Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 207 Parasjat Waëra  Rosj Chodesj Sjewat 5767

 20 januari 2007

 

Overzicht Parasjat Waëra (Genesis 6:2-9:35)

Text Box: Hasjem vertelt Mosjé dat hij het Joodse Volk moet informeren dat Hij hen uit Egypte zal halen, maar het Joodse volk luistert niet. Hasjem geeft Mosjé opdracht naar Par’o te gaan en hem te vragen het Joodse Volk vrij te laten. Hoewel Aharon aan Par’o een teken laat zien door een staf in een slang te veranderen, blijft Par’o het verzoek weigeren. Hasjem straft de Egyptenaren en zendt plagen van bloed en kikkers, maar de magiërs copiëren die wonderen op kleinere schaal, hetgeen de obstinaatheid van Par’o sterkt en opnieuw weigert hij het Joodse Volk te laten gaan. Na de luizenplaag geven de magiërs van Par’o toe dat alleen G-d zulke wonderen kan verrichten. Uitsluitend de Egyptenaren, en niet de Joden in Gosjen leiden onder de plagen. De plagen duren voort, met wilde dieren, de pest, huidontsteking en zware hagelstenen met vuur uit de hemel. Echter ondanks Mosjé’s aanbod een eind te maken aan de plagen, als Par’o het Joodse Volk vrij laat, blijft Par’o volharden in zijn weigering.

Met toestemming vertaald uit Torah Weekly van Ohr Somayach in Jerusalem, Israel

©1998 Ohr Somayach International - All rights reserved.

De Haftara voor Parasjat Waëra (Jechezkel 28:25-29:21)

De straf van Egypte

Samenvatting van de Haftara:

28:25-26: Hasjem belooft het Joodse volk terug te brengen naar hun land en de vijanden van het Joodse volk te straffen. 29:1-5: De profeet voorspelt de verovering van Egypte door Newoechadnetsar van Babylon. De volgende verzen verklaren dat dit de straf van Egypte was voor wat het het volk Israël heeft aangedaan. Het zal leeg en verlaten zijn gedurende veertig jaar. Egypte zal nimmer het machtige land zijn als voorheen. Tot slot wordt verklaard waaraan Newoechadnetsar het verdiend heeft dat hij Egypte mocht veroveren en vernietigen.

Het verband met de parasja

Zowel de parasja als de Haftara hebben het over de straf van Egypte. De parasja vertelt over de straf in de tijd van Mosjé, de Haftara voorspelt de straf in de tijd van Par’o Chofra, duizend jaar later:

v    Beide koningen, zowel die van de parasja als die van de Haftara waren slechte mensen.

v    Net als de Par’o van de parasja schepte ook Par’o Chofra op dat hij een godheid was en dat de vruchtbaarheid van het land, die door de Nijl kwam, aan hem te danken was in plaats van aan Hasjem.

v   In de parasja werpt Aharon zijn staf op de grond en die verandert dan in een tannien – slang, het symbool van Par’o, die daarmee vaak wordt afgebeeld. In de Haftara noemt de profeet Par’o een ‘groot monster’ en gebruikt daarvoor hetzelfde woord tannien.

Wat is het doel van al deze straffen?

Zowel in de parasja als in de Haftara wordt herhaald: „Hiermee zal bekend worden dat Ik Hasjem ben.”


Inzicht in de parasja

De vrees voor G-d

Door HaRav Eliezer Chryler (uit Midei Shabbos Beshabbato nr. 12:14)

Toen Rabban Jochanan ben Zakai zijn discipelen op zijn doodsbed zegende dat hun vrees voor G-d even groot zou zijn als hun vrees voor hun medemens, uitten zij hun verbazing dat zijn verwachtingen van hen zo laag waren. Iemands vrees voor G-d moet toch veel groter zijn dan die voor een mens!

Hun Rebbi stelde hen echter teleur, door hen eraan te herinneren dat ieder mens, wanneer hij iets gaat doen wat verboden is, de neiging heeft om zich heen te kijken of niemand hem ziet, hoewel hij in zijn hart heel goed weet dat G-d alles weet en alles ziet wat hij doet.

