|
Overzicht
Parasjat Sjemot
(Exodus
1:1-6:1)
Met de dood van Joseef is
het Boek Bereisjiet (Genesis) tot een eind gekomen. Het Boek
Sjemot (Exodus) verhaalt het ontstaan van het Volk Israël uit de
nakomelingen van Ja’akov. De parasja van deze week begint met een
Par’o (Farao) die zijn angst tot uitdrukking brengt over de
bevolkings-explosie van het Volk Israël, hetgeen hem er toe brengt
opdracht te geven de Joden tot zijn slaven te maken. Wanneer hun
geboortecijfer echter blijft stijgen, geeft hij de Joodse vroedvrouwen
de opdracht alle pasgeboren jongetjes te doden. Jochewed krijgt een
baby en verbergt hem in het riet van de Nijl. Par’o’s dochter vindt
hem en adopteert hem, hoewel zij weet dat hij vermoedelijk een
Hebreeuws kind is, en noemt hem Mosjé. Miriam, de zuster van Mosjé,
biedt aan een voedster voor Mosjé te zoeken en ze zorgt ervoor dat
Jochewed zijn voedster wordt. Jaren later is Mosjé er getuige van dat
een Egyptenaar een Hebreeër slaat en Mosjé doodt daarop de Egyptenaar.
Wanneer Mosjé door ander Hebreeërs verraden wordt, realiseert hij zich
dat zijn leven in gevaar is en vlucht hij naar Midjan, waar hij
Tsippora, de dochter van Jitro redt van boze herders, waarna hij
trouwt met Tsippora. Op Chorev (De Berg Sinai) is Mosjé getuige van
een brandende doornstruik, van waaruit Hasjem Mosjé opdracht geeft om
het Joodse Volk Egypte uit te leiden, naar Erets Jisraël, het aan hun
voorvaderen beloofde land. Mosjé protesteert dat het Joodse Volk zal
twijfelen of hij werkelijk door Hasjem gezonden is, waarna Hasjem hem
een drietal wonderlijke transformaties leert, waarmee hij zichzelf in
de ogen van het volk kan waarmaken: zijn staf verandert in een slang,
zijn gezonde hand krijgt de ziekte tsara’at en water verandert
in bloed. Wanneer Mosjé dan verklaart dat hij geen goede redenaar is,
vertelt G-d hem dat zijn broer Aharon zijn woordvoerder zal zijn. Bij
zijn terugkeer in Egypte komt Aharon hem tegemoet en begroet hem
hartelijk, waarna zij hun verzoek bij Par’o indienen om de Joden vrij
te laten. Maar Par’o reageert door de Joden nog zwaardere arbeid op te
leggen en zegt dat zij dezelfde hoeveelheid tichelstenen moeten
produceren als voorheen maar dan zonder de benodigde voorraad
grondstoffen. De geest van het volk wordt gedood door uitputting,
maar Hasjem verzekert Mosjé dat Hij Par’o zal dwingen de Joden te
laten gaan.
©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden
HOOGTEPUNTEN VAN DE HAFTARA
Haftara Sjemot
(voor Asjkenaziem)
(Jesjajahoe
27:6 tot 28:13 en 29:22-23)
Hasjem bekritiseert de Joden
omdat zij zich overgeven aan fysiek plezier
Samenvatting van de
Haftara:
27:6-8 Hasjem toont zijn liefde voor de Joden, als zij nog in
Egypte zijn. Hij zegent hen met veel kinderen en een overvloed aan
eten. Hasjem toont ons zelfs genade als Hij ons straft. Als Hij
andere volken straft, is Zijn straf veel zwaarder. 27:9
Jesjajahoe gebiedt de bewoners van het koninkrijk van de Tien Stammen
hun afgodsbeelden te vernietigen. Hasjem wil ons zegenen en als wij
tesjoewa doen, stelt dat Hasjem in de gelegenheid het Joodse volk
hun zonden uit het verleden te vergeven. 27:10-12 Als de Joden
tesjoewa doen, zullen zij verlost worden. 28:1-4 Het
koninkrijk van de Tien Stammen gaat zich te buiten aan de genoegens
van hun tijd, hetgeen straf tot gevolg zal hebben. Onze vijanden
zullen het koninkrijk van de Tien Stammen vernietigen. 28:5-6
De overgebleven tsaddikiem die niet verbannen werden, zullen de
les leren dat Hasjem hen beschermt in deze moeilijke tijden. De Joden
zullen een ware glorie ervaren, want zij zullen niet langer zichzelf
hoeven te beschermen, Hasjem zal dat dan doen. 28:7-8 Het
koninkrijk Jehoeda zondigt ook door overmatig gebruik van voedsel en
drank. 28:9-13 De Joden zullen gestraft worden omdat zij de
vermaningen van de profeet genegeerd hebben. De profeet klaagt dat het
volk te druk bezig is met zich te overeten, om naar hem te luisteren.
