Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 199 Parasjat Toledot  4 Kislev 5767

 24/25 november 2006

 

Overzicht van Parasjat Toledot (Bereisjiet 25:19-28:9)

N

a 20 jaar huwelijk worden Jitschaks gebeden verhoord en Rivka wordt zwanger van een tweeling. De zwangerschap is uiterst pijnlijk. Hasjem onthult aan Rivka dat haar lijden een voorbode in microcosmos is van een wereldwijd conflict dat door alle eeuwen heen zal woeden tussen de beide grote volken die afstammen van de tweeling – Rome en Israël.  Esav wordt geboren en achter hem aan komt Ja’akov die de hiel van Esav vasthoudt. Als zij opgroeien wordt Esav een jager, een man van de fysieke wereld, terwijl Ja’akov in zijn tent zit en werkt aan de ontwikkeling van zijn geest.  Op de dag van de begrafenis van hun grootvader Awraham, bereidt Ja’akov een linzenschotel, het traditionele maal van rouwbedrijvenden.  Esav komt hongerig binnengestormd, van een vermoeiende jacht, en verkoopt zijn eerstgeboorte-recht (met de bijbehorende geestelijke verantwoordelijkheid) voor een bord met linzen, waarmee hij aantoont dat hij de positie van eerstgeborene niet waardig is. Er breekt een hongersnood uit in Kena’an en Jitschak denkt erover om naar Egypte uit te wijken. Maar Hasjem zegt hem, dat omdat hij gebonden was geweest als offer, hij heilig is geworden en in het Heilige land moet blijven. Hij verhuist naar Gerar, het land van de Filistiijnen, waar hij aan iedereen vertelt dat Rivka zijn zuster is, om hen beiden de sparen. De Filistijnen worden jaloers op Jitschak, wanneer zij zien hoe geweldig rijk hij wordt en Awimelech, de koning, vraag hem het land te verlaten. Jitschak graaft drie waterputten weer op, die door zijn vader gegraven waren, een profetisch toespeling op de drie toekomstige Tempels. Wanneer Awimelech ziet dat Jitschak door Hasjem gezegend is, sluit hij een verdrag met hem. Wanneer de nu bijna blinde Jitschak zijn einde voelt  naderen, roept hij Esav bij zich om hem, als zijn eerstgeboren zoon, zijn zegen te geven. Rivka echter, die dat hoort, reageert op een profe-tische opdracht, dat de zegen op Ja’akov moet komen. Zij overtuigt Ja’akov ervan zich als Esav te vermommen, en zo krijgt Ja’akov de zegeningen van Jitschak. Wanneer Esav in zijn frustatie hierover aan zijn vader vertelt hoe hij zijn eerstgeboor-terecht aan Ja’akov verkocht heeft, realiseert Jitschak zich dat Ja’akov terecht dat eerstgeboorterecht verworven heeft en hij bevestigt de zegeningen die hij aan Ja’akov gegeven heeft.  Esav zweert dat hij Ja’akov zal vermoorden, en daarom stuurt Rivka Ja’akov weg naar haar broer Lawan, waar hij een passende vrouw voor zich zal vinden.

Beheerste Liefde

Uit de toespraken van Wijlen HaRav Aryeh Carmell zt”l

„Alle waterputten die de dienaren van Awraham gegraven hadden… hadden de Filistijnen dichtgestopt en gevuld met aarde” (Bereisjiet 26:15).

In de daaropvolgende verzen lezen we over de vijandigheid die de Filistijnen toonden aan Jitschak, hetgeen culmineerde in zijn uitwijzing door Awimelech. Dit staat in scherp contrast met de grote bewondering  en het respect dat de Chittieten hadden voor zijn vader Awraham, die de Chittieten „een vorst van G-d in ons midden” noemden en die zij graag ter wille wilden zijn.

Om de oorzaak van dit verschil te begrijpen, moeten wij ons wenden tot de Kabbala, die leert wat de unieke bijdrage van Jitschak Awinoe was tot de structuur van Klal Jisraël.

De Zohar Hakadosj vertelt ons dat terwijl Awraham het attribuut van chessed – liefdevolle goedgunstigheid –   vertegenwoordigt, Jitschak de eigenschap van gewoera – strengheid, onbuigzaamheid – representeert. Zijn dienst aan Hasjem concentreerde zich op de perfectie van zijn innerlijk zelf. Hij was steeds kritisch op zijn eigen spirituele niveau, eiste altijd meer van zichzelf.

