Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 210 Parasjat Misjpatiem - Sjekaliem  29 Sjewat 5767

  17 februari 2007

Overzicht Parasjat Misjpatiem (Exodus 21:1-24:18)

Het Joodse Volk krijgt een serie wetten betreffende sociale rechtspraak. De onderwerpen omvatten: Behoorlijke behandeling van Joodse slaven; de verplichtingen van een echtgenoot ten opzichte van zijn vrouw; boetes voor het slaan van mensen en voor wie zijn ouders, rechters of de leiders vervloekt; financiële verantwoordelijkheid voor schade aan mensen of hun eigendommen, hetzij door iemand zelf of door zijn levende of niet levende bezittingen of ten gevolge van omstandigheden waarvoor men verantwoordelijk is; terugbetalingen en boetes bij diefstal; het niet teruggeven van een voorwerp waarvoor men de verant­woordelijkheid heeft geaccepteerd om erop te passen; het recht tot zelfverdediging van iemand die beroofd wordt.

Andere onderwerpen die behandeld worden: Het verbod op verleiding, hekserij, bestialiteit en het offeren aan afgoden. De Tora waarschuwt ons om de bekeerling, de weduwe en de wees met waardigheid te behandelen en om leugens te vermijden. Rente is verboden en het recht om onderpand aan te nemen op een lening is beperkt. Verplichte betalingen aan de Tempel mogen niet worden uitgesteld en het Joodse Volk moet heilig zijn, zelfs met betrekking tot voedsel. De Tora geeft voorschriften voor juist gedrag van rechters bij rechtsprocedures. De geboden voor Sjabbat en voor het Sjabbat-jaar worden uiteengezet. Driemaal per jaar – op Pesach, Sjawoe’ot en Soekot – moeten wij naar de Tempel komen. De Tora sluit deze lijst van wetten af met een kasjroet-wet: vermeng geen melk met vlees.

Hasjem belooft dat Hij het Joodse Volk naar het Land Israël zal brengen, hen zal helpen de inwoners van dat land te verslaan en vertelt hen dat, wanneer zij Zijn geboden zullen naleven, zij zegen op hun volk zullen brengen. Het volk belooft te doen en te luisteren naar alles wat Hasjem zegt. Mosjé schrijft het boek van het Verbond en leest het voor aan het Volk. Mosjé beklimt de berg en verblijft daar 40 dagen, om de twee Tabletten van het Verbond in ontvangst te nemen.

Door Ohr Somayach in Jeruzalem, Israël

©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden


Parasjat Sjekaliem (Exodus 30:11-16)

Deze Sjabbat is het Sjabbat Sjekaliem, de Sjabbat vóór Rosj Chodesj Adar.

Sjabbat Sjekaliem gedenkt de volkstelling die in de woestijn gehouden werd, en die beschreven wordt in Exodus 30:11-16. Dit wordt deze Sjabbat als maftier gelezen. De mensen moeten een halve sjekel (een zilveren munt) als belasting betalen voor het onderhoud van de Tent der Samenkomst en de dienst daarvan. Het zijn deze munten die geteld worden, in plaats van de mensen.

Er zijn vele lessen van deze korte afdeling te leren. Het feit dat zowel rijk als arm hetzelfde bedrag betalen, herinnert ons eraan dat beiden, rijk en arm gelijke waarde hebben in de ogen van Hasjem.

Het feit dat we munten tellen, in plaats van mensen, herinnert ons eraan dat mensen niet beschouwd moeten worden als alleen maar nummers in een kasboek.

Het feit dat de bijdrage van de volkstelling gebruikt wordt voor het onderhoud van de Tent der Samenkomst, herinnert ons aan het belang van de bijdrage aan het onderhoud van de synagoge.

Op Sjabbat Sjekaliem lezen we ook de Haftara die hoort bij Parasjat Sjekaliem, namelijk uit II Koningen 12:1-17. Sefardiem (De Portugezen in Nederland) beginnen bij 11:17. Daar wordt ook melding gemaakt van de halve sjekel, de opbrengst van de volkstelling, die gebruikt werd voor het onderhoud en de dienst van de Tempel (zie 12:5-6).

