|
Overzicht Parasjat Misjpatiem
(Exodus 21:1-24:18)
Het
Joodse Volk krijgt een serie wetten betreffende sociale rechtspraak.
De onderwerpen omvatten: Behoorlijke behandeling van Joodse slaven; de
verplichtingen van een echtgenoot ten opzichte van zijn vrouw; boetes
voor het slaan van mensen en voor wie zijn ouders, rechters of de
leiders vervloekt; financiële verantwoordelijkheid voor schade aan
mensen of hun eigendommen, hetzij door iemand zelf of door zijn
levende of niet levende bezittingen of ten gevolge van omstandigheden
waarvoor men verantwoordelijk is; terugbetalingen en boetes bij
diefstal; het niet teruggeven van een voorwerp waarvoor men de
verantwoordelijkheid heeft geaccepteerd om erop te passen; het recht
tot zelfverdediging van iemand die beroofd wordt.
Andere
onderwerpen die behandeld worden: Het verbod op verleiding, hekserij,
bestialiteit en het offeren aan afgoden. De Tora waarschuwt ons om de
bekeerling, de weduwe en de wees met waardigheid te behandelen en om
leugens te vermijden. Rente is verboden en het recht om onderpand aan
te nemen op een lening is beperkt. Verplichte betalingen aan de Tempel
mogen niet worden uitgesteld en het Joodse Volk moet heilig zijn,
zelfs met betrekking tot voedsel. De Tora geeft voorschriften voor
juist gedrag van rechters bij rechtsprocedures. De geboden voor
Sjabbat en voor het Sjabbat-jaar worden uiteengezet. Driemaal per jaar
– op Pesach, Sjawoe’ot en Soekot – moeten wij naar de Tempel komen. De
Tora sluit deze lijst van wetten af met een kasjroet-wet: vermeng geen
melk met vlees.
Hasjem belooft dat Hij het Joodse Volk naar het Land
Israël zal brengen, hen zal helpen de inwoners van dat land te
verslaan en vertelt hen dat, wanneer zij Zijn geboden zullen naleven,
zij zegen op hun volk zullen brengen. Het volk belooft te doen en te
luisteren naar alles wat Hasjem zegt. Mosjé schrijft het boek van het
Verbond en leest het voor aan het
Volk. Mosjé beklimt de berg en verblijft daar 40 dagen, om de twee
Tabletten van het Verbond in ontvangst te nemen.
©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden
Parasjat Sjekaliem
(Exodus
30:11-16)
Deze Sjabbat is het Sjabbat
Sjekaliem, de Sjabbat vóór Rosj Chodesj Adar.
Sjabbat Sjekaliem gedenkt de volkstelling die in de
woestijn gehouden werd, en die beschreven wordt in Exodus 30:11-16.
Dit wordt deze Sjabbat als maftier gelezen.
De mensen moeten een halve sjekel (een zilveren munt)
als belasting betalen voor het onderhoud van de Tent der Samenkomst en
de dienst daarvan. Het zijn deze munten die geteld worden, in plaats
van de mensen.
Er zijn vele lessen van deze korte afdeling te leren.
Het feit dat zowel rijk als arm hetzelfde bedrag betalen, herinnert
ons eraan dat beiden, rijk en arm gelijke waarde hebben in de ogen van
Hasjem.
Het feit dat we munten tellen, in plaats van mensen,
herinnert ons eraan dat mensen niet beschouwd moeten worden als alleen
maar nummers in een kasboek.
Het feit dat de bijdrage van de volkstelling gebruikt
wordt voor het onderhoud van de Tent der Samenkomst, herinnert ons aan
het belang van de bijdrage aan het onderhoud van de synagoge.
Op Sjabbat Sjekaliem lezen we ook de Haftara die hoort
bij Parasjat Sjekaliem, namelijk uit II Koningen 12:1-17. Sefardiem
(De Portugezen in Nederland) beginnen bij 11:17. Daar wordt ook
melding gemaakt van de halve sjekel, de opbrengst van de volkstelling,
die gebruikt werd voor het onderhoud en de dienst van de Tempel (zie
12:5-6).
