Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 208 Parasjat Bo  8 Sjewat 5767

 27 januari 2007

 

Overzicht Parasjat Bo (Genesis 10:1-13-16)

Hasjem vertelt Mosjé dat Hij het hart van Par’o zal verharden zodat door wonderbaarlijke plagen de wereld voor altijd zal weten dat Hij de enige ware G-d is. Par’o is gewaarschuwd voor de plaag van de sprinkhanen en er wordt hem verteld hoe ernstig die zal zijn. Par’o stemt erin toe alleen de mannen te laten gaan, maar Mosjé staat erop dat iedereen moet kunnen gaan. Tijdens de plaag roept Par’o Mosjé en Aharon bij zich opdat zij de sprinkhanen plaag laten ophouden, en hij geeft toe dat hij gezondigd heeft. Hasjem doet de plaag ophouden maar verhardt het hart van Par’o en die weigert opnieuw de Joden te laten gaan. Het land, behalve het Joodse volk, wordt dan in een diepe, voelbare duisternis gehuld. Par’o roept Mosjé bij zich en zegt hem al de Joden uit Egypte mee te nemen, maar hun vee achter te laten. Mosjé vertelt hem dat zij niet alleen hun eigen vee zullen meenemen, maar dat Par’o ook zijn vee moet meegeven. Mosjé vertelt Par’o dat Hasjem nog een plaag over Egypte zal brengen, de dood van de eerstgeborene en dan zullen de Joden Egypte verlaten. Hasjem verhardt opnieuw het hart van Par’o, en Par’o waar­schuwt Mosjé dat wanneer hij hem nog eens ziet, Mosjé gedood zal worden. Hasjem vertelt Mosjé dat de maand Nissan de eerste van de maanden zal zijn. Het Joodse volk wordt opgedragen een schaap te nemen op de 10de van de maand Nissan en daarop te passen tot de 14de. Het schaap moet dan geslacht worden als een Pesach-offer, zijn bloed moet op de deurposten worden aange­bracht, en zijn vlees moet geroosterd worden gegeten. Het bloed aan de deurposten zal een teken zijn dat hun huizen gepasseerd zullen worden wanneer Hasjem de eerstgeborenen van Egypte doodt. Het Joodse volk wordt opgedragen deze dag te herinneren als de Uittocht van Egypte door nooit chameets te eten op Pesach. Mosjé geeft de geboden van Hasjem door aan het Joodse Volk, dat ze feilloos uitvoert. Hasjem zendt te laatste plaag, de dood van de eerstge-borene, en Par’o stuurt de Joden weg uit Egypte. Hasjem vertelt Mosjé en Aharon de wetten aangaande het Pesach-offer, pidjon haben (de lossing van de eerstgeborene zoon) en tefillien.

Met toestemming vertaald uit Torah Weekly van Ohr Somayach in Jerusalem, Israel

©1998 Ohr Somayach International - All rights reserved.

Haftara Bo (Jeremiahoe 46:13-28)

De Haftara begint met Jeremiahoe’s profetie dat de Koning van Babylon Newoechadnezzar en zijn leger Egypte zal vernietigen. Egypte wordt gewaarschuwd dat het zich op een oorlog moet voorbereiden. Slechts één ding kon hen redden: dat was als de Egyptenaren tesjoewa zouden doen (tot inkeer zouden komen en berouw zouden tonen). Jeremiahoe voorspelt vervolgens dat Egypte zal worden verslagen en verbannen, hoe Newoechadnezzar zal komen en Egypte zal binnenvallen en tenslotte Egypte zal vernietigen. Heel Egypte zal in ballingschap gezonden worden, dus... laat ieder zich reisvaardig maken, ook de edellieden. Er wordt verklaard waarom Hasjem Egypte wil straffen. Dat is wegens de hardheid waarmee Egypte de Joden al die jaren onderdrukt heeft. Het is tijd dat zij terugbetaald worden. Maat voor maat. Na de Egyptische balling­schap zullen zij terugkeren naar hun land. De Haftara eindigt met een aanmoediging van Hasjem dat als het de Egyptenaren zal worden toegestaan om terug te keren naar hun land, de Joden zeker zullen mogen terug­keren uit de Babylonische ballingschap naar hun thuisland, Erets Jisraël.

