Overzicht Parasjat Bo (Genesis 10:1-13-16)
Hasjem vertelt Mosjé dat
Hij het hart van Par’o zal verharden zodat door wonderbaarlijke
plagen de wereld voor altijd zal weten dat Hij de enige ware G-d
is. Par’o is gewaarschuwd voor de plaag van de sprinkhanen en er
wordt hem verteld hoe ernstig die zal zijn. Par’o stemt erin toe
alleen de mannen te laten gaan, maar Mosjé staat erop dat iedereen
moet kunnen gaan. Tijdens de plaag roept Par’o Mosjé en Aharon bij
zich opdat zij de sprinkhanen plaag laten ophouden, en hij geeft
toe dat hij gezondigd heeft. Hasjem doet de plaag ophouden maar
verhardt het hart van Par’o en die weigert opnieuw de Joden te
laten gaan. Het land, behalve het Joodse volk, wordt dan in een
diepe, voelbare duisternis gehuld. Par’o roept Mosjé bij zich en
zegt hem al de Joden uit Egypte mee te nemen, maar hun vee achter
te laten. Mosjé vertelt hem dat zij niet alleen hun eigen vee
zullen meenemen, maar dat Par’o ook zijn vee moet meegeven. Mosjé
vertelt Par’o dat Hasjem nog een plaag over Egypte zal brengen, de
dood van de eerstgeborene en dan zullen de Joden Egypte verlaten.
Hasjem verhardt opnieuw het hart van Par’o, en Par’o waarschuwt
Mosjé dat wanneer hij hem nog eens ziet, Mosjé gedood zal worden.
Hasjem vertelt Mosjé dat de maand Nissan de eerste van de maanden
zal zijn. Het Joodse volk wordt opgedragen een schaap te nemen op
de 10de van de maand Nissan en daarop te passen tot de 14de. Het
schaap moet dan geslacht worden als een Pesach-offer, zijn bloed
moet op de deurposten worden aangebracht, en zijn vlees moet
geroosterd worden gegeten. Het bloed aan de deurposten zal een
teken zijn dat hun huizen gepasseerd zullen worden wanneer Hasjem
de eerstgeborenen van Egypte doodt. Het Joodse volk wordt
opgedragen deze dag te herinneren als de Uittocht van Egypte door
nooit chameets te eten op Pesach. Mosjé geeft de geboden van
Hasjem door aan het Joodse Volk, dat ze feilloos uitvoert. Hasjem
zendt te laatste plaag, de dood van de eerstge-borene, en Par’o
stuurt de Joden weg uit Egypte. Hasjem vertelt Mosjé en Aharon de
wetten aangaande het Pesach-offer, pidjon haben (de lossing
van de eerstgeborene zoon) en tefillien.
©1998 Ohr Somayach International - All rights reserved.
Haftara Bo
(Jeremiahoe 46:13-28)
De Haftara begint met
Jeremiahoe’s profetie dat de Koning van Babylon Newoechadnezzar en
zijn leger Egypte zal vernietigen. Egypte wordt gewaarschuwd dat
het zich op een oorlog moet voorbereiden. Slechts één ding kon hen
redden: dat was als de Egyptenaren tesjoewa zouden doen
(tot inkeer zouden komen en berouw zouden tonen). Jeremiahoe
voorspelt vervolgens dat Egypte zal worden verslagen en verbannen,
hoe Newoechadnezzar zal komen en Egypte zal binnenvallen en
tenslotte Egypte zal vernietigen. Heel Egypte zal in ballingschap
gezonden worden, dus... laat ieder zich reisvaardig maken, ook de
edellieden. Er wordt verklaard waarom Hasjem Egypte wil straffen.
Dat is wegens de hardheid waarmee Egypte de Joden al die jaren
onderdrukt heeft. Het is tijd dat zij terugbetaald worden. Maat
voor maat. Na de Egyptische ballingschap zullen zij terugkeren
naar hun land. De Haftara eindigt met een aanmoediging van Hasjem
dat als het de Egyptenaren zal worden toegestaan om terug te keren
naar hun land, de Joden zeker zullen mogen terugkeren uit de
Babylonische ballingschap naar hun thuisland, Erets Jisraël.
