Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 207 Parasjat Sjemot  23 Tewet 5767

 13 januari 2006

 

Overzicht Parasjat Sjemot (Exodus 1:1-6:1)

Met de dood van Joseef is het Boek Bereisjiet (Genesis) tot een eind gekomen. Het Boek Sjemot (Exodus) verhaalt het ontstaan van het Volk Israël uit de nakomelingen van Ja’akov. De parasja van deze week begint met een Par’o (Farao) die zijn angst tot uitdrukking brengt over de bevolkings-explosie van het Volk Israël, hetgeen hem er toe brengt opdracht te geven de Joden tot zijn slaven te maken. Wanneer hun geboortecijfer echter blijft stijgen, geeft hij de Joodse vroedvrouwen de opdracht alle pasge­boren jongetjes te doden. Jochewed krijgt een baby en verbergt hem in het riet van de Nijl. Par’o’s dochter vindt hem en adopteert hem, hoewel zij weet dat hij vermoedelijk een Hebreeuws kind is, en noemt hem Mosjé. Miriam, de zuster van Mosjé, biedt aan een voedster voor Mosjé te zoeken en ze zorgt ervoor dat Jochewed zijn voedster wordt. Jaren later is Mosjé er getuige van dat een Egyptenaar een Hebreeër slaat en Mosjé doodt daarop de Egyptenaar. Wanneer Mosjé door ander Hebreeërs verraden wordt, realiseert hij zich dat zijn leven in gevaar is en vlucht hij naar Midjan, waar hij Tsippora, de dochter van Jitro redt van boze herders, waarna hij trouwt met Tsippora. Op Chorev (De Berg Sinai) is Mosjé getuige van een brandende doornstruik, van waaruit Hasjem Mosjé opdracht geeft om het Joodse Volk Egypte uit te leiden, naar Erets Jisraël, het aan hun voorvaderen beloofde land. Mosjé protesteert dat het Joodse Volk zal twijfelen of hij werkelijk door Hasjem gezonden is, waarna Hasjem hem een drietal wonderlijke transformaties leert, waar­mee hij zichzelf in de ogen van het volk kan waarmaken: zijn staf verandert in een slang, zijn gezonde hand krijgt de ziekte tsara’at en water verandert in bloed. Wanneer Mosjé dan verklaart dat hij geen goede rede­naar is, vertelt G-d hem dat zijn broer Aharon zijn woordvoerder zal zijn. Bij zijn terugkeer in Egypte komt Aharon hem tegemoet en begroet hem hartelijk, waarna zij hun verzoek bij Par’o indienen om de Joden vrij te laten. Maar Par’o reageert door de Joden nog zwaardere arbeid op te leggen en zegt dat zij dezelfde hoe­veelheid tichelstenen moeten produceren als voorheen maar dan zonder de benodigde voorraad grond­stof­fen. De geest van het volk wordt gedood door uitputting, maar Hasjem verzekert Mosjé dat Hij Par’o zal dwingen de Joden te laten gaan.

Door Ohr Somayach in Jeruzalem, Israël

©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden

HOOGTEPUNTEN VAN DE HAFTARA

Haftara Sjemot (voor Asjkenaziem) (Jesjajahoe  27:6 tot 28:13 en 29:22-23)

Hasjem bekritiseert de Joden omdat zij zich overgeven aan fysiek plezier

Samenvatting van de Haftara: 27:6-8 Hasjem toont zijn liefde voor de Joden, als zij nog in Egypte zijn. Hij zegent hen met veel kinderen en een overvloed aan eten. Hasjem toont ons zelfs genade als Hij ons straft.  Als Hij andere volken straft, is Zijn straf veel zwaarder. 27:9 Jesjajahoe gebiedt de bewoners van het konink­rijk van de Tien Stammen hun afgodsbeelden te vernietigen. Hasjem wil ons zegenen en als wij tesjoewa doen, stelt dat Hasjem in de gelegenheid het Joodse volk hun zonden uit het verleden te vergeven. 27:10-12 Als de Joden tesjoewa doen, zullen zij verlost worden. 28:1-4 Het koninkrijk van de Tien Stammen gaat zich te buiten aan de genoegens van hun tijd, hetgeen straf tot gevolg zal hebben. Onze vijanden zullen het koninkrijk van de Tien Stammen vernietigen. 28:5-6 De overgebleven tsaddikiem die niet verbannen werden, zullen de les leren dat Hasjem hen beschermt in deze moeilijke tijden. De Joden zullen een ware glorie ervaren, want zij zullen niet langer zichzelf hoeven te beschermen, Hasjem zal dat dan doen. 28:7-8 Het koninkrijk Jehoeda zondigt ook door overmatig gebruik van voedsel en drank. 28:9-13 De Joden zullen gestraft worden omdat zij de vermaningen van de profeet genegeerd hebben. De profeet klaagt dat het volk te druk bezig is met zich te overeten, om naar hem te luisteren. 29: 22, 23 Ja’akov zal trots zijn op zijn nakomelingen. Uiteindelijk zal het Joodse volk zich gedragen zoals het hoort.

