Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 200 Parasjat Wajjetsee  11 Kislev 5767

 1/2 december 2006

 

Overzicht Parasjat Wajjetsee (Bereisjiet 27:10-32:3)

J

a’akov vlucht voor Esav en verlaat Beëer Sjewa, en gaat op reis naar Charan, naar het huis van de familie van zijn moeder. Na een oponthoud van 14 jaar in het leerhuis van Sjem en Ever hervat hij zijn reis en komt aan bij de Berg Moria, de plaats waar zijn vader Jitschak geofferd werd, en de toekomstige plaats van het Beit Hamikdasj. Hij slaap daar en droomt van engelen die een ladder, welke op de aarde staat en tot in de hemel reikt, op en af gaan. Hasjem belooft hem het Land Israël, dat er een groot volk uit hem zal voort­komen en dat hij G-ddelijke bescherming zal genieten. Ja’akov ontwaakt en zweert dat hij daar een altaar zal bouwen en een tiende zal geven van al dat hij krijgt. Daarna reist hij verder naar Charan, waar hij Racheel ontmoet bij een waterbron. Hij regelt met haar vader, Lawan, om zeven jaar bij hem te werken om met Racheel te mogen trouwen, maar Lawan houdt Ja’akov voor de gek en geeft hem Racheels oudere zuster, Lea, in plaats van Racheel. Ja’akov verplicht zichzelf nog eens zeven jaar te werken voor Lawan om ook met Racheel te mogen trouwen. Lea baart vier zonen – Reoeween, Sjim’on, Levi en Jehoeda – de eerste stammen van Israël. Racheel is onvruchtbaar en in een poging om Ja’akov toch kinderen te schenken, geeft zij hem haar dienstmeid Bilha tot vrouw. Bilha baart Dan en Naftali. Daarna geeft Lea ook haar dienstmeid, Zilpa, aan Ja’akov tot vrouw, en die baart hem  Gad en Asjer. Daarna krijgt Lea nog Jissachar en Zewoelon en een dochter, Dina. Ten slotte zegent Hasjem Racheel met een zoon: Joseef. Ja’akov besluit Lawan te verlaten, maar Lawan die gezien heeft welk een rijkdom Ja’akov voor hem vergaard heeft, ziet Ja’akov niet gaarne gaan en sluit een nieuw arbeidscontract met hem af. Lawan probeert zonder succes Ja’akov te beduvelen, maar Ja’akov wordt buitengewoon rijk. Zes jaar later, wanneer Ja’akov in de gaten krijgt hoe jaloers Lawan is op zijn rijkdom, besluit hij met zijn familie te vluchten. Lawan gaat hem achterna, maar Hasjem waarschuwt hem Ja’akov geen kwaad te doen. Ja’akov en Lawan sluiten een overeenkomst en Lawan keert terug naar huis. Ja’akov vervolgt zijn weg om zijn broer Esav te ontmoeten.

Met toestemming vertaald uit Torah Weekly van Ohr Somayach in Jerusalem, Israel

©1998 Ohr Somayach International - All rights reserved.

HOOGTEPUNTEN VAN HAFTARA WAJJETSEE

door: Reuven Gavriel ben Nissim Ebrahimoff

Portugezen: Hosea, 11:7-12:12, Asjkenaziem: id. 11:7-13:5

Korte samenvatting 11:7-12:12

Israël zal nimmer totaal vernietigd worden, zelfs niet als zij dat verdienen. Hosea profeteert over de toekom­stige terugkeer naar het land Israël. Het noordelijke koninkrijk is zondig, ook de koning zondigt. Ja’akov wordt ten voorbeeld gesteld toen hij voor de strijd met Esav stond. Meer over de zonde en fraude en afgode­rij van Israël.

Korte samenvatting 12:13-13:5

Hosea herinnert er ons aan dat ons succes in Hasjems handen ligt en niet in die van onszelf. Het koninkrijk van de tien stammen wordt beschuldigd van afgoderij. Hasjem herinnert Israël eraan hoe Hij hen liefdevol door de woestijn geleid heeft.