Het verband tussen de
Haftara en de Parasja:
In de Parasja wordt Egypte gestraft voor de misdaden die het tegen
de Joden begaan heeft. Eén van de straffen is de plaag van de
sprinkhanen. Deze Haftara werd gekozen wegens een referentie aan
de sprinkhanen. Een ander verband is dat tegen het einde van de
parasja de Bnei Jisraël op weg gaan naar hun vrijheid,
naar het Land Israël. Zo ook eindigt de Haftara met Israëls
bevrijding uit de Babylonische ballingschap.
Chasidisch inzicht in Parasjat Bo
De ziel van het kwaad
Gebaseerd op de leringen van de Lubatcher Rebbe, Rabbi Menachem M.
Schneerson
Tussen de
53 parasjiot (afdelingen) van de Tora, steken er
verschillende bovenuit als mijlpalen in de geschiedenis van de
mensheid en van het volk van Israël. De parasja van Bereisjiet
verhaalt G-ds schepping van de wereld in zes dagen en Adams
verbanning uit de Tuin van Eden; Lech Lecha beschrijft
Awrahams reizen om de waarheid van de Ene G-d aan de heidense
wereld te verkondigen; Jitro
bevat de openbaring op
Sinaï en het geven van Tora aan Israël; enz.
Een lijst van centraal
staande parasjiot zou zeker ook parasjat Bo
bevatten, waarin over de Exodus van de kinderen van Israël uit het
land Egypte verteld wordt. De Exodus markeert onze geboorte als
een volk en we worden aangemoedigd om: „De dag dat we uit Egypte
trokken te gedenken, alle dagen van je leven.” Inderdaad, toen G-d
zich aan ons openbaarde op Sinaï, introduceerde Hij zich niet als
de G-d van de schepping van hemel en aarde, maar als: „…jullie
G-d, die jullie uit het land Egypte gevoerd heeft”! Want het
definiërende element in onze relatie met G-d is niet dat wij door
Hem zijn geschapen (wij zijn niet de enigen op de wereld die door
Hem geschapen zijn), maar dat wij vrije schepselen zijn,
schepselen waarin Hij Zijn eigen oneindigheid en eeuwigheid
geïnvesteerd heeft, wezens die van Hem het vermogen gekregen
hebben om uit te stijgen boven de beperkingen van de materiële
wereld en om buiten onze eigen natuurlijke grenzen te treden.
De Naam
Bo
betekent ‘kom.’ De naam is afgeleid van een van de eerste woorden
van de parasja, waarin G-d Mosjé opdracht geeft: „Kom naar Par’o”
om hem te waarschuwen voor de zevende plaag (de plaag van de
sprinkhanen) en breng nogmaals het G-ddelijke bevel over dat de
heerser van Egypte de kinderen van Israël vrij laat.
De Tora beschouwt de
naam van iets als de verwoording van zijn essentie. Dat is zeker
het geval met de eigen namen van Tora en zijn componenten. De naam
van een Tora-afdeling brengt altijd de primaire boodschap over en
het gemeenschappelijke thema van de onderafdelingen en
vertellingen.
Men zou daarom
veronderstellen dat dit deel van Exodus ‘Vrijheid’ genoemd zou
worden, of enige andere naam die het belang van deze beslissende
gebeurtenis in de geschiedenis van Israël uitdrukt. In plaats
daarvan krijgt deze afdeling zijn naam van het komen van Mosjé bij
Par’o – een gebeurtenis die slechts een voorspel lijkt te zijn tot
de Exodus. Inderdaad, het feit dat de leider van Israël naar
Par’o’s paleis komt, om hem te vragen het Joodse volk te laten
gaan – hetgeen impliceert dat de Joden nog steeds ondergeschikt
zijn aan Egypte en zijn heerser – lijkt juist de antithesis te
zijn van de Exodus!
De woorden ‘Kom naar
Par’o’ heeft ook veel discussies in de commentaren opgeleverd.
Waarom zegt G-d tegen Mosjé kom naar Par’o. Zou het niet juister
zijn om te zeggen: ‘Ga naar Par’o’?
De Zohar verklaart dat
Mosjé bang was om Par’o in diens paleis te confronteren, het
brandpunt van zijn macht. (Bij eerdere gelegenheden was Mosjé naar
andere plaatsen gezonden om Par’o te ontmoeten, zoals op de
ochtend-excursie van Par’o naar de Nijl.) Dus G-d beloofde Mosjé
dat Hijzelf hem zou begeleiden naar Par’o. Het woord ‘kom’ moet
dus worden opgevat als: ‘Kom met Mij mee;’ G-d zegt tegen Mosjé:
„Kom met Mij mee naar Par’o.”