29: 22, 23 Ja’akov zal trots zijn op zijn nakomelingen.
Uiteindelijk zal het Joodse volk zich gedragen zoals het hoort.
Het verband tussen de
parasja van de week en de Haftara:
De haftara van deze week opent met te vertellen hoe Hasjem ervoor
zorgt dat de familie van Ja’akov zich ontwikkelt en vermenigvuldigt in
Israel. Dat zelfde thema komt in de parasja voor, dat ons ook vertelt
dat Hasjem de nakomelingen van Ja’akov versterkt door hen te
vermenigvuldigen in Egypte.
Voorts maakte de Bnei
Jisraël zich in Egypte schuldig aan afgoderij. Jesjajahoe
bekritiseert de Joden voor dezelfde zonde in zijn tijd.
De Jesjajahoe vermaant de
Joden dat zij achter hun fysieke genoegens aan rennen. Dat was niet de
reden waarom zij uit Egypte verlost werden. De bedoeling daarvan was
dat zij op een hoger geestelijk niveau zouden komen, los van hun
lichamelijke slavernij, en niet verslaafd zouden worden aan hun
passies.
Inzicht
in de parasja
De ware leider
Door Rabbi Dovid Rosman (Met toestemming overgenomen uit HaModia)
In het begin
van parasjat Sjemot maken we kennis met twee heldinnen, die weigerden
aan het wrede bevel van Par’o gehoor te geven, om de Joodse jongetjes
te doden, dit op gevaar van eigen leven. Tora vertelt ons dat het hun
grote ontzag voor Hasjem was die hen hiertoe in staat stelde en dat
zij hiervoor beloond werden met batiem – „huizen.” Rasji zegt
dat met deze beloning bedoeld wordt dat er dynastieën van Kohaniem,
Levieten en koningen uit hen zouden voortkomen. Hun
nakomelingen zouden de toekomstige leiders van het Joodse volk worden.
Het
wonderlijke is dat Tora ons niet vertelt wie deze heldinnen waren. Ze
worden Sjifra en Poea genoemd. Rasji schrijft dat Sjifra niemand
minder was dan Jochèwed, de moeder van Mosjé Rabbeinoe en Poea was
Miriam, zijn zuster. Jochèwed werd Sjifra genoemd, legt Rasji uit,
omdat ze de pasgeborene mesjaper was, d.w.z. zij maakte de
pasgeborenen mooier door er voor te zorgen dat zij schoon en verzorgd
waren. Miriam werd Poea genoemd omdat zij lieve geluidjes tegen de
baby’s maakte, en hen suste, wanneer ze huilden.
Rasji’s
verklaring is moeilijk te begrijpen. Afgezien van de vraag waarom Tora
ons niet de ware identiteit van de beide vroedvrouwen laat weten,
lijkt het of deze daden van chesed [liefde] toch onbeduidend
zijn in vergelijking met hun ongehoorzaamheid aan Par’o, waardoor zij
de levens van de baby’s redden. Wat dan is het belang hiervan, dat
Tora ons alleen deze namen laat weten?
Rav Shimshon
Pincus zt”l (Tiferet Tora) antwoordt dat Tora ons hier
een heel belangrijke les leert. Het zijn juist deze namen die de
kleine daden van chesed vertegenwoordigen, die de grootheid van
deze vrouwen illustreren.
Hij verklaart
dit met behulp van het volgende voorbeeld: Stel je voor, een jong kind
ligt in het ziekenhuis, Rachmana litzlan [de Hemel beware].
Vele specialisten zijn druk bezig het leven van het kind te redden.
Tegelijkertijd echter is er één persoon die tegen het kind praat,
ermee speelt, het troost, liefde geeft: de moeder. De artsen zijn
begrijpelijk te druk bezig met belangrijkere zaken dan chesed;
de moeder echter, dankzij haar grote liefde voor haar kind, besteedt
speciale aandacht aan zijn kleinste behoeften.
