|
Overzicht Troema
ashem geeft Mosjé de opdracht om een Misjkan (heiligdom) te
bouwen en geeft hem gedetailleerde instructies. De Israëlieten worden
gevraagd hun kostbare metalen en edelstenen te geven voor dat doel,
als mede weefsels, huiden, olie en specerijen. Op de binnenplaats van
het Misjkan is een altaar voor de brandoffers en een wasbekken
voor de Kohaniem – priesters – om hun handen en voeten te
wassen. De Tent van de Samenkomst wordt door een gordijn in twee
vertrekken verdeeld. Het buitenste vertrek is alleen toegankelijk voor
de Kohaniem, de nakomelingen van Aharon. Hier staat een
tafel met toonbroden, de menora – zevenarmige kandelaar – en
het gouden reukwerk altaar. De binnenste kamer, het Heiligste der
Heiligen, mag alleen door de Kohen Gadol – de hoge priester –
betreden worden en dan nog alleen maar eenmaal per jaar, op Jom
Kippoer. Hier staat de Ark, waarin de Tien Geboden, ingegraveerd in de
twee stenen tabletten, liggen, die Hasjem op de Berg Sinai aan het
Joodse Volk gegeven heeft. Al de voorwerpen en al het vaatwerk, dat in
het Misjkan gebruikt moet worden, zowel als de constructie van
het Misjkan, worden uitgebreid en in detail beschreven.
©1998
Ohr Somayach International - All rights reserved.
Haftarat Troema
(I Koningen 5:26-6:13)
De bouw van de Tempel van Koning
Salomo
De Haftara begint met de grote
wijsheid van Koning Salomo te vermelden van en dat er vrede heerste
tussen Koning Salomo en Chiram, de koning van Tyrus (gelegen in het
hedendaagse Libanon). Koning Salomo recruteerde 30.000 man om in
Libanon te werken. Hij rouleerde hen in groepen van 10.000 per keer.
Hij stuurde iedereen voor een maand naar Libanon en dan mochten ze
terugkomen en twee maanden thuisblijven. Er werkten 150.000 mensen aan
de Tempel, met 3.300 opzichters. Zij begonnen met het uithakken en
vervoer van reusachtige stenen voor de fundering van de Tempel. 480
jaar na de Exodus uit Egypte, in het vierde jaar van de regering van
Koning Salomo (toen hij 16 jaar was) begon hij met de bouw van de
Tempel. De Tempel was 60 el lang, 20 el breed en 30 el hoog. Verdere
informatie wordt gegeven over de bouw van de Tempel. De Tempel werd
gebouwd van hele stenen en het metaal van gereedschap werd daarbij
niet gehoord. De Tempel werd met balken en cederhout afgedekt. De
Haftara besluit met de woorden van Hasjem: „Wat dit huis bouwt, dat je
bouwt, indien je wandelt volgens Mijn wetten en Mijn
rechtsvoorschriften zult uitvoeren en als je al Mijn geboden zult
naleven en die zal volgen, dan zal Ik Mijn belofte, die Ik je vader
David heb gedaan, met jou nakomen, en dan zal Ik daar wonen, te midden
van de Israëlieten en Ik zal Mijn volk Israël nooit verlaten.”
Het verband tussen de parasja
en de Haftara
De parasja vertelt ons over de
bouw van het Misjkan (letterlijk: de Woning [van Hasjem], de
reizende Tempel), waarin de heilige voorwerpen van het Joodse volk
bewaard werden. Het Misjkan bevatte de Aron Hakodesj [de
Heilige Ark] van het Verbond, waarin de Stenen Tafelen met de Tien
Geboden lagen, de Menora [de zevenarmige kandelaar] en het
Offer-altaar. In de Haftara lezen wij over de bouw van het Beit
HaMikdasj – de Tempel, dat na 480 jaar de plaats in nam van het
Misjkan.