De Zohar gaat verder met
te zeggen dat Mosjé wordt uitgenodigd door G-d om een ontmoeting
te hebben met de meest innerlijke essentie van de heerser en god
van Egypte. Dus we hebben nog een andere betekenis van de woorden
‘Kom naar Par’o’ – ‘kom’ in de betekenis van: ‘Ga naar binnen.’ Om
het volk Israël te bevrijden van de ‘grote en machtige slang’ was
het niet voldoende om alleen maar naar Par’o te gaan; Mosjé moest
tot de kern van Par’o binnendringen, tot in de wortels van zijn
macht.
Mijn rivier
Wie is Par’o en wat
vertegenwoordigt hij? Wat is zijn meest innerlijke essentie?
Waarom was Mosjé bevreesd om Par’o te confronteren in diens
paleis, als G-d zelf hem daar naartoe gestuurd had? En hoe houdt
‘komen naar Par’o’ de sleutel in voor de Exodus uit Egypte en de
bevrijding van de ziel van de mens?
De Profeet Jechezkel
(29:3) beschrijft Par’o als: „De grote slang die ligt in het
midden van de stromen, die zegt: mijn rivier is mijn eigendom en
ik heb mijzelf gemaakt.” Met andere woorden, het kwaad van Par’o
wordt niet gedefiniëerd door de ontucht die de heidense cultuur
van Egypte karakteriseerde; noch de knechting en marteling van
miljoenen; noch door zijn eigen baden in het bloed van de
geslachte kinderen; maar door zijn egocentrisme, door hoe hij
zichzelf beschouwt als de bron en standaard van alles.
Want dat is de wortel
van al het kwaad. Egocentrisme lijkt een goedaardige zonde te
zijn, vergeleken met de wreedheden en verdorvenheid waartoe een
mens kan zinken, maar het is de bron en essentie van dat alles.
Wanneer iemand zichzelf beschouwt als de uiteindelijke
scheidsrechter tussen goed en slecht, dan is zijn moraal – en hij
kan initiëel een zeer moreel persoon zijn – een bedrog. Een
dergelijk persoon is uiteindelijk in staat om alles te doen, wat
hijzelf beschouwt als van doorslaggevend belang voor zijn door
hemzelf gedefiniëerde visie van de realiteit.
Uiteindelijk is iedere
goede daad een daad van zelfverloochening, en iedere slechte daad
en daad van zelf-verafgoding. Wanneer iemand een goede daad doet –
of hij nu een enkel muntje geeft voor een liefdadig doel, of zijn
hele leven wijdt aan een G-ddelijke zaak – dan zegt hij als het
ware: er is iets dat groter is dan ik waaraan ik verplichtingen
heb. Wanneer iemand een G-ddelijke wil geweld aandoet – of dat nu
is door een kleine overtreding of door de meest afgrijselijke
misdaad – dan zegt hij als het ware: „Dit is mijn rivier en ik heb
mijzelf gemaakt.” Goed is wat goed is voor mij en slecht is wat
tegen mijn wil ingaat; ik ben de meester van mijn realiteit, ik
ben god.
De ziel van het
kwaad
Is de ego dus slecht? Is
deze fundamentele component van onze ziel een vreemde inplant die
uitgeroeid moet worden en verworpen moet worden bij ons zoeken
naar goedheid en waarheid?
In de uiteindelijke
analyse blijkt dat niet het geval te zijn. Want de voornaamste wet
van de realiteit is dat „er niets naast Hem is” (Deut. 4:35) – dat
niets tegengesteld aan of gescheiden van de Schepper en de Bron
van alles is. De ego, het gevoel van ‘íkzelf’, waarmee wij allen
zijn geboren, is ook afkomstig van G-d; het is een weerspiegeling
van de G-ddelijke „ego.” Omdat G-d Zichzelf kent als de enige ware
existentie, bezitten wij, die in Zijn beeld geschapen zijn, een
imitatie van Zijn ‘zelfgevoel’ in de vorm van ons eigen
zelfbewustzijn als de kern van al wat bestaat.
Het is niet de ego die
slecht is, maar de scheiding van de ego van zijn bron. Wanneer wij
onze eigen ego herkennen als een weerspiegeling van G-ds „ego” en
het daaraan ondergeschikt maken, dan wordt het de drijfkracht van
onze inspanningen om de wereld beter te maken, meer een G-ddelijke
plaats. Maar dezelfde ego, losgemaakt van zijn G-ddelijke basis,
begaat de meest monstrueuze misdaden.
