Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 198 Parasjat Chajjei Sara 27 Chesjwan 5767

  17/18 november 2006

 

Overzicht Parsjat Chajjei Sara (Bereisjiet 23:1-25:18)

Sara, de moeder van het Joodse volk, overlijdt op de leeftijd van 127 jaar. Na om haar te hebben gerouwd, wil Awraham haar begraven in de Spelonk van Machpela. Daar dit de begraafplaats is van Adam en Chava, betaalt Awraham aan de eigenaar van de grond, Efron de Chittiet, daar een exorbitant bedrag voor. Awraham zendt zijn trouwe dienaar Eliëzer erop uit om een geschikte vrouw te zoeken voor zijn zoon Jitschak, en hij laat hem zweren dat hij een vrouw kiest uit de familie van Awraham. Eliëzer reist naar Aram Naharaïm en bidt om een teken. Prompt verschijnt Rivka. Eliëzer vraagt haar om water. Zij geeft niet alleen hem water, maar schept zelfs water voor alle tien zijn dorstige kamelen. Deze extreme goedheid kenmerkt haar als de juiste vrouw voor Jitschak en een geschikte moeder voor het Joodse volk. Onderhandelingen met Rivka’s vader en haar broer Lawan leveren als resultaat op dat Rivka met Eliëzer meegaat en die brengt haar naar zijn meester Jitschak. Jitschak brengt haar naar de tent van zijn moeder Sara, trouwt haar en heeft haar lief. Daarmee wordt hij getroost met het verlies van zijn moeder. Awraham trouwt opnieuw met Hagar, die een nieuwe naam heeft gekregen: Ketoera, om aan te tonen dat zij haar leven gebeterd heeft. Zes kinderen krijgen zij samen. Nadat Awraham hen geschenken gegeven heeft, zendt hij hen naar het Oosten. Awraham overlijdt op de leeftijd van 175 jaar en wordt begraven naast Sara in de Spelonk van Machpela.

Met toestemming vertaald uit Torah Weekly van Ohr Somayach in Jerusalem, Israel

©1998 Ohr Somayach International - All rights reserved.

Inzicht in de Parasja

Ware Goedheid

Uit de toespraken van Wijlen HaRav Aryeh Carmell zt”l

Toen Awraham zijn trouwe bediende Eliëzer erop uit zond om een vrouw voor Jitschak te zoeken, wilde Eliëzer niet op zijn eigen keuze vertrouwen en daarom droeg hij de verantwoordelijkheid over op Hasjem. Laat het meisje, zo verklaarde hij, dat op zijn verzoek om drinken, zou antwoorden: „Drink en ik zal ook uw kamelen te drinken geven,”  degene zijn die Hasjem bestemd heeft voor Zijn dienaar Jitschak.

Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam een meisje bij de waterbron en het water leek naar haar op te stijgen. Eliëzer rende op haar af en vroeg haar om een beetje water. Haar antwoord, dat voor Eliëzer teleurstellend kort moet hebben geklonken, was: „Drink mijn heer,” waarop zij hem uit haar kruik liet drin­ken.

Eliëzers mond was droog. Was het mogelijk dat dit meisje, dat begunstigd leek te zijn met uitzonderlijke kwaliteiten, voor de test was gezakt? Pas nadat hij zijn dorst had gelest, zei zij: „Ook voor uw kamelen zal ik scheppen totdat zij ophouden te drinken.” Dat was zelfs meer dan hij verwacht had; zijn verzoek was vervuld, aan de eisen was voldaan.

Waarom wachtte Rivka totdat Eliëzer gedronken had, voordat zij aanbood ook water voor de kamelen te scheppen?

Het antwoord is te vinden in de tegenstelling tussen Awraham en Efron, waar Chazal de aandacht op vesti­gen. In de parasja van vorige week nodigde Awraham zijn gasten uit om „een stukje brood” te eten, om hen vervolgens een uitgebreide maaltijd voor te zetten. Chazal merken open: „Een tsaddiek  zegt weinig, maar doet veel.”

Efron daarentegen zegt in de parasja van deze week herhaaldelijk dat het veld en de grot voor wat hem betreft reeds aan Awraham toebehoren en dat het geld van geen belang is. Aan het eind van de dag neemt hij echter de volle prijs ervoor aan. Zoals Chazal zeggen: „De goddelozen praten veel maar doen niets.”

De reden waarom tsaddikiem hun woorden tot een minimum willen beperken, is omdat zij gelovige mensen zijn. Zij voelen zich verplicht om te doen wat zij zeggen; daarom zorgen zij er zorgvuldig voor, dat zij niet meer beloven dan datgene waarvan zij zeker zijn, dat zij het kunnen doen.