Sjabbat Sjekaliem is op Rosj Chodesj van de maand vóór Nissan (dat is de Rosj Chodesj van de maand Adar of Adar II in een schrikkeljaar), of op de laatste Sjabbat voor die Rosj Chodesj. Nissan is de maand waarin Pesach (het Joodse Paasfeest) valt.

Sjekaliem wordt op dit tijdstip gelezen omdat, volgens de traditie, de volkstelling van de halve sjekel op de eerste Nissan gehouden werd, en het lezen van deze afdeling is bedoeld als een geheugensteuntje voor de komende volks­telling.


Hoogtepunten Van Haftara Sjekaliem (II Koningen 11:17-12:17)

De Haftara van deze week is de eerste van een serie van vier speciale Haftarot

Koning Jehoasj herstelt het Beit Hamikdasj (de Tempel) met de Halve Sjekel-munten die door de Israëlieten gegeven zijn.

Het leven van Jehoasj wordt gered van kwaadaardige Joodse regeerders en hij wordt aangesteld als Koning over Israël. Hij spoort het volk aan dat zij het volk van Hasjem zullen zijn en geen afgoden meer moeten die­nen. Hoewel Jehoasj nog erg jong is, vraagt hij of het volk zijn verzoek zal eerbiedigen. Kort daarop komen er vele Joden naar de tempel van de afgod Ba’al en vernietigen die. Zij vernielen de altaren en de beelden die gebruikt werden voor de afgodendienst en zij doden ook Matan, de hoge priester van de Ba’al. Koning Jehoasj herstelde de ceremonies in de Heilige Tempel door de Kohaniem en Levieten. Het volk Israël viert vervolgens de kroning van Koning Jehoasj. Hij was zeven jaar oud toen hij begon te regeren. Hij heeft 40 jaar geregeerd. Zijn moeder heette Zivia van Beër Sjewa. Koning Jehoasj was zeer rechtvaardig. Hij zei tegen de Kohaniem: neem de sjekels die aan het Beit Hamikdasj geschonken zijn om daarmee de Tempel te repareren. Drie en twintig jaar gingen voorbij zonder dat de Kohaniem de renovatie uitvoerden. Daarop liet Koning Jehoasj de Hoge Priester Jehojada bij zich komen en ondervroeg hem waarom het herstel van de Tempel nog niet gereed was. Daar had Jehojada geen antwoord op maar hij stemde erin toe het werk af te maken. Hij plaatste een kist met een gat erin naast het altaar en iedereen die een offer kwam brengen, stortte daarin zijn donatie. Zodra de kist vol was met sjekels werd het geld verdeeld onder de mannen die het werk aan de bouw van de Tempel moesten doen.

Het verband tussen de haftara en de parasja

Deze week lezen wij de eerste van de vier speciale haftarot die in de maanden Adar en Nissan gelezen worden. Dat zijn de haftarot Sjekaliem, Zachor, Para en Parasjat HaChodesj. Als Maftier wordt de afdeling uit Ki Tisa, Sjemot 30:11-16 gelezen, die gaat over de inzameling van de Halve Sjekel voor het Misjkan. Deze mitswa werd jaarlijks gedaan zolang als het Beit Hamikdasj bestond. Bij het begin van de nieuwe maand Adar moest iedereen boven de leeftijd van twintig jaar zijn bijdrage gereedmaken.

Jehoasj leefde van 835–775 vGJ in Jeruzalem.

Inzicht in parasjat Misjpatiem

Het is geen toeval dat parasjat Misjpatiem direct volgt op de afdeling over de Tien Geboden. Misjpatiem bevat een groot aantal wetten en voorschriften die te maken hebben met wat men in het Nederlands de Burgelijke Wet zou noemen. Voorschriften voor het dagelijks leven en de samenleving, die ogenschijnlijk niets met de godsdienst te maken hebben. In de westerse maatschappij is er een duidelijke scheiding tussen kerk en staat, tussen godsdienst en het dagelijks leven. De godsdienst beleeft men in de kerk. Daar bidt men gezamelijk, luistert naar de preek en daarna gaat men naar huis en leeft verder. Het verhaal gaat van een man die een buitenechtelijke verhouding had met een andere vrouw. Hij ging naar zijn biechtvader en biechtte dat op. De biechtvader raadde hem aan boete te doen, geld te geven voor liefdadigheid en te beloven dat hij zijn leven zou beteren. Dat deed de man. Hij nam een andere bijvrouw en kwam na een jaar terug bij zijn biecht­vader. De procedure herhaalde zich en ook het derde jaar kwam de man terug bij zijn kerk. De biechtvader vermaande hem, dat hij zo niet kon doorgaan en dat hij zijn leven moest veranderen. Hij hoefde zo het vol­gende jaar niet bij hem terug te komen. Het jaar daarop ging de man naar een andere biechtvader.