Dit, zo verklaart de
Lubavitcher Rebbe, is de diepere betekenis van het openingsvers
van parasjat Bo. Toen G-d Mosjé opdracht gaf om naar Par’o te
komen, was Mosjé al verschillende keren naar Par’o gegaan. Maar
hij had te maken gehad met een Par’o in diens diverse
manifestasties: Par’o de heiden, Par’o de onderdrukker van
Israël, Par’o de zelfbenoemde god. Nu werd hem verteld om tot de
essentie van Par’o binnen te dringen, in de ziel van het kwaad.
Hem werd verteld om voorbij het kwaad van Par’o te gaan, voorbij
de mega-ego die volhoudt: „Ik heb mijzelf geschapen;” om Par’o’s
kwintessens te confronteren: de naakte „ik” dat zijn oorsprong
vindt in het „zelf” van G-d.
Mosjè was niet bang voor
het kwaad van Par’o. Als G-d hem zond zou G-d hem beschermen. Maar
toen G-d hem zei om de essentie van Par’o binnen te gaan, werd hij
doodsbenauwd. Hoe kan een menselijk wezen zulke een zuivere
manifestatie van de G-ddelijke waarheid aanschouwen? Een
manifestatie die zo subliem is dat hij uitstijgt boven goed en
kwaad en die tegelijk de bron van beide is?
G-d zei tegen Mosjé:
„Kom met Mij mee en samen zullen wij het paleis van de grote slang
betreden. Samen zullen wij de zelfaanbidding binnengaan, welke het
hart van het kwaad is. Samen zullen wij ontdekken dat er noch
substantie noch realiteit is in het kwaad, dat het niets anders is
dan een verkeerde aanwending van het G-ddelijke in de mens.
Als deze waarheid te
angstaanwekkend is voor een mens om alleen te confronteren, kom
dan met Mij mee, en Ik zal je leiden. Ik zal je binnenbrengen in
de binnenste kamer van Par’o’s ziel, totdat je van aangezicht tot
aangezicht zult staan met het best bewaarde geheim van het kwaad:
dat het in werkelijkheid niet bestaat.
Wanneer je dit geheim
leert, kan geen kwaad je meer verslaan. Wanneer je dit geheim
leert, zullen jij en je volk vrij zijn.
Uit de Schatkamer van Chasidische Verhalen
Want G-d
is met jou
„Kom naar
Par’o” (10:1)
Een
Chassid, Reb Mottel uit Kalshin, had uitgebreide zakenbelangen in
Warschau en sprak vloeiend Pools. Op een dag riep Reb Jitschak uit
Worki hem, en vroeg hem een bepaalde machtige minister te
benaderen met het verzoek dat de regering het plan om alle copieën
van de Sjoelchan Aroech Chosjen Misjpat te verbranden, zou
intrekken. Dat is het deel van de Joodse wet dat handelt over
burgerlijke en criminele zaken. De bedoeling van de autoriteiten
was om de Joden te dwingen om al hun geschillen aan de seculiere
rechtbanken voor te leggen, die rechtspraken volgens de wetten van
het land, in plaats van dat zij hun meningsverschillen aan de
rabbinale rechtbanken voorlegden. Hoewel een dergelijk decreet
nog niet was uitgegaan, was het bekend dat dit in de maak was.
Reb Mottel
protesteerde:
„Maar
die minsiter heeft een opvliegend temperament. Hij dreigt iedereen
neer te schieten die hem alleen maar voor dit soort redenen
benadert!”
De
tsaddiek antwoordde:
„Toen
de Almachtige Mosjé naar Par’o zond om zijn broeders te redden,
zei Hij niet:
„Ga
naar Par’o” maar
„Kom
naar Par’o.” Mosjé Rabbeinoe was bang voor de Egyptische despoot,
en daarom nodigde G-d hem uit om met Hem mee te komen.”
De chasied
ging daarop op weg om de minister te ontmoeten, opgewekt en
onbevreesd. De machtige man vond zichzelf vol ontzag in
aanwezigheid voor de chasied die voor hem stond – en stemde toe in
het verzoek.
Misjna van de week −
Berachot
Hoofdstuk 2
Misjna 3
Wie Sjema’ zegt, maar zijn oren niet heeft laten horen wat
hij zegt, heeft zijn plicht gedaan. Rabbi Jossi zegt: „Hij heeft
zijn plicht niet gedaan”.
