Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 209 Parasjat Besjalach  15 Sjewat 5767

3 februari 2007

Parasjat Besjalach (Sjemot 13:17-17:16) – Toe BiSjewat

Overzicht Parasjat Besjalach

Par’o stuurt ten slotte de Bné Jisraël Egypte uit. Hasjem leidt hen in de richting van Erets Jisraël, met een wolk bij dag en een vuurzuil bij nacht, langs een omweg, om een oorlog met de Filistijnen te vermijden. Par’o betreurt het verlies van al zijn slaven en jaagt achter de Joden aan met zijn leger. De Joden zijn enorm bang wanneer de Egyptenaren naderen, maar Hasjem beschermt hen. Mosjé heft zijn staf op en Hasjem splijt de zee, waardoor de Joden in staat gesteld worden veilig over de droge zeebedding te ontkomen. Par’o, wiens hart door Hasjem verstijfd is, krijgt opdracht om er met zijn leger achteraan te gaan, waarop de wateren van de zee zich over de Egyptenaren sluiten, die in de zee verdrinken. Mosjé en Miriam leiden de mannen, res­pectievelijk de vrouwen in dankliederen. Na drie dagreizen bereiken de Israëlieten Mara, waar de waterbron­nen bitter blijken te zijn. Het volk klaagt. Mosjé doet op aanwijzing van Hasjem een wonder en het water wordt drinkbaar. In Mara krijgen zij een aantal mitswot. Het volk klaagt tegen Mosjé en Aharon dat het voed­sel in Egypte beter was. Hasjem zorgt voor vlees in de vorm van kwartels en laat het manna regenen, een soort wonderbrood dat iedere dag uit de hemel neerdaalt, behalve op Sjabbat. Daarom valt er op vrijdag een dubbele portie om ook in de behoefte van Sjabbat te voorzien. Niemand kan meer dan zijn dagelijkse portie inzamelen, behalve op vrijdag, wanneer men een dubbele portie kan inzamelen, zodat de Joden op Sjabbat kunnen rusten. Een beetje manna wordt bewaard als aandenken voor toekomstige generaties. Wanneer de Joden opnieuw klagen over gebrek aan water, produceert Mosjé op wonderbaarlijke wijze water uit een rots. Dan vallen de Amalekieten aan. Jehosjoea leidt de Joden in de strijd, terwijl Mosjé bidt voor hun welzijn.

Met toestemming vertaald uit Torah Weekly van Ohr Somayach in Jerusalem, Israel

©1998 Ohr Somayach International - All rights reserved.

Haftara Besjalach (Sjoftiem [Richteren] hoofdstuk 4 en 5)

Hoofdstuk 4: Israël zondigt en wordt onderworpen door de Kena’anieten. De Profetes Dewora wordt de leidster van de Joden. Zij zendt aan Barak een profetische boodschap om ten oorlog te trekken tegen de vijand. De vijand wordt verslagen. Jaël doodt generaal Sisera. Bnei Jisraël doden Koning Jawien.

Hoofdstuk 5: Het lied van Dewora: Eerst wordt Hasjem geprezen. Er wordt een beschrijving gegeven van matan Tora. Daarna wordt Hasjem bedankt voor de recente overwinning. Vervolgens worden de Joden ge­prezen die aan de strijd hebben meegedaan en een veroordeling van hen die dat hebben nagelaten. De won­de­ren van de strijd worden opgenoemd. Meroz wordt vervloekt en Jaël gezegend. Er is valse hoop in het kamp van Sisera. Conclusie: de gebeurtenissen hebben de macht die Koning Jawien over Israël had, verbroken.

Het verband tussen de Haftara en de parasja

In Parasjat Besjalach zingt Mosjé het ‘Lied van de Zee’, nadat Hasjem de Bnei Jisraël gered heeft van het Egyptische leger. In de Haftara zingt Dewora een lied, nadat Hasjem de Joden geholpen heeft om het Kena’anitische Juk af te werpen.

Een nadere beschouwing toont echter nog meer punten van overeenkomst:

š In de Tora staat dat Hasjem „het Egyptische legerkamp verwarde” (Sjemot 14:24). In de Haftara staat dat „Hasjem Sisera en al zijn strijdwagens en heel zijn legerkamp verwarde” (Sjoftiem 4:15).

š In de parasja staat dat de Egyptenaren gestraft werden met vuur en water. Een vuurzuil uit de hemel verhitte de zeebodem,  en zij verdronken in de Rietzee. In de Haftara wordt verteld dat de Kena’anitische wapenrusting verhit werd door de sterren en dat de vijand verdronk in de beek de Kisjon.