Het verband tussen de Haftara en de parasja

In de Haftara verwijt de profeet de bewoners van het koninkrijk van de Tien Stammen hun zonden. Hun gedrag steekt schril af tegen dat van Ja’akov Awinoe, zoals dat in onze parasja beschreven wordt:

š In de parasja zet Ja’akov een steen op als monument voor Hasjem in Beit El, waar hij zweert dat hij een tiende zal afscheiden voor Hasjem van alles wat hij verdienen zal.

In de dagen van het koninkrijk van de Tien Stammen wordt een kalf aanbeden op diezelfde plaats, Beit El, dat daar geplaatst was door de eerste koning over de Tien Stammen, Jeravam.

š Ja’akov werd nimmer verleid door afgoderij, zelfs niet in de onzuivere atmosfeer van het huis van Lawan, waar afgoderij bedreven werd.

De bewoners van het noordelijke koninkrijk faalden jammerlijk in dit opzicht in hun eigen land.

š Ja’akov diende Lawan trouw, ondanks diens bedriegerijen. Hij getuigde hoe hij werkte in „de hitte van de dag en de koude van de nacht.” Hij nam nimmer iets van Lawan.

Daarentegen verwijt Hosea het frauduleuze gedrag van de Joden in het noordelijke koninkrijk.

š Hosea wijst op het voorbeeldige gedrag van Ja’akov die al zijn vertrouwen in Hasjem stelde.

De bewoners van het noordelijke koninkrijk stelden hun vertrouwen in hun menselijke collega’s.

š Hosea stelt Ja’akov als voorbeeld als iemand die constant Tora studeerde (Rasji op 12:10).

 De Tien Stammen, zowel als alle latere generaties van Joden worden aangemoedigd dat voorbeeld te volgen.

In het tweede deel dat alleen door Asjkenaziem gelezen wordt, wordt verteld hoe Ja’akov vluchtte voor zijn moordzuchtige broer Esav en naar het huis van Lawan gaat waar hij Lea en Racheel trouwt. De rest van de Haftara vermaant de Tien Stammen voor afgoderij, een gedrag dat zo scherp afsteekt tegen dat van Ja’akov. De Haftara is eigenlijk een directe tegenstelling met de parasja van de week. Ja’akov die in een omgeving van afgoderij sterk blijft in zijn vertrouwen in Hasjem, tegenover de bewoners van het noordelijke koninkrijk die in hun eigen Heilige Land afgoden dienen.


Inzicht in de Parasja

Paswoord voor het nageslacht

Uit de toespraken van Wijlen HaRav Aryeh Carmell zt”l

Parasjat Wajjetsee vertelt hoe Ja’akov, met voorbeeldige eerlijkheid en vol vertrouwen in Hasjem, de basis legt voor de Twaalf Stammen van klal Jisraël. Vanaf zijn eerste ontmoeting met Racheel kort nadat hij in Charan aankwam, maakte Ja’akov het duidelijk, dat hij de toekomst van het Joodse volk zag als het resultaat van hun vereniging.

Nadat hij van Racheel gehoord had wat een bedrieger haar vader was, gaf hij Racheel een aantal geheime  herken­nings­tekens, om er zeker van te zijn dat Lawan niet zou proberen hem te bedriegen, door hem met iemand anders te laten trouwen. Niettemin op het laatste moment, toen Racheel ontdekte  dat haar zuster op het punt stond om te worden vernederd, verklapte zij al de herkenningstekens aan Lea. Dit betekende effectief dat zij, voor wat haar betreft, had afstand gedaan van haar positie als matriarch van Am Jisraël. Zij kon niet weten dat Ja’akov bereid zou zijn nog eens zeven jaar voor haar te werken.

We staan allen vol ontzag en bewondering voor Racheels enorme zelfopoffering ten behoeve van haar zuster. Maar er is één vraag die niemand schijnt te stellen: hoe zit dat met haar bedrog tegenover Ja’akov? Hoe zou Ja’akov zich voelen, wanneer hij er achter kwam dat het mooie plan dat hij had uitgedacht, om de basis voor Klal Jisraël samen met Racheel te leggen, verhinderd was door de bedriegerij van Lawan? Is dit niet wat wij ‘vroom op iemands anders rekening’ noemen?