Het feit dat
Jochèwed en Miriam ontzag hadden voor Hasjem en de bevelen van Par’o
negeerden, kan het resultaat zijn van hun hoge niveau van
rechtvaardigheid. Maar toen zij hun grote liefde toonden, zoals een
moeder voor haar kinderen – toen zij reageerden als Sjifra en Poea –
toen werden zij beloond met „huizen.” Hun beloning was om de „moeders”
te worden van het Joodse volk.
Maar waarom
verdienden zij het speciaal om de moeders te worden van de leiders van
het Joodse volk? Om dit te begrijpen, moeten wij eerst het ware
karakter van een Joodse leider begrijpen.
Een ware –melech
– koning – is iemand die zorgzaam is voor anderen en die zijn volk
helpt. De koningen van Bnei Jisraël
moesten een moreel voorbeeld zijn voor hun volk, moesten hen Tora
leren en aan het hoofd van het volk ten oorlog trekken. Een koning van
Israël krijgt macht van zijn volk, maar hij moet daar iets voor terug
doen. Hij moet niet alleen de grote krijgsheld zijn, waarmee zo vele
leiders vandaag de dag proberen indruk te maken op hun volk. Hij moet
zijn volk helpen en open staan voor hun, wellicht in zijn ogen kleine,
noden.
Jochèwed en Miriam werden niet geobsedeert door het
doen van „grote daden.” Zij hielden zich ook bezig met de kleinste
behoeften van de babytjes. Zij toonden de karaktereigenschappen die
bij het malchoet –koningschap – horen en daarom werden zij
beloond met koninklijke nakomelingen.
Hoewel wij geen van allen koningen zijn en de meeste
van ons ook geen leiders, kunnen we deze les toch ter harte nemen en
ook in ons dagelijks leven „koninklijk” proberen te handelen.
Er was eens een volstrekt ongodsdienstige Jood in
Petach Tikwa, die „van de ene dag op de andere” godsdienstig werd. Wat
was de oorzaak? Hij vertelde dat hij eens op de avond van Jom Kippoer,
toen iedereen in Sjoel was voor Kol Nidrei, op straat liep in de buurt
van een jesjiwa. Naast de jesjiwa waren openbare
toiletten en daar zag hij iemand in en uit gaan, de ene toilet uit en
de andere in. En dat was iemand die er zeer gedistingeerd uitzag, met
een grote witte baard en lange zwarte jas en hoed. De seculier Jood
was zeer verbaasd om iemand, die er uit zag als een grote Rabbijn, op
dit uur, waar iedereen in Sjoel was, zich voorbereidend op Kol Nidrei,
openbare toiletten in en uit te zien gaan. Hij besloot de Rabbijn, die
Rav Eliahoe Dushnitzer zt”l bleek te zijn van de Lomzher
Jesjiwa, om een verklaring te vragen. De Rav legde uit, dat aangezien
er op deze avond veel mensen naar de sjoel kwamen voor de Jom
Kippoer-dienst, waarvan er velen van ver kwamen en sommigen zelfs 24
uur bleven, hij bezorgd was dat er genoeg toiletpapier zou zijn. Dat
controleerde hij nu.
De Jood uit Petach Tikwa besloot daarop om na Jom
Kippoer onmiddelijk een relatie aan te gaan met deze Rav, om van hem
te leren hoe men een rechtvaardig leven kan leiden. Het vertoon van
bezorgdheid voor zelfs de kleine behoeften van anderen, bracht deze
Jood terug tot het houden van de mitswot.
(Uit: Sefer Aleinoe LeSjabeiach, inleiding tot Bamidbar)
Misjna van de week −
Berachot
Hoofdstuk 2
Misjna 1
Wanneer
iemand Tora leest1 en de tijd voor het lezen is
aangebroken2, dan geldt, dat wanneer hij zijn hart erop
heeft gericht, hij bevrijd is [van zijn verplichting] 3,
maar zo niet, dan is hij niet bevrijd. Tussen de paragrafen4
mag men uit beleefdheid [naar iemands gezondheid] vragen5
en antwoorden6, maar in het midden7 mag men
alleen uit vrees vragen8 en antwoorden. Dit zijn de woorden
van Rabbi Meïer. Rabbi Jehoeda zegt: In het midden9 vraagt
men uit vrees en antwoordt uit eerbied, en tussen de paragrafen in mag
men vragen uit eerbied en mag men iedereen groeten10.