Wanneer men de vrees om te worden gesnapt door de Ribono sjel Olam in de praktijk zou brengen, onderwees Rabban Jochanan zijn talmidiem, dan zou men nimmer iets doen dat niet mag. De basis voor deze vrees, vertelde hij hun, is de vrees voor straf (en de bijbehorende schaamte). Alleen met G-d is er geen ‘kans’ om gesnapt te worden, omdat Hij 100% alles ziet en dat zou voldoende moeten zijn dat wij absoluut afgeschrikt worden van welke overtreding dan ook.

Het hierboven genoemde niveau van vrees is in feite het laagste niveau van jirat sjamajiem. Er is een hoger niveau, dat gebaseerd is op ontzag, en dat houdt in dat men zich onthoudt van rebelleren tegen G-d om wie Hij is, en niet uit vrees voor straf. Dit kan worden vergeleken met een trouwe onderdaan, die niet in opstand komt tegen de koning, zelfs al is hij niet bang om gesnapt te worden. Dit is het hogere niveau van jirat sjamajiem, gebaseerd op de beracha Ahawat rabba [de beracha vóór Sjema’ in sjacharit], waarin we zeggen: leähawa oelejira et Sjemècha – van Uw Naam te houden en er ontzag voor te hebben. De commentatoren plaatsen die zelfs op een hoger niveau dan ahawat Hasjem.

Het fundamentele verschil tussen deze twee soorten Jira is, dat in het eerste geval men eigenlijk wil zondi­gen, maar zich daarvan onthoudt uit vrees voor de consequenties; terwijl in het laatste geval de vrees voor G‑d zelfs de geringste neiging tot overtreding te niet gedaan wordt. Dit laatste vormt de basis voor de Misjna in Pirkei Awot: Maak je wil als Zijn wil.”

Par’o was gespeend van beide hierboven genoemde niveau’s van vrees. Het enige dat hem kon dwingen te stoppen met zondigen, was de pijn die de straffen hem bezorgden. Dat verklaart waarom zelfs Mosjè’s waarschuwingen hem niet konden afschrikken om ongehoorzaam te zijn aan G-ds bevelen, en het was pas toen de meeste plagen al geweest waren, dat hij zijn standpunt verzachtte. Dat is de reden waarom de Midrasj over hem schrijft  dat, net als alle andere rasja’iem, hij toegeeflijk was wanneer de plagen woedden, maar zodra die voorbij waren, trok hij die toefgeeflijkheid onmiddellijk weer in. En dat is de reden waarom bij één gelegenheid, toen Par’o, nadat de plaag voorbij was, op de rand van capitulatie stond, Hasjem zijn hart verhardde. Wanneer zijn capitulatie ook maar in de verte was ingegeven door een werkelijke jirat sjamajiem, dan is het onwaarschijnlijk dat Hasjem dat had gedaan. Dat immers was precies wat Hasjem van hem wilde, zoals Mosjé en Aharon expliciet tegen hem zeiden uit G-ds Naam. (in Ex. 10:3). Maar dat was het niet. Par’o’s vertoon van spijt was gebaseerd, niet op de vrees voor G-d, maar op zelfmedelijden en eigen­liefde, er daar zat Hasjem bepaald niet op te wachten.

Iemand vroeg mij eens hoe het kwam dat bij de plaag van de kikkers Par’o Mosjé smeekte om tot G-d te bidden en Hem te vragen de kikvorsen weg te nemen „…en dan zal ik het volk weg laten gaan en dan kunnen zij G-d dienen” (Gen. 8:4). Hij noemt daar geen voorwaarden, hetgeen betekent dat hij hen compleet met heel hun families en veestapel zou laten gaan. En hetzelfde geldt bij de plaag van de hagel (9:28). Maar bij de plaag van sprinkhanen, welke later plaats vond, zei Par’o tegen Mosjé: „Ga, en dien Hasjem… Wie gaat er?” Waarna hij als voorwaarde stelt dat alleen de volwassen mannen gaan maar dat de rest moet achter­blijven. Men zou verwacht dat de weerstand van Par’o zou afnemen, naarmate de plagen intenser werden, in plaats van dat die zou toenemen.

Het lijkt mij echter dat als men nauwkeuriger kijkt naar de woorden van Par’o, het duidelijk is dat bij de plagen van de kikvorsen en de hagel Par’o helemaal niet van plan was om hen te laten gaan. Hij zei dat alleen maar op dat Mosjé voor hem zou dawwenen. Daarom was er geen reden om nadere voorwaarden te stellen. Pas bij de plaag van de sprinkhanen was hij werkelijk van plan de Joden te laten gaan. Daarom stelde hij daar voorwaarden.