Het verband tussen de parasja van de week en de Haftara: De haftara van deze week opent met te ver­tellen hoe Hasjem ervoor zorgt dat de familie van Ja’akov zich ontwikkelt en vermenigvuldigt in Israel. Dat zelfde thema komt in de parasja voor, dat ons ook vertelt dat Hasjem de nakomelingen van Ja’akov versterkt door hen te vermenigvuldigen in Egypte.

Voorts maakte de Bnei Jisraël zich in Egypte schuldig aan afgoderij. Jesjajahoe bekritiseert de Joden voor dezelfde zonde in zijn tijd.

De Jesjajahoe vermaant de Joden dat zij achter hun fysieke genoegens aan rennen. Dat was niet de reden waarom zij uit Egypte verlost werden. De bedoeling daarvan was dat zij op een hoger geestelijk niveau zouden komen, los van hun lichamelijke slavernij, en niet verslaafd zouden worden aan hun passies.


Inzicht in de parasja

De ware leider

Door Rabbi Dovid Rosman (Met toestemming overgenomen uit HaModia)

In het begin van parasjat Sjemot maken we kennis met twee heldinnen, die weigerden aan het wrede bevel van Par’o gehoor te geven, om de Joodse jongetjes te doden, dit op gevaar van eigen leven. Tora vertelt ons dat het hun grote ontzag voor Hasjem was die hen hiertoe in staat stelde en dat zij hiervoor beloond werden met batiem – „huizen.” Rasji zegt dat met deze beloning bedoeld wordt dat er dynastieën van Kohaniem, Levieten en koningen uit hen zouden voortkomen. Hun nakomelingen zouden de toekomstige leiders van het Joodse volk worden.

Het wonderlijke is dat Tora ons niet vertelt wie deze heldinnen waren. Ze worden Sjifra en Poea genoemd. Rasji schrijft dat Sjifra niemand minder was dan Jochèwed, de moeder van Mosjé Rabbeinoe en Poea was Miriam, zijn zuster. Jochèwed werd Sjifra genoemd, legt Rasji uit, omdat ze de pasgeborene mesjaper was, d.w.z. zij maakte de pasgeborenen mooier door er voor te zorgen dat zij schoon en verzorgd waren. Miriam werd Poea genoemd omdat zij lieve geluidjes tegen de baby’s maakte, en hen suste, wanneer ze huilden.

Rasji’s verklaring is moeilijk te begrijpen. Afgezien van de vraag waarom Tora ons niet de ware identiteit van de beide vroedvrouwen laat weten, lijkt het of deze daden van chesed [liefde] toch onbeduidend zijn in vergelijking met hun ongehoorzaamheid aan Par’o, waardoor zij de levens van de baby’s redden. Wat dan is het belang hiervan, dat Tora ons alleen deze namen laat weten?

Rav Shimshon Pincus zt”l (Tiferet Tora) antwoordt dat Tora ons hier een heel belangrijke les leert. Het zijn juist deze namen die de kleine daden van chesed vertegenwoordigen, die de grootheid van deze vrouwen illustreren.

