is hij, zelfs al is hij (2) niet verantwoordelijk voor de begrafenis, (3) vrijgesteld van het zeggen van Sjema (4) en van Sjemonee Esree. En zelfs (5) als hij streng voor zichzelf wil zijn en hij wil toch Sjema zeggen, dan mag hij dat niet. Maar als hij iemand heeft die de begrafenis voor hem regelt, en hij wil dan streng zijn voor zichzelf en het zeggen, dan moet men daar niet tegen protesteren.

Misjna Beroera

(1) Voor wie hij verplicht is.  Er zijn zeven van die familieleden: een vader, moeder, zoon, dochter, broer, zuster en echtgenote.

(2) Niet verantwoordelijk. Bijvoorbeeld, als zijn zuster overlijdt en zij was getrouwd, dan rust de verplichting op haar echtgenoot.

(3) Hij is vrijgesteld. Wanneer hij toch Sjema zegt, heeft hij zijn plicht niet gedaan en moet hij het na de begrafenis nogmaals zeggen.

(4) En van Sjemonee Esree. Hij is ook vrijgesteld van alle berachot voor iets waar men profijt van heeft en van alle positieve geboden van Tora. Wanneer hij brood wil eten, dan moet hij wel zijn handen wassen, maar hij zegt niet de beracha Al netilat jadajiem en ook niet HaMotsie.

Er is vaak een begrafenis-organisatie in de stad, zodat dragers zijn die de dode het huis uit dragen naar de begraaf­plaats, zodat de familie de dode aan hen kunnen overdragen, en zij begraven hem dan. Zodra de familie de dode aan de begrafenis-organisatie heeft overgedragen, worden zij volledig verplicht in alle mitswot. Dit geldt zelfs voordat de dra­gers de dode het huis hebben uitgedragen. Immers, zodra de familie de dode aan de zorg van de begrafenis-organisatie heeft overgedragen, zijn zij er zelf niet meer verantwoordelijk voor.

Daarom is het onjuist met de gebeden te wachten tot na de begrafenis, wanneer men onmiddellijk met een begrafenis­onderneming tot overeenstemming is gekomen over het graf en de lijkkleren, de prijs enz. Maar zolang zij daar niet mee in overeenstemming zijn gekomen, zijn zij vrijgesteld tot na de begrafenis.

(5) Als hij streng voor zichzelf wil zijn. Dit betreft vermoedelijk een situatie, waarin er niemand anders is die voor de dode kan zorgen. Maar ook is het zo dat de Geleerden dit verbod hebben ingesteld uit respect voor de dode, opdat de mensen niet zouden denken dat hij niet om dit dode familielid geeft en niet aangedaan is door zijn dood.