Het antwoord op deze vraag moet zijn, dat Racheel wist wat de basis-karaktertrekken van het Joodse volk zouden zijn: Jidden zijn rachamaniem, baisjaniem en gomlei chassidiem  – begaan met het lot van anderen, bedeesd en grootmoedig (Jewamot 79a). Toe te staan dat Lea vernederd en beschaamd zou worden als zij de herkenningstekens niet zou kunnen geven, zou het tegendeel zijn van deze drie karaktereigenschappen. Het zou wreed  zijn en een gebrek aan sensiviteit tonen voor haar zusters gène.

Het was voor Racheel duidelijk, dat als Ja’akov haar getrouwd zou hebben, nadat Lawans poging om hem te bedriegen verhinderd was, hun familie onmogelijk deze verfijnde karaktertrekken zou kunnen hebben. Een begin heeft een enorm effect op het resultaat, net zoals een lange-afstandsraket, die bij de start ook maar een beetje uit te koers ligt, nimmer zijn doel zal bereiken.

Dit zich realiserend, was het voor Racheel volkomen duidelijk dat Ja’akov post facto volledig zou instemmen met haar beslissing. Ja’akov was in de kern tamiem – iemand die Hasjems plannen met hem in volkomen eenvoud accepteert. Wanneer de omstandigheden zodanig waren, dat er geen andere oplossing mogelijk was dan Lawan zijn gang te laten gaan met zijn bedrog, dan was het duidelijk dat bij het plan van Hasjem voor Klal Jisraël ook Lea was inbegrepen als een van de Imahot [stammoeders]. Wat Ja’akovs aanvankelijke ideeën ook mogen geweest zijn, achteraf bezien had Racheel volkomen gehandeld in overeenstemming met wat Ja’akov gewild zou hebben dat zij zou doen.

De rest is geschiedenis: de geschiedenis van een volk dat begaan is met het lot van anderen, bedeesd en grootmoedig is.

Uit de Midrasj

 – [Wajjifga bamakkom] – Hij kwam aan op de plaats (Bereisjiet 28:11).

Zo wordt vers 28:11 in het algemeen vertaald en zo vertalen ook Onderwijzer en Dasberg). Maar er staat in het Hebreeuws: „Hij ontmoette de plaats.” Dat is een vreemde uitdrukking, want men ontmoet een mens, niet een plaats. Bovendien staat er de plaats, er staat niet welke plaats.

Blijkbaar wordt er hier een bekende plaats bedoeld. Ook in Bereisjiet 22:4 is sprake van de plaats, als Awraham op weg gaat om zijn zoon Jitschak te offeren: „Hij zag de plaats van veraf.” Rasji zegt dat dit de berg Moria was en dus wordt ook hier met „de plaats” de berg Moria bedoeld.

Maar wat is de betekenis van: „Hij ontmoette de plaats”?

Midrasj Rabba 68:8 zegt dat Ja’akov uit Beër Sjèwa vertrok en dezelfde dag nog aankwam in Charan. Maar onze Geleerden hebben uitgerekend dat het een reis van 17 dagen was. Echter, Hasjem verkortte de weg voor hem, zodat hij de weg in één dag kon afleggen. Maar toen hij aankwam, realiseerde hij zich waar hij geslapen had, namelijk op de Heilige Berg Moria, zonder daar te bidden, en daarom wilde hij teruggaan naar die plaats, om er alsnog te bidden. Toen hij terugging, kwam de berg hem tegemoet. Zo ontmoette hij de plaats.

De Midrasj (B.R. 68:9) zegt dat wajjifga ook ‘bidden’ betekent en het noemt als voorbeeld een vers in Jeremiahoe (7:16): „…en kom niet langer met smeekbeden (tifga).” Hieruit leidt Rabbi Jehoesjoea ben Levi af, dat Ja’akov daar bad en zo het middaggebed instelde.


Moesar van de Brisker Rav

„Ja’akov vertelde Rachel dat hij familie van haar vader was en de zoon van Rivka” (29:12).