Het verband tussen de Haftara en de Parasja: In de Parasja wordt Egypte gestraft voor de misdaden die het tegen de Joden begaan heeft. Eén van de straffen is de plaag van de sprinkhanen. Deze Haftara werd gekozen wegens een referentie aan de sprinkhanen. Een ander verband is dat tegen het einde van de parasja de Bnei Jisraël op weg gaan naar hun vrijheid, naar het Land Israël. Zo ook eindigt de Haftara met Israëls bevrijding uit de Babylonische ballingschap.


Chasidisch inzicht in Parasjat Bo

De ziel van het kwaad

Gebaseerd op de leringen van de Lubatcher Rebbe, Rabbi Menachem M. Schneerson

Tussen de 53 parasjiot (afdelingen) van de Tora, steken er verschillende bovenuit als mijlpalen in de geschiedenis van de mensheid en van het volk van Israël. De parasja van Bereisjiet verhaalt G-ds schepping van de wereld in zes dagen en Adams verbanning uit de Tuin van Eden; Lech Lecha beschrijft Awrahams reizen om de waarheid van de Ene G-d aan de heidense wereld te verkondigen; Jitro bevat de openbaring op Sinaï en het geven van Tora aan Israël; enz.

Een lijst van centraal staande parasjiot zou zeker ook parasjat Bo bevatten, waarin over de Exodus van de kinderen van Israël uit het land Egypte verteld wordt. De Exodus markeert onze geboorte als een volk en we worden aangemoedigd om: „De dag dat we uit Egypte trokken te gedenken, alle dagen van je leven.” Inderdaad, toen G-d zich aan ons openbaarde op Sinaï, introduceerde Hij zich niet als de G-d van de schepping van hemel en aarde, maar als: „…jullie G-d, die jullie uit het land Egypte gevoerd heeft”! Want het definiërende element in onze relatie met G-d is niet dat wij door Hem zijn geschapen (wij zijn niet de enigen op de wereld die door Hem geschapen zijn), maar dat wij vrije schepselen zijn, schepselen waarin Hij Zijn eigen oneindigheid en eeuwigheid geïnvesteerd heeft, wezens die van Hem het vermogen gekregen hebben om uit te stijgen boven de beperkingen van de materiële wereld en om buiten onze eigen natuurlijke grenzen te treden.

De Naam

Bo betekent ‘kom.’ De naam is afgeleid van een van de eerste woorden van de parasja, waarin G-d Mosjé opdracht geeft: „Kom naar Par’o” om hem te waarschuwen voor de zevende plaag (de plaag van de sprinkhanen) en breng nogmaals het G-ddelijke bevel over dat de heerser van Egypte de kinderen van Israël vrij laat.

De Tora beschouwt de naam van iets als de verwoording van zijn essentie. Dat is zeker het geval met de eigen namen van Tora en zijn componenten. De naam van een Tora-afdeling brengt altijd de primaire boodschap over en het gemeenschappelijke thema van de onderafdelingen en vertellingen.

Men zou daarom veronderstellen dat dit deel van Exodus ‘Vrijheid’ genoemd zou worden, of enige andere naam die het belang van deze beslissende gebeurtenis in de geschiedenis van Israël uitdrukt. In plaats daarvan krijgt deze afdeling zijn naam van het komen van Mosjé bij Par’o – een gebeurtenis die slechts een voorspel lijkt te zijn tot de Exodus. Inderdaad, het feit dat de leider van Israël naar Par’o’s paleis komt, om hem te vragen het Joodse volk te laten gaan – hetgeen impliceert dat de Joden nog steeds ondergeschikt zijn aan Egypte en zijn heerser – lijkt juist de antithesis te zijn van de Exodus!

De woorden ‘Kom naar Par’o’ heeft ook veel discussies in de commentaren opgeleverd. Waarom zegt G-d tegen Mosjé kom naar Par’o. Zou het niet juister zijn om te zeggen: ‘Ga naar Par’o’?