Dit is een essentiëel ingrediënt in de ontwikkeling van een complete Tora-Jood, gepersonificeerd door Ja’akov. Hij vertegenwoordigt de eigenschap van tiferet, de schoonheid en harmonie, die geschapen wordt door de synthese van de extroverte chessed van Awraham met de introverte gewoera – de strenge zelfdici­pline – van Jitschak.

Jitschaks benadering sprak de buitenwereld niet aan. Awrahams ideeën droegen een duidelijke boodschap uit, waarvan iedereen duidelijk kon zien dat zij de samenleving zouden verbeteren. Maar welk voordeel hadden zij van iemand die klaarblijkelijk uitsluitend met zichzelf bezig was? In tegendeel, de aanwezigheid van Jitschak irriteerde hen. Zijn ongenoegen met zijn eigen hoge gedragsniveau stoorde hun geweten, bracht hun zelfgenoegzaamheid aan het wankelen. Zij gaven er de voorkeur aan om van hem af te komen.

De Tora leert ons echter dat zelfcontrole een integraal en onmisbaar onderdeel is van een complete Tora-per­soonlijkheid. We hebben meer negatieve geboden die ons zelfbeheersing leren, dan positieve. Echter, het uiteindelijke doel moet de chessed van Awraham zijn. Want, zoals Rav Dessler het formuleerde: de „nemer” die altijd neemt, en die alleen maar aan zichzelf denkt, staat veraf van zijn Schepper en van iedere verdienste. Het product van een veeleisende zelfdicipline en zelf-perfectie moet ten goede komen aan de wereld. In feite wijst de Sforno erop dat Hasjem bij herhaling Zijn beloften aan Jitschak alleen toezegde wegens de verdien­sten van Awrahem. Pas nadat Jitschak een altaar gebouwd had, en anderen had opgeroepen om Hasjem te dienen, zoals zijn vader Awraham had gedaan, veranderde Hasjem van mening en verkreeg Jitschak erkenning dat „Hasjem is met jou” (ibid. 26:24-28).

Zo leert ook Sjammai ons, die de eigenschap van gewoera van Jitschak aannam, dat wij ons de zelfdicipline moeten bijbrengen om „iedereen met een vriendelijk gezicht te ontvangen” (Awot 1:15). De ideale gewoera, moet, zoals hij aantoont, gebouwd zijn op chessed.


Uit de Midrasj

De Rabbi en de Keizer

De kinderen vochten met elkaar in haar lichaam (25:22).

Wanneer Rivka de deur van een Leerhuis passeerde, probeerde Ja’akov zich een uitweg naar buiten te vechten, om het leerhuis binnen te kunnen gaan; wanneer zij de deur van een tempel voor afgoderij passeerden, probeerde Esav zich een uitweg te vechten. Zij vochten ook over het bezit van beide werelden – deze wereld en de Komende Wereld.

Rivka vroeg zichzelf af: „Waarom heb ik zo intens gebeden om kinderen te mogen krijgen, als de pijn tijdens de zwangerschap zo groot is?”

Daarom ging zij naar het beit hamidrasj (leerhuis) van Sjem en Ever om te vragen waarom haar kinderen in haar lichaam met elkaar vochten. G-d vertelde haar dat zij twee grote naties in haar baarmoeder droeg.

Het vers zegt dat zij twee gojiem (lett.: naties) droeg, maar dat woord is ongebruikelijk gespeld , waardoor het ook gelezen kan worden als geïem – belangrijke mensen. Dit heeft betrekking op twee mannen – de één een nakomeling van Ja’akov – Rabbi (Rabbi Jehoeda HaNasi), regent over alle Joden; en de ander de Romeinse Keizer Antonius, een nakomeling van Esav. Rabbi en Antonius ondertekenden samen een verdrag en onderhielden harmonieuze relaties. Rasji schrijft dat hun tafels altijd vol lagen met radijs en mierikwortel, zowel in de zomer als in de winter. Dit toont hun rijkdom aan. Rabbi gaf zijn bedienden zoveel te eten, dat zij alle eetlust verloren en dat zij daarom radijs en mierikwortel moesten eten om hun eetlust op te wekken. Rabbi zelf echter zocht nimmer aardse genoegens en toen hij stierf hief hij zijn vingers op naar de hemel en zei: „Heer der Wereld, U weet dat ik nimmer één vinger heb uitgestoken naar de geneugten van deze wereld.”