Er staat in het Hebreeuws dat Ja’akov achi – de broer – van haar vader was. En Rasji schrijft dat Ja’akov daarmee wilde zeggen: Wanneer je vader van plan is mij te bedriegen, dan ben ik zijn broer in het bedriegen, maar als hij een braaf mens is, dan ben ik de zoon van zijn brave zuster.

Deze verklaring lijkt wat moeilijk. Lawan was het prototype van de klassieke oplichter en bedrieger en Ja’akov was het prototype  van de „eenvoudige, argeloze man, die in tenten woont” (Bereisjiet 25:27). Hoe kon Ja’akov dan beweren dat hij zijn gelijke was in bedrog?

Een andere vraag: waarom zegt Ja’akov dat hij in bedrog Lawans gelijke is, maar als het om eerlijkheid gaat zegt hij dat hij de zoon van Rivka is, in plaats van te zeggen dat hij ook dan zijn broer in eerlijkheid is. Het zou logischer geklonken hebben als hij had gezegd dat hij zowel in bedrog als in eerlijkheid zijn gelijke was.

De Talmoed (Bawa Batra 123a) vraagt of het is toegestaan dat een rechtvaardig mens onder bepaalde omstandigheden bedriegt. Het antwoord is: „Ja. Tegen degenen die eerlijk zijn, moet je eerlijk zijn, maar de immorelen zul je te slim af zijn” (II Sjmoeël 22:27).

Hoewel de Talmoed zegt dat het is toegestaan om een oneerlijk mens te bedriegen, is het toch moeilijk ons voor te stellen hoe Ja’akov, met zijn eenvoudige, zuivere persoonlijkheid in staat was om zichzelf op die manier te gedragen. Maar de waarheid is, dat als de Talmoed zegt dat dit een attribuut is van G-d zelf, om mensen  te behandelen op de manier waarop zijzelf gewoon zijn te handelen, dan komt dit alles binnen het raamwerk van het vereiste om „ G-ds wegen te volgen” (Dewariem 28:9), d.w.z. om te trachten Zijn attribu­ten te evenaren (Sota 14a). Net zoals G-d de bedrieger op zijn eigen manier tegemoet komt, zo moeten wij dat ook doen; het is een mitswa om dat te doen. Wanneer het om een mitswa gaat, dan kan zelfs Ja’akov zich  bedriegelijk gedragen, ondanks dat dit zo in strijd is met zijn aard.

De verplichting om bedrog met bedrog te bestrijden, gaat echter niet verder dan de mate van het bedrog van de eerste persoon. Men mag op bedrog reageren met een zelfde soort bedrog, maar men mag niet erger bedriegen dan de eerste persoon gedaan heeft.

Dit verklaart waarom Ja’akov zei dat hij bereid was om Lawans ‘broer’ (gelijke) te zijn in bedrog, maar niet om hem voorbij te streven. Maar als Lawan eerlijk is, dan zou Ja’akov natuurlijk geen enkel probleem hebben om het niveau van de eerlijkheid en rechtvaardigheid van Lawan te overtreffen, en daarom beperkte hij zich er niet toe om ook in dat geval Lawans broer te zijn.

Uit de schatkist van Chassidische verhalen

Leren van primaire bronnen

„Racheel stal de afgodsbeelden van haar vader” (Bereisjiet 31:19).

Rasji: Zij had de bedoeling om haar vader van afgodendienst af te houden.

Een man werd geplaagd door een vreemde droom, die met toenemende intensiteit herhaald werd. Hij kwam daarmee om raad bij Reb Zusja van Hanipoli. De vader van de man was niet lang daarvoor overleden en verscheen nu iedere keer in zijn droom en beval hem zich te laten dopen, G-d verhoede.

De eerste keer had hij de droom genegeerd, maar de tweede keer was het verzoek herhaald en de derde keer ging het zelfs gepaard met dreigementen.

De tsaddiek zei dat hij er niet aan twijfelde dat er een kruisbeeld of iets dergelijks in zijn vaders graf terecht was gekomen. Hij moest het graf maar openmaken en dat eruit verwijderen. Dan zou zijn vader verder in vrede kunnen rusten.