De Zohar verklaart dat Mosjé bang was om Par’o in diens paleis te confronteren, het brandpunt van zijn macht. (Bij eerdere gelegenheden was Mosjé naar andere plaatsen gezonden om Par’o te ontmoeten, zoals op de ochtend-excursie van Par’o naar de Nijl.) Dus G-d beloofde Mosjé dat Hijzelf hem zou begeleiden naar Par’o. Het woord ‘kom’ moet dus worden opgevat als: ‘Kom met Mij mee;’ G-d zegt tegen Mosjé: „Kom met Mij mee naar Par’o.”

De Zohar gaat verder met te zeggen dat Mosjé wordt uitgenodigd door G-d om een ontmoeting te hebben met de meest innerlijke essentie van de heerser en god van Egypte. Dus we hebben nog een andere betekenis van de woorden ‘Kom naar Par’o’ – ‘kom’ in de betekenis van: ‘Ga naar binnen.’ Om het volk Israël te bevrijden van de ‘grote en machtige slang’ was het niet voldoende om alleen maar naar Par’o te gaan; Mosjé moest tot de kern van Par’o binnendringen, tot in de wortels van zijn macht.

Mijn rivier

Wie is Par’o en wat vertegenwoordigt hij? Wat is zijn meest innerlijke essentie? Waarom was Mosjé bevreesd om Par’o te confronteren in diens paleis, als G-d zelf hem daar naartoe gestuurd had? En hoe houdt ‘komen naar Par’o’ de sleutel in voor de Exodus uit Egypte en de bevrijding van de ziel van de mens?

De Profeet Jechezkel (29:3) beschrijft Par’o als: „De grote slang die ligt in het midden van de stromen, die zegt: mijn rivier is mijn eigendom en ik heb mijzelf gemaakt.” Met andere woorden, het kwaad van Par’o wordt niet gedefiniëerd door de ontucht die de heidense cultuur van Egypte karakteriseerde; noch de knechting en marteling van miljoenen; noch door zijn eigen baden in het bloed van de geslachte kinderen; maar door zijn egocentrisme, door hoe hij zichzelf beschouwt als de bron en standaard van alles.

Want dat is de wortel van al het kwaad. Egocentrisme lijkt een goedaardige zonde te zijn, vergeleken met de wreedheden en verdorvenheid waartoe een mens kan zinken, maar het is de bron en essentie van dat alles. Wanneer iemand zichzelf beschouwt als de uiteindelijke scheidsrechter tussen goed en slecht, dan is zijn moraal – en hij kan initiëel een zeer moreel persoon zijn – een bedrog. Een dergelijk persoon is uiteindelijk in staat om alles te doen, wat hijzelf beschouwt als van doorslaggevend belang voor zijn door hemzelf gede­fi­ni­ëerde visie van de realiteit.

Uiteindelijk is iedere goede daad een daad van zelfverloochening, en iedere slechte daad en daad van zelf-verafgoding. Wanneer iemand een goede daad doet – of hij nu een enkel muntje geeft voor een liefdadig doel, of zijn hele leven wijdt  aan een G-ddelijke zaak – dan zegt hij als het ware: er is iets dat groter is dan ik waaraan ik verplichtingen heb. Wanneer iemand een G-ddelijke wil geweld aandoet – of dat nu is door een kleine overtreding of door de meest afgrijselijke misdaad – dan zegt hij als het ware: „Dit is mijn rivier en ik heb mijzelf gemaakt.” Goed is wat goed is voor mij en slecht is wat tegen mijn wil ingaat; ik ben de meester van mijn realiteit, ik ben god.

De ziel van het kwaad

Is de ego dus slecht? Is deze fundamentele component van onze ziel een vreemde inplant die uitgeroeid moet worden en verworpen moet worden bij ons zoeken naar goedheid en waarheid?

In de uiteindelijke analyse blijkt dat niet het geval te zijn. Want de voornaamste wet van de realiteit is dat „er niets naast Hem is” (Deut. 4:35) – dat niets tegengesteld aan of gescheiden van de Schepper en de Bron van alles is. De ego, het gevoel van ‘íkzelf’, waarmee wij allen zijn geboren, is ook afkomstig van G-d; het is een weerspiegeling van de G-ddelijke „ego.” Omdat G-d Zichzelf kent als de enige ware existentie, bezitten wij, die in Zijn beeld geschapen zijn, een imitatie van Zijn ‘zelfgevoel’ in de vorm van ons eigen zelfbewustzijn als de kern van al wat bestaat.