Moesar van de Brisker Rav

Dit zijn de nakomelingen van Jitschak, de zoon van Awraham. Awraham bracht Jitschak voor (25:19).

Als Jitschak de zoon van Awraham was, dan bracht Awraham Jitschak voort, niet waar? Waarom dan deze toevoeging? Rasji haalt de Misdrasj aan en geeft een verklaring voor de ogenschijnlijke overbodigheid van dit vers: de cynici van hun tijd zeiden dat Sara, die zolang met Awraham had samengeleefd, zonder van hem kinderen te krijgen, in werkelijkheid zwanger was van Awimelech, met wie zij onlangs een nacht had doorgebracht. Om deze schandalige verdachtmaking de kop in te drukken, had G-d baby Jitschak zo gevormd, dat hij een opmerkelijke gelijkenis vertoonde met Awraham, zodat ieder die hem zag geen andere keus had dan te verklaren: „Awraham bracht Jitschak voort!”

Wat hadden de spotters, die deze roddel begonnen, te winnen met hun cynisme? Zelfs al zou Sara zwanger geworden zijn van Awimelech, dan zou dat nog een wonder zijn van de hoogste orde op haar leeftijd. Hoewel Awraham en Sara allebei behoorlijk oud waren, was het feit dat Sara een kind kreeg duidelijk veel sensationeler dan het feit dat Awraham er de vader van was. Zelfs al was Sara zwanger van Awimelech, zoals de spotters beweerden, dan hadden zij toch moeten toegeven dat er een verbazingwekkend wonder was gebeurd!

Deze Midrasj leert ons een belangrijke les in de aard van cynisme. Zelfs als de cynicus geen andere keus heeft, dan om toe te geven dat er een wonder is gebeurd, dan nog kan hij niet accepteren dat dit wonder een heilige man was overkomen, en dat het daarom getuigt van zijn enorme spirituele status en de waarheid van zijn leringen. Deze mensen, deze cynici weigerden te accepteren dat Awraham, de man die er op uit ging om overal en tegen iedereen die hij tegenkwam te vertellen over eenheid van G-d, werkelijk de ontvanger kon zijn van zulke buitengewone G-ddelijke genade. „Ja, wij geloven in wonderen,” zouden zij gezegd hebben, „maar niet voor Awraham!”


Misjna van de week – Inleiding (deel II)

Wat is de verhouding tussen Misjna en Tora?

De Rambam (afkorting voor Rabbi Mosjé Ben Maimon, ook wel Maimonides genoemd) schrijft in de inleiding van zijn monumentale werk de Misjné Tora (letterlijk vertaald: de herhaling van de Tora) hierover het volgende:

„De Mitswot die aan Mosjé op Sinaï gegeven werden, werden allen samen met hun uitleg en verklaring gegeven, zoals blijkt uit Sjemot 24:12: En Ik geef je de stenen tabletten, de Tora en de mitswa.

De Tora heeft betrekking op de geschreven wetten; de mitswa op de verklaring. G-d heeft ons opgedragen de Tora uit te voeren overeenkomstig de instructies van de mitswa. De mitswa wordt de Mondelinge leer genoemd”.

Door de nadruk te leggen op het feit dat bij de onthulling op Sinaï de mitswot samen met hun uitleg en verklaring wer­den gegeven, benadrukt de Rambam dat de Mondelinge en Schriftelijke Leer niet gezien kunnen worden als aparte entiteiten, maar beschouwd moeten worden als twee dimensies van één geheel.

De Rambam gaat dan verder en schrijft: „Mosjé Rabbeinoe schreef persoonlijk de hele Tora op voordat hij overleed. Hij gaf aan elk van de stammen een Tora-rol en plaatste nog een rol in de Ark als getuigenis, zoals er staat geschreven in Dewariem [Deuteronomium] 31:26: Neem deze rol en plaats hem naast de Ark, zodat het een getuigenis zal zijn.

De Misjna – de verklaring op de Tora – schreef hij niet op. In plaats daarvan leerde hij die mondeling aan de oudsten, aan Jehosjoea en aan heel Israël, zoals er staat in Dewariem 13:1: Wees zorgvuldig en neem alles in acht zoals Ik het je heb voorgeschreven. Daarom wordt het de mondelinge leer genoemd.