En inderdaad, toen het graf geopend werd, werden daarin een aantal munten gevonden, waarop het teken van het kruis stond afgebeeld, en die iemand ongetwijfeld per ongeluk in het graf had laten vallen tijdens de begrafenis. De munten werden verwijderd en de overledene verscheen nimmer meer in de dromen van zijn zoon.

Enige tijd later vertelde iemand deze gebeurtenis aan Rabbijn Eliahoe, de Gaon van Wilna. De Gaon, die bekend stond en staat als de aarts-antagonist van de chassidische beweging, merkte op dat er niets bijzonders was aan het antwoord van Reb Zusja, want dit werd ook al vermeld in de Jeruzalemse Talmoed; het enige wonder was dat een chassidische rebbe bekend was met een zodanig geleerde bron als de Jeruzalemse Talmoed (de Jeruzalemse Talmoed is erg moeilijk om te lezen en wordt heel weinig bestudeerd, en werd, zeker in het verleden alleen door de grootste geleerden bestudeerd).…

Toen deze schimpscheut na verloop van tijd weer aan Reb Zusja terug verteld werd, zei hij: „Het is waar, ik heb dat niet uit de Jeroesjalmi geleerd. Maar ik zag het staan in dezelfde bron waar de Jeroesjalmi het zag.”


Uit de Wekelijkse daf van de Talmoed

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Beitsa 36a

Zullen we dansen?

Stel je voor, je bent uitgenodigd voor een maaltijd voor een sjewa berachot op Sjabbat of op een feestdag en iedereen zingt om de chatan en kalla te verblijden. Dan zie je hen opstaan om te dansen en er wordt aan je getrokken om mee te doen. Maar dan herinner je je dat je in de Misjna geleerd hebt, dat onze Geleerden het verboden hebben om op deze heilige dagen te dansen of in de handen te klappen. Dus waarom doen al deze vrome Joden dat dan?

Dan probeer je je te herinneren wat de Gemara gezegd heeft over de reden van deze ban. Wanneer men dansen en handen klappen zou toestaan, zeggen onze Geleerden, zou men ertoe kunnen komen om ook muziekinstrumenten te gaan gebruiken, hetgeen een overtreding is van een Tora-wet.

Nu hebben je de sleutel in handen voor het gedrag van je dansende vrienden. Tosafot (op Beitsa 30a) legt uit dat dit decreet van toepassing was in de tijd van de Talmoed, toen veel mensen bekwaam waren in het maken van muziekinstrumenten. In onze dagen echter, waar er maar weinig van dergelijke experts rondlopen, is er geen verbod op dansen en handen klappen.

De Rama haalt in de Sjoelchan Aroech, Orach Chaim 339 deze soepele beslissing van Tosafot aan. Maar de auteur van de Sjoelchan Aroech, de Beit Joseef citeert alleen het verbod van de Misjna, zonder te vermelden of dit in onze tijd al dan niet nog geldt. Daarom durven sommige autoriteiten niet te vertrouwen op de soepele mening van Tosafot, tenzij dat dansen voor een mitswa is, zoals in ons geval (Misjna Beroera 339:10).

Halachische autoriteiten hebben gedurende de afgelopen eeuw zich grote moeite getroost om erop te wijzen dat het zelfs voor een mitswa verboden is om op muziekinstrumenten te spelen op Sjabbat en feestdagen en zeker ook om betrokken te raken bij welke vorm van dansen dan ook, waarbij mannen en vrouwen samen dansen.

(Zie Bé’oer Halacha, ib. en Igrot Moshe, Orach Chaim 2:100).

¯ ¯ ¯
Hilchot Jom Tov

Door Rabbi Dovid Ostroff

Vraag: Mag men een neer nesjama (jahrzeit-kaars) aansteken op Jom Tov?

Antwoord: Een kaars die voor een jahrzeit wordt aangestoken, moet men vóór Jom Tov aansteken, omdat het doel ervan niet is dat men van het licht gebruik zal maken. Maar als men vergeten is de jahrzeit-kaars aan te steken, dan mag men hem aansteken op Jom Tov, mits men dat doet in de eetkamer, zodat men gebruik maakt van het kaarslicht en het is zelfs nog beter om de kaars dan in sjoel aan te steken (zie Bé’oer Halacha  514:5, beginwoorden: neer).