Zo niet in het Jodendom. Het dagelijks leven is innerlijk verweven met de geboden en voorschriften van G-d. Een groot gedeelte van de mitswot heeft te maken met het leven van alle dag. Hoe men zijn zaken moet doen, leningen moet sluiten, zijn personeel moet behandelen, schade die men moet vergoeden, contracten die men sluit, de prijzen die een handelaar vraagt voor zijn goederen en de maten en gewichten die hij daarvoor gebruikt en nog veel meer. „Tsèdek, tsèdek tirdof – rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zul je najagen” [Dewariem 16:20]. Dat wil zeggen, in al je hande­lingen zul je gerechtigheid nastreven, dat is de opdracht vanTora. Wie een chassied wil zijn, dat wil zeggen, wie wil wandelen in het pad van Hasjem, die moet zorgvuldig zijn in de naleving van het civiele recht [Bawa Kama 30a]. Daarom was het hoogste gerechtshof, het Sanhedrin van 71 rechters, gezeteld in de Tempel in Jeruzalem. Er is dus een hele nauwe band tussen de Tien Geboden en de misjpatiem – civiele wetsvoorschriften.

De mens is geschapen naar het evenbeeld van G-d, naar Zijn gelijkenis [Ber. 1:27]. Dat wil zeggen dat wij de recht­vaardigheid, waarvan G-d ons het voorbeeld geeft, nastreven. Rasji schrijft als commentaar op het bovengenoemde vers uit Dewariem 16:20: „Ga naar de allerbeste rechtbank. Het aanstellen van rechtvaardige rechters is voldoende om Israël te doen leven.”

Dat geldt voor ieder schepsel, niet alleen voor Joden. Vandaar dat ook één van de zeven Noachiedische wetten is dat men rechtbanken moet instellen, die rechtvaardig rechtspreken.

De eerste wet van deze afdeling sluit daar precies bij aan: zelfs een slaaf is een schepsel van G-d en heeft precies dezelfde rechten als ieder ander en die rechten zullen we moeten respecteren.


Misjna van de week − Berachot

Hoofdstuk 2

Misjna 6

Hij1 waste zich op de eerste avond dat zijn vrouw overleden was2. Zijn leer­lingen zeiden tegen hem: „Heeft onze leraar ons niet geleerd dat een aweel – rouwende3 – zich niet mag wassen?” Hij antwoordde hen: „Ik ben niet zoals alle andere mensen, ik ben fijn gebouwd”.4

Aantekeningen bij Misjna 2:6

1. Rabban Gamliël.

2. Hij waste zich op de eerste avond dat zijn vrouw overleden was: Ondanks dat het een rouwende verboden is zich te wassen, [d.w.z. een warm bad te nemen] (RAV)

3. Iemand wordt een „aweel – rouwende” – genoemd gedurende de eerste zeven dagen na de begrafenis van een naast familie lid.

4. Ik ben fijn gebouwd: Het [hier gebruikte  woord voor „fijn ge­bouwd”] betekent koud en rillerig. En hij zou er onder lijden wan­neer hij zich niet [warm] zou baden. En het is in de rouwperiode alleen verboden om voor zijn plezier te baden. [Dus Rabban Gamliël baadde voor zijn gezondheid, omdat hij ziekelijk was] (RAV)

Misjna 7

Toen zijn slaaf Tavi1 overleed, accepteerde hij condoleances2 voor hem. Zijn leerlingen zeiden tegen hem: „Heeft onze leraar ons niet geleerd dat men geen condoleances aanneemt voor slaven?”3 Hij ant­woordde hen: „Mijn slaaf Tavi was niet als alle andere slaven, hij was een waardig persoon”4

Aantekeningen bij Misjna 2:7

1. Tavi was een niet-Joodse bediende [een èved kena’anie], die, doordat hij in dienst was van een Jood  dezelfde mitswot verplicht werd als die een vrouw heeft.