„Mosjé Rabbeinoe onderwees de Mondelinge Leer in zijn geheel aan het college van zeventig oudsten, aan Elazar [de zoon van Aharon], aan Pinchas [de zoon van Elazar] en aan Jehosjoea. Hij instrueerde in het bijzonder Jehosjoea om de Mondelinge Leer verder te onderwijzen aan diens opvolgers.

De Rambam beschrijft dan verder hoe de traditie achtereenvolgens overging van Jehosjoea via de profeten op de hoofden van het Sanhedrin, het Hoogste Gerechtshof, todat het uiteindelijk via Rabbi Akiva en Rabbi Meïr en diens collega’s kwam bij Rabbi Jehoeda HaNasi, die, zoals wij al gezien hebben, de mondelinge leer voor het nageslacht bewaarde en op schrift stelde.

De Gemara [Aramees voor overlevering] is de toelichting op en verklaring van en uitgebreide discussies over de Misjna. Het bestaat grotendeels uit analyses en verklaringen van de woorden van iedere Misjna, en het werd ontwikkeld in de loop van de volgende drie eeuwen.

Er werden twee aparte gemara’s samengesteld in die tijd, de een werd geleerd in de scholen van Babylonië en die werd, samen met de Misjna, bekend onder de naam „Babylonische Talmoed” of kortweg de Bawli. De ander werd geleerd in het land Israël en werd de „Talmoed Jeroesjalmi”, of kortweg „Jeroesjalmi” genoemd.

De studie van de Misjna met de Gemara werd een van de voornaamste studiedoeleinden van het Joodse leren door de eeuwen heen. Desalniettemin heeft de studie van de Misjna zelf altijd zijn waarde behouden, omdat het ’t fundament vormt van de hele Joodse leer.

Het commentaar van de RAV

In de middeleeuwen en ook in modernere tijd werden er verschei­dene commentaren op de Misjna geschreven. Deze commentaren zijn van groot belang voor wie de Misjna wil leren, want zonder die verkla­rin­gen kan men zelfs geen opper­vlakkig begrip krijgen van veel van de betekenis van de Misjna. Het commentaar dat de grootste populariteit verkreeg, was dat van Rabbi Ovadja miBartinoro uit de Italiaanse stad Bertinoro), kortweg Bartinoro, of nog korter: de RAV. Hij baseerde zijn verklaringen op de Gemara, op het commentaar van Rasji op de Gemara en op het com­mentaar van de Rambam op de Misjna. Zijn werk is bijna een standaardcommentaar geworden en wordt in de meeste gedrukte uitgaven van de Misjna opgenomen.

Andere commentaren

Incidenteel is zijn ook andere commentaren opgenomen, zoals van:

Tifèret Jisraël (T.I.)

Ikar Tosafot Jom Tov (ITJ)

Misjna Risjona

Rambam

Jeruzalemse Talmoed

Algemene opmerking bij de vertaling

De bedoeling van deze vertaling van de Misjna is diegenen die on­vol­doende Hebreeuws kennen en ook moeite hebben met een vlot begrip van de diverse goede Engelse vertalingen die er zijn, kennis te doen maken met de basis van het Jodendom, de Mondelinge Leer. Ik heb daarbij gekozen voor een zo nauwkeurig mogelijke woor­de­lijke vertaling, die toch ook in goed Nederlands begrijpelijk moet zijn. Daartoe is, waar dat nodig leek, een korte toelichting in de tekst tus­sen rechte haken [ ] ingevoegd.

Voorts heb ik in de voetnoten het standaard commentaar van Rabbi Ovadja miBartinoro erbij opgenomen, voor een beter begrip en, waar dat nodig is, heb ik daar nog wat opmerkingen en toelichting aan toege­voegd.

Overal waar achter een voetnoot (RAV) vermeld staat, is dat het commentaar van Rabbi Ovadja miBartinoro.

Wat tussen ronde haken ( ) staat, heeft de RAV  tussen haakjes gezet.

Wat tussen recht haken [ ] staat, is er door de vertaler als toelichting bijgezet. Voetnoten waar niets achter staat zijn eveneens van de vertaler.

„Vert.D.” betekent: vertaling volgens de siddoer met vertaling van Dasberg.