De betekenis van de parasja en
de Haftara voor vandaag
Het Misjkan wordt in Tora ook de
Tent der Samenkomst genoemd. Daar verzamelde het volk zich om te horen
wat Mosjé Rabbeinoe hen te leren had. In het Beit HaMikdasj
kwam het volk bijeen om de zegeningen van de Kohaniem [de
priesters] in ontvangst te nemen.
Vandaag hebben wij, ten gevolge
van onze grote zonden, geen Tempel en geen Misjkan meer, maar we
hebben wel een Huis van Samenkomst, een Beit Knesset of
Synagoge [lett.: huis van samenkomst of vergaderplaats] waar we kunnen
horen voorlezen uit Tora en gezamelijk kunnen leren. Wanneer wij allen
op Sjabbat samen naar de synagoge komen (en iemand uitnodigen die
anders niet zou komen), misschien krijgen wij dan weer het Grote Huis
van Samenkomst terug.
Inzicht in de
Parasja
Het ongekende
De parasjiot (afdelingen)
van de Tora komen vaak in paren, waarbij de tweede parasja de
thema’s die in de eerste parasja geïntroduceerd werden, uitbreidt en
verdiept. De twee parasjiot die handelen over de wetten die op de berg
Sinai gegeven werden, Jitro en Misjpatiem, worden nu
gevolgd door twee parasjiot die gaan over de bouw van het Misjkan
(let.: de Woning. Het Heiligdom, ook wel Tabernakel genoemd), namelijk
Teroema en Tetsawee. Troema gaat hoofdzakelijk over de
bouw van het Misjkan en zijn onderdelen, terwijl Tetsawee de kleren en
de inwijding van de Kohaniem priesters, die in het Misjkan
dienst deden, behandelt.
Het Misjkan, ongeveer twintig
meter lang, was gelegen in het centrum
van
het Joodse kampement. Het was verdeeld in twee vertrekken. Het
grootste vertrek, de Voorkamer, bevatte de menora − de gouden
zeven-armige kandelaar − de Tafel met de Toonbroden en het Gouden
Altaar. De kleinere kamer, bekend als het Heilige de Heiligen, bevatte
de Ark van het Verbond, waarin de Stenen Tabletten met de Tien Geboden
lagen. Het dagelijkse werk van de Kohaniem vond plaats in de
voorkamer, terwijl het Heilige der Heiligen uitsluitend en alleen
toegankelijk was voor de
Kohen Gadol,
en dan nog slechts eenmaal per jaar, op Jom Kippoer − Grote
Verzoendag.
Hoewel het idee van het Misjkan
ver verwijderd lijkt van onze realiteit van vandaag, vertegenwoordigde
het in de wereld van Tora de vervolmaking van een proces dat zich
uitstrekte over anderhalf boek (Genesis en de helft van Exodus) en dat
26 generaties bleef bestaan. In het Paradijs, de Tuin van Eden, kon de
mensheid de stem van G-d horen. Sedert het verlies van het Paradijs
echter, is de spirituele harmonie tussen G-d en de mensheid verbroken.
Op de berg Sinai werd deze relatie ten slotte weer hersteld. Hemel en
aarde raakten elkaar weer. Maar het Joodse volk kon niet voor eeuwig
naast Sinai gelegerd blijven.
Wat zou er uiteindelijk gebeuren
met deze Sinai-ervaring in de loop van de tijd? Zou het eenvoudig
langzaam maar zeker verdwijnen zodra het Joodse volk zijn tocht begon,
en de herinnering aan het Gebeuren op Sinai zou vervagen? Hoe kon het
Joodse volk dit levensveranderende, wereldingrijpende moment bewaren?
Het uiteindelijke doel van het
Misjkan was om een fysieke plaats te creëren, die de spirituele band
zou vasthouden, die er was tussen G‑d en het Joodse volk en die zijn
hoogtepunt bereikte op Sinai. „En daar zal Ik Mijn onmoetingen met jou
vaststellen en Ik zal met je spreken van boven de deksel [van de Ark]”
(Ex. 25:22). Nachmanides (Ramban) noemt het Misjkan een draagbare berg
Sinai.