š In de parasja staat letterlijk: „Er bleef er niet over tot/dan één” (Sjemot 14:28). Dit dubbelzinnige vers kan betekenen dat er niet meer dan één overbleef van het Egyptische leger, namelijk Par’o zelf. In de Haftara staat een soortgelijke uitdrukking: „Er bleef er niet over tot/dan één” (Sjoftiem 4:16). En inderdaad, Generaal Sisera slaagde erin te ontsnappen van het strijdperk.

Verder verklaren onze geleerden dat de beek Kisjon de dode lichamen van de Sisera’s soldaten in de Rietzee liet stromen. Wat had dat voor nut? De Rietzee was zijn prooi ‘ontnomen’ in de tijd van Par’o, want Hasjem had de Rietzee bevolen dat de dode lichamen van de Egyptrische soldaten voor de ogen van Bnei Jisraël op het strand van de Rietzee zouden worden geworpen. Hasjem gaf de Rietzee nu de compensatie daarvoor in de vorm van de dode lichamen van de Kena’anitische soldaten.

Er lijkt nog een verband te zijn tussen Par’o en Sisera. Beiden vertelden hun onderdanen dat er geen Opperrechter bestaat om hen te berechten. Hasjem zet voor beide hemel en aarde in beweging om hun ongelijk te bewijzen. Beide legers worden op wonderlijk wijze vernietigd en zij blijven beiden alleen over om de waarheid te erkennen. Hebben zij werkelijk hun leven verbeterd? Volgens sommigen deed Par’o tesjoewa. En de nakomelingen van Sisera bekeerden zich tot het Jodendom [Volgens de Klie Jakar].


Inzicht in de Parasja

Gebaseerd op de inleiding tot de parasja van Rabbijn S.R. Hirsch

En G-d liet het volk een omweg maken door de woestijn” (13:18).

Nadat in de vorige parasja G-d Mosjé Israël verteld heeft hoe het Volk Israël in de toekomst de komende verlossing van de slavernij en de bevrijding tot een zelfstandig volk moeten vieren, en nadat de voor-schriften voor de offers, die daarbij gebracht moeten worden zijn gegeven en de wetten van de eerstge-borenen en tefillien, keert het verhaal terug tot de actuele realiteit van het volk.

Er wordt ons onmiddellijk getoond dat het volk, dat nog maar net bevrijd is, in het geheel nog niet klaar is voor de taak die hen wacht. Wij zien hoe zij in het geheel nog niet de kracht en de moed hadden om die vrijheid zelf te bewerkstelligen of om die vrijheid te behouden. Beide, de verkrijging van de vrijheid en het behoud ervan, moest door G-d bewerkstelligd worden. Wanneer zij in dit stadium aan hun lot waren overge­leverd, dan zouden zij weer teruggegaan zijn in slavernij, zodra zij onderweg met oorlog of ander ongemak geconfronteerd werden, en dat, ondanks dat zij volledig gewapend uit Egypte vertrokken waren om op alles te zijn voorbereid. Het was niet het zwaard dat zij misten, maar de juiste mentaliteit om dat en andere instrumenten te gebruiken voor de verdediging van hun zojuist verkregen vrijheid en zelf-standigheid. Zij hadden niet de moed om te vechten en boven alles misten zij de prikkel om zich vol vertrouwen onder alle omstandigheden over te geven in G-ds handen en om daaruit moed te putten.

In het begin van de vertelling wordt de gewone uitdrukking voor G-d gebruikt – Elokiem – en pas in vers 21, waar sprake is van de bijzondere bescherming die zij kregen in de vorm van de wolkzuil overdag en de vuurzuil ’s nachts wordt de Naam Hasjem gebruikt, zoals die voorkomt bij de beschrijving van de wonderen die Hasjem voor het Joodse Volk in Egypte deed.