Uit de Wekelijkse daf van de Talmoed

Uit Daf Yomi Digest Van het Chigago Center for Torah Chesed

Beitsa

Daf 20b

De waarde van de stilte

De Misjna op daf 19a zegt: Beit Sjammai zegt: „We mogen sjelamiem brengen op Jom Tov, maar we mogen er niet op leunen [een deel van de procedure van privé-offers, is dat de eigenaar van het offerdier erop leunt – semicha. Hij legt beide zijn handen op de kop van het dier en leunt daar op met al zijn kracht. Op Sjabbat en Jom Tov is het door de Geleerden echter verboden om gebruik te maken van een dier. Daarom verbiedt Beit Sjammai deze semicha op Jom Tov]. We mogen echter geen brandoffer brengen.” [Een brandoffer wordt volledig op het altaar verbrand en er blijft dus niets over voor consumptie en op Jom Tov mag men alleen die werkzaamheden verrichten die dienen voor de bereiding van voedsel.] Beit Hillel zegt echter: „We mogen zowel sjelamiem als brandoffers brengen op Jom Tov en we mogen er ook op leunen.”

De Gemara stelt vast dat de halacha de mening van Beit Hillel volgt.

Op deze daf staat een anecdote over een student van Beit Sjammai die trachtte een student van Beit Hillel te weerhouden om een semicha op een dier te doen, dat hij op Jom Tov als brandoffer wilde brengen. Toen de student van Beit Sjammai bruusk vroeg: „Wat is dit voor een semicha?”, antwoordde de student van Beit Hillel overeenkomstig: „Wat is dit voor een stilte?” [Hij had zijn mond moeten houden, want de halacha was al vastgesteld volgens Beit Hillel.]

Toen de Imrei Emet van Ger zt”l terugkeerde van zijn eerste reis naar Erets Jisraël, trachtte de Rav van Kalisch zt”l enkele details over de reis aan hem te ontfutselen. De Imrei Emet scheen echter niet willig te zijn om in een conversatie te treden.

„Nou,” drong de Kalischer Rav aan, „hoe voelt de Rebbe zich na zijn bezoek aan het Heilige Land? Zeg­gen Chazal niet dat zelfs de lucht van Eerets Jisraël een mens wijs maakt?”

De Imrei Emet knikte. „Ja, dat is waar,” antwoordde hij. „En Chazal hebben ook gezegd: „De bescherming van de wijsheid … is de stilte!”

Met andere woorden, soms is stilte de beste verdediging, want het kan een discussie vermijden.


Hilchot Jom Tov

Door Rabbi Dovid Ostroff

Moet men Jom Tov kaarsen aansteken vóór Jom Tov?

Sommigen zeggen dat aangezien het kaarslicht niet nodig is voor het licht, men de kaarsen vóór Jom Tov moet aansteken. Wanneer Jom Tov op een vrijdag valt, is er een probleem om de Sjabbat-kaarsen aan te steken wanneer er vollop electrisch licht is.[1] Hetzelfde geldt voor het buitenland, voor de tweede avond.

Het antwoord is dat kaarslicht toevoegt aan de sfeer en feestelijkheid van Jom Tov. Zonder kaarslicht is de maaltijd niet hetzelfde. Dineren op Jom Tov-avond zonder kaarslicht is niet hetzelfde als mèt kaarslicht, ondanks dat zij niet nodig zijn voor hun licht. Daarom mag men de kaarsen op Jom Tov, wanneer die op vrijdag valt, voor Sjabbat aansteken en hetzelfde geldt voor een Jom Tov en een tweede avond Jom Tov buiten Israël.

Mag men ook kaarsen in Sjoel aansteken?

Velen zijn gewend om kaarsen in sjoel aan te steken op de lezenaar van de Chazan, ook al dient dat niet voor verlichting (overdag, enz.) en dat is ook op Jom Tov toegestaan.[2] Hetzelfde geldt voor het aansteken van kaarsen bij een brit mila, ook al dienen zij ook daar niet voor verlichting.[3]


 

[1] Sjabbat-kaarsen worden normaliter op Jom Tov vlak voor de ingang van Sjabbat aangestoken. Wanneer er volop electrisch licht brand, heeft men geen „vreugde” van het licht van de kaarsen, waardoor een belangrijke reden voor het aansteken van de kaarsen verloren gaat.

[2] Sj.A. O.Ch. 514:5 en M.B.31.

[3] Bé’oer Halacha 514:5.