Overzicht
Parasjat Wajjetsee
(Bereisjiet 27:10-32:3)
a’akov vlucht voor Esav en
verlaat Beëer Sjewa, en gaat op reis naar Charan, naar het huis van
de familie van zijn moeder. Na een oponthoud van 14 jaar in het
leerhuis van Sjem en Ever hervat hij zijn reis en komt aan bij de
Berg Moria, de plaats waar zijn vader Jitschak geofferd werd, en de
toekomstige plaats van het Beit Hamikdasj. Hij slaap daar en droomt
van engelen die een ladder, welke op de aarde staat en tot in de
hemel reikt, op en af gaan. Hasjem belooft hem het Land Israël, dat
er een groot volk uit hem zal voortkomen en dat hij G-ddelijke
bescherming zal genieten. Ja’akov ontwaakt en zweert dat hij daar
een altaar zal bouwen en een tiende zal geven van al dat hij krijgt.
Daarna reist hij verder naar Charan, waar hij Racheel ontmoet bij
een waterbron. Hij regelt met haar vader, Lawan, om zeven jaar bij
hem te werken om met Racheel te mogen trouwen, maar Lawan houdt
Ja’akov voor de gek en geeft hem Racheels oudere zuster, Lea, in
plaats van Racheel. Ja’akov verplicht zichzelf nog eens zeven jaar
te werken voor Lawan om ook met Racheel te mogen trouwen. Lea baart
vier zonen – Reoeween, Sjim’on, Levi en Jehoeda – de eerste stammen
van Israël. Racheel is onvruchtbaar en in een poging om Ja’akov toch
kinderen te schenken, geeft zij hem haar dienstmeid Bilha tot vrouw.
Bilha baart Dan en Naftali. Daarna geeft Lea ook haar dienstmeid,
Zilpa, aan Ja’akov tot vrouw, en die baart hem Gad en Asjer. Daarna
krijgt Lea nog Jissachar en Zewoelon en een dochter, Dina. Ten
slotte zegent Hasjem Racheel met een zoon: Joseef. Ja’akov besluit
Lawan te verlaten, maar Lawan die gezien heeft welk een rijkdom
Ja’akov voor hem vergaard heeft, ziet Ja’akov niet gaarne gaan en
sluit een nieuw arbeidscontract met hem af. Lawan probeert zonder
succes Ja’akov te beduvelen, maar Ja’akov wordt buitengewoon rijk.
Zes jaar later, wanneer Ja’akov in de gaten krijgt hoe jaloers Lawan
is op zijn rijkdom, besluit hij met zijn familie te vluchten. Lawan
gaat hem achterna, maar Hasjem waarschuwt hem Ja’akov geen kwaad te
doen. Ja’akov en Lawan sluiten een overeenkomst en Lawan keert terug
naar huis. Ja’akov vervolgt zijn weg om zijn broer Esav te
ontmoeten.
©1998
Ohr Somayach International - All rights reserved.
HOOGTEPUNTEN VAN HAFTARA WAJJETSEE
door: Reuven Gavriel ben
Nissim Ebrahimoff
Portugezen: Hosea, 11:7-12:12, Asjkenaziem: id. 11:7-13:5
Korte samenvatting
11:7-12:12
Israël zal nimmer totaal vernietigd worden, zelfs
niet als zij dat verdienen. Hosea profeteert over de toekomstige
terugkeer naar het land Israël. Het noordelijke koninkrijk is
zondig, ook de koning zondigt. Ja’akov wordt ten voorbeeld gesteld
toen hij voor de strijd met Esav stond. Meer over de zonde en fraude
en afgoderij van Israël.
Korte samenvatting 12:13-13:5
Hosea herinnert er ons aan dat ons succes in Hasjems
handen ligt en niet in die van onszelf. Het koninkrijk van de tien
stammen wordt beschuldigd van afgoderij. Hasjem herinnert Israël
eraan hoe Hij hen liefdevol door de woestijn geleid heeft.
Het verband tussen de Haftara en de parasja
In de Haftara verwijt de profeet de bewoners van het
koninkrijk van de Tien Stammen hun zonden. Hun gedrag steekt schril
af tegen dat van Ja’akov Awinoe, zoals dat in onze parasja
beschreven wordt:
š
In de parasja zet Ja’akov een steen op als monument voor Hasjem in
Beit El, waar hij zweert dat hij een tiende zal afscheiden voor
Hasjem van alles wat hij verdienen zal.