Het doel van de vorming van een Joods volk dat er onder de volken van de wereld, die hun nationale leven ontwikkelen onbewust van het toezicht en de leiding van G-d, tenminste één volk zou zijn dat zich bij zijn dagelijks leven volledig bewust zou zijn van de aanwezigheid van G-d. Maar de Joden waren nog niet rijp voor de opdracht en om te leven met het voortdurende bewustzijn dat G-d bij alle dagelijkse handelingen aanwezig is. Voor een dergelijk leven heeft men al de krachten nodig die een mens ter beschikking heeft, om de doelstellingen te bereiken die G-d gesteld heeft en om het succes daarvan toe te schrijven aan de steun die G-d toegezegd heeft. De Joden moesten eerst opgevoed worden tot het volle besef en vertrouwen dat G-d direct zorgt voor hen die Hem trouw gehoorzamen. Niet alleen dat Hij hen spaart van directe vernietiging, maar dat Hij ook zorgt voor hun dagelijks bestaan onder alle omstandig-heden. Dit moesten zij leren onder buitengewone omstandigheden en deze opvoeding was de betekenis en het doel van hun zwerven door de woestijn en daarom liet G-d hen de omweg maken waarvan hier sprake is.

Dat is ook de reden waarom Hasjem zoveel wonderen deed voor het volk in de woestijn. R. Chananel schrijft dat G-d altijd wonderen wil doen voor de rechtvaardigen. Hij toonde hen het wonder van het manna, het wonder van de kwartels, het wonder van de rots die water gaf. Om die reden leidde Hij hen door de woestijn, opdat zij  vertrouwen zouden leren krijgen in Hasjem. Toen het volk in Mara kwam, was het water, dat altijd zoet was geweest, plotseling bitter geworden. G-d beval Mosjé een bitter kruid in het water te gooien en het water werd zoet en drinkbaar. Dit alles deed G-d om het volk te testen, om te zien of zij al vertrouwen in Hem hadden gekregen en om hen dat vertrouwen te leren.

Dit gebrek aan vertrouwen in G-d is ook wellicht de reden waarom pas hier, in vers 19, verteld wordt dat Mosjé de beenderen van Joséf meenam, in plaats van dat dit al bij het begin van de Uittocht vermeld werd. Het volk moest zijn zelfvertrouwen ontlenen aan de wapens die zij meenamen, terwijl zij moesten leren te vertrouwen op Hasjem. Daarom werden de beenderen van Joséf voor in de stoet meegedragen. Joséf was hèt voorbeeld van de man die wel de volle honderd procent vertrouwen in Hasjem had, hij moest dus als voorbeeld dienen waarvan het volk kon leren. Speciaal nu, dat het volk onderweg was en hun vertrouwen in Hasjem hen in de schoenen zonk.


Misjna van de week − Berachot

Hoofdstuk 2

Misjna 4

De werklieden lezen [Sjema’] boven in de boom of boven op de ste­nen1 [muur], maar dat mogen zij niet doen met de tefilla2.

Aantekeningen bij Misjna 4

1. Stenen: Rij stenen van een stenen bouwsel, zoals (in Ezra 6:4): „Rijen grote stenen”. En ondanks dat zij misschien bang zijn om te vallen en zich daarom niet  zouden concentreren [op Sjema’], hebben de geleerden het niet nodig gevonden dat zij naar beneden moeten komen, want Sjema’ hoeft niet met concentratie gezegd te worden, al­leen de eerste zin. (RAV)

2. Want het is een verzoek om erbarmen en vereist daarom aandacht en een heldere geest. Daarom moet men omlaag komen en dan dawwenen. (RAV)

Misjna 5

Een bruidegom1 is vrijgesteld van het zeggen van Sjema’ op de eer­ste avond, tot Motsaei Sjabbat, wanneer hij nog geen gemeenschap gehad heeft2. Het gebeurde eens met Rabban Gamliël, dat hij [Sjema] zei op de eerste avond van zijn huwelijk. Zijn leerlingen zeiden tegen hem: Heeft onze leraar ons niet geleerd dat een bruidegom is vrijge­steld van het zeggen van Sjema’ (op de eerste avond)? Hij ant-woordde hen: Ik luister niet naar jullie om het juk van het Koninkrijk van de Hemel zelfs maar voor een moment van mij af te gooien!

--------------------------------------

1. Een bruidegom: Die een maagd huwt is de eerste avond vrijgesteld van het lezen van Sjema’, omdat hij bezorgd is dat zij misschien geen maagd is. [Wanneer zou blijken dat zij geen maagd is, zou dat kunnen betekenen dat zij in de verlovings-tijd overspel gepleegd heeft. (De ver­loving vond vroeger doorgaans plaats een jaar voor het huwelijk, en seksuele gemeenschap met een andere man in die tijd zou overspel beteke­nen). Wanneer een dergelijke verdenking zou opkomen, zou hij niet met haar mogen samenleven en zou hij haar moeten scheiden.] En ik heb ge­hoord dat misschien zijn genitaliën beschadigd worden door de eerste gemeenschap. En hij houdt zich dan al bezig met de mitswa, en Tora [Dewariem 6:7] zegt: „Wanneer je op weg  bent”, dat wil zeggen bij je normale doen en laten, maar wan­neer je met een mitswa bezig bent, dan niet. (RAV)

