|
Overzicht Parasjat Waëra
(Genesis 6:2-9:35)
asjem
vertelt Mosjé dat hij het Joodse Volk moet informeren dat Hij hen
uit Egypte zal halen, maar het Joodse volk luistert niet. Hasjem
geeft Mosjé opdracht naar Par’o te gaan en hem te vragen het
Joodse Volk vrij te laten. Hoewel Aharon aan Par’o een teken laat
zien door een staf in een slang te veranderen, blijft Par’o het
verzoek weigeren. Hasjem straft de Egyptenaren en zendt plagen van
bloed en kikkers, maar de magiërs copiëren die wonderen op
kleinere schaal, hetgeen de obstinaatheid van Par’o sterkt en
opnieuw weigert hij het Joodse Volk te laten gaan. Na de
luizenplaag geven de magiërs van Par’o toe dat alleen G-d zulke
wonderen kan verrichten. Uitsluitend de Egyptenaren, en niet de
Joden in Gosjen leiden onder de plagen. De plagen duren voort, met
wilde dieren, de pest, huidontsteking en zware hagelstenen met
vuur uit de hemel. Echter ondanks Mosjé’s aanbod een eind te maken
aan de plagen, als Par’o het Joodse Volk vrij laat, blijft Par’o
volharden in zijn weigering.
©1998 Ohr Somayach International - All rights reserved.
De
Haftara voor Parasjat Waëra
(Jechezkel
28:25-29:21)
De straf
van Egypte
Samenvatting van de Haftara:
28:25-26: Hasjem belooft het
Joodse volk terug te brengen naar hun land en de vijanden van het
Joodse volk te straffen. 29:1-5: De profeet voorspelt de
verovering van Egypte door Newoechadnetsar van Babylon. De
volgende verzen verklaren dat dit de straf van Egypte was voor wat
het het volk Israël heeft aangedaan. Het zal leeg en verlaten zijn
gedurende veertig jaar. Egypte zal nimmer het machtige land zijn
als voorheen. Tot slot wordt verklaard waaraan Newoechadnetsar het
verdiend heeft dat hij Egypte mocht veroveren en vernietigen.
Het verband met de parasja
Zowel de parasja als de
Haftara hebben het over de straf van Egypte. De parasja vertelt
over de straf in de tijd van Mosjé, de Haftara voorspelt de straf
in de tijd van Par’o Chofra, duizend jaar later:
v
Beide koningen, zowel
die van de parasja als die van de Haftara waren slechte mensen.
v
Net als de Par’o van
de parasja schepte ook Par’o Chofra op dat hij een godheid was en
dat de vruchtbaarheid van het land, die door de Nijl kwam, aan hem
te danken was in plaats van aan Hasjem.
v
In de parasja werpt
Aharon zijn staf op de grond en die verandert dan in een tannien –
slang, het symbool van Par’o, die daarmee vaak wordt afgebeeld. In
de Haftara noemt de profeet Par’o een ‘groot monster’ en gebruikt
daarvoor hetzelfde woord tannien.
Wat is het doel van al deze
straffen?
Zowel in de parasja als in de
Haftara wordt herhaald: „Hiermee zal bekend worden dat Ik Hasjem
ben.”
Inzicht in de parasja
De
vrees voor G-d
Door HaRav Eliezer Chryler (uit Midei Shabbos Beshabbato nr.
12:14)
Toen Rabban
Jochanan ben Zakai zijn discipelen op zijn doodsbed zegende dat
hun vrees voor G-d even groot zou zijn als hun vrees voor hun
medemens, uitten zij hun verbazing dat zijn verwachtingen van hen
zo laag waren. Iemands vrees voor G-d moet toch veel groter zijn
dan die voor een mens!
Hun Rebbi
stelde hen echter teleur, door hen eraan te herinneren dat ieder
mens, wanneer hij iets gaat doen wat verboden is, de neiging heeft
om zich heen te kijken of niemand hem ziet, hoewel hij in zijn
hart heel goed weet dat G-d alles weet en alles ziet wat hij doet.