In de dagen van het koninkrijk van de Tien Stammen
wordt een kalf aanbeden op diezelfde plaats, Beit El, dat daar
geplaatst was door de eerste koning over de Tien Stammen, Jeravam.
š
Ja’akov werd nimmer verleid door afgoderij, zelfs niet in de
onzuivere atmosfeer van het huis van Lawan, waar afgoderij bedreven
werd.
De bewoners van het noordelijke koninkrijk faalden
jammerlijk in dit opzicht in hun eigen land.
š Ja’akov
diende Lawan trouw, ondanks diens bedriegerijen. Hij getuigde hoe
hij werkte in „de hitte van de dag en de koude van de nacht.” Hij
nam nimmer iets van Lawan.
Daarentegen verwijt Hosea het frauduleuze gedrag van
de Joden in het noordelijke koninkrijk.
š Hosea
wijst op het voorbeeldige gedrag van Ja’akov die al zijn vertrouwen
in Hasjem stelde.
De bewoners van het noordelijke koninkrijk stelden
hun vertrouwen in hun menselijke collega’s.
š Hosea
stelt Ja’akov als voorbeeld als iemand die constant Tora studeerde
(Rasji op 12:10).
De Tien Stammen, zowel als alle latere generaties
van Joden worden aangemoedigd dat voorbeeld te volgen.
In het tweede deel dat alleen door Asjkenaziem
gelezen wordt, wordt verteld hoe Ja’akov vluchtte voor zijn
moordzuchtige broer Esav en naar het huis van Lawan gaat waar hij
Lea en Racheel trouwt. De rest van de Haftara vermaant de Tien
Stammen voor afgoderij, een gedrag dat zo scherp afsteekt tegen dat
van Ja’akov. De Haftara is eigenlijk een directe tegenstelling met
de parasja van de week. Ja’akov die in een omgeving van afgoderij
sterk blijft in zijn vertrouwen in Hasjem, tegenover de bewoners van
het noordelijke koninkrijk die in hun eigen Heilige Land afgoden
dienen.
Inzicht in
de Parasja
Paswoord voor het nageslacht
Uit de toespraken van Wijlen HaRav Aryeh Carmell zt”l
Parasjat Wajjetsee vertelt hoe
Ja’akov, met voorbeeldige eerlijkheid en vol vertrouwen in
Hasjem, de basis legt
voor de Twaalf Stammen van klal Jisraël. Vanaf zijn eerste
ontmoeting met Racheel kort nadat hij in Charan aankwam, maakte
Ja’akov het duidelijk, dat hij de toekomst van het Joodse volk zag
als het resultaat van hun vereniging.
Nadat hij van Racheel gehoord
had wat een bedrieger haar vader was, gaf hij Racheel een aantal
geheime herkenningstekens, om er zeker van te zijn dat Lawan niet
zou proberen hem te bedriegen, door hem met iemand anders te laten
trouwen. Niettemin op het laatste moment, toen Racheel ontdekte dat
haar zuster op het punt stond om te worden vernederd, verklapte zij
al de herkenningstekens aan Lea. Dit betekende effectief dat zij,
voor wat haar betreft, had afstand gedaan van haar positie als
matriarch van Am Jisraël. Zij kon niet weten dat Ja’akov
bereid zou zijn nog eens zeven jaar voor haar te werken.
We staan allen vol ontzag en
bewondering voor Racheels enorme zelfopoffering ten behoeve van haar
zuster. Maar er is één vraag die niemand schijnt te stellen: hoe zit
dat met haar bedrog tegenover Ja’akov? Hoe zou Ja’akov zich voelen,
wanneer hij er achter kwam dat het mooie plan dat hij had
uitgedacht, om de basis voor Klal Jisraël samen met Racheel
te leggen, verhinderd was door de bedriegerij van Lawan? Is dit niet
wat wij ‘vroom op iemands anders rekening’ noemen?
Het antwoord op deze vraag moet
zijn, dat Racheel wist wat de basis-karaktertrekken van het Joodse
volk zouden zijn: Jidden zijn rachamaniem, baisjaniem
en gomlei chassidiem – begaan met het lot van anderen,
bedeesd en grootmoedig (Jewamot 79a). Toe te staan dat Lea
vernederd en beschaamd zou worden als zij de herkenningstekens niet
zou kunnen geven, zou het tegendeel zijn van deze drie
karaktereigenschappen. Het zou wreed zijn en een gebrek aan
sensiviteit tonen voor haar zusters gène.