2. Wanneer hij nog geen gemeenschap gehad heeft– Tot Motsaei Sjabbat, dat zijn vier[3*] nachten van bezorgdheid. [Het was algemeen de gewoonte om een maagd op woensdag te huwen. Zou blijken dat zij geen maagd was dan kon de bruidegom de volgende ochtend  naar het Beit Din gaan, dat iedere maandag en donderdag zitting hield. Er hoefden dus nooit meer dat vier nachten van onzekerheid te verlopen, voordat hij naar het Beit Din kon gaan.] Daarna is hij intiem met haar ge­wor­den, en is hij niet meer bezorgd. En ook als hij dan nog geen gemeen­schap gehad heeft, moet hij Sjema’ zeggen. (RAV)


De Halacha van de week

Uit de Sjoelchan Aroech

Hoofdstuk 70:3

Wie een maagd trouwt, is gedurende drie dagen vrijgesteld van het lezen van Sjema, mits hij haar in die tijd nog niet ontmaagd heeft. (....)

Echter, deze regeling gold alleen in de vroegere tijden, maar tegenwoordig, nu ook andere mensen Sjema zeggen zonder de nodige aandacht en concentratie, moet ook iemand die een maagd trouwt, Sjema zeggen.

De Misjna Beroera (noot 14) vult aan: Hij is verplicht het te lezen, samen met de berachot. Hij moet ook het Sjemoné Esré-gebed zeggen, want daar hij Sjema moet zeggen moet hij ook Sjemoné Esré zeggen. En wanneer hij het niet zegt, zal hij pretentieus lijken, alsof hij wil zeggen dat hij anders wel altijd vol concentratie is als hij Sjema zegt.

Hoofdstuk 96

1. Wanneer men Sjemoné Esré dawwent, moet mag men niets in zijn hand houden, geen tefillien of choemasj of een ander heilig boek, of iets anders, waarvan men bang is dat het zal vallen, want dan kan men zich niet goed op zijn gebed concentreren.

2. Het is wel toegestaan een machzor of een siddoer vast te houden, want dat doet hij om zijn gebeden beter te kunnen zeggen. Dit is te vergelijken met een loelav die men vasthoudt voor de mitswa.


Uit de wekelijkse daf van de Talmoed

Ta’aniet 23

Gebeden die gesteund worden door goede daden

Abba Chilkia was de kleinzoon van Choni de Cirkeltrekker en ook hij had, net als zijn beroemde grootvader, de gave om regen te brengen door middel van zijn gebeden en als de wereld regen nodig had, zonden de rabbijnen hem een verzoek of hij om regen wilde bidden en dan kwam de regen. Eens gebeurde het dat de wereld regen nodig had en de rabbijnen gingen naar zijn huis om hem te vragen om regen te bidden. Maar hij was niet thuis. Zij vonden hem op het veld waar hij was aan het hooien. Zij groetten hem, maar hij groette niet terug.

In de avond ging hij naar huis met hout en hooi op zijn schouder en zijn mantel op zijn andere schouder, op blote voeten, behalve toen hij een stroom moest doorwaden, toen deed hij schoenen aan. Wanneer hij door een distelveld moest lopen, trok hij zijn kleed omhoog, zodat de doorns niet zijn kleren zouden scheuren [want het is verboden iets nodeloos kapot te maken en daarom droeg hij ook geen schoenen, opdat zij niet nodeloos zouden slijten]. Thuisgekomen werd hij door zijn vrouw, beladen met sieraden, begroet. Zij gingen naar binnen en hij nodigde de rabbijnen uit binnen te komen. Hij at brood, gaf zijn kinderen brood en zijn kleine kinderen gaf hij een dubbele portie. Maar hij bood de rabbijnen geen brood aan. Hij zei zachtjes tegen zijn vrouw: ik weet dat ze mij komen vragen of ik om regen wil bidden. Laten we naar het dak gaan en om regen bidden, zonder dat zij het weten, dat hoeven ze mij daarvoor niet te bedanken.

Abba en zijn vrouw gingen samen het dak op en baden om regen. Het begon eerder te regenen waar zijn vrouw stond, dan waar Abba stond.