Wanneer men de
vrees om te worden gesnapt door de Ribono sjel Olam in de praktijk
zou brengen, onderwees Rabban Jochanan zijn talmidiem, dan zou men
nimmer iets doen dat niet mag. De basis voor deze vrees, vertelde
hij hun, is de vrees voor straf (en de bijbehorende schaamte).
Alleen met G-d is er geen ‘kans’ om gesnapt te worden, omdat Hij
100% alles ziet en dat zou voldoende moeten zijn dat wij absoluut
afgeschrikt worden van welke overtreding dan ook.
Het hierboven
genoemde niveau van vrees is in feite het laagste niveau van
jirat sjamajiem. Er is een hoger niveau, dat gebaseerd is op
ontzag, en dat houdt in dat men zich onthoudt van rebelleren tegen
G-d om wie Hij is, en niet uit vrees voor straf. Dit kan worden
vergeleken met een trouwe onderdaan, die niet in opstand komt
tegen de koning, zelfs al is hij niet bang om gesnapt te worden.
Dit is het hogere niveau van jirat sjamajiem, gebaseerd op
de beracha Ahawat rabba [de beracha vóór Sjema’ in
sjacharit], waarin we zeggen: leähawa oelejira et
Sjemècha – van Uw Naam te houden en er ontzag voor te hebben.
De commentatoren plaatsen die zelfs op een hoger niveau dan
ahawat Hasjem.
Het
fundamentele verschil tussen deze twee soorten Jira is, dat in het
eerste geval men eigenlijk wil zondigen, maar zich daarvan
onthoudt uit vrees voor de consequenties; terwijl in het laatste
geval de vrees voor G‑d zelfs de geringste neiging tot overtreding
te niet gedaan wordt. Dit laatste vormt de basis voor de Misjna in
Pirkei Awot:
„Maak
je wil als Zijn wil.”
Par’o was
gespeend van beide hierboven genoemde niveau’s van vrees. Het
enige dat hem kon dwingen te stoppen met zondigen, was de pijn die
de straffen hem bezorgden. Dat verklaart waarom zelfs Mosjè’s
waarschuwingen hem niet konden afschrikken om ongehoorzaam te zijn
aan G-ds bevelen, en het was pas toen de meeste plagen al geweest
waren, dat hij zijn standpunt verzachtte. Dat is de reden waarom
de Midrasj over hem schrijft dat, net als alle andere
rasja’iem, hij toegeeflijk was wanneer de plagen woedden, maar
zodra die voorbij waren, trok hij die toefgeeflijkheid
onmiddellijk weer in. En dat is de reden waarom bij één
gelegenheid, toen Par’o, nadat de plaag voorbij was, op de rand
van capitulatie stond, Hasjem zijn hart verhardde. Wanneer zijn
capitulatie ook maar in de verte was ingegeven door een werkelijke
jirat sjamajiem, dan is het onwaarschijnlijk dat Hasjem dat
had gedaan. Dat immers was precies wat Hasjem van hem wilde, zoals
Mosjé en Aharon expliciet tegen hem zeiden uit G-ds Naam. (in Ex.
10:3). Maar dat was het niet. Par’o’s vertoon van spijt was
gebaseerd, niet op de vrees voor G-d, maar op zelfmedelijden en
eigenliefde, er daar zat Hasjem bepaald niet op te wachten.
Iemand vroeg
mij eens hoe het kwam dat bij de plaag van de kikkers Par’o Mosjé
smeekte om tot G-d te bidden en Hem te vragen de kikvorsen weg te
nemen
„…en dan zal ik het volk weg
laten gaan en dan kunnen zij G-d dienen” (Gen. 8:4). Hij noemt
daar geen voorwaarden, hetgeen betekent dat hij hen compleet met
heel hun families en veestapel zou laten gaan. En hetzelfde geldt
bij de plaag van de hagel (9:28). Maar bij de plaag van
sprinkhanen, welke later plaats vond, zei Par’o tegen Mosjé: „Ga,
en dien Hasjem… Wie gaat er?” Waarna hij als voorwaarde stelt dat
alleen de volwassen mannen gaan maar dat de rest moet
achterblijven. Men zou verwacht dat de weerstand van Par’o zou
afnemen, naarmate de plagen intenser werden, in plaats van dat die
zou toenemen.