Het was voor Racheel duidelijk,
dat als Ja’akov haar getrouwd zou hebben, nadat Lawans poging om hem
te bedriegen verhinderd was, hun familie onmogelijk deze verfijnde
karaktertrekken zou kunnen hebben. Een begin heeft een enorm effect
op het resultaat, net zoals een lange-afstandsraket, die bij de
start ook maar een beetje uit te koers ligt, nimmer zijn doel zal
bereiken.
Dit zich realiserend, was het
voor Racheel volkomen duidelijk dat Ja’akov post facto volledig zou
instemmen met haar beslissing. Ja’akov was in de kern tamiem
– iemand die Hasjems plannen met hem in volkomen eenvoud accepteert.
Wanneer de omstandigheden zodanig waren, dat er geen andere
oplossing mogelijk was dan Lawan zijn gang te laten gaan met zijn
bedrog, dan was het duidelijk dat bij het plan van Hasjem
voor Klal
Jisraël ook Lea was inbegrepen als een van de Imahot
[stammoeders]. Wat Ja’akovs aanvankelijke ideeën ook mogen geweest
zijn, achteraf bezien had Racheel volkomen gehandeld in
overeenstemming met wat Ja’akov gewild zou hebben dat zij zou doen.
De rest is geschiedenis: de
geschiedenis van een volk dat begaan is met het lot van anderen,
bedeesd en grootmoedig is.

Uit de Midrasj
–
[Wajjifga bamakkom] – Hij kwam aan op de plaats (Bereisjiet
28:11).
Zo wordt vers 28:11 in het
algemeen vertaald en zo vertalen ook Onderwijzer en Dasberg).
Maar er staat in het Hebreeuws: „Hij ontmoette de plaats.” Dat is
een vreemde uitdrukking, want men ontmoet een mens, niet een plaats.
Bovendien staat er de plaats, er staat niet welke plaats.
Blijkbaar wordt er hier een
bekende plaats bedoeld. Ook in Bereisjiet 22:4 is sprake van
de plaats, als Awraham op weg gaat om zijn zoon Jitschak te
offeren: „Hij zag de plaats van veraf.” Rasji zegt dat dit de berg
Moria was en dus wordt ook hier met „de plaats” de berg Moria
bedoeld.
Maar wat is de betekenis van:
„Hij ontmoette de plaats”?
Midrasj Rabba 68:8 zegt dat
Ja’akov uit Beër Sjèwa vertrok en dezelfde dag nog aankwam in
Charan. Maar onze Geleerden hebben uitgerekend dat het een reis van
17 dagen was. Echter, Hasjem verkortte de weg voor hem, zodat hij de
weg in één dag kon afleggen. Maar toen hij aankwam, realiseerde hij
zich waar hij geslapen had, namelijk op de Heilige Berg Moria,
zonder daar te bidden, en daarom wilde hij teruggaan naar die
plaats, om er alsnog te bidden. Toen hij terugging, kwam de berg hem
tegemoet. Zo ontmoette hij de plaats.
De Midrasj (B.R. 68:9)
zegt dat wajjifga ook ‘bidden’ betekent en het noemt als
voorbeeld een vers in Jeremiahoe (7:16): „…en kom niet langer met
smeekbeden (tifga).” Hieruit leidt Rabbi Jehoesjoea ben Levi
af, dat Ja’akov daar bad en zo het middaggebed instelde.
Moesar van
de Brisker Rav
„Ja’akov vertelde Rachel dat
hij familie van haar vader was en de zoon van Rivka” (29:12).
Er staat in het Hebreeuws dat
Ja’akov achi – de broer – van haar vader was. En Rasji
schrijft dat Ja’akov daarmee wilde zeggen: Wanneer je vader van
plan is mij te bedriegen, dan ben ik zijn broer in het bedriegen,
maar als hij een braaf mens is, dan ben ik de zoon van zijn brave
zuster.
Deze verklaring lijkt wat
moeilijk. Lawan was het prototype van de klassieke oplichter en
bedrieger en Ja’akov was het prototype van de „eenvoudige, argeloze
man, die in tenten woont” (Bereisjiet 25:27). Hoe kon Ja’akov
dan beweren dat hij zijn gelijke was in bedrog?