Het is niet de ego die slecht is, maar de scheiding van de ego van zijn bron. Wanneer wij onze eigen ego herkennen als een weerspiegeling van G-ds „ego” en het daaraan ondergeschikt maken, dan wordt het de drijfkracht van onze inspanningen om de wereld beter te maken, meer een G-ddelijke plaats. Maar dezelfde ego, losgemaakt van zijn G-ddelijke basis, begaat de meest monstrueuze misdaden.

Dit, zo verklaart de Lubavitcher Rebbe, is de diepere betekenis van het openingsvers van parasjat Bo. Toen G-d Mosjé opdracht gaf om naar Par’o te komen, was Mosjé al verschillende keren naar Par’o gegaan. Maar hij had te maken gehad met een Par’o in diens diverse manifestasties: Par’o de heiden, Par’o de onder­drukker van Israël, Par’o de zelfbenoemde god. Nu werd hem verteld om tot de essentie van Par’o binnen te dringen, in de ziel van het kwaad. Hem werd verteld om voorbij het kwaad van Par’o te gaan, voorbij de mega-ego die volhoudt: „Ik heb mijzelf geschapen;” om Par’o’s kwintessens te confronteren: de naakte „ik” dat zijn oorsprong vindt in het „zelf” van G-d.

Mosjè was niet bang voor het kwaad van Par’o. Als G-d hem zond zou G-d hem beschermen. Maar toen G-d hem zei om de essentie van Par’o binnen te gaan, werd hij doodsbenauwd. Hoe kan een menselijk wezen zulke een zuivere manifestatie van de G-ddelijke waarheid aanschouwen? Een manifestatie die zo subliem is dat hij uitstijgt boven goed en kwaad en die tegelijk de bron van beide is?

G-d zei tegen Mosjé: „Kom met Mij mee en samen zullen wij het paleis van de grote slang betreden. Samen zullen wij de zelfaanbidding binnengaan, welke het hart van het kwaad is. Samen zullen wij ontdekken dat er noch substantie noch realiteit is in het kwaad, dat het niets anders is dan een verkeerde aanwending van het G-ddelijke in de mens.

Als deze waarheid te angstaanwekkend is voor een mens om alleen te confronteren, kom dan met Mij mee, en Ik zal je leiden. Ik zal je binnenbrengen in de binnenste kamer van Par’o’s ziel, totdat je van aangezicht tot aangezicht zult staan met het best bewaarde geheim van het kwaad: dat het in werkelijkheid niet bestaat.

Wanneer je dit geheim leert, kan geen kwaad je meer verslaan. Wanneer je dit geheim leert, zullen jij en je volk vrij zijn.


Uit de Schatkamer van Chasidische Verhalen

Want G-d is met jou

„Kom naar Par’o” (10:1)

Een Chassid, Reb Mottel uit Kalshin, had uitgebreide zakenbelangen in Warschau en sprak vloeiend Pools. Op een dag riep Reb Jitschak uit Worki hem, en vroeg hem een bepaalde machtige minister te benaderen met het verzoek dat de regering het plan om alle copieën van de Sjoelchan Aroech Chosjen Misjpat te verbranden, zou intrekken. Dat is het deel van de Joodse wet dat handelt over burgerlijke en criminele zaken. De bedoeling van de autoriteiten was  om de Joden te dwingen om al hun geschillen aan de seculiere rechtbanken voor te leggen, die rechtspraken volgens de wetten van het land, in plaats van dat zij hun meningsverschillen aan de rabbinale recht­banken voorlegden. Hoewel een dergelijk decreet nog niet was uitgegaan, was het bekend dat dit in de maak was.

Reb Mottel protesteerde: Maar die minsiter heeft een opvliegend temperament. Hij dreigt iedereen neer te schieten die hem alleen maar voor dit soort redenen benadert!”

De tsaddiek antwoordde: Toen de Almachtige Mosjé naar Par’o zond om zijn broeders te redden, zei Hij niet: Ga naar Par’o” maar Kom naar Par’o.” Mosjé Rabbeinoe was bang voor de Egyptische despoot, en daarom nodigde G-d hem uit om met Hem mee te komen.”