Het lijkt mij
echter dat als men nauwkeuriger kijkt naar de woorden van Par’o,
het duidelijk is dat bij de plagen van de kikvorsen en de hagel
Par’o helemaal niet van plan was om hen te laten gaan. Hij zei dat
alleen maar op dat Mosjé voor hem zou dawwenen. Daarom was er geen
reden om nadere voorwaarden te stellen. Pas bij de plaag van de
sprinkhanen was hij werkelijk van plan de Joden te laten gaan.
Daarom stelde hij daar voorwaarden.
De progressie
was inderdaad natuurlijk: eerst beloofde Par’o alleen maar dat hij
hen zou laten weggaan, maar later gaf hij hen inderdaad
toestemming, zij het onder speciale voorwaarden. Zijn weerstand
was inderdaad verminderd.
Dit alles
bevestigt alleen maar wat we eerder schreven, namelijk dat Par’o’s
vrees alleen maar gebaseerd was op zelfmedelijden en niet op
jirat sjamajiem. Daarom voelde hij zich aanvankelijk vrij om
terug te komen op zijn woord op het moment dat de plaag voorbij
was (en de onmiddellijke pijn verdwenen), terwijl hij later
voorwaarden stelde die gunstig voor hem waren. Als hij ook maar
een klein beetje jirat sjamajiem zou hebben gehad, zou hij
het niet gedurfd hebben, noch om zijn belofte in te trekken, noch
om aan G-d voorwaarden te stellen. Hij zou G-ds voorwaarden
geaccepteed hebben en Israël zonder mankeren uit Egypte hebben
laten trekken.
* * *
Overeenkomstig hun eigen verdiensten
En Ik
verscheen aan Awraham, aan Jitschak en aan Ja’akov
(6:3).
Rasji
zegt: [Dat zijn] de Awot. De commentatoren vragen zich af wat
Rasji hier bedoelt. Zouden we niet weten dat Awraham, Jitschak
en Ja’akov de Awot zijn?
R. Meïr van
Premsela verklaart op grond van deze Rasji het belang van
iemands eigen personaliteit en dat men niet alleen maar moet
stappen in de voetsporen van zijn beroemde voorouders. G-d
verscheen niet aan Jitschak wegens de verdienste van zijn vader,
noch aan Ja’akov wegens de verdiensten van zijn vader en
grootvader, maar wegens hun eigen verdiensten. Zij allen waren
Awot, de vaders van het Joodse volk, wegens hun eigen
verdiensten.
Misjna van de week −
Berachot
Hoofdstuk 2
Misjna 2
Dit
zijn [de afscheidingen] tussen de paragrafen: tussen de eerste en
de tweede beracha;
tussen de tweede [beracha] en Sjema’
;
tussen Sjema’ en wehaja iem sjamoa;
tussen wehaja iem sjamoa en wajjomer;
tussen wajjomer en èmet wejatsiev.
Rabbi Jehoeda zegt: men mag niet onderbreken tussen wajjomer
en èmet wejatsiev.
Rabbi Jehosjoea ben Korcha heeft gezegd: Waarom staat Sjema’
voor wehaja iem sjamoa?
[Dat is] opdat men eerst het juk van het Koninkrijk van de Hemel
op zich neemt,
en daarna neemt men op zich de verplichting van de mitswot uit te
voeren.
En wehaja iem sjamoa, waarom
[staat dat] voor wajjomer? Omdat wehaja iem sjamoa
handelt over [mitswot die] bij dag en bij nacht [gelden]10,
terwijl wajjomer alleen handelt over [mitswot voor] overdag11.
Aantekeningen
2.Dit betreft de eerste
paragraaf van Sjema’, Dewariem 6:4-9
4.Wajjomer:
Dat is het beginwoord van de derde paragraaf Bamidbar
15:37-41 (RAV).
