Overzicht van
Parasjat Toledot
(Bereisjiet 25:19-28:9)
a 20 jaar huwelijk worden Jitschaks gebeden
verhoord en Rivka wordt zwanger van een tweeling. De zwangerschap
is uiterst pijnlijk. Hasjem onthult aan Rivka dat haar lijden een
voorbode in microcosmos is van een wereldwijd conflict dat door
alle eeuwen heen zal woeden tussen de beide grote volken die
afstammen van de tweeling – Rome en Israël. Esav wordt geboren en
achter hem aan komt Ja’akov die de hiel van Esav vasthoudt. Als
zij opgroeien wordt Esav een jager, een man van de fysieke wereld,
terwijl Ja’akov in zijn tent zit en werkt aan de ontwikkeling van
zijn geest. Op de dag van de begrafenis van hun grootvader
Awraham, bereidt Ja’akov een linzenschotel, het traditionele maal
van rouwbedrijvenden. Esav komt hongerig binnengestormd, van een
vermoeiende jacht, en verkoopt zijn eerstgeboorte-recht
(met de bijbehorende geestelijke verantwoordelijkheid) voor een
bord met linzen, waarmee hij aantoont dat hij de positie van
eerstgeborene niet waardig is. Er breekt een hongersnood uit in
Kena’an en Jitschak denkt erover om naar Egypte uit te wijken.
Maar Hasjem zegt hem, dat omdat hij gebonden was geweest als
offer, hij heilig is geworden en in het Heilige land moet blijven.
Hij verhuist naar Gerar, het land van de Filistiijnen, waar hij
aan iedereen vertelt dat Rivka zijn zuster is, om hen beiden de
sparen. De Filistijnen worden jaloers op Jitschak, wanneer zij
zien hoe geweldig rijk hij wordt en Awimelech, de koning, vraag
hem het land te verlaten. Jitschak graaft drie waterputten weer
op, die door zijn vader gegraven waren, een profetisch toespeling
op de drie toekomstige Tempels. Wanneer Awimelech ziet dat
Jitschak door Hasjem gezegend is, sluit hij een verdrag met hem.
Wanneer de nu bijna blinde Jitschak zijn einde voelt naderen,
roept hij Esav bij zich om hem, als zijn eerstgeboren zoon, zijn
zegen te geven. Rivka echter, die dat hoort, reageert op een profe-tische
opdracht, dat de zegen op Ja’akov moet komen. Zij overtuigt
Ja’akov ervan zich als Esav te vermommen, en zo krijgt Ja’akov de
zegeningen van Jitschak. Wanneer Esav in zijn frustatie hierover
aan zijn vader vertelt hoe hij zijn eerstgeboor-terecht
aan Ja’akov verkocht heeft, realiseert Jitschak zich dat Ja’akov
terecht dat eerstgeboorterecht verworven heeft en hij bevestigt de
zegeningen die hij aan Ja’akov gegeven heeft. Esav zweert dat hij
Ja’akov zal vermoorden, en daarom stuurt Rivka Ja’akov weg naar
haar broer Lawan, waar hij een passende vrouw voor zich zal
vinden.
Beheerste Liefde
Uit de toespraken van Wijlen HaRav Aryeh Carmell
zt”l
„Alle waterputten die de
dienaren van Awraham gegraven hadden… hadden de Filistijnen
dichtgestopt en gevuld met aarde” (Bereisjiet 26:15).
In de daaropvolgende verzen
lezen we over de vijandigheid die de Filistijnen toonden aan
Jitschak, hetgeen culmineerde in zijn uitwijzing door Awimelech. Dit
staat in scherp contrast met de grote bewondering en het respect
dat de Chittieten hadden voor zijn vader Awraham, die de Chittieten
„een vorst van G-d in ons midden” noemden en die zij graag ter wille
wilden zijn.
Om de oorzaak van dit verschil
te begrijpen, moeten wij ons wenden tot de Kabbala, die leert wat de
unieke bijdrage van Jitschak Awinoe was tot de structuur van Klal
Jisraël.
De Zohar Hakadosj
vertelt ons dat terwijl Awraham het attribuut van chessed –
liefdevolle goedgunstigheid – vertegenwoordigt, Jitschak de
eigenschap van gewoera – strengheid, onbuigzaamheid –
representeert. Zijn dienst aan Hasjem concentreerde zich op de
perfectie van zijn innerlijk zelf. Hij was steeds kritisch op zijn
eigen spirituele niveau, eiste altijd meer van zichzelf.