Als men het leest maar niet nauwkeurig is [in de uitspraak] van de
letters, [daarover]
zegt Rabbi Jossi: „Hij heeft zijn plicht gedaan”.
Rabbi Jehoeda zegt: „Hij heeft zijn plicht niet gedaan”. Wie het
leest in een andere volgorde
heeft zijn plicht niet gedaan.
Heeft hij gelezen en een fout gemaakt, dan keert hij terug naar de
plaats van de fout. 6
Aantekeningen
1. Rabbi Jossi zegt:
„Hij heeft zijn plicht niet gedaan: Want er staat geschreven:
Sjema’ [Hoor!], d.w.z. laat je oren horen wat uit je mond
komt. Maar de Tanna Kamma[1*] is van mening dat
je Sjema’ [mag zeggen in iedere taal die je verstaat[2*],
en de halacha is volgens de Tanna Kamma. (RAV)
[D.w.z. dat men zijn plicht gedaan heeft, ook als men Sjema’
niet hardop gezegd heeft, zodat men zijn eigen woorden niet
kon horen en ook als men het in zijn eigen taal gezegd heeft.
[1*]
Een tanna
is een leraar, geleerde, wiens uitspraak in de misjna is
vastgelegd. Tanna kamma is de eerste, niet met name
genoemde tanna, de eerste tanna.
[2*] Het verschil tussen
Rabbi Jossi en de Tanna Kamma is dat waar Rabbi Jossi het
woord Sjema’ opvat in zijn betekenis van „luisteren” – het
oor moet luisteren naar wat de mond zegt – vat de Tanna kamma
het woord Sjema’ op in de betekenis van begrijpen wat men
zegt.]
2. Maar niet
nauwkeurig was met de letters: Door ze niet netjes uit te
spreken bij twee woorden waarvan het tweede woord begint met
dezelfde letter als waarmee het eerste woord eindigt,
bijvoorbeeld: ‘al lewawecha, en: ‘esev besadecha,
en: we awadetem mehera. Wanneer men niet even pauzeert om
ze[3*] van elkaar te scheiden, dan lijkt het alsof men
de twee letters als één letter leest [En alsof de twee woorden
samen één woord vormen]. (RAV)
3. Rabbi Jossi zegt:
„Hij heeft zijn plicht gedaan. De halacha is volgens Rabbi
Jossi. Maar in principe moet men de letters zorgvuldig uitspreken.
En men moet ook oppassen niet te bewegen wat rust en niet te doen
rusten wat beweegt[4*], niet zwak maken wat sterk is en
niet sterk maken wat zwak is. En men moet de zajin van
tizkeroe duidelijk laten horen, opdat het niet lijkt alsof
men zegt tiskeroe, met een sien, alsof men veel
vraagt[5*], want het is niet mooi om de meester te
dienen om een beloning te krijgen.[6*] (RAV)
[4*]
Men moet niet een sjewa na’
[een bewegende sjewa] uitspreken als een sjewa nach
[een rustende sjewa]. Het exacte verschil hiertussen vindt
men in grammaticaboeken.
[5*]
De letters Weet, Chav, Fee en Thav worden met een
dageesj erin anders uitgesproken, nl. als een Beet, Kaf,
Pee en Tav en worden dan „sterk” genoemd. Zonder
dageesj heten ze „zwak”. De regel hiervoor vindt men in
grammaticaboeken.
6. Dan keert hij
terug naar de plaats van de fout: Wanneer hij een fout maakte
tussen twee afdelingen, zodat hij niet weet in welke afdeling hij
gestopt is, zodat hij naar het begin van die afdeling moet
terugkeren, dan keert hij terug naar het begin van Wehaja iem
sjamoa’. De Rambam zegt dat dit we ahavta et Hasjem is.
Wanneer men midden in een afdeling gepauzeerd heeft en men weet in
welke afdeling men onderbroken heeft, maar men weet niet meer op
welke plaats in die afdeling men gestopt is, dan herhaalt men
vanaf het begin van die afdeling. Wanneer men de zin oechtavtam
gelezen heeft en men weet niet meer of dat oechtavtam van
Sjema’ of oechtavtam van Wehaja iem sjamoa'’was[7*],
dan herhaalt men vanaf oechtavtam van Sjema’. En
als men twijfelt nadat men al lema’an jirboe gezegd heeft,
dan hoeft men niet te herhalen want hij heeft [waarschijnlijk]
zijn gewone taal gebruikt. (RAV) [d.w.z.: hij heeft het
waarschijnlijk goed gezegd].