Hij verklaart dit met behulp van het volgende voorbeeld: Stel je voor, een jong kind ligt in het ziekenhuis, Rachmana litzlan [de Hemel beware]. Vele specialisten zijn druk bezig het leven van het kind te redden. Tegelijkertijd echter is er één persoon die tegen het kind praat, ermee speelt, het troost, liefde geeft: de moeder. De artsen zijn begrijpelijk te druk bezig met belangrijkere zaken dan chesed; de moeder echter, dankzij haar grote liefde voor haar kind, besteedt speciale aandacht aan zijn kleinste behoeften.

Het feit dat Jochèwed en Miriam ontzag hadden voor Hasjem en de bevelen van Par’o negeerden, kan het resultaat zijn van hun hoge niveau van rechtvaardigheid. Maar toen zij hun grote liefde toonden, zoals een moeder voor haar kinderen – toen zij reageerden als Sjifra en Poea – toen werden zij beloond met „huizen.” Hun beloning was om de „moeders”  te worden van het Joodse volk.

Maar waarom verdienden zij het speciaal om de moeders te worden van de leiders van het Joodse volk? Om dit te begrijpen, moeten wij eerst het ware karakter van een Joodse leider begrijpen.

Een ware –melech – koning – is iemand die zorgzaam is voor anderen en die zijn volk helpt. De koningen van Bnei Jisraël moesten een moreel voorbeeld zijn voor hun volk, moesten hen Tora leren en aan het hoofd van het volk ten oorlog trekken. Een koning van Israël krijgt macht van zijn volk, maar hij moet daar iets voor terug doen. Hij moet niet alleen de grote krijgsheld zijn, waarmee zo vele leiders vandaag de dag proberen indruk te maken op hun volk. Hij moet zijn volk helpen en open staan voor hun, wellicht in zijn ogen kleine, noden.

Jochèwed en Miriam werden niet geobsedeert door het doen van „grote daden.” Zij hielden zich ook bezig met de kleinste behoeften van de babytjes. Zij toonden de karaktereigenschappen die bij het malchoet –koningschap – horen en daarom werden zij beloond met koninklijke nakomelingen.

Hoewel wij geen van allen koningen zijn en de meeste van ons ook geen leiders, kunnen we deze les toch ter harte nemen en ook in ons dagelijks leven „koninklijk” proberen te handelen.

Er was eens een volstrekt ongodsdienstige Jood in Petach Tikwa, die „van de ene dag op de andere” godsdienstig werd. Wat was de oorzaak? Hij vertelde dat hij eens op de avond van Jom Kippoer, toen iedereen in Sjoel was voor Kol Nidrei, op straat liep in de buurt van een jesjiwa. Naast de jesjiwa waren openbare toiletten en daar zag hij iemand in en uit gaan, de ene toilet uit en de andere in. En dat was iemand die er zeer gedistingeerd uitzag, met een grote witte baard en lange zwarte jas en hoed. De seculier Jood was zeer verbaasd om iemand, die er uit zag als een grote Rabbijn, op dit uur, waar iedereen in Sjoel was, zich voorbereidend op Kol Nidrei, openbare toiletten in en uit te zien gaan. Hij besloot de Rabbijn, die Rav Eliahoe Dushnitzer zt”l bleek te zijn van de Lomzher Jesjiwa, om een verklaring te vragen. De Rav legde uit, dat aangezien er op deze avond veel mensen naar de sjoel kwamen voor de Jom Kippoer-dienst, waarvan er velen van ver kwamen en sommigen zelfs 24 uur bleven, hij bezorgd was dat er genoeg toiletpapier zou zijn. Dat controleerde hij nu.

De Jood uit Petach Tikwa besloot daarop om na Jom Kippoer onmiddelijk een relatie aan te gaan met deze Rav, om van hem te leren hoe men een rechtvaardig leven kan leiden. Het vertoon van bezorgdheid voor zelfs de kleine behoeften van anderen, bracht deze Jood terug tot het houden van de mitswot.

(Uit: Sefer Aleinoe LeSjabeiach, inleiding tot Bamidbar)


Misjna van de week − Berachot

Hoofdstuk 2

Misjna 1

Wanneer iemand Tora leest1 en de tijd voor het lezen is aangebro­ken2, dan geldt, dat wanneer hij zijn hart erop heeft gericht, hij be­vrijd is [van zijn verplichting] 3, maar zo niet, dan is hij niet bevrijd. Tussen de para­grafen4 mag men uit beleefdheid [naar iemands ge­zond­heid] vragen5 en antwoorden6, maar in het midden7 mag men alleen uit vrees vragen8 en antwoorden. Dit zijn de woorden van Rabbi Meïer. Rabbi Jehoeda zegt: In het midden9 vraagt men uit vrees en antwoordt uit eerbied, en tussen de paragrafen in mag men vragen uit eerbied en mag men iedereen groeten10.