Dit is
een essentiëel ingrediënt in de ontwikkeling van een complete
Tora-Jood, gepersonificeerd door Ja’akov.
Hij vertegenwoordigt de eigenschap van tiferet, de schoonheid
en harmonie, die geschapen wordt door de synthese van de extroverte
chessed van Awraham met de introverte gewoera – de
strenge zelfdicipline – van Jitschak.
Jitschaks benadering sprak de
buitenwereld niet aan. Awrahams ideeën droegen een duidelijke
boodschap uit, waarvan iedereen duidelijk kon zien dat zij de
samenleving zouden verbeteren. Maar welk voordeel hadden zij van
iemand die klaarblijkelijk uitsluitend met zichzelf bezig was? In
tegendeel, de aanwezigheid van Jitschak irriteerde hen. Zijn
ongenoegen met zijn eigen hoge gedragsniveau stoorde hun geweten,
bracht hun zelfgenoegzaamheid aan het wankelen. Zij gaven er de
voorkeur aan om van hem af te komen.
De Tora leert ons echter dat
zelfcontrole een integraal en onmisbaar onderdeel is van een
complete Tora-persoonlijkheid. We hebben meer negatieve geboden die
ons zelfbeheersing leren, dan positieve. Echter, het uiteindelijke
doel moet de chessed van Awraham zijn. Want, zoals Rav
Dessler het formuleerde: de „nemer” die altijd neemt, en die alleen
maar aan zichzelf denkt, staat veraf van zijn Schepper en van iedere
verdienste. Het product van een veeleisende zelfdicipline en
zelf-perfectie moet ten goede komen aan de wereld. In feite wijst de
Sforno erop dat Hasjem bij herhaling Zijn beloften aan
Jitschak alleen toezegde wegens de verdiensten van Awrahem. Pas
nadat Jitschak een altaar gebouwd had, en anderen had opgeroepen om
Hasjem te dienen, zoals zijn vader Awraham had gedaan, veranderde
Hasjem van mening en verkreeg Jitschak erkenning dat „Hasjem is met
jou” (ibid. 26:24-28).
Zo leert ook Sjammai ons, die
de eigenschap van gewoera van Jitschak aannam, dat wij ons de
zelfdicipline moeten bijbrengen om „iedereen met een vriendelijk
gezicht te ontvangen” (Awot 1:15). De ideale gewoera, moet,
zoals hij aantoont, gebouwd zijn op chessed.
Uit de Midrasj
De Rabbi en de
Keizer
De kinderen vochten met elkaar
in haar lichaam
(25:22).
Wanneer Rivka de deur van een
Leerhuis passeerde, probeerde Ja’akov zich een uitweg naar buiten te
vechten, om het leerhuis binnen te kunnen gaan; wanneer zij de deur
van een tempel voor afgoderij passeerden, probeerde Esav zich een
uitweg te vechten. Zij vochten ook over het bezit van beide werelden –
deze wereld en de Komende Wereld.
Rivka vroeg zichzelf af: „Waarom
heb ik zo intens gebeden om kinderen te mogen krijgen, als de pijn
tijdens de zwangerschap zo groot is?”
Daarom ging zij naar het beit
hamidrasj (leerhuis) van Sjem en Ever om te vragen waarom haar
kinderen in haar lichaam met elkaar vochten. G-d vertelde haar dat zij
twee grote naties in haar baarmoeder droeg.
Het vers zegt dat zij twee
gojiem (lett.: naties) droeg, maar dat woord is ongebruikelijk
gespeld
,
waardoor het ook gelezen kan worden als geïem – belangrijke
mensen. Dit heeft betrekking op twee mannen – de één een nakomeling
van Ja’akov – Rabbi (Rabbi Jehoeda HaNasi), regent over alle Joden; en
de ander de Romeinse Keizer Antonius, een nakomeling van Esav. Rabbi
en Antonius ondertekenden samen een verdrag en onderhielden
harmonieuze relaties. Rasji schrijft dat hun tafels altijd vol
lagen met radijs en mierikwortel, zowel in de zomer als in de winter.