11. Handelt alleen
overdag: Want er staat in die afdeling over de tsietsiet
[in Bamidbar 15]: „En je zult ze zien”. [Uit deze woorden
wordt afgeleid dat de tsietsiet alleen overdag gedragen
hoeven te worden, wanneer men ze bij daglicht kan zien].
(RAV)
De Halacha van de
week
Kitsoer Sjoelchan
Aroech
(Uit onze Nederlandse
vertaling van de “Kitsoer Sjoelchan Aroech met commentaar”)
Hoofdstuk 17, paragraaf
3 (vervolg)
Terwijl men Sjema’ Jisraël
zegt moet men aan de betekenis daarvan denken:
„Luister Israël, dat Hasjem, die onze G-d is, één is, enkel en
alleen, in de Hemel, zowel als op de aarde”. Met moet de
ç [chet]
van Echad uitrekken,
want daarmee roept men Hasjem uit tot Koning over de hemel en de
aarde. En ook de
ã [dalet]
rekt men wat uit,
en daarbij bedenkt men dat Hasjem enig is in Zijn wereld en
regeert over de vier windstreken; maar langer rekt men niet uit.
Men moet er ook voor oppassen dat men het woord Echad niet
vervormd door het te veel uit te rekken, want veel mensen
misvormen het. Sommigen zeggen: echà-à-à-d, en anderen
zeggen echàde. Zij kunnen het beter niet uitrekken dan het
zo te vervormen. Het is de gewoonte om de zin Sjema’ Jisraël
hard op te zeggen, om zich zo beter te concentreren en men legt
daarbij zijn rechter hand over zijn ogen. Na het woord Echad
pauzeert men even en zegt zachtjes (behalve op Jom Kippoer,
wanneer men het hardop zegt): Baroech Sjeem Kewod Malchoeto
le’olam wa’ed [geprezen de Naam van Zijn Koninklijke Majesteit
voor alle eeuwigheid].
Ook hier moet men zich zorgvuldig concentreren op de betekenis van
de woorden.
Aantekeningen
4. Dit is een onderdeel
van de eerste zin en wie er zijn aandacht niet bij had toen hij
het zei, moet het dus ook over zeggen [M.B. 12-13].
Uit de wekelijkse daf
van de Talmoed
Ta’aniet 8a
De menselijke slang
Wat is de verklaring van Prediker
10:11: „Als de slang bijt omdat hij niet bezworen was, dan heeft
de bezweerder geen nut meer [lett.: dan heeft de meester van de
spraak geen voordeel]”?
Reisj Lakisj verklaart: Het vers is
een toespeling op de toekomst, wanneer alle dieren zich zullen
verzamelen rondom de slang en hem zullen vragen waarom hij andere
dieren bijt, terwijl hij ze niet eet, zoals leeuwen en wolven, die
hun prooi doden en vervolgens opeten. De slang zal dan antwoorden:
wat heeft de ‘meester van de spraak’ die anderen belastert,
voordeel van zijn kwaadsprekerij? [Op de dag des oordeels zullen
de kwaadsprekers en de slang samen veroordeeld worden zegt
Rasji.]
Deze dialoog van de toekomst kan
worden opgevat als meer dan het beantwoorden van de ene vraag met
de ander. Todat de eerste slang de misdaad beging om de eerste man
en vrouw te verleiden tot het eten van de verboden vrucht van de
Boom van de Kennis, liep hij rond op twee benen, net als een mens.
Als straf voor zijn misdaad werd hij veroordeeld om op zijn buik
te kruipen en om eeuwig ruzie te hebben met de mens. Dit conflict
tussen slang en mens wordt beschreven in de Tora als de poging van
de mens om op de kop van de slang te gaan staan en de poging van
de slang om de mens in zijn hiel aan te vallen (Gen. 3:15).
Sedert die val benijdt de slang de
staande houding van de mens, omdat hij ooit ook het genoegen had
die te bezitten. Bewust van het feit dat hij die houding nimmer
meer kan terugkrijgen ten gevolge van de G-ddelijke vloek,
probeert de slang het beste te doen wat hij kan – de mens omlaag
te brengen door hem zijn venijn in zijn lichaam te spuiten.