De progressie was inderdaad natuurlijk: eerst beloofde Par’o alleen maar dat hij hen zou laten weggaan, maar later gaf hij hen inderdaad toestemming, zij het onder speciale voorwaarden. Zijn weerstand was inderdaad verminderd.

Dit alles bevestigt alleen maar wat we eerder schreven, namelijk dat Par’o’s vrees alleen maar gebaseerd was op zelfmedelijden en niet op jirat sjamajiem. Daarom voelde hij zich aanvankelijk vrij om terug te komen op zijn woord op het moment dat de plaag voorbij was (en de onmiddellijke pijn verdwenen), terwijl hij later voorwaarden stelde die gunstig voor hem waren. Als hij ook maar een klein beetje jirat sjamajiem zou hebben gehad, zou hij het niet gedurfd hebben, noch om zijn belofte in te trekken, noch om aan G-d voorwaarden te stellen. Hij zou G-ds voorwaarden geaccepteed hebben en Israël zonder mankeren uit Egypte hebben laten trekken.

* * *

Overeenkomstig hun eigen verdiensten

En Ik verscheen aan Awraham, aan Jitschak en aan Ja’akov (6:3).

Rasji zegt: [Dat zijn] de Awot. De commentatoren vragen zich af wat Rasji hier bedoelt. Zouden we niet weten dat Awraham, Jitschak en Ja’akov de Awot zijn?

R. Meïr van Premsela verklaart op grond van deze Rasji  het belang van iemands eigen personaliteit en dat men niet alleen maar moet stappen in de voetsporen van zijn beroemde voorouders. G-d verscheen niet aan Jitschak wegens de verdienste van zijn vader, noch aan Ja’akov wegens de verdiensten van zijn vader en grootvader, maar wegens hun eigen verdiensten. Zij allen waren Awot, de vaders van het Joodse volk, wegens hun eigen verdiensten.


Misjna van de week − Berachot

Hoofdstuk 2

Misjna 2

Dit zijn [de afscheidingen] tussen de paragrafen: tussen de eerste en de twee­de beracha1; tussen de tweede [beracha] en Sjema’ 2; tussen Sjema’ en wehaja iem sjamoa3; tussen wehaja iem sjamoa en wajjomer4; tussen wajjomer en èmet wejatsiev5. Rabbi Jehoeda zegt: men mag niet onderbreken tussen wajjomer en èmet wejatsiev.6 Rabbi Jehosjoea ben Korcha heeft gezegd: Waarom staat Sjema’ voor wehaja iem sjamoa7? [Dat is] opdat men eerst het juk van het Koninkrijk van de Hemel op zich neemt8, en daarna neemt men op zich de verplichting van de mitswot uit te voeren9.

En wehaja iem sjamoa, waarom [staat dat] voor wajjomer? Omdat wehaja iem sjamoa handelt over [mitswot die] bij dag en bij nacht [gelden]10, terwijl wajjomer alleen handelt over [mitswot voor] overdag11.

Aantekeningen

1. Dit betreft de twee berachot die voor Sjema’ gezegd worden.

2.Dit betreft de eerste paragraaf van Sjema’, Dewariem 6:4-9

3. Wehaja iem sjamoa: Dat is de tweede paragraaf, Dewariem 11:13-21, die met deze woorden begint (RAV).

4.Wajjomer: Dat is het beginwoord van de derde paragraaf Bamidbar 15:37-41 (RAV).

5. Dit is de na-beracha die met deze woorden begint.

6. Tussen Wajjomer en èmet wejatsiev mag men niet onder­bre­ken, want er staat geschreven [in Jeremiahoe 10:10]: Wa Hasjem Elo-hiem Emet. Daarom onderbreekt men niet tussen Hasjem Elo-hiem en èmet. En zo is de halacha. (RAV)

7. De paragrafen van Sjema’ staan niet in de volgorde waarin ze in Tora voorkomen. De misjna bespreekt nu de reden daarvoor.