Sjabbat Sjekaliem is op Rosj Chodesj van de maand vóór
Nissan (dat is de Rosj Chodesj van de maand Adar of Adar II in een
schrikkeljaar), of op de laatste Sjabbat voor die Rosj Chodesj. Nissan
is de maand waarin Pesach (het Joodse Paasfeest) valt.
Sjekaliem wordt op dit tijdstip gelezen omdat, volgens
de traditie, de volkstelling van de halve sjekel op de eerste Nissan
gehouden werd, en het lezen van deze afdeling is bedoeld als een
geheugensteuntje voor de komende volkstelling.
Hoogtepunten
Van Haftara
Sjekaliem (II Koningen 11:17-12:17)
De Haftara van deze week is de
eerste van een serie van vier speciale Haftarot
Koning Jehoasj herstelt het Beit
Hamikdasj (de Tempel) met de Halve Sjekel-munten die door de
Israëlieten gegeven zijn.
Het leven van Jehoasj wordt gered
van kwaadaardige Joodse regeerders en hij wordt aangesteld als Koning
over Israël. Hij spoort het volk aan dat zij het volk van Hasjem
zullen zijn en geen afgoden meer moeten dienen. Hoewel Jehoasj nog
erg jong is, vraagt hij of het volk zijn verzoek zal eerbiedigen. Kort
daarop komen er vele Joden naar de tempel van de afgod Ba’al en
vernietigen die. Zij vernielen de altaren en de beelden die gebruikt
werden voor de afgodendienst en zij doden ook Matan, de hoge priester
van de Ba’al. Koning Jehoasj herstelde de ceremonies in de Heilige
Tempel door de Kohaniem en Levieten. Het volk Israël viert
vervolgens de kroning van Koning Jehoasj. Hij was zeven jaar oud toen
hij begon te regeren. Hij heeft 40 jaar geregeerd. Zijn moeder heette
Zivia van Beër Sjewa. Koning Jehoasj was zeer rechtvaardig. Hij zei
tegen de Kohaniem: neem de sjekels die aan het Beit
Hamikdasj geschonken zijn om daarmee de Tempel te repareren. Drie
en twintig jaar gingen voorbij zonder dat de Kohaniem de
renovatie uitvoerden. Daarop liet Koning Jehoasj de Hoge Priester
Jehojada bij zich komen en ondervroeg hem waarom het herstel van de
Tempel nog niet gereed was. Daar had Jehojada geen antwoord op maar
hij stemde erin toe het werk af te maken. Hij plaatste een kist met
een gat erin naast het altaar en iedereen die een offer kwam brengen,
stortte daarin zijn donatie. Zodra de kist vol was met sjekels
werd het geld verdeeld onder de mannen die het werk aan de bouw van de
Tempel moesten doen.
Het verband tussen de
haftara en de parasja
Deze week lezen wij de eerste van
de vier speciale haftarot die in de maanden Adar en Nissan
gelezen worden. Dat zijn de haftarot Sjekaliem, Zachor,
Para en Parasjat HaChodesj. Als Maftier wordt de
afdeling uit Ki Tisa, Sjemot 30:11-16 gelezen, die gaat
over de inzameling van de Halve Sjekel voor het Misjkan. Deze
mitswa werd jaarlijks gedaan zolang als het Beit Hamikdasj
bestond. Bij het begin van de nieuwe maand Adar moest iedereen boven
de leeftijd van twintig jaar zijn bijdrage gereedmaken.
Jehoasj
leefde van 835–775 vGJ in Jeruzalem.