Wanneer de slang van de toekomst –
die zijn frustratie van alle slangen vanaf het begin der tijden
uit – zijn uitdaging richt op de kwade tong van de roddelaar,
biedt hij hen een voorbeeld van zijn eigen gedrag op menselijk
niveau. Een mens die het karakter van een ander, waarop hij
jaloers is, vernielt door zijn boze tong, wordt gemotiveerd door
de behoefte om zijn slachtoffer in de ogen van zijn toehoorders
tot zijn eigen niveau omlaag te brengen.
WAT BETEKENT HET OM HET UITVERKOREN VOLK TE ZIJN EN
IS HET EEN RACISTISCH BEGRIP?
Door
Rabbijn Kalman Packouz (Vertaling Judith Roos-Goldberg)
Vraag:
The Torah
verwijst naar het Joodse Volk als het Uitverkoren Volk:
"Want je bent een heilig volk voor
Hasjem, je G-d;
Hasjem je G-d heeft
je uitverkoren om Hem het dierbaarste volk te zijn van alle
volkeren, die op de oppervlakte der aarde zijn."
(Deuteronomium 7:6)
Antwoord:
Veel mensen
vinden dit een ellendige uitdrukking en hebben het gevoel dat het
een racistisch begrip is, dat in lijkt te druisen tegen het
westerse ideaal dat alle mensen gelijk zijn voor G-d. Het kan
echter helemaal niet racistisch zijn. Het is namelijk niet
mogelijk om de Joden als een eenzijdig ras te definiëren. Je kunt
onder de Joden alle rassen terug vinden. Je hebt blanke Joden met
blond haar en blauwe ogen, blanke Joden met donker haar en bruine
ogen, je hebt donkere Joden met semitische trekken, er zijn zwarte
Joden met kroeshaar en er zijn zelfs Aziatische Joden met een gele
huid en spleetogen.
Alhoewel het
begrip
„het uitverkoren volk” niet een superieur volk betekent, laat het
wel iets blijken over het Joodse volk. De Tora beschrijft ons als
een „dierbaar volk” met een bijzondere band met de Almachtige.
De Midrasj
(Bamidbar Rabba 14:10) vertelt ons dat de Almachtige naar al de
volkeren van de wereld ging en hun de Tora aanbood. Elk volk
vroeg: „Wat staat er in?” De Almachtige antwoordde met een gebod
dat het meest moeilijk was voor dat bepaalde volk, waarop elk volk
het afwees. Het Joodse volk daarentegen, zei "Na'asee
WeNisjma" – we zullen doen (de geboden) en we zullen naderhand
wel analiseren hoe ze ons leven zullen beïnvloeden.
Vanwege
onze vrijwillige aanvaarding, maakte de Almachtige een eeuwig
verbond met ons dat we Zijn volk zullen zijn en Hij onze G-d. Elk
individu kan dicht bij de Almachtige komen, maar de ultieme
relatie krijg je door het verbond met Avraham binnen te gaan en je
aan de Tora te houden. Deze speciale relatie staat open voor elk
mens, die wenst om het verbond binnen te gaan.
Het begrip
„het uitverkoren volk” betekent zowel kiezen als uitgekozen zijn.
Kiezen voor de verantwoordelijkheid om een licht voor de
volkeren te zijn, om een morele wegwijzer te zijn voor de volkeren
van de wereld. Kiezen betekent dat het Joodse volk op de berg
Sinaï het op zich nam om deze opdracht te vervullen en de wil van
G-d te doen. We zijn niet verkozen voor priviléges; we zijn
verkozen voor extra verantwoordelijkheid.
Elke natie,
elk volk, elke religie denkt dat het beter is dan elke andere
natie, volk of religie. Het Joodse volk weet dat het er niet om
gaat of we beter zijn dan ieder ander, maar of we ons deel van het
verbond houden met de Almachtige, door de normen van de Tora hoog
te houden en de wil van de Almachtige uit te voeren, door onszelf
te perfectioneren en de wereld te helpen te perfectioneren.
|