Dit, volgens Chawakoek [Habakuk] (2:4), is de essentie van de hele Tora: „De tsaddiek leeft met zijn standvastig geloof (Makkot 23a). Hij realiseert zich dat hij niet trouw aan G-d kan zijn, wanneer hij niet trouw is aan zijn medemensen – en aan hemzelf.

Eliëzer had Hasjem gevraagd om chessed met zijn meester, Awraham, te doen – om hem goedgunstig gezind te zijn (24:12). Toen hij Rivka gevonden had, prees hij G-d dat Hij Awraham chessed en emmet – liefde en trouw bewezen had (ibid. 27).

Rivka wil haar edelmoedigheid niet aanbieden voordat zij zeker was dat zij haar woorden in daden zou kunnen omzetten. Zij toonde aan Eliëzer dat zij niet alleen de eigenschap van chessed bezat die hij zocht, maar dat zij eveneens het belang van getrouw zijn aan haar woorden op prijs stelde.

(Met toestemming overgenomen uit HaModia)


Uit de Midrasj

Sara’s leven

„En de levensjaren van Sara waren honderd jaar en twintig jaar en zeven jaar” (23:1).

Onze Geleerden zeggen dat tijdens Sara’s leven haar kaarsen brandden van erev Sjabbat tot de volgende erev Sjabbat; het deeg dat zij kneedde, was gezegend; en een wolk hing voortdurend boven haar tent. Met haar dood hielden al deze dingen op, en daardoor realiseerde iedereen zich dat dit alles gebeurde wegens haar verdiensten. Zij verdiende het om te sterven en te worden begraven in Erets Jisraël.

De Tora specificeert „ honderd jaar en twintig jaar en zeven jaar” om te tonen dat zij alle jaren bereikt had, die voor haar bestemd waren.

Chizkuni schrijft dat Sara geen behoefte had aan cosmetica. Toen zij 20 jaar was, was zij even liefelijk als toen zij een meisje van zeven was.

Rabbijnoe Bechaje en Chizkuni schrijven dat het woord „wajihejoe” (dat hier vertaald is met „waren”) de numerieke waarde heeft van 37. Sara had slechts werkelijk 37 jaar geleefd, vanaf de tijd dat Jitschak geboren werd totdat hij geofferd werd, toen hij 37 jaar  oud was. De jaren voor zijn geboorte worden niet beschouwd alsof zij toen niet echt heeft geleefd, want iemand die kinderloos is, wordt vergeleken met een dode. Dit schrijft ook de Ba’al Toeriem.


Uit de schatkamer van chassidische verhalen

Het licht van de bevrijde vonken

„En Jitschak was uitgegaan om te praten op het veld” (24:63).

Praten betekent hier bidden (Talmoed, Berachot) [En zo wordt het overal vertaald.]

In zijn jonge jaren verdiende Reb Mosje van Sambor zijn levensonderhoud als marskramer. Hij ging te voet van deur tot deur, van dorp tot dorp, en verkocht zijn waren aan de niet-Joodse bevolking die in de diverse delen van de Oekraïne op het platte land leefde. Op een dag vroeg hij aan zijn broer en leraar, Reb Zwi van Zhidachov: „Hoe komt het dat wanneer ik thuis kom van de velden en de dorpen en de middaggebeden zeg, al mijn ledematen zijn overspoeld met een machtig, wonderlijk licht? Vanwaar kan ik dat gekregen hebben? Misschien heb ik het mis en komt het in werkelijkheid van onheilige krachten in het universum; en in dat geval is mijn dienst voor mijn Schepper, G-d verhoede, gebaseerd op een vergissing?”

„Waarom ben je zo verbaasd?” antwoordde Reb Zwi. „Wanneer je rondwandelt in de velden en in de dorpen van de niet-Joden, denkend aan heilige onderwerpen, dan zullen alle vonken van heiligheid, die liggen te slapen ­- in de wereld van de dode dingen, in de plantenwereld, in de dierenwereld en in de koninkrijken der mensen - en die geen plaast hebben om zich ergens aan te hechten, zich aan jou vastkleven. En dan scheidt je hen van hun meteriëel omhulsel en verhef je hen. Deze bevrijde vonken van heiligheid trekken vervolgens op jou een goddelijk licht omlaag, van een soort welke je nimmer tevoren hebt ervaren.