De Bé’oer Halacha concludeert dat in geval van nood het is toegestaan om het aan te steken omdat het voor een mitswa is – namelijk om de ouders te eren (Zie Sj.Sj.K. 13:6).

Vraag: Mag men roken op Jom Tov?

Antwoord: Er is veel geschreven over dit onderwerp, daarom zullen wij hier alleen de basis van het pro­bleem bespreken (zie ook: Zie Bé’oerHalacha 511:4, beginwoorden: ein).

De strenge opvattingen baseren zich op een halacha in de Sjoelchan Aroech (511:4), waar het volgende staat: „Men mag geen kruiden of kolen verbranden op Jom Tov, ongeacht of dat voor de aangename reuk is of omdat men een geur aan kleren wil geven.” De chidoesj (het nieuwe) aan deze uitspraak is, dat hoewel men direct plezier beleeft aan de kruiden op Jom Tov, niet geldt dat „iedereen doet het.”

Een belangrijke halacha met betrekking tot melachot op Sjabbat zegt dat een handeling alleen is toegestaan wanneer de meerderheid van de mensen gewend zijn dat ook te doen – „iedereen doet het.” Maar als slechts een kleine minderheid van de bevolking het doen, dan is het verboden. Alleen de aristocraten verbranden kruiden en daarom is het verboden op Jom Tov (Zie M.B. 511:21).

Daarom geldt, dat als de meerderheid van de bevolking niet rookt, dan geldt niet „iedereen doet het” en dus is het verboden op Jom Tov.

De soepele mening zegt dat in de tijd van de Misjna Beroera de meeste mensen wel rookten en dus gold „iedereen doet het.”

Tegenwoordig menen vele poskiem dat roken verboden is op Jom Tov, omdat ten gevolge van de bewezen gezond­heidsrisico’s de meeste mensen niet meer roken en dus geldt niet meer: „iedereen doet het.”

[Het argument: „Iedereen doet het” komt voort uit het Traktaat Jewamot (72a) in de Babylonische Talmoed, waar Rav Papa zegt, dat hoewel men risico’s en gevaar moet vermijden, het halachisch is toegestaan dat gevaar te negeren, als de meeste mensen dat gevaar negeren. Autorijden, vliegen, een baby krijgen, het zijn allemaal dingen waaraan een zeker risico zit, en toch doet iedereen het. Rav Papa zegt dat het dan is toegestaan omdat „Hasjem de eenvoudige mensen beschermt.” Op grond hiervan zou men kunnen zeggen dat als de meerderheid van de bevolking rookt en het risico ervan negeert, dat dan „Hasjem de eenvoudige mensen beschermt” en roken is toegestaan, ook op Jom Tov.

Anderen hebben een andere benadering en zeggen dat „Hasjem de eenvoudige mensen beschermt” alleen als het risico erg klein is. Maar nu wetenschappelijk bewezen is dat roken schadelijk is voor de gezondheid van zowel de roker als van anderen die in zijn omgeving aanwezig zijn, is roken definiteit verboden. Dit is het standpunt van Rav Elièzer Waldenheim (Tsiets Eliëzer 15:39).

Rav Moshe Feinstein (Igrot Moshé, Chosjen Misjpat II:76) schrijft dat aangezien vele mensen die roken, daar geen schade van ondervinden, men mag zeggen dat roken is toegestaan, omdat „Hasjem de eenvoudige mensen beschermt”. Ten gevolge van Rabbi Feinsteins grote autoriteit waren en zijn veel rabbijnen afkering om het roken te verbieden. Echter, in een recente publicatie van de Rabbinical Counsel of America (zie: www.rabbis.org/pdfs/Prohobition_Smoking.pdf) wordt gezegd dat in het licht van de recente studies, waaruit blijkt dat gevaar van het roken van sigaretten algemeen is en dat ten gevolge daarvan het aantal sigaretten­rokers aanzienlijk verminderd is, Rabbi Feinstein nu zeker zijn mening over sigaretten roken veranderd zou hebben.  Op 3 juli 2006 publiceerde daarom de Wa’ad Halacha van de Rabbinical Counsel of America dat het roken van tabakproducten volgens de Joodse Wet verboden is. (Zwi)]

Vraag: Mag ik op Jom Tov een kaars uitblazen, zodat ik kan slapen?