8. Dat wil zeggen dat men gelooft in het bestaan van G-d en Diens een­heid.

9. Dat is het voornaamste onderwerp van de tweede afdeling van het Sjema’.

10. Wehaja iem sjamoa handelt bij dag en bij nacht: Want er staat geschreven (in Dewariem 11:9]: „En je zult ze [de woorden van Tora] je kinderen onderwijzen.” En de talmoed-Tora- het leren van Tora- doet men dag en nacht. (RAV)

11. Handelt alleen overdag: Want er staat in die afdeling over de tsietsiet [in Bamidbar 15]: „En je zult ze zien”. [Uit deze woorden wordt afgeleid dat de tsietsiet alleen overdag gedragen hoeven te worden, wanneer men ze bij daglicht kan zien]. (RAV)


De Halacha van de week

Kitsoer Sjoelchan Aroech

(Uit onze Nederlandse vertaling van de “Kitsoer Sjoelchan Aroech met commentaar”)

Hoofdstuk 17, paragraaf 3 (vervolg)

Terwijl men Sjema’ Jisraël zegt moet men aan de betekenis daarvan denken1: „Luister Israël, dat Hasjem, die onze G-d is, één is, enkel en alleen, in de Hemel, zowel als op de aarde”. Met moet de ç [chet] van Echad uitrekken2, want daarmee roept men Hasjem uit tot Koning over de hemel en de aarde. En ook de ã [dalet] rekt men wat uit3, en daarbij bedenkt men dat Hasjem enig is in Zijn wereld en regeert over de vier windstreken; maar langer rekt men niet uit. Men moet er ook voor oppassen dat men het woord Echad niet vervormd door het te veel uit te rekken, want veel mensen misvormen het. Sommigen zeggen: echà-à-à-d, en anderen zeggen echàde. Zij kunnen het beter niet uitrekken dan het zo te vervormen. Het is de gewoonte om de zin Sjema’ Jisraël hard op te zeggen, om zich zo beter te concentreren en men legt daarbij zijn rechter hand over zijn ogen. Na het woord Echad pauzeert men even en zegt zachtjes (behalve op Jom Kippoer, wanneer men het hardop zegt): Baroech Sjeem Kewod Malchoeto le’olam wa’ed [geprezen de Naam van Zijn Koninklijke Majesteit voor alle eeuwigheid]4. Ook hier moet men zich zorgvuldig concentreren op de betekenis van de woorden.

Aantekeningen

1. En wie die gedachten niet heeft, moet het eerste vers van Sjema’ overzeggen met die gedachten [Sj.A. 63:4]. Ook wiens gedachten in het midden van de eerste zin afdwalen, dient hem over te zeggen want hij heeft dan niet aan zijn verplichtingen voldaan. Maar wanneer men het overleest, doet men dat die tweede maal zachtjes [M.B. 63:12-14].

2. Volgens sommigen, zoals de Gra, moet men de Chet niet uitrekken [M.B. 61:18].

3. Volgens de Sj.A.HaRav 61:5 rekt men de Dalet iets meer uit dan de Chet.

4. Dit is een onderdeel van de eerste zin en wie er zijn aandacht niet bij had toen hij het zei, moet het dus ook over zeggen [M.B. 12-13].


Uit de wekelijkse daf van de Talmoed

Ta’aniet 8a

De menselijke slang

Wat is de verklaring van Prediker 10:11: „Als de slang bijt omdat hij niet bezworen was, dan heeft de bezweerder geen nut meer [lett.: dan heeft de meester van de spraak geen voordeel]”?

Reisj Lakisj verklaart: Het vers is een toespeling op de toekomst, wanneer alle dieren zich zullen verzamelen rondom de slang en hem zullen vragen waarom hij andere dieren bijt, terwijl hij ze niet eet, zoals leeuwen en wolven, die hun prooi doden en vervolgens opeten. De slang zal dan antwoorden: wat heeft de ‘meester van de spraak’ die anderen belastert, voordeel van zijn kwaadsprekerij? [Op de dag des oordeels zullen de kwaadsprekers en de slang samen veroordeeld worden zegt Rasji.]

Deze dialoog van de toekomst kan worden opgevat als meer dan het beantwoorden van de ene vraag met de ander. Todat de eerste slang de misdaad beging om de eerste man en vrouw te verleiden tot het eten van de verboden vrucht van de Boom van de Kennis, liep hij rond op twee benen, net als een mens. Als straf voor zijn misdaad werd hij veroordeeld om op zijn buik te kruipen en om eeuwig ruzie te hebben met de mens. Dit conflict tussen slang en mens wordt beschreven in de Tora als de poging van de mens om op de kop van de slang te gaan staan en de poging van de slang om de mens in zijn hiel aan te vallen (Gen. 3:15).