Aantekeningen

1. Wanneer iemand Tora leest: Het deel van Sjema’ (RAV).

2. En de tijd voor het lezen is aangebroken: De tijd om Sjema’ te zeggen (RAV). [Er is op verschillende plaatsen in Talmoed een discusie of men zijn volle aandacht erbij moet hebben wanneer men een mitswa doet en of men ook de bedoeling moet hebben de mitswa te doen, of niet. De RAV be­spreekt elk van beide standpunten ten aanzien van het zeggen van Sjema’]

3. Wanneer hij zijn hart erop heeft gericht, is hij bevrijd [van zijn ver­plichting]: Volgens diegene die zegt dat men zijn volle aandacht erbij moet hebben, als men een mitswa doet, betekent de zin „wanneer hij zijn hart er­op gericht heeft” dat zijn bedoeling moest zijn om zijn plicht [van het zeg­gen van Sjema’] te doen. Maar volgens diegene die zegt dat een mitswa geen aandacht vereist, betekent deze zin dat hij de woorden en klanken naar behoren uitspreekt. Dat sluit dan iemand uit die een tekst controleert, want die spreekt het niet uit volgens de klinkers, maar volgens wat er geschre­ven staat, om te zien of er iets ontbreekt of aan toegevoegd is. En op deze ma­nier vervult men niet zijn plicht. (RAV)

[De uitspraak van de woorden is niet altijd overeenkomstig wat er geschre­ven staat, en iemand die een Tora-rol proef­leest, leest wat er geschreven staat. Er staan in som­mige woorden letters die bij het lajenen niet wor­den uit­gesproken, maar die de proef­lezer wel uitspreekt. Zo zijn er ook woorden waaraan letters ontbreken die bij het lajenen toch worden uitgesproken, maar die de proeflezer niet uitspreekt. Maar als men volgens deze mening het wel goed uitspreekt, zonder de bedoeling te hebben de mitswa te doen, dan heeft men zijn ver­plicht gedaan.]

De halacha is volgens degenen die zegt dat men zijn vol­le aandacht bij de mitswa moet hebben. (RAV)

4. Tussen de paragrafen: Verderop wordt verklaard hoe de paragrafen zijn inge­deeld. (RAV)

5. Men mag uit beleefheid vragen: Men mag een belangrijk persoon als eerste groe­ten, als dat gepast is, zoals zijn vader of zijn rebbe of iemand groter in wijsheid. (RAV)

6. En antwoorden: Wanneer men iemand het eerst mag groeten, mag men een groet zeker beantwoorden. (RAV) [Daar het onbeleefd is om een groet niet te beant­woor­den, waren de Geleerden soepeler in het toestaan daarvan. Dus als het is toegestaan iemand als eerste te groeten, dan is het zeker toe­gestaan een groet te beantwoorden.]

7. In het midden: van een paragraaf. (RAV)

8. Men mag alleen uit vrees vragen: Men mag iemand in het midden van een para­graaf alleen als eerste groeten, wanneer men bang is dat de ander hem anders mis­schien zou doden. En het  is duidelijk dat men in zo’n geval een groet mag beant­woor­den. Echter uit respect alleen groet men niet. (RAV)

9. Rabbi Jehoeda zegt: In het midden van een paragraaf mag men iemand voor wie men bang is, als eerste groeten en men mag iemand uit eerbied terug groeten. (RAV)

10. Men mag iedereen terug groeten die het eerst gegroet heeft. De hala­cha is vol­gens Rabbi Jehoeda. En op alle plaatsen waar het verboden is te onderbreken, daar is het ook verboden te praten, zelfs in de heilige taal, net als iedere andere taal. (RAV)


De Halacha van de week

Kitsoer Sjoelchan Aroech

(Uit onze Nederlandse vertaling van de “Kitsoer Sjoelchan Aroech met commentaar”)

Hoofdstuk 17, paragraaf 3

Voordat men begint [Sjema te zeggen], moet men de bedoeling in gedachten hebben om de mitswa van het lezen van Sjema’, zoals Hasjem ons die geboden heeft, uit te voeren1.