Daarna ging hij naar beneden en vroeg aan de rabbijnen waarvoor ze gekomen waren. Ze vertelden het hem. Hij antwoordde: Gezegend is Hasjem die het heeft laten regenen voordat jullie het konden vragen.”

De rabbijnen begrepen wel de hele comedie, maar wilden een verklaring voor zijn gedrag.

– Waarom had hij hun groet niet beantwoord? Abba antwoordde dat hij als dagloner werkte en hij wilde zijn werk niet onderbreken door hen te groeten [want daarmee zou hij zijn werkgever schaden].

– Waarom droeg hij de jas op zijn schouder en het hout op zijn andere schouder, waardoor zijn schouder beschadigde, in plaats van het hout op de jas te leggen? Hij antwoordde dat het een geleende jas was, die hij niet wilde beschadigen.

– Waarom droeg hij op de weg geen schoenen maar in het water wel? Hij antwoordde dat hij op de weg kon zien waar hij liep maar in het water niet.

– Waarom kwam zijn vrouw hem tegemoet met haar sieraden om? Opdat hij niet naar andere vrouwen zou kijken.

– Waarom ging zijn vrouw eerst het huis in, daarna hij en pas daarna de rabbijnen? Omdat hij zijn vrouw niet alleen met de twee vreemde mannen wilde laten.

– Waarom had hij hun niet voor de maaltijd uitgenodigd? Omdat er duidelijk niet genoeg brood was voor iedereen en de rabbijnen dus zouden bedankt hebben voor de uitnodiging en hij dan eer zou hebben gekregen voor niets.

– Waarom gaf hij zijn jonge kinderen een dubbele portie brood? Omdat zij de hele dag op school leerden en hongerig thuis kwamen, terwijl de grote kinderen de hele dag thuis waren en daar konden eten.

– Waarom werden de gebeden van Abba’s vrouw eerder verhoord dan zijn gebeden? Zijn vrouw gaf brood aan de armen vanuit haar huis, dat stilde onmiddelijk de honger. Hij gaf alleen maar geld, daarvoor moesten de armen eerst brood kopen. Haar gebeden werden daarom eerder verhoord want haar tsaddaka was eerder voor de armen beschikbaar.

¯ ¯ ¯

HaRav Sjlomo Morgenstern wijst erop dat de vloeken in parasjat Ki Tawo een waarschuwing bevatten dat iemands zonen en dochters in moeilijkheden zullen verkeren en dat de ouders niet in staat zullen zijn daar iets aan te doen. Hoe kan iemand machteloos zijn? In zijn vertaling en verklaring op Dewariem 28:32 legt Jonatan ben Uziël uit dat de ouders goede daden missen en dat ten gevolge daarvan hun gebeden geen uit­werking hebben. Dat is wat het vers bedoelt, als het zegt: Je handen zullen niet in staat zijn om G-d te bereiken.”

In het algemeen kan een mens zichzelf lijden sparen door tot Hasjem te dawwenen. De Joden in Egypte schreeuwden het uit van pijn. Het is duidelijk dat Hasjem wist dat zij pijn hadden, maar Hij redde hen niet, totdat Hij hen het hoorde uitschreeuwen in gebeden tot Hasjem. Het is duidelijk dat een ouder die zijn kinderen ziet lijden, tot Hasejm zal bidden om redding. Als dat zo is, waarom wordt de man, die in parasjat Kie Tawo beschreven wordt, niet beantwoord?

Het kan zijn dat iemand ondanks dat hij dawwent, niet verhoord wordt, omdat hij geen verdiensten heeft. Dit vers heeft het over iemand die onvoldoende of op onjuiste manier liefdadigheid bedreven heeft. Gebed alleen kan niet zijn doel bereiken, als de persoon in kwestie deficiënt is in zijn handelingen. De Targum leert ons een nieuw inzicht in het geheim van het gebed. Gebed alleen, zonder verdiensten, werkt niet. Verdienste alleen, zonder gebed, werkt ook niet. Mitswot en goede daden, dat is de grondslag waarop een effectief gebed gebouwd kan worden, dat ons in staat stelt HaKadosj Baroech Hoe te bereiken.

Gebeden zijn effectief wanneer zij worden uitgesproken door iemand met goede daden. En in feite speelt ook de kwaliteit van de goede daden een rol, bij de mate waarin een gebed tot in de Hemel kan doordringen, zoals blijkt uit het geval met Abba Chilkia. Berouw, gebed en goede daden kunnen een negatief vonnis opzij duwen. Wanneer onze gebeden omringd zijn door goede daden, zullen we resultaten zien.