2. Wanneer de rouwenden hun dode begraven hadden en terugkeerden van het graf, stelden de bezoekers zich op in rijen langs het pad, waar de rouwenden langs liepen, en die dus tussen de rijen bezoekers doorliepen en die bezoekers troostten de rouwenden. Zie Misjna 3:2

3. Wanneer men condoleances voor niet-Joodse slaven en bedienden zou aannemen, zouden omstanders denken dat hij een Jood was en zou men zijn kinderen met de kinderen van de niet-Joodse slaaf laten trouwen hetgeen verboden is.

4. Tavi was een Tora-geleerde, en hem kwam daarom die eer toe.


De Halacha van de week

Uit de Sjoelchan Aroech Joré Dea

Hoofdstuk 381 – De wetten voor het wassen van een rouwende

1. In welk opzicht is wassen [van een rouwende] verboden? Het is verboden dan hij zijn hele lichaam wast, zelfs met koud water, maar zijn gezicht, handen en voeten zijn alleen verboden te wassen met warm water, maar met koud water mag hij ze wassen. Wanneer hij vuil was van modder of uitwerpselen, dan mag hij zich op de gewone manier wassen en dan hoeft hij zich daar geen zorgen om te maken.

Rama: Dit alles is volgens de halacha alleen gedurende de 7 dagen verboden [de periode van de sjiwa], maar daarna is het hem toegestaan zich te wassen, maar het is heden ten dage de gewoonte om al het wassen gedurende de eerste dertig dagen te verbieden. Het is zelfs verboden om zijn hoofd (haar) te wassen, en deze minhag moet men niet veranderen, want het is een oude minhag, ingesteld door vrome Geleerden.

De bron voor deze wet is in de Talmoed, in Mo’eed Katan 15b. De Gemara leert dat daar van het vers in II Sjmoeël 14:2: En zalf je zelf niet met olie.” (Dit werd gezegd door Joav tegen de vrouw van Tekoa tijdens haar rouwperiode). Wassen in inbegrepen bij zalven. Ook in de Talmoed traktaat Ta’aniet 13b vinden we het verbod om het hele lichaam te wassen met warm of koud water tijdens de sjiwa, maar dat het is toegestaan om gezicht, handen en voeten met koud water te wassen. De Pitchei Tesjoewa n. 1 schrijft dat zelfs lauw water verboden is. Zich te zalven [en parfumeren] is zelfs maar voor een klein beetje verboden.

De Ramban schrijft in Torat Habajit p. 173 dat men zich wel op de gewone manier mag wassen wanneer men vuil is van modder of uitwerpselen, want het hele verbod geldt voor wassen voor zijn plezier, en wassen voor hygiëne is niet voor het plezier.

De Taz, n. 1 schrijft dat de reden dat de Rama verbiedt om gedurende de hele 30 dagen zich niet te wassen, is omdat men dan wellicht zijn haren zal kamen, hetgeen verboden is gedurende de sjlosjiem. Maar, schrijft hij, nu het onze gewoonte is om onze haren wel te kammen gedurende de sjelosjiem [Sj.A. 390:6], is ook wassen dan toegestaan.


De wekelijkse daf van de Talmoed

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 403 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Megilla 3a

De interruptie van Tora-studie

De Gemara zegt: Tora-studie moet worden onderbroken, om te komen luisteren naar de Megilla.”

Megillat Ester is één van de vier-en-twintig boeken van Tanach [Bijbel]. Waarom wordt het luisteren naar de Megilla dan beschouwd als een interruptie van Tora-studie? Is het niet eveneens Tora-studie?