Commentaar

1.            Sommige autoriteiten zijn van mening dat een doelbewuste intentie voor het uitvoeren van de mitswa niet vereist is, terwijl andere autoriteiten menen dat dit wel noodzakelijk is. Dit laatste is de mening van de samensteller van de Sjoelchan Aroech [zie Sj.A. 60:4]. De samensteller van de Kitsoer Sjoelchan Aroech is het kennelijk met deze me­ning eens. De Misjna Broera [60:7-10] merkt hierbij op, dat er volgens de poskiem twee soorten intentie zijn verbon­den met de mitswot: De eerste is dat men de intentie heeft om de mitswa uit te voeren; de tweede is dat men de intentie moet hebben om met de handeling aan zijn verplichtingen te voldoen, d.w.z. dat men in gedachte moet hebben dat men door te handelen zich bevrijdt van zijn verplichtingen, die Hasjem bevolen heeft. De intentie van de mitswa, zoals die in deze paragraaf wordt besproken, is in het geheel niet afhankelijk van de intentie van de gedachten aan de mitswa zelf, want dat vergt een consciëntieuze aandacht van dat wat onze mond uitspreekt, zonder dat men daarbij aan iets anders denkt. Dit laatste is voorgeschreven voor het lezen van sjema’, de tefilla, het dankgebed na de maaltijd en kiddoesj, enz. Want alle autoriteiten zijn het er over eens dat men hiervoor in principe volledige intentie moet hebben. Maar wanneer het eenmaal gebeurd is en men heeft het gezegd zonder de juiste intentie, dan heeft men toch aan zijn verplichtingen voldaan, behalve bij de eerste regel van Sjema’ en de eerste beracha van de tefilla, want daar is consciëntieuze aandacht een vereiste voor de volvoering van de mitswa. De hierboven aange­haalde discussie heeft slechts betrekking op de vraag of men, voordat men met de uitvoering van de mitswa begint reeds die intentie moet hebben, teneinde aan zijn verplichtingen te voldoen. Iedereen is het er­mee eens dat het de voorkeur verdient om deze bedoeling te hebben. Dat komt ook overeen met wat geschreven staat in Nedariem 62a: „Rabbi Eliëzer ben Tsadok zegt: ‘Doe de dingen om der wille van hun Schepper’ ”. En er staat ook geschreven in Jesjajahoe 29:13: En de Heer heeft gezegd: ‘Vanwege dit hebben mensen Mij met hun mond benaderd en Mij geëerd met hun lippen, maar zij hebben hun hart ver van Mij ve­rwijderd, en hun ontzag voor Mij is als een door mensen aangeleerd gebod’.

               Wanneer men nu niet van te voren de intentie had om de mitswa te vervullen, dan heeft men zich niet gekweten van zijn verplichting, zelfs niet volgens Tora en dan is men verplicht de mitswa nog eens te doen. Zelfs wanneer men in twijfel verkeert of men wel de juiste bedoeling had, dan moet men streng zijn en de mitswa nog eens overdoen, indien dat tenminste een mitswa was die door Tora is voorgeschreven. Maar in zo’n geval zegt men niet nog eens de beracha vooraf, zelfs niet wanneer men zeker is dat men er niet aan gedacht heeft.

               Het gevolg van dit alles is, dat wanneer men bijvoorbeeld de sjofar blaast op Rosj Hasjana om te oefenen, of wanneer men het dankgebed na de maaltijd zegt samen met kinderen om hen dat te leren, dan heeft men niet aan zijn verplichtingen gedaan, wanneer men zelf op  dat moment verplicht was tot die mitswa; dat wil zeggen wanneer hij zojuist gegeten heeft en dus het dankgebed na de maaltijd verplicht was te zeggen maar daar niet bij nagedacht heeft. En zo in alle andere gevallen. Dit is in overeenstemming met alle autoriteiten, ook diegenen die zeggen dat men geen intentie nodig heeft, want het is dan alsof men de intentie had om het niet te zeggen.