Aantekeningen
3. Wanneer hij zijn hart
erop heeft gericht, is hij bevrijd [van zijn verplichting]:
Volgens diegene
die zegt dat men zijn volle aandacht erbij moet hebben, als men een
mitswa doet, betekent de zin „wanneer hij zijn hart erop gericht
heeft” dat zijn bedoeling moest zijn om zijn plicht [van het zeggen
van Sjema’] te doen. Maar volgens diegene die zegt dat een
mitswa geen aandacht vereist, betekent deze zin dat hij de woorden en
klanken naar behoren uitspreekt. Dat sluit dan iemand uit die een
tekst controleert, want die spreekt het niet uit volgens de klinkers,
maar volgens wat er geschreven staat, om te zien of er iets ontbreekt
of aan toegevoegd is. En op deze manier vervult men niet zijn plicht.
(RAV)
[De uitspraak van de woorden
is niet altijd overeenkomstig wat er geschreven staat, en iemand die
een Tora-rol proefleest, leest wat er geschreven staat. Er staan in
sommige woorden letters die bij het lajenen niet worden
uitgesproken, maar die de proeflezer wel uitspreekt. Zo zijn er ook
woorden waaraan letters ontbreken die bij het lajenen toch
worden uitgesproken, maar die de proeflezer niet uitspreekt. Maar als
men volgens deze mening het wel goed uitspreekt, zonder de bedoeling
te hebben de mitswa te doen, dan heeft men zijn verplicht gedaan.]
10. Men mag iedereen terug groeten die het eerst gegroet heeft.
De halacha is volgens Rabbi Jehoeda. En op alle plaatsen waar het
verboden is te onderbreken, daar is het ook verboden te praten, zelfs
in de heilige taal, net als iedere andere taal. (RAV)
De Halacha van de week
Kitsoer Sjoelchan Aroech
(Uit onze Nederlandse
vertaling van de “Kitsoer Sjoelchan Aroech met commentaar”)
Hoofdstuk 17, paragraaf 3
Voordat men begint [Sjema
te zeggen], moet men de bedoeling in gedachten hebben om de mitswa van
het lezen van Sjema’, zoals Hasjem ons die geboden heeft, uit
te voeren1.
Commentaar
Dit alles geldt voor wanneer
het eenmaal gebeurd is, dus achteraf. Maar in principe moet men zeker
te allen tijde de juiste intentie hebben voordat men een mitswa doet
of een beracha zegt.
Uit de wekelijkse daf van
de Talmoed
Ta’aniet 2a
DE DRIE SLEUTELS
Drie sleutels behield Hasjem in eigen hand en waren niet aan een engel
gegeven, vertelt Rabbi Jochanan. De steutels van de regen, van de
geboorte en van de wederopstanding van de doden.
Tosafot werpt tegen dat de sleutel van de regen aan de Profeet Eliahoe
was gegeven, waardoor hij (I Koningen 17:1) kon veklaren dat er
voortaan geen regen meer zou neerdalen. Dus kennelijk had Eliahoe de
macht over de regen gekregen van Hasjem, om een koning die afgoden
aanbad, te straffen en inderdaad verdroogde het land.
Onmiddellijk daarna geeft Hasjem Eliahoe opdracht om naar het huis van
een weduwe te gaan, waar hij al spoedig wordt geconftonteerd met het
weer tot leven brengen van haar dode zoon (I Koningen 17:7-22).
Er bestaat verband, zeggen onze Geleerden, tussen deze twee
gebeurtenissen. Toen Hasjem besloot dat het volk genoeg geleden had
van de door Eliahoe veroorzaakte droogte, arrangeerde Hij dat Eliahoe
geplaatst zou worden in een situatie dat hij het kind van de weduwe
weer tot leven kon brengen. Eliahoe bad tot G-d dat Die hem de sleutel
van de werderopstanding van de doden zou geven, zodat hij het kind van
de weduwe weer tot leven kon brengen. Hasjem antwoordde hem dat Hij
alleen de controle had over de drie sleutels en dat Eliahoe al
tijdelijk de sleutel van de regen had gekregen. Als hij nu ook nog de
sleutel tot de wederopstanding zou krijgen, dan zou de dienaar twee
sleutels in handen hebben, terwijl de Meester er maar één overhield.
Daarom moest Eliahoe de sleutel van de regen aan Hasjem teruggeven en
het volgende hoofdstuk begint met dat Hasjem de regens herstelt. |