¯ ¯ ¯

Misjna van de week

Het ligt in onze bedoeling om in de komende weken  iedere week een stukje Misjna te leren, te beginnen met Seder Berachot. Ter inleiding volgt hier een uiteenzetting wat eigenlijk de Misjna is.

Inleiding tot de Misjna

Het woord „Misjna” en zijn betekenis werd door één van onze grote commentatoren, Rabbi Nathan ben Jechiël van Rome (1035-1110), ook bekend als de Aroech, naar het boek dat hij schreef, als volgt verklaard: „Waarom wordt het Misjna genoemd? Omdat het als tweede na Tora gegeven werd; de Tora, die heel Israël hoorde op de Berg Sinaï, is de Geschreven Leer; en onze leraar Mosjé hoorde G-d bij een tweede gelegenheid [op de Berg Sinaï], en dat is de Mondelinge Leer.” Daarom wordt het Misjna genoemd, hetgeen „tweede” betekent, afgeleid van het woord sjenajim, dat „twee” betekent: het is de „tweede leer”, na de Tora, de Schriftelijke Leer.

Het woord Misjna komt ook van dezelfde stam als het Hebreeuwse woord „Sjanah”, dat letterlijk „herhalen” [wat al eens eerder geleerd werd] betekent en het wordt daarom ook gebruikt in de betekenis van „leren”. De „Misjna” is in feite het hele lichaam van Joodse wetten, die tot het jaar 200 van de Gewone Jaartelling (GJ) mondeling was doorgegeven en ontwikkeld, totdat dit uiteindelijk door Rabbi Jehoeda haNasi (Jehoeda de Vorst) op schrift werd gesteld. Hij wordt doorgaans simpel „Rabbi” genoemd.

Voor de tijd van Rabbi werden alle Joodse wetten mondeling doorge­geven; het was expliciet verboden deze Mondelinge Leer op te schrijven en te publiceren, omdat alles wat men zou opschrijven incompleet zou zijn en onderhevig aan misvattingen en verkeerde interpretaties en verkeerd gebruik. Na uitgebreide discussies werd dit verbod opgeheven, toen het duidelijk werd dat dit de enige mogelijkheid was om ervoor te zorgen dat de Mondelinge Leer bewaard zou blijven. De Romeinen, die in die tijd het toen­malige Palestina bezet hadden, hadden ten strengste verboden om Tora te leren, op straffe van de doodstraf. Daardoor waren de Jesjiwot bijna leeg en dreigde de Mondelinge Leer te worden vergeten. Om dit laatste te voorkomen, nam Rabbi de redactie van de Misjna op zich. Hiertoe overlegde hij met zijn ge­leerde tijdgenoten en hoorde hij aan wat zij allen van hun leermeesters geleerd hadden. Zo ging hij terug tot de tijd van de Mannen van de Grote Vergadering, de Knesset HaĜedolla.

Gedurende deze periode (rond het jaar 200 GJ) werd de Misjna als zodanig niet gepubliceerd. De studie van de Joodse leer gebeurde nog steeds uit het hoofd, behalve voor privé aantekeningen en in brieven.

De Misjna bestaat uit zes delen of ordes (sedariem). Dat verklaart waarom de Talmoed ook wel de „Sjas” genoemd wordt, „Sjisja Sedariem,” zes ordes, of zes delen Misjna. Elk van deze zes ordes bevat 7 tot 12 traktaten, masechet genoemd. Elk masechet is verdeeld in perakiem  – hoofdstukken, elk hoofdstuk in paragrafen of misjnajot – meervoud van misjna.

Dus met een Misjna kan bedoeld worden „De Misjna”, het hele werk van de zes traktaten, of „een misjna,” een bepaalde paragraaf uit een traktaat.

De Ordes van de Misjna:

      1.  Eerste Orde: Zeraïm (zaden). 11 traktaten, die hoofdza­ke­lijk landbouwwetten en voorschriften voor dagelijkse gebeden bevatten.

      2.  Tweede Orde: Mo’eed (feestdagen). 12 traktaten over Sjabbat en feestdagen, waarbij het grootste deel van de traktaten over de feestdagen de offerdienst behandelt.

      3.  Derde Orde: Nasjiem (vrouwen). 7 traktaten over hoofd­za­ke­lijk huwelijk, echtscheiding en de nazir.

      4.  Vierde Orde: Nezékiem (schades). 10 traktaten over bur­ger­lijk recht, handelsrecht en strafrecht.

     5.  Vijfde Orde: Kodasjiem (heilige dingen). 11 traktaten over offerrites, de Tempel en de spijswetten.

      6.  Zesde Orde: Taharot (reinheid). 12 traktaten over rituele reinheidswetten, waaronder tahara misjpacha, reinheids­wetten voor de familie.