               Wie in gedachte had om een mitswa te doen om een andere reden maar ook omdat hij zijn verplichting wil uitvoeren, die heeft zich van zijn verplichtingen bevrijd (dus bijv. wie gegeten heeft en daarom het dankgebed na de maaltijd wil zeggen en van die gelegenheid gebruik wenst te maken om het ook zijn kinderen te leren, die heeft zich van zijn verplichtingen gekweten).

               Opgemerkt dient nog te worden, dat de bovengenoemde verplichting tot intentie alleen bestaat voor Tora-mitswot, maar voor de volvoering van een mitswa, opgedragen door onze geleerden is die intentie niet essentieel. Dus wie een beracha heeft gezegt (met uitzondering dus van het dankgebed na de maaltijd) en achteraf zich realiseert dat hij dat gedachteloos heeft gedaan, heeft zijn plicht gedaan, want alle andere berachot zijn van rabbijnse oorsprong. Dus ook waar de Sj.A. schrijft dat, wanneer men zonder aandacht een mitswa deed, men die dan moet over doen, dan zegt men niet nog eens de beracha.

               Voorts schrijft de Chajé Adam dat wie, zoals gebruikelijk is, Sjema’ leest tijdens het ochtend- of avondgebed, die heeft zijn verplichtingen gedaan, zelfs indien hij daar niet met zijn volle aandacht bij was. Dit zelfde geldt voor wie matsa at, of de sjofar blies of de loelav ophief op de gebruikelijke manier en op het gebruikelijke moment. De reden is, dat wanneer de omstandigheden waaronder men de mitswa uitvoert aanduiden dat men het deed om der wille van de mitswa, men zijn plicht heeft gedaan, zelfs zonder nadrukkelijke bedoeling (wie echter ‘s avonds vóór nacht in sjoel, samen met de gemeente ma’ariv heeft gedawend en dus Sjema’ na nacht nog eens thuis op tijd moet zeggen, die is verplicht het met de volle aandacht te zeggen, zelfs al had hij er in sjoel zijn volle gedachten bij [Béoer Halacha]).

            Dit alles geldt voor wanneer het eenmaal gebeurd is, dus achteraf. Maar in principe moet men zeker te allen tijde de juiste intentie hebben voordat men een mitswa doet of een beracha zegt.


Uit de wekelijkse daf van de Talmoed

Ta’aniet 2a

DE DRIE SLEUTELS

Drie sleutels behield Hasjem in eigen hand en waren niet aan een engel gegeven, vertelt Rabbi Jochanan. De steutels van de regen, van de geboorte en van de wederopstanding van de doden.

Tosafot werpt tegen dat de sleutel van de regen aan de Profeet Eliahoe was gegeven, waardoor hij (I Koningen 17:1) kon veklaren dat er voortaan geen regen meer zou neerdalen. Dus kennelijk had Eliahoe de macht over de regen gekregen van Hasjem, om een koning die afgoden aanbad, te straffen en inderdaad verdroogde het land.

Onmiddellijk daarna geeft Hasjem Eliahoe opdracht om naar het huis van een weduwe te gaan, waar hij al spoedig wordt geconftonteerd met het weer tot leven brengen van haar dode zoon (I Koningen 17:7-22).

Er bestaat verband, zeggen onze Geleerden, tussen deze twee gebeurtenissen. Toen Hasjem besloot dat het volk genoeg geleden had van de door Eliahoe veroorzaakte droogte, arrangeerde Hij dat Eliahoe geplaatst zou worden in een situatie dat hij het kind van de weduwe weer tot leven kon brengen. Eliahoe bad tot G-d dat Die hem de sleutel van de werderopstanding van de doden zou geven, zodat hij het kind van de weduwe weer tot leven kon brengen. Hasjem antwoordde hem dat Hij alleen de controle had over de drie sleutels en dat Eliahoe al tijdelijk de sleutel van de regen had gekregen. Als hij nu ook nog de sleutel tot de wederopstanding zou krijgen, dan zou de dienaar twee sleutels in handen hebben, terwijl de Meester er maar één overhield. Daarom moest Eliahoe de sleutel van de regen aan Hasjem teruggeven en het volgende hoofdstuk begint met dat Hasjem de regens herstelt.