Nee, dat mag niet, want het is niet voor ochel nefesj (het heeft niets met de bereiding van voedsel te maken). Na het koken of bakken van het voedsel kan men het vuur aanlaten. De enige reden waarom men het vuur na het koken of bakken wil uitdoen, is om energie te sparen. Dat is geen geldige reden op Jom Tom.

¯ ¯ ¯

Misjna van de week – Berachot Hoofdstuk 1

Misjna 1. Vanaf hoe laat mag men ’s avonds het Sjema zeggen?[1] Vanaf het tijdstip, waarop de priesters [die onrein zijn, de stad] binnenkomen om van hun troema[2] te eten, tot het einde van de eerste nacht-wacht[3]. Dit zijn de woorden van Rabbi Eliëzer. Maar de [andere] geleerden zeggen: tot middernacht. Rabban Gamliël zegt: [Het mag] tot het eerste ochtendgloren[4]. Het gebeurde eens dat de zonen [van Rabban Gam­liël na midder­nacht thuis] kwamen van een feest[5]. Zij zei­den tegen hem: „Wij hebben het Sjema nog niet gezegd [mogen wij het nu nog zeggen?]” Hij zei tegen hen: „Als de zon nog niet op is ben je verplicht het te zeggen. En niet alleen hiervoor[6] [geldt deze verplichting], maar voor alle dingen waarvan onze geleerden zeiden [dat men ze verplicht is te doen] tot middernacht, daar­voor is de plicht [eigenlijk] tot het ochtendgloren. [Bijvoor­beeld:] Het ver­bran­den van de vetstukken[7] en ledema-ten[8] [van offers op het altaar]. De plicht daarvan is tot het och­tendgloren [na de nacht, volgend op de dag van de offering]; en alle [offers] die gedurende één etmaal ge­geten mogen worden[9], daarvoor loopt de plicht tot het ochtendgloren. [Nu zou men kunnen vragen:] Als dit zo is, waarom hebben onze geleerden dan gezegd ‘tot middernacht’[10] [in plaats van tot het ochtendgloren? Dat is] om de mensen van overtreding te weerhouden.”[11]


[1]. Pries­ters, die tamee – onrein – gewor­den zijn en hun bad genomen hebben, mogen toch niet van troema eten, voor­dat de zon ondergegaan is; dat is het zichtbaar worden van de sterren. En dat er niet in de misjna staat „vanaf het tijdstip van het opkomen der sterren” dat is, omdat hij  – de tana  – ons terloops nog iets wil mee­delen; n.l. dat, wanneer priesters tamee geworden zijn met zó een toema, dat hun tahor-wording afhankelijk is van een offer, b.v. een vloeiende of een me­laat­­se, dit zoen­offer niet noodzakelijk voor hen is, om van troema te mogen eten, want er staat  (Wajjikra 22:7): „en als de zon ondergaat, zal hij tahor zijn, en daarna mag hij van de heilige spijzen eten”, dus: het ondergaan van de zon is wel noodzakelijk voor het eten van troema, maar zijn verzoening is niet noodzakelijk voor het eten van troema (RAV).

[2]. Troema is Een gedeelte van de oogst van het land Israël, dat als een soort belasting, heffing op agrarische producten, aan een priester gegeven moet worden, en die alleen door de priesters en hun naaste familie en bedienden mag wor­den gegeten en alleen wanneer zij rein zijn. Wanneer de priester onrein is geworden, moet hij zich eerst reinigen in een mikwe [een ritueel bad] en wachten tot de avond, d.w.z. totdat de sterren uitkomen, alvorens hij van de troema mag eten.