Inzicht in
parasjat Misjpatiem
Het is geen toeval dat
parasjat Misjpatiem direct volgt op de afdeling over de Tien
Geboden. Misjpatiem bevat een groot aantal wetten en voorschriften die
te maken hebben met wat men in het Nederlands de Burgelijke Wet zou
noemen. Voorschriften voor het dagelijks leven en de samenleving, die
ogenschijnlijk niets met de godsdienst te maken hebben. In de westerse
maatschappij is er een duidelijke scheiding tussen kerk en staat,
tussen godsdienst en het dagelijks leven. De godsdienst beleeft men in
de kerk. Daar bidt men gezamelijk, luistert naar de preek en daarna
gaat men naar huis en leeft verder. Het verhaal gaat van een man die
een buitenechtelijke verhouding had met een andere vrouw. Hij ging
naar zijn biechtvader en biechtte dat op. De biechtvader raadde hem
aan boete te doen, geld te geven voor liefdadigheid en te beloven dat
hij zijn leven zou beteren. Dat deed de man. Hij nam een andere
bijvrouw en kwam na een jaar terug bij zijn biechtvader. De procedure
herhaalde zich en ook het derde jaar kwam de man terug bij zijn kerk.
De biechtvader vermaande hem, dat hij zo niet kon doorgaan en dat hij
zijn leven moest veranderen. Hij hoefde zo het volgende jaar niet bij
hem terug te komen. Het jaar daarop ging de man naar een andere
biechtvader.
Zo niet in het Jodendom. Het dagelijks leven is
innerlijk verweven met de geboden en voorschriften van G-d. Een groot
gedeelte van de mitswot heeft te maken met het leven van alle dag. Hoe
men zijn zaken moet doen, leningen moet sluiten, zijn personeel moet
behandelen, schade die men moet vergoeden, contracten die men sluit,
de prijzen die een handelaar vraagt voor zijn goederen en de maten en
gewichten die hij daarvoor gebruikt en nog veel meer. „Tsèdek,
tsèdek tirdof – rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zul je najagen”
[Dewariem 16:20]. Dat wil zeggen, in al je handelingen zul je
gerechtigheid nastreven, dat is de opdracht vanTora. Wie een
chassied wil zijn, dat wil zeggen, wie wil wandelen in het pad van
Hasjem, die moet zorgvuldig zijn in de naleving van het civiele recht
[Bawa Kama 30a]. Daarom was het hoogste gerechtshof, het
Sanhedrin van 71 rechters, gezeteld in de Tempel in Jeruzalem. Er is
dus een hele nauwe band tussen de Tien Geboden en de misjpatiem
– civiele wetsvoorschriften.
De mens is geschapen naar het evenbeeld van G-d, naar
Zijn gelijkenis [Ber. 1:27]. Dat wil zeggen dat wij de
rechtvaardigheid, waarvan G-d ons het voorbeeld geeft, nastreven.
Rasji schrijft als commentaar op het bovengenoemde vers uit Dewariem
16:20: „Ga naar de allerbeste rechtbank. Het aanstellen van
rechtvaardige rechters is voldoende om Israël te doen leven.”
Dat geldt voor ieder schepsel, niet alleen voor Joden.
Vandaar dat ook één van de zeven Noachiedische wetten is dat men
rechtbanken moet instellen, die rechtvaardig rechtspreken.
De eerste wet van deze afdeling sluit daar precies bij
aan: zelfs een slaaf is een schepsel van G-d en heeft precies dezelfde
rechten als ieder ander en die rechten zullen we moeten respecteren.
Misjna van de week −
Berachot
Hoofdstuk 2
Misjna 6
Hij
waste zich op de eerste avond dat zijn vrouw overleden was.
Zijn leerlingen zeiden tegen hem: „Heeft onze leraar ons niet geleerd
dat een aweel – rouwende
– zich niet mag wassen?” Hij antwoordde hen: „Ik ben niet zoals alle
andere mensen, ik ben fijn gebouwd”.
3.
Iemand wordt
een „aweel – rouwende” – genoemd gedurende de eerste zeven
dagen na de begrafenis van een naast familie lid.
4. Ik ben fijn gebouwd: Het
[hier gebruikte woord voor „fijn gebouwd”] betekent koud en
rillerig. En hij zou er onder lijden wanneer hij zich niet [warm] zou
baden. En het is in de rouwperiode alleen verboden om voor zijn
plezier te baden. [Dus Rabban Gamliël baadde voor zijn gezondheid,
omdat hij ziekelijk was] (RAV)
Misjna 7
Toen zijn slaaf Tavi
overleed, accepteerde hij condoleances
voor hem. Zijn leerlingen zeiden tegen hem: „Heeft onze leraar ons
niet geleerd dat men geen condoleances aanneemt voor slaven?”