Sedert die val benijdt de slang de staande houding van de mens, omdat hij ooit ook het genoegen had die te bezitten. Bewust van het feit dat hij die houding nimmer meer kan terugkrijgen ten gevolge van de G-ddelijke vloek, probeert de slang het beste te doen wat hij kan – de mens omlaag te brengen door hem zijn venijn in zijn lichaam te spuiten.

Wanneer de slang van de toekomst – die zijn frustratie van alle slangen vanaf het begin der tijden uit – zijn uitdaging richt op de kwade tong van de roddelaar, biedt hij hen een voorbeeld van zijn eigen gedrag op menselijk niveau. Een mens die het karakter van een ander, waarop hij jaloers is, vernielt door zijn boze tong, wordt gemotiveerd door de behoefte om zijn slachtoffer in de ogen van zijn toehoorders tot zijn eigen niveau omlaag te brengen.


 WAT BETEKENT HET OM HET UITVERKOREN VOLK TE ZIJN EN IS HET EEN RACISTISCH BEGRIP?

Door Rabbijn Kalman Packouz (Vertaling Judith Roos-Goldberg)

Vraag: The Torah verwijst naar het Joodse Volk als het Uitverkoren Volk:

"Want je bent een heilig volk voor Hasjem, je G-d; Hasjem je G-d heeft je uitverkoren om Hem het dierbaarste volk te zijn van alle volkeren, die op de oppervlakte der aarde zijn."

 (Deuteronomium 7:6)

Antwoord: Veel mensen vinden dit een ellendige uitdrukking en hebben het gevoel dat het een racistisch begrip is, dat in lijkt te druisen tegen het westerse ideaal dat alle mensen gelijk zijn voor G-d.  Het kan echter helemaal niet racistisch zijn. Het is namelijk niet mogelijk om de Joden als een eenzijdig ras te definiëren. Je kunt onder de Joden alle rassen terug vinden. Je hebt blanke Joden met blond haar en blauwe ogen, blanke Joden met donker haar en bruine ogen, je hebt donkere Joden met semitische trekken, er zijn zwarte Joden met kroeshaar en er zijn zelfs Aziatische Joden met een gele huid en spleetogen.

Alhoewel het begrip „het uitverkoren volk” niet een superieur volk betekent, laat het wel iets blijken over het Joodse volk. De Tora beschrijft ons als een „dierbaar volk” met een bijzondere band met de Almachtige.

De Midrasj (Bamidbar Rabba 14:10) vertelt ons dat de Almachtige naar al de volkeren van de wereld ging en hun de Tora aanbood. Elk volk vroeg: „Wat staat er in?” De Almachtige ant­woordde met een gebod dat het meest moeilijk was voor dat bepaalde volk, waarop elk volk het afwees. Het Joodse volk daarentegen, zei  "Na'asee WeNisjma" – we zullen doen (de geboden) en we zullen naderhand wel analiseren hoe ze ons leven zullen beïnvloeden.

Vanwege onze vrijwillige aanvaarding, maakte de Almachtige een eeuwig verbond met ons dat we Zijn volk zullen zijn en Hij onze G-d.  Elk individu kan dicht bij de Almachtige komen, maar de ultieme relatie krijg je door het verbond met Avraham binnen te gaan en je aan de Tora te houden. Deze speciale relatie staat open voor elk mens, die wenst om het verbond binnen te gaan.

Het begrip „het uitverkoren volk” betekent zowel kiezen als uitgekozen zijn. Kiezen voor de verant­woor­delijkheid om een licht voor de volkeren te zijn, om een morele wegwijzer te zijn voor de volkeren van de wereld. Kiezen betekent dat het Joodse volk op de berg Sinaï het op zich nam om deze opdracht te vervullen en de wil van G-d te doen. We zijn niet verkozen voor priviléges; we zijn verkozen voor extra verantwoordelijkheid.

Elke natie, elk volk, elke religie denkt dat het beter is dan elke andere natie, volk of religie. Het Joodse volk weet dat het er niet om gaat of we beter zijn dan ieder ander, maar of we ons deel van het verbond houden met de Almachtige, door de normen van de Tora hoog te houden en de wil van de Almachtige uit te voeren, door onszelf te perfectioneren en de wereld te helpen te perfectioneren.