Iedere relatie vereist
vernieuwing en moet af en toe nieuw leven ingeblazen krijgen, en soms
is zelfs reparatie nodig. Het Misjkan was het instrument dat voor deze
doeleinden dienst deed, voor de relatie tussen G-d en het Joodse volk.
Het symbolisme van de structuur
en de componenten van het Misjkan weerspiegelen het geheim van de
instandhouding van de relatie tussen G-d en het Joodse volk. De
parasja van deze week geeft details van de twee voornaamste voorwerpen
in de „Voorkamer,” de Tafel en de Menora. Op de Tafel, die langs de
noordwand van het Misjkan stond, lagen de twaalf Toonbroden, die door
de Kohaniem, die de afgelopen week dienst gedaan hadden in het
Misjkan, op Sjabbat werden gegeten. De broden symboliseerden de
fysieke en materiële voeding van het Joodse volk. De Talmoed (Bawa
Batra 25b) beschrijft dat iemand die er financiëel op vooruit wilde
gaan, naar de Tafel moest kijken en daar inspiratie uit moest putten.
De Menora, een zevenarmige
kandelaar, werd dagelijks aangestoken door de Kohaniem. Hij
stond langs de zuidelijke wand van het Misjkan. Zijn licht
symboliseerde de menselijke verlichting en begrip. De Talmoed vertelt
dat als iemand wijs wilde worden, hij naar de Menora kwam kijken. Zo
ook waren de vrouwen van Tekoa (een dorp ten zuiden van Jeruzalem)
bekend om hun wijsheid, dankzij hun nauwgezet gebruik van olijfolie
voor het aansteken van de Sjabbat-lampen (Menachot 85b). Deze bronnen
vormden de basis voor de gewoonten om op vrijdagavond na het aansteken
van de Sjabbat-kaarsen, en tijdens de Kiddoesj naar de lichtjes te
kijken.
De Voorkamer, die de materiële en
intellectuele prestaties van de mensheid representeerde, was echter
niet de eindbestemming. Het was inderdaad de ‘Voorkamer’ tot de
essentie van het Misjkan, het ‘Heilige der Heiligen” − de Kodesj
HaKodasjiem. Daarin stond de Ark waarin de Tabletten met de Tien
Geboden lagen, de fysieke herinnering van het contact tussen de mens
en het transcedente.
Echter, deze kamer, het hart van
het Misjkan en van het Joodse kamp, was ontoegankelijk voor bijna heel
het Joodse volk. Meer dan iets anders symboliseerde het Heilige der
Heiligen datgene wat onbereikbaar, ontoegankelijk en buiten het
menselijke domein lag. In tegenstelling tot de hedendaagse synagogen,
die bedoeld zijn als huizen van samenkomst en gebed, was het Misjkan
in de eerste plaats een huis van mysterie.
De aanwezigheid van deze
onbereikbare, onkenbare realiteit, deze verborgen kamer, zou de
herinnering aan het moment op de berg Sinai levend houden. Het
primaire obstakel om de spirituele harmonie tussen de mens en G-d in
stand te houden, is de afwezigheid van het bewustzijn dat er iets
bestaat buiten deze fysieke wereld. Het niet horen van G-ds stem is
vaak alleen maar het gevolg van daar niet naar te luisteren. De
verborgenheid van het Heilige der Heiligen herinnerde het Joodse volk
aan de „niet-gekende” realiteit in deze wereld, en nodigde hen uit om
te luisteren naar en beïnvloed te worden door datgene wat daar voorbij
ligt.