Hij antwoordde hen: „Mijn slaaf Tavi was niet als alle andere slaven,
hij was een waardig persoon”
Aantekeningen bij Misjna
2:7
4. Tavi was een Tora-geleerde, en hem
kwam daarom die eer toe.
De Halacha van de week
Uit de Sjoelchan Aroech
Joré Dea
Hoofdstuk 381 – De wetten voor het wassen van een rouwende
1. In welk opzicht is
wassen [van een rouwende] verboden? Het is verboden dan hij zijn hele
lichaam wast, zelfs met koud water, maar zijn gezicht, handen en
voeten zijn alleen verboden te wassen met warm water, maar met koud
water mag hij ze wassen. Wanneer hij vuil was van modder of
uitwerpselen, dan mag hij zich op de gewone manier wassen en dan hoeft
hij zich daar geen zorgen om te maken.
Rama: Dit alles is volgens de halacha alleen
gedurende de 7 dagen verboden [de periode van de sjiwa], maar daarna
is het hem toegestaan zich te wassen, maar het is heden ten dage de
gewoonte om al het wassen gedurende de eerste dertig dagen te
verbieden. Het is zelfs verboden om zijn hoofd (haar) te wassen, en
deze minhag moet men niet veranderen, want het is een oude minhag,
ingesteld door vrome Geleerden.
De bron voor deze wet is in
de Talmoed, in Mo’eed Katan 15b. De Gemara leert dat daar van het vers
in II Sjmoeël 14:2:
„En zalf je
zelf niet met olie.” (Dit werd gezegd door Joav tegen de vrouw van
Tekoa tijdens haar rouwperiode). Wassen in inbegrepen bij zalven. Ook
in de Talmoed traktaat Ta’aniet 13b vinden we het verbod om het hele
lichaam te wassen met warm of koud water tijdens de sjiwa, maar
dat het is toegestaan om gezicht, handen en voeten met koud water te
wassen. De Pitchei Tesjoewa n. 1 schrijft dat zelfs lauw water
verboden is. Zich te zalven [en parfumeren] is zelfs maar voor een
klein beetje verboden.
De Ramban schrijft in
Torat Habajit p. 173 dat men zich wel op de gewone manier mag
wassen wanneer men vuil is van modder of uitwerpselen, want het hele
verbod geldt voor wassen voor zijn plezier, en wassen voor hygiëne is
niet voor het plezier.
De
Taz,
n. 1 schrijft dat de reden dat de
Rama
verbiedt om gedurende de hele 30 dagen zich niet te wassen, is omdat
men dan wellicht zijn haren zal kamen, hetgeen verboden is gedurende
de sjlosjiem.
Maar, schrijft hij, nu het onze gewoonte is om onze haren wel te
kammen gedurende de
sjelosjiem
[Sj.A.
390:6], is ook wassen dan toegestaan.
De wekelijkse daf van de
Talmoed
Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 403 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei
Brak
Megilla 3a
De interruptie
van Tora-studie
De Gemara zegt:
„Tora-studie
moet worden onderbroken, om te komen luisteren naar de Megilla.”
Megillat Ester is één van de vier-en-twintig boeken
van Tanach [Bijbel]. Waarom wordt het luisteren naar de Megilla dan
beschouwd als een interruptie van Tora-studie? Is het niet eveneens
Tora-studie?
Bitoel Tora op de weg naar sjoel –
De zoon van de Noda BeJehoeda, R. Ja’akov Landau,
verklaart dat de tijd die men besteedt aan het horen van de Megilla in
sjoel niet als bitoel Tora [interruptie van Tora] beschouwd wordt,
maar dat het gaat om de tijd die men verdoet bij het gaan van zijn
plaats waar men Tora leert, naar de sjoel. Dit antwoord past
uitstekend bij de woorden van de Gemara:
„Tora-studie
moet worden onderbroken, om te komen
luisteren naar de Megilla.” Het komen om te luisteren, dat wordt
beschouwd als een interruptie van het Tora-leren
[Tesjoewot Beit Efraim 60].