De chasied ging daarop op weg om de minister te ontmoeten, opgewekt en onbevreesd. De machtige man vond zichzelf vol ontzag  in aanwezigheid voor de chasied die voor hem stond – en stemde toe in het verzoek.

Misjna van de week − Berachot

Hoofdstuk 2

Misjna 3

Wie Sjema’ zegt, maar zijn oren niet heeft laten horen wat hij zegt, heeft zijn plicht gedaan. Rabbi Jossi zegt: „Hij heeft zijn plicht niet ge­daan”.1

Als men het leest maar niet nauwkeurig is [in de uitspraak] van de letters,2 [daarover] zegt Rabbi Jossi: „Hij heeft zijn plicht gedaan”3. Rabbi Jehoeda zegt: „Hij heeft zijn plicht niet gedaan”. Wie het leest in een andere volgorde4 heeft zijn plicht niet gedaan.5 Heeft hij gelezen en een fout gemaakt, dan keert hij terug naar de plaats van de fout. 6

Aantekeningen

1. Rabbi Jossi zegt: „Hij heeft zijn plicht niet gedaan: Want er staat geschreven: Sjema’ [Hoor!], d.w.z. laat je oren horen wat uit je mond komt. Maar de Tanna Kamma[1*] is van mening dat je Sjema’ [mag zeg­gen in iedere taal die je verstaat[2*], en de halacha is volgens de Tanna Kamma. (RAV) [D.w.z. dat men zijn plicht gedaan heeft, ook als men Sjema’ niet hardop gezegd heeft, zodat men zijn eigen woorden niet kon horen en ook als men het in zijn eigen taal gezegd heeft.

[1*] Een tanna is een leraar, geleerde, wiens uitspraak in de misjna is vastgelegd. Tanna kamma is de eerste, niet met name genoemde tanna, de eerste tanna.

[2*] Het verschil tussen Rabbi Jossi en de Tanna Kamma is dat waar Rabbi Jossi het woord Sjema’ opvat in zijn betekenis van „luisteren” – het oor moet luisteren naar wat de mond zegt – vat de Tanna kamma het woord Sjema’ op in de betekenis van begrijpen wat men zegt.]

2. Maar niet nauwkeurig was met de letters: Door ze niet netjes uit te spreken bij twee woorden waarvan het tweede woord begint met dezelfde letter als waarmee het eerste woord eindigt, bijvoorbeeld: ‘al lewawecha, en: ‘esev besadecha, en: we awadetem mehera. Wan­neer men niet even pauzeert om ze[3*] van elkaar te scheiden, dan lijkt het alsof men de twee letters als één letter leest [En alsof de twee woorden samen één woord vor­men]. (RAV)

[3*] De hier voor genoemde woorden.

3. Rabbi Jossi zegt: „Hij heeft zijn plicht gedaan. De halacha is vol­gens Rabbi Jossi. Maar in principe moet men de letters zorgvuldig uitspreken. En men moet ook oppassen niet te bewegen wat rust en niet te doen rusten wat beweegt[4*], niet zwak maken wat sterk is en niet sterk maken wat zwak is. En men moet de zajin van tizkeroe dui­delijk laten horen, opdat het niet lijkt alsof men zegt tiskeroe, met een sien, alsof men veel vraagt[5*], want het is niet mooi om de meester te dienen om een beloning te krijgen.[6*] (RAV)

[4*] Men moet niet een sjewa na [een bewegende sjewa] uitspreken als een sjewa nach [een rustende sjewa]. Het exacte verschil hiertussen vindt men in grammaticaboeken.

[5*] De letters Weet, Chav, Fee en Thav worden met een dageesj erin anders uitgesproken, nl. als een Beet, Kaf, Pee en Tav en worden dan „sterk” genoemd. Zonder dageesj heten ze „zwak”. De regel hiervoor vindt men in grammaticaboeken.

[6*] De zin [in Bamidbar 15:40] luidt: Lema’an tizkeroe wa’asietem èt kol mits­wo­tai – opdat jullie je zult herinneren en al Mijn mitswot zult doen. Wanneer men de zajin [z] van tizkeroe als een sien [s] uitspreekt, klinkt het als tiske­roe, hetgeen betekent: „je zult beloond worden als je Mijn mitswot doet”. De misjna in Avot 1:3 zegt dat men Hasjem uit liefde moet dienen, niet om een beloning, die komt vanzelf, zoals een kind uit liefde voor zijn ouders doet wat zij zeggen, en dan komt de beloning ook vanzelf.