 (Volgende week, b.n. het tweede en laatste deel van deze Inleiding tot de Misjna.)

 

¯ ¯ ¯

    Uit de Wekelijkse daf van de Talmoed

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Beitsa

De kip en het ei

Daf 3a

Ieder die het Tora-verslag van de schepping van de wereld bestudeerd heeft, twijfelt er niet aan dat de kip er was vóór het ei. Maar hoe moeten wij het ei zien, dat uit de kip komt? Is het te vergelijken met een vrucht die aan een boom groeit, of lijkt het meer op het vruchtensap dat uit een vrucht is geperst? Dit blijkt een interessant probleem te zijn en een bron van meningsverschil tussen twee Geleerden uit de Talmoed.

De eerste Misjna in dit traktaat „Beitsa” leert dat een ei dat op een feestdag gelegd werd, die dag niet mag worden gegeten. De volgende bladzijden leggen de reden uit van deze rabbijnse verordening. De verklaring van twee van de Geleerden, Rabbi Joséf en Rabbi Jitschak, lijken op elkaar maar verschillen wezenlijk van elkaar.

Rabbi Joséf vergelijkt een ei met een vrucht die van een boom is gevallen. De Geleerden hebben ingesteld dat fruit dat op Sjabbat of op een feestdag van een boom valt, die dag niet mag worden gegeten, om te voor­komen dat men de vruchten op die dag van de boom zou plukken, hetgeen een overtreding van een Tora-verbod zou zijn. En toen de Geleerden deze verordening instelden, breidden zij die uit tot alles wat op een vrucht lijkt, zoals een ei, dat ook van zijn bron afvalt.

Rabbi Jitschak vergelijkt het ei echter met het sap dat uit een vrucht komt. De Geleerden hebben ook verordend dat sap, dat op Sjabbat of op een feestdag vanzelf uit een vrucht sijpelt, die dag niet gebruikt mag worden, om te voorkomen dat men anders zelf het sap uit de vrucht zou persen, hetgeen een overtreding van een Tora-verbod zou zijn. En toen zij dit verbod instelden, hebben zij alles bij dat verbod inbegrepen, dat op vruchtensap leek, zoals een ei, dat uit zijn bron komt, waarin het was geabsorbeerd.

Wanneer de Gemara het verschil van deze beide schijnbaar gelijke benaderingen verklaart, concentreert zij zich op wat wij zouden kunnen noemen „de twee zijden van het ei.” Daar Rabbi Joséf een ei als voedsel beschouwt, dat gegeten wordt, in plaats van gedronken, concludeert hij dat het meer lijkt op een vrucht dan op vruchtensap. En dus lijkt het meer op het plukken van een vrucht dan op het uitpersen van een vrucht voor zijn sap.

Rabbi Jitschak daarentegen, ziet de verhouding tussen het ei en zijn oorsprong als criterium: zowel het ei, voordat het gelegd is, als het sap, voordat het is uitgeperst, zijn onzichtbaar, in tegenstelling tot de vrucht die aan de boom hangend, wel zichtbaar is. Daarom meent hij dat de consumptie van een ei meer te vergelijken is met de situatie die ontstaat nadat een vrucht is uitgeperst en men het sap daarvan wil opdrinken.

Zo blijkt er meer dan één manier te zijn om naar een ei te kijken, net zoals er meer dan één manier is om een ei te eten – voorop gesteld dat het niet op een heilige dag gelegd is.

¯ ¯ ¯

Hilchot Jom Tov

Door Rabbi Dovid Ostroff

Vraag: Is er een grens aan het aantal kaarsen dat men mag aansteken voor Jom Tov?

Antwoord: In vroeger tijden was het zo dat hoe meer licht men in zijn huis had, des te gezelliger het was. Het gevolg was dat er geen grens was aan het aantal kaarsen dat men voor Jom Tov mocht aansteken. Tegen­woordig worden kaarsen haast nergens meer gebruikt voor verlichting en kaarslicht lijkt daarom overbodig. Maar als kaarslicht enig nut heeft, bijvoorbeeld om voedsel te verwarmen of om esthetische redenen, bijvoorbeeld omdat het de Jom Tov-sfeer verhoogt, of vanwege een mitswa, bijvoorbeeld iemand die normaliter het aantal kaarsen aansteekt in overeenstemming met het aantal kinderen, dan is het toegestaan (Sjmierat Sjabbat KeHilchata 13:4).

¯ ¯ ¯