Pirsoemei nisa –
Deze vraag werd gesteld aan de Beit Efraim
op de dag van Poeriem zelf, nadat hij al de nodige wijn gedronken had
en zich niet in staat voelde om de vraag naar behoren te beantwoorden.
De volgende ochtend, nadat hij weer nuchter was, antwoordde hij dat
Megillat Ester niet geschreven was om daarmee de mitswa van
Tora-studie te vervullen, maar om de mitswa van
pirsoemei nisa – de
publicatie van het wonder van Hasjem – te vervullen.
De Avnei Nezer
(Tesjoewot O.Ch. 517)
maakte bezwaar tegen deze bewering, dat de Megilla niet geschreven was
om de mitswa van Tora-studie te vervullen, omdat dit impliceert dat de
Megilla geen deel van Tora uitmaakt. Daar wij in ons traktaat
uitgebreide drasjot
op de Megilla vinden, waarvan onze Geleerden vele nieuwe halachot
afleiden, moeten wij de Megilla zeker beschouwen als een deel van
Tora. In werkelijkheid beschouwt de Beit Efraim de Megilla wel
degelijk als een deel van Tora. Hij bedoelde alleen maar dat de
Megilla op Poeriem gelezen wordt voor de publicatie van het grote
wonder dat toen gebeurde. Wanneer iemand de Megilla hoort lezen,
vervult hij de mitswa van pirsoemei nisa,
niet talmoed Tora
[Tora-studie]. Echter, als iemand de Megilla leert, om
de diepte ervan te begrijpen, dan vervult hij zeker wel de mitswa van
Tora-studie.
Bitoel Tora in
kwaliteit – De Beit Efraim antwoordt ook
dat het horen van de Megilla niet dezelfde diepte van begrip vereist
als nodig is wanneer men een soegia
van de Sjas in
diepte bestudeert. Daarom wordt het beschouwd al
bitoel Tora in kwaliteit.
Hij citeert uitgebreid bewijzen dat de kwaliteit van iemands
Tora-studie niet alleen beoordeeld wordt naar de tijd die hij daaraan
besteedt, maar ook naar de diepte en concentratie van zijn studie.
Het horen van de Megilla, of het alleen lezen –
De Maharsjam (Da’at
Tora 687) schrijft dat de algemene regel is,
dat mitswot waarbij men iets zegt – zoals berachot – vervuld kunnen
worden door te luisteren naar iemand anders die ze zegt. Echter,
Tosafot (Berachot 21b)
schrijft dat het beter is als men ze zelf zegt. Nu zou men kunnen
denken dat hetzelfde geldt voor het horen van de Megilla, namelijk dat
het beter is om het zelf te lezen, dan te luisteren naar de voorlezing
van iemand anders. Echter, in strijd met deze veronderstelling legt de
Gemara er de nadruk op dat we onze eigen Tora-studie moeten
onderbreken, niet om zelf de Megilla te lezen, maar om die te horen
lezen in sjoel door de chazan.
Een Tora-leraar – De
Rasjbasj legt uit dat de Gemara het hier heeft over een Tora-leraar,
wiens leerlingen de Megilla al gehoord hebben, maar dat hij het zelf
nog niet gehoord heeft. Dan moet hij zijn Tora-les aan hen
onderbreken, om de Megilla te horen.
Tora moet begrepen worden –
De Maharil Diskin verklaart, gebaseerd op de woorden van de Gemara
verderop (18a) dat wij de betekenis van de woorden „ha-achasjteraniem
bnei harachamiem” niet begrijpen. Wanneer
we deze woorden lezen, vervullen we niet de mitswa van Tora-studie,
want de Magen Awraham (47:1,7) heeft beslist dat men begrijpen moet
wat men leert, opdat het beschouwd kan worden als Tora-studie.
|