Bitoel Tora op de weg naar sjoel – De zoon van de Noda BeJehoeda, R. Ja’akov Landau, verklaart dat de tijd die men besteedt aan het horen van de Megilla in sjoel niet als bitoel Tora [interruptie van Tora] beschouwd wordt, maar dat het gaat om de tijd die men verdoet bij het gaan van zijn plaats waar men Tora leert, naar de sjoel. Dit antwoord past uitstekend bij de woorden van de Gemara: Tora-studie moet worden onderbroken, om te komen luisteren naar de Megilla.” Het komen om te luisteren, dat wordt beschouwd als een interruptie van het Tora-leren [Tesjoewot Beit Efraim 60].

Pirsoemei nisaDeze vraag werd gesteld aan de Beit Efraim op de dag van Poeriem zelf, nadat hij al de nodige wijn gedronken had en zich niet in staat voelde om de vraag naar behoren te beantwoorden. De volgende ochtend, nadat hij weer nuchter was, antwoordde hij dat Megillat Ester niet geschreven was om daarmee de mitswa van Tora-studie te vervullen, maar om de mitswa van pirsoemei nisa – de publicatie van het wonder van Hasjem – te vervullen.

De Avnei Nezer (Tesjoewot O.Ch. 517) maakte bezwaar tegen deze bewering, dat de Megilla niet geschreven was om de mitswa van Tora-studie te vervullen, omdat dit impliceert dat de Megilla geen deel van Tora uit­maakt. Daar wij in ons traktaat uitgebreide drasjot op de Megilla vinden, waarvan onze Geleerden vele nieuwe halachot afleiden, moeten wij de Megilla zeker beschouwen als een deel van Tora. In werkelijkheid beschouwt de Beit Efraim de Megilla wel degelijk als een deel van Tora. Hij bedoelde alleen maar dat de Megilla op Poeriem gelezen wordt voor de publicatie van het grote wonder dat toen gebeurde. Wanneer iemand de Megilla hoort lezen, vervult hij de mitswa van pirsoemei nisa, niet talmoed Tora [Tora-studie]. Echter, als iemand de Megilla leert, om de diepte ervan te begrijpen, dan vervult hij zeker wel de mitswa van Tora-studie.

Bitoel Tora in kwaliteit – De Beit Efraim antwoordt ook dat het horen van de Megilla niet dezelfde diepte  van begrip vereist als nodig is wanneer men een soegia van de Sjas in diepte bestudeert. Daarom wordt het beschouwd al bitoel Tora in kwaliteit. Hij citeert uitgebreid bewijzen dat de kwaliteit van iemands Tora-studie niet alleen beoordeeld wordt naar de tijd die hij daaraan besteedt, maar ook naar de diepte en concentratie van zijn studie.

Het horen van de Megilla, of het alleen lezen – De Maharsjam (Da’at Tora 687) schrijft dat de algemene regel is, dat mitswot waarbij men iets zegt – zoals berachot – vervuld kunnen worden door te luisteren naar iemand anders die ze zegt. Echter, Tosafot (Berachot 21b) schrijft dat het beter is als men ze zelf zegt. Nu zou men kunnen denken dat hetzelfde geldt voor het horen van de Megilla, namelijk dat het beter is om het zelf te lezen, dan te luisteren naar de voorlezing van iemand anders. Echter, in strijd met deze veronderstelling legt de Gemara er de nadruk op dat we onze eigen Tora-studie moeten onderbreken, niet om zelf de Megilla te lezen, maar om die te horen lezen in sjoel door de chazan.

Een Tora-leraar – De Rasjbasj legt uit dat de Gemara het hier heeft over een Tora-leraar, wiens leerlingen de Megilla al gehoord hebben, maar dat hij het zelf nog niet gehoord heeft. Dan moet hij zijn Tora-les aan hen onder­breken, om de Megilla te horen.

Tora moet begrepen worden – De Maharil Diskin verklaart, gebaseerd op de woorden van de Gemara verderop (18a) dat wij de betekenis van de woorden „ha-achasjteraniem bnei harachamiem” niet begrijpen. Wanneer we deze woorden lezen, vervullen we niet de mitswa van Tora-studie, want de Magen Awraham (47:1,7) heeft beslist dat men begrijpen moet wat men leert, opdat het beschouwd kan worden als Tora-studie.