Dit toont hun rijkdom aan. Rabbi gaf zijn bedienden zoveel te eten,
dat zij alle eetlust verloren en dat zij daarom radijs en mierikwortel
moesten eten om hun eetlust op te wekken. Rabbi zelf echter zocht
nimmer aardse genoegens en toen hij stierf hief hij zijn vingers op
naar de hemel en zei: „Heer der Wereld, U weet dat ik nimmer één
vinger heb uitgestoken naar de geneugten van deze wereld.”
Moesar van de Brisker Rav
Dit zijn de nakomelingen
van Jitschak, de zoon van Awraham. Awraham bracht Jitschak voor
(25:19).
Als Jitschak de zoon van Awraham
was, dan bracht Awraham Jitschak voort, niet waar? Waarom dan deze
toevoeging? Rasji haalt de Misdrasj aan en geeft een verklaring
voor de ogenschijnlijke overbodigheid van dit vers: de cynici van hun
tijd zeiden dat Sara, die zolang met Awraham had samengeleefd, zonder
van hem kinderen te krijgen, in werkelijkheid zwanger was van
Awimelech, met wie zij onlangs een nacht had doorgebracht. Om deze
schandalige verdachtmaking de kop in te drukken, had G-d baby Jitschak
zo gevormd, dat hij een opmerkelijke gelijkenis vertoonde met Awraham,
zodat ieder die hem zag geen andere keus had dan te verklaren:
„Awraham bracht Jitschak voort!”
Wat hadden de spotters, die deze
roddel begonnen, te winnen met hun cynisme? Zelfs al zou Sara zwanger
geworden zijn van Awimelech, dan zou dat nog een wonder zijn van de
hoogste orde op haar leeftijd. Hoewel Awraham en Sara allebei
behoorlijk oud waren, was het feit dat Sara een kind kreeg duidelijk
veel sensationeler dan het feit dat Awraham er de vader van was. Zelfs
al was Sara zwanger van Awimelech, zoals de spotters beweerden, dan
hadden zij toch moeten toegeven dat er een verbazingwekkend wonder was
gebeurd!
Deze Midrasj leert ons een
belangrijke les in de aard van cynisme. Zelfs als de cynicus geen
andere keus heeft, dan om toe te geven dat er een wonder is gebeurd,
dan nog kan hij niet accepteren dat dit wonder een heilige man was
overkomen, en dat het daarom getuigt van zijn enorme spirituele status
en de waarheid van zijn leringen. Deze mensen, deze cynici weigerden
te accepteren dat Awraham, de man die er op uit ging om overal en
tegen iedereen die hij tegenkwam te vertellen over eenheid van G-d,
werkelijk de ontvanger kon zijn van zulke buitengewone G-ddelijke
genade. „Ja, wij geloven in wonderen,” zouden zij gezegd hebben, „maar
niet voor Awraham!”
Misjna van
de week – Inleiding (deel II)
Wat is de
verhouding tussen Misjna en Tora?
De Rambam (afkorting voor Rabbi Mosjé
Ben Maimon, ook wel Maimonides genoemd) schrijft in de
inleiding van zijn monumentale werk de Misjné Tora (letterlijk
vertaald: de herhaling van de Tora) hierover het volgende:
„De Mitswot die aan Mosjé op Sinaï gegeven werden,
werden allen samen met hun uitleg en verklaring gegeven, zoals blijkt
uit Sjemot 24:12: En Ik geef je de stenen tabletten, de Tora en de
mitswa.
De Tora heeft betrekking
op de geschreven wetten; de mitswa op de verklaring. G-d heeft
ons opgedragen de Tora uit te voeren overeenkomstig de instructies van
de mitswa. De mitswa wordt de Mondelinge leer genoemd”.
Door de nadruk te
leggen op het feit dat bij de onthulling op Sinaï de mitswot samen met
hun uitleg en verklaring werden
gegeven, benadrukt de Rambam dat de Mondelinge en Schriftelijke Leer
niet gezien kunnen worden als aparte entiteiten, maar beschouwd moeten
worden als twee dimensies van één geheel.
De Rambam gaat dan verder en schrijft: „Mosjé
Rabbeinoe schreef persoonlijk de hele Tora op voordat hij overleed.
Hij gaf aan elk van de stammen een Tora-rol en plaatste nog een rol in
de Ark als getuigenis, zoals er staat geschreven in Dewariem
[Deuteronomium] 31:26: Neem deze rol en plaats hem naast de Ark,
zodat het een getuigenis zal zijn.