Misjna van de week −
Berachot
Hoofdstuk 2
Misjna 8
Wanneer een bruidegom op de eerste avond [van zijn
huwelijk] Sjema’ wil zeggen, dan mag hij dat zeggen. Rabban
Sjim’on ben Gamliël zegt: Niet iedereen die een „naam”
wil verkrijgen, krijgt die.
Aantekeningen
bij Misjna 2:8
2. Niet iedereen die een
naam wil verkrijgen, krijgt die: Wanneer hij niet bekend staat als
een geleerde, die ook in andere dingen bekend staat, dan is het
slechts hooghartigheid, want hij laat zien hoe hij zijn hart kan
beheersen. Maar de halacha is niet volgens Rabban Sjim’on ben Gamliël.
Wij zien dat een aantal van onze geleerden zeggen dat tegenwoordig
iedereen Sjema’ moet zeggen op de eerste avond [van zijn
huwelijk], omdat in deze generaties men zich ook op de overige dagen
niet zo sterk concentreert. En als hij het niet op de eerste avond
zou zeggen zou dat juist hooghartig lijken. Want dan geeft hij
daarmee voor, alsof hij op de andere dagen zich wel zo voortreffelijk
concentreert, behalve nu, omdat hij zo bezorgd is voor de mitswa [van
de coïtus] (RAV).
Hoofdstuk 3
Misjna 1
Iemand wiens dode [familielid] voor hem ligt,
is vrijgesteld van het lezen van Sjema
[en
van de tefilla]
en van tefillien. De dragers van de baar en hun vervangers
en degenen die de vervangers vervangen, zowel diegenen die zich voor
de kist bevinden,
als degenen erachter,
zijn vrijgesteld. Maar wie de baar niet hoeven te dragen,
die zijn verplicht [Sjema te zeggen]. Maar zij zijn allen
vrijgesteld van de tefilla.
Aantekeningen
bij Misjna 3:1
De
Halacha van de week
Uit de Sjoelchan Aroech
Orech Chaim
Hoofdstuk 70 Wie is vrijgesteld van het zeggen van Sjema
3. Als iemand een
(10)
maagd trouwt, is hij vrijgesteld
(11)
van het zeggen van Sjema
(12)
gedurende drie dagen,
(13)
mits hij de daad [de coïtus] nog niet gedaan heeft, omdat hij dan
geheel in beslag genomen wordt met [de gedachte aan] deze mitswa.
Echter, dit gold alleen in de tijd van vroeger, maar
tegenwoordig, nu andere mensen Sjema ook niet met de nodige
concentratie zeggen, moet iemand die een maagd huwt,
(14)
het ook zeggen.
Misjna Beroera
(10) Maagd.
Dit is omdat hij geheel in beslag genomen wordt met de [gedachte aan
de] uitvoering van een mitswa, want hij moet voortdurend denken aan
het maagdenvlies. Wanneer men een weduwe huwt heeft men dit probleem
niet en dan geldt het niet.
(11) Van het zeggen van
Sjema. En zijn
berachot. Overeenkomstig is hij ook vrijgesteld van het Sjemonee
Esree- gebed.
(12) Gedurende drie
dagen. En vier
nachten. Bijvoorbeeld, als men op woensdagmiddag trouwt, is men
vrijgesteld tot en met Motsaei Sjabbat.
Er kan zich soms een
situatie voordoen, waarbij de bruidegom vier dagen is vrijgesteld van
het zeggen van Sjema. Bijvoorbeeld als hij op woensdagochtend onder de
choepa gaat, voordat hij die ochtend Sjema gezegd heeft, dan is hij
vier dagen vrijgesteld van het zeggen van Sjema.
(13) Mits hij de daad nog
niet gedaan heeft.