Een andere vraag: waarom zegt
Ja’akov dat hij in bedrog Lawans gelijke is, maar als het om
eerlijkheid gaat zegt hij dat hij de zoon van Rivka is, in plaats
van te zeggen dat hij ook dan zijn broer in eerlijkheid is. Het zou
logischer geklonken hebben als hij had gezegd dat hij zowel in
bedrog als in eerlijkheid zijn gelijke was.
De Talmoed (Bawa Batra
123a) vraagt of het is toegestaan dat een rechtvaardig mens onder
bepaalde omstandigheden bedriegt. Het antwoord is: „Ja. Tegen
degenen die eerlijk zijn, moet je eerlijk zijn, maar de immorelen
zul je te slim af zijn” (II Sjmoeël 22:27).
Hoewel de Talmoed zegt dat het
is toegestaan om een oneerlijk mens te bedriegen, is het toch
moeilijk ons voor te stellen hoe Ja’akov, met zijn eenvoudige,
zuivere persoonlijkheid in staat was om zichzelf op die manier te
gedragen. Maar de waarheid is, dat als de Talmoed zegt dat dit een
attribuut is van G-d zelf, om mensen te behandelen op de manier
waarop zijzelf gewoon zijn te handelen, dan komt dit alles binnen
het raamwerk van het vereiste om „ G-ds wegen te volgen” (Dewariem
28:9), d.w.z. om te trachten Zijn attributen te evenaren (Sota
14a). Net zoals G-d de bedrieger op zijn eigen manier tegemoet komt,
zo moeten wij dat ook doen; het is een mitswa om dat te doen.
Wanneer het om een mitswa gaat, dan kan zelfs Ja’akov zich
bedriegelijk gedragen, ondanks dat dit zo in strijd is met zijn
aard.
De verplichting om bedrog met
bedrog te bestrijden, gaat echter niet verder dan de mate van het
bedrog van de eerste persoon. Men mag op bedrog reageren met een
zelfde soort bedrog, maar men mag niet erger bedriegen dan de eerste
persoon gedaan heeft.
Dit verklaart waarom Ja’akov
zei dat hij bereid was om Lawans ‘broer’ (gelijke) te zijn in
bedrog, maar niet om hem voorbij te streven. Maar als Lawan eerlijk
is, dan zou Ja’akov natuurlijk geen enkel probleem hebben om het
niveau van de eerlijkheid en rechtvaardigheid van Lawan te
overtreffen, en daarom beperkte hij zich er niet toe om ook in dat
geval Lawans broer te zijn.

Uit de schatkist van Chassidische verhalen
Leren van primaire bronnen
„Racheel stal de afgodsbeelden
van haar vader” (Bereisjiet 31:19).
Rasji:
Zij had de bedoeling
om haar vader van afgodendienst af te houden.
Een man werd geplaagd door een
vreemde droom, die met toenemende intensiteit herhaald werd. Hij
kwam daarmee om raad bij Reb Zusja van Hanipoli. De vader van de man
was niet lang daarvoor overleden en verscheen nu iedere keer in zijn
droom en beval hem zich te laten dopen, G-d verhoede.
De eerste keer had hij de droom
genegeerd, maar de tweede keer was het verzoek herhaald en de derde
keer ging het zelfs gepaard met dreigementen.
De tsaddiek zei dat hij
er niet aan twijfelde dat er een kruisbeeld of iets dergelijks in
zijn vaders graf terecht was gekomen. Hij moest het graf maar
openmaken en dat eruit verwijderen. Dan zou zijn vader verder in
vrede kunnen rusten.
En inderdaad, toen het graf
geopend werd, werden daarin een aantal munten gevonden, waarop het
teken van het kruis stond afgebeeld, en die iemand ongetwijfeld per
ongeluk in het graf had laten vallen tijdens de begrafenis. De
munten werden verwijderd en de overledene verscheen nimmer meer in
de dromen van zijn zoon.