[3]. D.i. het eerste derde deel van de nacht – want de nacht wordt verdeeld in 3 wachten – en daarna kan het niet meer „de tijd van het avond-Sjema” genoemd worden  en is oewesjoch­becha – als je ligt] er niet meer op van toepassing. En het te voorschijn ko­men  der sterren is ook niet de juiste tijd van het avond Sjema” en we pas­sen er niet meer op toe het oewesjoch­becha. En voor het te voorschijn komen van de sterren is het ook nog niet de juiste tijd, want het is nog dag, en  het is nog niet de juiste tijd van het „zich neerleggen”. En zij, die het avond-Sjema vroeger lezen, steunen op de uitspraak van Rabbi Jehoeda, die verder in het 4e hoofdstuk zegt: „het middaggebed is tot de tweede helft van de „tijd van het middaggebed”, d.i. 1¼ uur vóór nacht; en wij nemen aan dat „wie als Rabbi Je­hoeda doet, doet goed”. En dadelijk als de mincha-tijd afgelopen is, begint de tijd van het avond-Sjema. (RAV)

[4]. Want de gehele nacht heet „tijd van het liggen”. En de beslissing is volgens de me­ning van Rabban Gamliël, want ook de andere ge­leer­den stemmen met hem in en zeggen nl. „tot midder­nacht” alleen maar om de mensen van overtreding tegen te houden. Echter zodra de tijd van het lezen van het avond-Sjema aange­broken is, d.i. vanaf het zichtbaar worden van de sterren, mag men geen maaltijd gaan houden en dus zeker niet gaan slapen, voordat men het Sjema en Sjemoné Esré gezegd heeft. (RAV)

[5]. De zonen van Rabban Gamliël hadden gehoord, dat de geleerden zeggen ‘tot midder­nacht’. En nu  vragen zij hem [Rabban Gamliël]: De reden dat de geleer­den met u in strijd zijn, is dat uitsluitend omdat zij bedoelen tot mid­der­nacht en later niet, en als er een meningsverschil is tussen één geleerde en meer­ geleerden, is de beslissing volgens de meerder­heid, of is de mening der geleerden wellicht eigenlijk in overeenstemming met de uwe, en zeggen zij ‘tot middernacht’  om de mens van de overtreding terug te hou­den? En daar­op zei hij [Rabban Gamliël] tot hen (zijn zonen): [Eigenlijk] zijn de ge­leerden het met mij eens; en de reden dat zij zeggen ‘tot middernacht’, is om de mens terug te houden van de overtreding. En daarom zijn jullie nog verplicht het Sjema te lezen. (RAV)

[6]. Dit alles zegt nog Rabban Gamliël tegen zijn zo­nen. (RAV)

[7]. Met het verbranden van de vetstukken worden  de vetstukken offers bedoeld. (RAV)

[8]. Van het dagelijks namiddag-brandoffer, waarvan het bloed overdag [op het altaar] gespat werd, daarvan moesten de stukken de gehele nacht [op het altaar] blijven liggen, want er staat  geschreven (Wajjikra 6:2): „Dit is, wat de gehele nacht tot de morgen op de brandstapel van het altaar mag blijven liggen.” (RAV)

[9]. Zoals het dank-, schuld- en zondoffer en dergelijke, die één dag en één nacht gegeten mogen worden, waarvoor geldt dat ze gegeten mogen worden, tot het eerste ochtendgloren is; en daardoor komen zij in [een toe­stand van] noteer – overschot – (RAV). [D.w.z. na het eerste ochtendgloren wordt alles wat over is noteer, en moet verbrand worden.]

[10]. D.w.z. dat het lezen van Sjema en het eten van offers [slechts tot middernacht is toegestaan]. Maar bij het verbranden der vetstukken en de ledematen hebben de geleerden in het geheel niet gezegd ‘tot midder­nacht’; en hij noemt dit hier alleen maar, om mee te delen, dat alles, waarvoor het gebod in de nacht van toepassing is, de gehele nacht verricht mag worden. (RAV)

[11]. Opdat hij er niet toe komt het te eten, nadat het eerste ochtend­gloren aangebroken is en hij chajeev kareet zou worden – de straf van uitroeiing door de hemel. En evenzo bij het lezen van Sjema; dat hij nl. niet zal zeggen: „Ik heb nog de tijd” en zo de tijd ervan voorbij zou gaan. (RAV)