4. Wie het in een andere volgorde leest: Wie het derde vers voor het tweede zegt en de tweede het eerst, of iets derge­lijks. (RAV)

5. Heeft zijn plicht niet gedaan: Want er staat geschreven [in Dewariem 6:6]: „En deze woorden zullen zijn”, dat wil zeggen: ze zullen zijn zoals zij nu zijn, d.w.z.: zoals de volgorde is in Tora. Echter, wanneer men de [derde] paragraaf Wajjomer voor de [tweede] paragraaf Wehaja iem sjamoa’ zegt, of de paragraaf Wehaja iem sjamoa’ voor Sjema’, dan lijkt het mij dat dit  niet beschouwd wordt als een andere volgorde, en dan heeft men zijn plicht gedaan, want [de para­grafen] staan niet in dezelfde volgorde als in de Tora. (RAV) [In Tora komt eerst Wajjomer (de derde afdeling van Sjema’) voor, in Bamidbar, en daarna Sjema’ en Wehaja iem sjamoa (de eerste twee afdelingen van Sjema’) in Dewariem.]

6. Dan keert hij terug naar de plaats van de fout: Wanneer hij een fout maakte tussen twee afdelingen, zodat hij niet weet in welke afde­ling hij ge­stopt is, zodat hij naar het begin van die afdeling moet terugkeren, dan keert hij terug naar het begin van Wehaja iem sjamoa’. De Rambam zegt dat dit we ahavta et Hasjem is. Wanneer men midden in een afdeling gepauzeerd heeft en men weet in welke afdeling men onderbroken heeft, maar men weet niet meer  op welke plaats in die afdeling men gestopt is, dan herhaalt men vanaf het begin van die afdeling. Wanneer men de zin oechtavtam ge­lezen heeft en men weet niet meer of dat oechtavtam van Sjema’ of oechtav­tam van We­haja iem sjamoa'’was[7*], dan herhaalt men vanaf oechtavtam  van Sjema’. En als men twijfelt nadat men al lema’an jirboe gezegd heeft, dan hoeft men niet te herhalen want hij heeft [waarschijnlijk] zijn gewone taal gebruikt. (RAV) [d.w.z.: hij heeft het waarschijnlijk goed gezegd].

[7*]. De zin die begint met oechtavtam komt in beide afdelingen voor.

De Halacha van de week

Kitsoer Sjoelchan Aroech

(Uit onze Nederlandse vertaling van de “Kitsoer Sjoelchan Aroech met commentaar”)

Hoofdstuk 17, paragraaf 5

5. Men moet bij het lezen van Sjema’ zeer zorgvuldig de woorden uitspreken en het lezen uit een zorgvuldig gecontroleerde siddoer, terwijl men zijn oren laat horen wat zijn mond uit­spreekt. Men moet erop letten dat men de dageesj [het puntje] in een letter uitspreekt waar het hoort en hem weglaat waar hij niet hoort. Men stopt heel even overal waar zo’n lijn | staat1. Ook bij de psoeké dezimra moet men heel goed op al deze dingen letten. Men moet de letter ň [‘ajin] in het woord đÄůŃŔáĚÇň nisjba’ [gezworen]2 goed uitspreken, opdat het niet lijkt alsof men zegt đÄůŃŔáĚČä nisjbáh [gevangen genomen] met een ä [] op het eind. Ook de letter ć [zajin] in de woorden úĚÄćŔëĚŔřĺĚ [tizkeroe, jullie zult je herinneren]3 en ĺĚćŔëÇřŔúĚĆí [oezchartèm, je zult ze herinneren] moet men zorgvuldig uitspreken, opdat het niet klinkt alsof men het met een ůŇ [sin] heeft uitgesproken4,5