Enige tijd later vertelde
iemand deze gebeurtenis aan Rabbijn Eliahoe, de Gaon van Wilna. De
Gaon, die bekend stond en staat als de aarts-antagonist van de
chassidische beweging, merkte op dat er niets bijzonders was aan het
antwoord van Reb Zusja, want dit werd ook al vermeld in de
Jeruzalemse Talmoed; het enige wonder was dat een chassidische rebbe
bekend was met een zodanig geleerde bron als de Jeruzalemse Talmoed
(de Jeruzalemse Talmoed is erg moeilijk om te lezen en wordt heel
weinig bestudeerd, en werd, zeker in het verleden alleen door de
grootste geleerden bestudeerd).…
Toen deze schimpscheut na
verloop van tijd weer aan Reb Zusja terug verteld werd, zei hij:
„Het is waar, ik heb dat niet uit de Jeroesjalmi geleerd. Maar ik
zag het staan in dezelfde bron waar de Jeroesjalmi het zag.”
Uit de Wekelijkse daf
van de Talmoed
Door Rabbi
Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Beitsa
36a
Zullen we dansen?
Stel je
voor, je bent uitgenodigd voor een maaltijd voor een sjewa
berachot op Sjabbat of op een feestdag en iedereen zingt om de
chatan en kalla te verblijden. Dan zie je hen opstaan
om te dansen en er wordt aan je getrokken om mee te doen. Maar dan
herinner je je dat je in de Misjna geleerd hebt, dat onze Geleerden
het verboden hebben om op deze heilige dagen te dansen of in de
handen te klappen. Dus waarom doen al deze vrome Joden dat dan?
Dan
probeer je je te herinneren wat de Gemara gezegd heeft over de reden
van deze ban. Wanneer men dansen en handen klappen zou toestaan,
zeggen onze Geleerden, zou men ertoe kunnen komen om ook
muziekinstrumenten te gaan gebruiken, hetgeen een overtreding is van
een Tora-wet.
Nu
hebben je de sleutel in handen voor het gedrag van je dansende
vrienden. Tosafot (op Beitsa 30a) legt uit dat dit decreet van
toepassing was in de tijd van de Talmoed, toen veel mensen bekwaam
waren in het maken van muziekinstrumenten. In onze dagen echter,
waar er maar weinig van dergelijke experts rondlopen, is er geen
verbod op dansen en handen klappen.
De
Rama haalt in de Sjoelchan Aroech, Orach Chaim 339
deze soepele beslissing van Tosafot aan. Maar de auteur van de
Sjoelchan Aroech, de Beit Joseef citeert alleen het
verbod van de Misjna, zonder te vermelden of dit in onze tijd al dan
niet nog geldt. Daarom durven sommige autoriteiten niet te
vertrouwen op de soepele mening van Tosafot, tenzij dat dansen voor
een mitswa is, zoals in ons geval (Misjna Beroera 339:10).
Halachische autoriteiten hebben gedurende de afgelopen eeuw zich
grote moeite getroost om erop te wijzen dat het zelfs voor een
mitswa verboden is om op muziekinstrumenten te spelen op Sjabbat en
feestdagen en zeker ook om betrokken te raken bij welke vorm van
dansen dan ook, waarbij mannen en vrouwen samen dansen.
(Zie
Bé’oer Halacha, ib. en Igrot Moshe, Orach Chaim
2:100).
¯
¯
¯
Hilchot Jom Tov
Door Rabbi Dovid Ostroff
Vraag:
Mag men een neer nesjama (jahrzeit-kaars)
aansteken op Jom Tov?
Antwoord: Een kaars
die voor een jahrzeit wordt aangestoken, moet men vóór Jom
Tov aansteken, omdat het doel ervan niet is dat men van het licht
gebruik zal maken. Maar als men vergeten is de jahrzeit-kaars
aan te steken, dan mag men hem aansteken op Jom Tov, mits men dat
doet in de eetkamer, zodat men gebruik maakt van het kaarslicht en
het is zelfs nog beter om de kaars dan in sjoel aan te steken (zie
Bé’oer Halacha
514:5, beginwoorden: neer).
De Bé’oer Halacha
concludeert dat in geval van nood het is toegestaan om het aan te
steken omdat het voor een mitswa is – namelijk om de ouders te eren
(Zie Sj.Sj.K. 13:6).
Vraag:
Mag men roken op Jom Tov?
Antwoord: Er is veel
geschreven over dit onderwerp, daarom zullen wij hier alleen de
basis van het probleem bespreken (zie ook:
Zie Bé’oerHalacha 511:4, beginwoorden: ein).