De Misjna – de
verklaring op de Tora – schreef hij niet op. In plaats daarvan leerde
hij die mondeling aan de oudsten, aan Jehosjoea en aan heel Israël,
zoals er staat in Dewariem 13:1: Wees zorgvuldig en neem alles in
acht zoals Ik het je heb voorgeschreven. Daarom wordt het de
mondelinge leer genoemd.
„Mosjé Rabbeinoe onderwees de Mondelinge Leer in zijn
geheel aan het college van zeventig oudsten, aan Elazar [de zoon van
Aharon], aan Pinchas [de zoon van Elazar] en aan Jehosjoea. Hij
instrueerde in het bijzonder Jehosjoea om de Mondelinge Leer verder te
onderwijzen aan diens opvolgers.
De Rambam beschrijft dan verder hoe de traditie
achtereenvolgens overging van Jehosjoea via de profeten op de hoofden
van het Sanhedrin, het Hoogste Gerechtshof, todat het uiteindelijk via
Rabbi Akiva en Rabbi Meïr en diens collega’s kwam bij Rabbi Jehoeda
HaNasi, die, zoals wij al gezien hebben, de mondelinge leer voor het
nageslacht bewaarde en op schrift stelde.
De Gemara [Aramees voor overlevering] is de
toelichting op en verklaring van en uitgebreide discussies over de
Misjna. Het bestaat grotendeels uit analyses en verklaringen van de
woorden van iedere Misjna, en het werd ontwikkeld in de loop van de
volgende drie eeuwen.
Er werden twee aparte gemara’s samengesteld in
die tijd, de een werd geleerd in de scholen van Babylonië en die werd,
samen met de Misjna, bekend onder de naam „Babylonische Talmoed” of
kortweg de Bawli. De ander werd geleerd in het land Israël en
werd de „Talmoed Jeroesjalmi”, of kortweg „Jeroesjalmi” genoemd.
De studie van de Misjna met de Gemara werd een
van de voornaamste studiedoeleinden van het Joodse leren door de
eeuwen heen. Desalniettemin heeft de studie van de Misjna zelf altijd
zijn waarde behouden, omdat het ’t fundament vormt van de hele Joodse
leer.
Het commentaar van de
RAV
In de middeleeuwen en ook in modernere tijd werden er
verscheidene commentaren op de Misjna geschreven. Deze commentaren
zijn van groot belang voor wie de Misjna wil leren, want zonder die
verklaringen kan men zelfs geen oppervlakkig begrip krijgen van
veel van de betekenis van de Misjna. Het commentaar dat de grootste
populariteit verkreeg, was dat van Rabbi Ovadja miBartinoro uit de
Italiaanse stad Bertinoro), kortweg Bartinoro, of nog korter: de
RAV. Hij baseerde zijn verklaringen op de Gemara, op het
commentaar van Rasji op de Gemara en op het commentaar van de
Rambam op de Misjna. Zijn werk is bijna een standaardcommentaar
geworden en wordt in de meeste gedrukte uitgaven van de Misjna
opgenomen.
Andere commentaren
Incidenteel is zijn ook andere commentaren opgenomen,
zoals van:
Tifèret Jisraël (T.I.)
Ikar Tosafot Jom Tov (ITJ)
Misjna Risjona
Rambam
Jeruzalemse Talmoed
Algemene opmerking bij de vertaling
De bedoeling van deze vertaling van de Misjna is
diegenen die onvoldoende Hebreeuws kennen en ook moeite hebben met
een vlot begrip van de diverse goede Engelse vertalingen die er zijn,
kennis te doen maken met de basis van het Jodendom, de Mondelinge
Leer. Ik heb daarbij gekozen voor een zo nauwkeurig mogelijke
woordelijke vertaling, die toch ook in goed Nederlands begrijpelijk
moet zijn. Daartoe is, waar dat nodig leek, een korte toelichting in
de tekst tussen rechte haken [ ] ingevoegd.
Voorts heb ik in de
voetnoten het standaard commentaar van Rabbi Ovadja miBartinoro
erbij opgenomen, voor een beter begrip en, waar dat nodig is, heb ik
daar nog wat opmerkingen en toelichting aan toegevoegd.
Overal waar achter een voetnoot (RAV) vermeld
staat, is dat het commentaar van Rabbi Ovadja miBartinoro.
Wat tussen ronde haken (
) staat, heeft de RAV tussen haakjes gezet.