[7*].
De zin die begint met oechtavtam komt in beide afdelingen
voor.
De Halacha van de
week
Kitsoer Sjoelchan Aroech
(Uit onze Nederlandse
vertaling van de “Kitsoer Sjoelchan Aroech met commentaar”)
Hoofdstuk 17, paragraaf
5
5.
Men moet bij het lezen van Sjema’ zeer
zorgvuldig de woorden uitspreken en het lezen uit een zorgvuldig
gecontroleerde siddoer, terwijl men zijn oren laat horen wat zijn
mond uitspreekt. Men moet erop letten dat men de dageesj
[het puntje] in een letter uitspreekt waar het hoort en hem
weglaat waar hij niet hoort. Men stopt heel even overal waar zo’n
lijn |
staat. Ook bij de
psoeké dezimra moet men heel goed op al deze dingen letten.
Men moet de letter
ň [‘ajin] in het woord
đÄůŃŔáĚÇň nisjba’
[gezworen]
goed uitspreken, opdat het niet lijkt alsof men zegt
đÄůŃŔáĚČä nisjbáh
[gevangen genomen] met een
ä [Hé] op het eind. Ook de letter
ć [zajin] in de woorden
úĚÄćŔëĚŔřĺĚ [tizkeroe, jullie zult
je herinneren] en
ĺĚćŔëÇřŔúĚĆí [oezchartèm, je zult ze
herinneren] moet men zorgvuldig uitspreken, opdat het niet klinkt
alsof men het met een
ůŇ [sin] heeft uitgesproken,
5.Maar wie niet precies
was in deze uitspraak heeft achteraf toch aan zijn verplichtingen
voldaan [Sj.A. 62:1]. Echter het is in principe wel
belangrijk dat men er op let dit alles goed uit te spreken. Zo
staat er in Berachot 15b dat wie de woorden van Sjema’
goed uitspreekt en met de juiste intentie, die wordt beloond
met een koelere Géhinnom, omdat hij zijn verhitte
gemoederen wist te bekoelen en te beheersen [M.B. 62:2].
Uit de wekelijkse daf
van de Talmoed
Ta’aniet 9a
„Zaken doen” met de Hemel
De Midrasj vertelt het volgende, hoogst inspirerende verhaal over
het „zaken doen” met de Hemel.
Een rijke Jood werd ieder jaar gezegend met een overvloedige oogst
van duizend kor [1 kor is ongeveer 250 liter],
waarvan hij plichtsgetrouw 110 kor afscheidde, in
overeenstemming met het Tora-voorschrift om de landbouwopbrengst
te vertienden en dat aan de Levieten te geven. Op zijn sterfbed
riep hij zijn zoon bij zich en drong er bij hen aan om met deze
gewoonte van vertienden trouw door te gaan.
De zoon deed dat het eerste jaar na het overlijden van zijn vader.
Het volgende jaar bracht het veld weer zoveel op, maar deze keer
kon de zoon zichzelf er niet toe brengen om tien procent daarvan
weg te geven. Het resultaat was dat het veld slechts 100 kor
produceerde. Zijn familie legde hem uit wat er gebeurd was:
„Toen jij het veld erfde, was je de landeigenaar en G-d was de
priesterlijke ontvanger, die kon bepalen aan wie het zou worden
gegeven. Nu dat je gefaald hebt om te vertienden, is G-d de
landeigenaar en jij bent de priesterlijke begunstigde die slechts
tien procent krijgt van wat het veld gewoonlijk opbracht.”
Tosafot haalt deze
Midrasj aan met betrekking tot wat Rabbi Jochanan zegt als een
verklaring voor de dubbele taal die Tora gebruikt in Dewariem
(14:22) wanneer het een Jood gebiedt te vertienden: „Vertiend,
je zult ieder jaar al je oogst welke je veldt voortbrengt,
vertienden.” De letters van het Hebreeuwse woord assaïer
kunnen op twee manieren gelezen worden, namelijk als ‘vertiend’
maar ook als ‘word rijk’, zodat het bovengenoemde vers ook gelezen
kan worden als: „Vertiend, opdat je rijk zult worden.”
De G-ddelijke belofte om beloond te worden als men
vertiendt, is niet beperkt tot het vertienden van
landbouwproducten. Onze Geleerden zeggen dat het woord al
in het vers een indicatie is dat de belofte ook geldt voor het
vertienden van geldt dat men uit bedrijf of met ander inkomen
verdiend heeft. |