Maar wanneer hij de daad [de
coïtus] al gedaan heeft, dan is hij niet meer in beslag genomen en dan
is hij verplicht Sjema te zeggen. Ook vanaf het einde van deze periode
[van drie dagen] is hij verplicht Sjema te zeggen, zelfs al heeft hij
nog geen huwelijksgemeenschap met zijn bruid gehad. De reden hiervoor
is, dat wanneer eenmaal drie dagen zijn verlopen, zonder dat hij de
daad heeft uitgevoerd, dan heeft hij van de zaak afstand gedaan en dan
is hij er helemaal niet meer mee bezig.
(14) Het ook zeggen.
Dat wil zeggen dat hij verplicht is het te zeggen, samen met de
berachot, overeenkomstig de halachische voorschriften. Hij moet ook
het achttiengebed zeggen, want aangezien hij verplicht is Sjema te
zeggen, is hij ook de Sjemonee Esree verplicht te zeggen.
Als hij Sjema niet zegt,
wekt hij de indruk alsof hij pretentieus is, alsof hij daarmee wil tot
uitdrukking brengen dat hij zich altijd volledig op Sjema
concentreert.
Hoofdstuk 71 Een rouwende en wie zich met de dode bezig houdt, is
vrijgesteld van het zeggen van Sjema
1. Wanneer een
familielid van iemand,
(1)
voor wie hij verplicht is de rouwen, overleden is, dan is hij, zelfs
al is hij (2)
niet verantwoordelijk voor de begrafenis,
(3)
vrijgesteld van het zeggen van Sjema
(4)
en van Sjemonee Esree. En zelfs
(5)
als hij streng voor zichzelf wil zijn en hij wil toch Sjema zeggen,
dan mag hij dat niet. Maar als hij iemand heeft die de begrafenis voor
hem regelt, en hij wil dan streng zijn voor zichzelf en het zeggen,
dan moet men daar niet tegen protesteren.
Misjna Beroera
(1) Voor wie hij
verplicht is. Er
zijn zeven van die familieleden: een vader, moeder, zoon, dochter,
broer, zuster en echtgenote.
(2)
Niet verantwoordelijk. Bijvoorbeeld, als zijn zuster overlijdt
en zij was getrouwd, dan rust de verplichting op haar echtgenoot.
(3) Hij is vrijgesteld.
Wanneer hij toch Sjema zegt, heeft hij zijn plicht niet gedaan en moet
hij het na de begrafenis nogmaals zeggen.
(4) En van Sjemonee
Esree. Hij is ook
vrijgesteld van alle berachot voor iets waar men profijt van heeft en
van alle positieve geboden van Tora. Wanneer hij brood wil eten, dan
moet hij wel zijn handen wassen, maar hij zegt niet de beracha Al
netilat jadajiem en ook niet HaMotsie.
Er is vaak een
begrafenis-organisatie in de stad, zodat dragers zijn die de dode het
huis uit dragen naar de begraafplaats, zodat de familie de dode aan
hen kunnen overdragen, en zij begraven hem dan. Zodra de familie de
dode aan de begrafenis-organisatie heeft overgedragen, worden zij
volledig verplicht in alle mitswot. Dit geldt zelfs voordat de
dragers de dode het huis hebben uitgedragen. Immers, zodra de familie
de dode aan de zorg van de begrafenis-organisatie heeft overgedragen,
zijn zij er zelf niet meer verantwoordelijk voor.
Daarom is het onjuist met de
gebeden te wachten tot na de begrafenis, wanneer men onmiddellijk met
een begrafenisonderneming tot overeenstemming is gekomen over het
graf en de lijkkleren, de prijs enz. Maar zolang zij daar niet mee in
overeenstemming zijn gekomen, zijn zij vrijgesteld tot na de
begrafenis.
(5) Als hij streng voor
zichzelf wil zijn.
Dit betreft vermoedelijk een situatie, waarin er niemand anders is die
voor de dode kan zorgen. Maar ook is het zo dat de Geleerden dit
verbod hebben ingesteld uit respect voor de dode, opdat de mensen niet
zouden denken dat hij niet om dit dode familielid geeft en niet
aangedaan is door zijn dood.
|