Wat tussen recht haken [
] staat, is er door de vertaler als toelichting bijgezet. Voetnoten
waar niets achter staat zijn eveneens van de vertaler.
„Vert.D.” betekent:
vertaling volgens de siddoer met vertaling van Dasberg.
Uit de Wekelijkse daf van
de Talmoed
Uit Daf
Yomi Digest
Van het Chigago
Center for Torah Chesed
Beitsa
Daf 20b
De waarde van de stilte
De Misjna op daf 19a zegt:
Beit Sjammai zegt: „We mogen
sjelamiem brengen op Jom Tov, maar we mogen er niet op leunen
[een deel van de procedure van privé-offers, is dat de eigenaar van
het offerdier erop leunt – semicha.
Hij legt beide zijn handen op de kop van het dier en leunt daar op met
al zijn kracht. Op Sjabbat en Jom Tov is het door de Geleerden echter
verboden om gebruik te maken van een dier. Daarom verbiedt Beit
Sjammai deze semicha
op Jom Tov].
We mogen echter geen brandoffer brengen.” [Een
brandoffer wordt volledig op het altaar verbrand en er blijft dus
niets over voor consumptie en op Jom Tov mag men alleen die
werkzaamheden verrichten die dienen voor de bereiding van voedsel.]
Beit Hillel zegt echter: „We
mogen zowel
sjelamiem
als brandoffers brengen op Jom Tov en we mogen er ook op leunen.”
De Gemara stelt vast dat de halacha de mening van Beit
Hillel volgt.
Op deze daf staat een anecdote over een student van
Beit Sjammai die trachtte een student van Beit Hillel te weerhouden om
een semicha op
een dier te doen, dat hij op Jom Tov als brandoffer wilde brengen.
Toen de student van Beit Sjammai bruusk vroeg: „Wat is dit voor een
semicha?”, antwoordde de student van Beit Hillel overeenkomstig: „Wat
is dit voor een stilte?” [Hij had zijn mond moeten houden, want de
halacha was al vastgesteld volgens Beit Hillel.]
Toen de Imrei Emet van Ger
zt”l terugkeerde van zijn eerste reis naar
Erets Jisraël, trachtte de Rav van Kalisch
zt”l enkele details over de reis aan hem te
ontfutselen. De Imrei Emet scheen echter niet willig te zijn om in een
conversatie te treden.
„Nou,” drong de Kalischer Rav aan, „hoe voelt de Rebbe
zich na zijn bezoek aan het Heilige Land? Zeggen
Chazal niet dat zelfs de
lucht van Eerets Jisraël een mens wijs maakt?”
De Imrei Emet knikte. „Ja, dat is waar,” antwoordde
hij. „En Chazal
hebben ook gezegd: „De bescherming van de wijsheid … is de stilte!”
Met andere woorden, soms is stilte de beste
verdediging, want het kan een discussie vermijden.
Hilchot Jom Tov
Door
Rabbi Dovid Ostroff
Moet men
Jom Tov kaarsen aansteken vóór Jom Tov?
Sommigen zeggen dat aangezien het kaarslicht niet
nodig is voor het licht, men de kaarsen vóór Jom Tov moet aansteken.
Wanneer Jom Tov op een vrijdag valt, is er een probleem om de
Sjabbat-kaarsen aan te steken wanneer er vollop electrisch licht is.
Hetzelfde geldt voor het buitenland, voor de tweede avond.
Het antwoord is dat kaarslicht toevoegt aan de sfeer
en feestelijkheid van Jom Tov. Zonder kaarslicht is de maaltijd niet
hetzelfde. Dineren op Jom Tov-avond zonder kaarslicht is niet
hetzelfde als mèt kaarslicht, ondanks dat zij niet nodig zijn voor hun
licht. Daarom mag men de kaarsen op Jom Tov, wanneer die op vrijdag
valt, voor Sjabbat aansteken en hetzelfde geldt voor een Jom Tov en
een tweede avond Jom Tov buiten Israël.
Mag
men ook kaarsen in Sjoel aansteken?
Velen zijn gewend om kaarsen in sjoel aan te steken op
de lezenaar van de Chazan, ook al dient dat niet voor
verlichting (overdag, enz.) en dat is ook op Jom Tov toegestaan.
Hetzelfde geldt voor het aansteken van kaarsen bij een brit mila,
ook al dienen zij ook daar niet voor verlichting.
|