Aantekeningen

1. Volgens de Sj.A.HaRav 61:15 moet men ook even pauzeren tussen  hajjom en ‘al lewawecha in de eerste afdeling van Sjema’ en tussen hajjom en leähawa in de tweede afdeling. Voorts moet men de J van Jisraël in Sjema’ Jisraël zorgvuldig uitspreken, opdat het niet klinkt als Israël. Zo ook moet men de J in Wehajoe zorgvuldig uitspreken, opdat het niet klinkt als Wehoe [SAj.A.HaRav 62:17]. Ook moet men overal, waar een woord op dezelfde letter eindigt als waar het volgende woord mee begint, heel even ruimte maken tussen die twee woorden opdat die twee dezelfde letters niet samen versmelten tot één letter en zo de twee woorden tot één woord aan elkaar lijmen. Bijvoorbeeld: ňÇě ěŔáČáĆęČ [‘al lewawecha, op je hart] en ňÇě ěŔáÇáŔëĆí [‘al lewawechèm, op jullie hart] en  ĺÇŕÂáÇăŔúĆí îŔäĹřČä [weawadetèm mehéra, jullie zult verdwijnen van het land] en ŕĆúŔëĆí îĹŕĆřĆő [ètchèm mé-èrets], enz. Dit geldt ook waar de woorden van­wege een semichoet verbonden moeten worden, ook daar moet men het verschil tussen de twee dezelfde letters kunnen horen [Sj.A.HaRav 62:19].

2. Aan het eind van de tweede afdeling.

3.In de derde afdeling.

4.Hetgeen zou betekenen: jullie zult beloond worden. 

5.Maar wie niet precies was in deze uitspraak heeft achteraf toch aan zijn verplichtingen voldaan [Sj.A. 62:1]. Echter het is in principe wel belangrijk dat men er op let dit alles goed uit te spreken. Zo staat er in Berachot 15b dat wie de woorden van Sjema’  goed uitspreekt en met de juiste intentie, die wordt beloond met een koelere Géhinnom, omdat hij zijn verhitte gemoederen wist te bekoelen en te beheersen [M.B. 62:2].


Uit de wekelijkse daf van de Talmoed

Ta’aniet 9a

„Zaken doen” met de Hemel

De Midrasj vertelt het volgende, hoogst inspirerende verhaal over het „zaken doen” met de Hemel.

Een rijke Jood werd ieder jaar gezegend met een overvloedige oogst van duizend kor [1 kor is ongeveer 250 liter], waarvan hij plichtsgetrouw 110 kor afscheidde, in overeenstemming met het Tora-voorschrift om de land­bouwopbrengst te vertienden en dat aan de Levieten te geven. Op zijn sterfbed riep hij zijn zoon bij zich en drong er bij hen aan om met deze gewoonte van vertienden trouw door te gaan.

De zoon deed dat het eerste jaar na het overlijden van zijn vader. Het volgende jaar bracht het veld weer zoveel op, maar deze keer kon de zoon zichzelf er niet toe brengen om tien procent daarvan weg te geven. Het resultaat was dat het veld slechts 100 kor produceerde. Zijn familie legde hem uit wat er gebeurd was:

„Toen jij het veld erfde, was je de landeigenaar en G-d was de priesterlijke ontvanger, die kon bepalen aan wie het zou worden gegeven. Nu dat je gefaald hebt om te vertienden, is G-d de landeigenaar en jij bent de priesterlijke begunstigde die slechts tien procent krijgt van wat het veld gewoonlijk opbracht.”

Tosafot haalt deze Midrasj aan met betrekking tot wat Rabbi Jochanan zegt als een verklaring voor de dubbele taal die Tora gebruikt in Dewariem (14:22) wanneer het een Jood gebiedt te vertienden: „Vertiend, je zult ieder jaar al je oogst welke je veldt voortbrengt, vertienden.” De letters van het Hebreeuwse woord assaïer kunnen op twee manieren gelezen worden, namelijk als ‘vertiend’ maar ook als ‘word rijk’, zodat het bovengenoemde vers ook gelezen kan worden als: „Vertiend, opdat je rijk zult worden.”

De G-ddelijke belofte om beloond te worden als men vertiendt, is niet beperkt tot het vertienden van landbouwproducten. Onze Geleerden zeggen dat het woord al in het vers een indicatie is dat de belofte ook geldt voor het vertienden van geldt dat men uit bedrijf  of met ander inkomen verdiend heeft.