De strenge opvattingen baseren
zich op een halacha in de Sjoelchan Aroech (511:4),
waar het volgende staat: „Men mag geen kruiden of kolen verbranden
op Jom Tov, ongeacht of dat voor de aangename reuk is of omdat men
een geur aan kleren wil geven.” De chidoesj (het nieuwe) aan
deze uitspraak is, dat hoewel men direct plezier beleeft aan de
kruiden op Jom Tov, niet geldt dat „iedereen doet het.”
Een belangrijke halacha
met betrekking tot melachot op Sjabbat zegt dat een handeling
alleen is toegestaan wanneer de meerderheid van de mensen gewend
zijn dat ook te doen – „iedereen doet het.” Maar als slechts een
kleine minderheid van de bevolking het doen, dan is het verboden.
Alleen de aristocraten verbranden kruiden en daarom is het verboden
op Jom Tov (Zie M.B. 511:21).
Daarom geldt, dat als de
meerderheid van de bevolking niet rookt, dan geldt niet „iedereen
doet het” en dus is het verboden op Jom Tov.
De soepele mening zegt dat in
de tijd van de Misjna Beroera de meeste mensen wel rookten en
dus gold „iedereen doet het.”
Tegenwoordig menen vele
poskiem dat roken verboden is op Jom Tov, omdat ten gevolge van
de bewezen gezondheidsrisico’s de meeste mensen niet meer roken en
dus geldt niet meer: „iedereen doet het.”
[Het argument: „Iedereen doet
het” komt voort uit het Traktaat Jewamot (72a) in de Babylonische
Talmoed, waar Rav Papa zegt, dat hoewel men risico’s en gevaar moet
vermijden, het halachisch is toegestaan dat gevaar te negeren, als
de meeste mensen dat gevaar negeren. Autorijden, vliegen, een baby
krijgen, het zijn allemaal dingen waaraan een zeker risico zit, en
toch doet iedereen het. Rav Papa zegt dat het dan is toegestaan
omdat „Hasjem de eenvoudige mensen beschermt.” Op grond hiervan zou
men kunnen zeggen dat als de meerderheid van de bevolking rookt en
het risico ervan negeert, dat dan „Hasjem de eenvoudige mensen
beschermt” en roken is toegestaan, ook op Jom Tov.
Anderen hebben een andere
benadering en zeggen dat „Hasjem de eenvoudige mensen beschermt”
alleen als het risico erg klein is. Maar nu wetenschappelijk bewezen
is dat roken schadelijk is voor de gezondheid van zowel de roker als
van anderen die in zijn omgeving aanwezig zijn, is roken definiteit
verboden. Dit is het standpunt van Rav Elièzer Waldenheim (Tsiets
Eliëzer 15:39).
Rav Moshe Feinstein (Igrot
Moshé, Chosjen Misjpat II:76) schrijft dat aangezien vele
mensen die roken, daar geen schade van ondervinden, men mag zeggen
dat roken is toegestaan, omdat „Hasjem de eenvoudige mensen
beschermt”. Ten gevolge van Rabbi Feinsteins grote autoriteit waren
en zijn veel rabbijnen afkering om het roken te verbieden. Echter,
in een recente publicatie van de Rabbinical Counsel of America (zie:
www.rabbis.org/pdfs/Prohobition_Smoking.pdf) wordt gezegd dat in
het licht van de recente studies, waaruit blijkt dat gevaar van het
roken van sigaretten algemeen is en dat ten gevolge daarvan het
aantal sigarettenrokers aanzienlijk verminderd is, Rabbi Feinstein
nu zeker zijn mening over sigaretten roken veranderd zou hebben. Op
3 juli 2006 publiceerde daarom de Wa’ad Halacha van de Rabbinical
Counsel of America dat het roken van tabakproducten volgens de
Joodse Wet verboden is. (Zwi)]
Vraag:
Mag ik op Jom Tov een kaars uitblazen, zodat ik kan slapen?
Nee, dat mag niet, want het is
niet voor ochel nefesj (het heeft niets met de bereiding van
voedsel te maken). Na het koken of bakken van het voedsel kan men
het vuur aanlaten. De enige reden waarom men het vuur na het koken
of bakken wil uitdoen, is om energie te sparen. Dat is geen geldige
reden op Jom Tom.
¯
¯
¯