|
Overzicht
Parsjat
Chajjei Sara
(Bereisjiet 23:1-25:18)
Sara, de moeder van het Joodse volk, overlijdt op de
leeftijd van 127 jaar. Na om haar te hebben gerouwd, wil Awraham haar
begraven in de Spelonk van Machpela. Daar dit de begraafplaats is van
Adam en Chava,
betaalt Awraham aan de eigenaar van de grond, Efron de Chittiet, daar
een exorbitant bedrag voor. Awraham zendt zijn
trouwe dienaar Eliëzer erop uit om een geschikte vrouw te zoeken voor
zijn zoon Jitschak, en hij laat hem zweren dat hij een vrouw kiest uit
de familie van Awraham. Eliëzer reist naar Aram Naharaïm en bidt om
een teken. Prompt verschijnt Rivka. Eliëzer vraagt haar om water. Zij
geeft niet alleen hem water, maar schept zelfs water voor alle tien
zijn dorstige kamelen. Deze extreme goedheid kenmerkt haar als de
juiste vrouw voor Jitschak en een geschikte moeder voor het Joodse
volk. Onderhandelingen met Rivka’s vader en haar broer Lawan leveren
als resultaat op dat Rivka met Eliëzer meegaat en die brengt haar naar
zijn meester Jitschak. Jitschak brengt haar naar de tent van zijn
moeder Sara, trouwt haar en heeft haar lief. Daarmee wordt hij
getroost met het verlies van zijn moeder. Awraham trouwt opnieuw met
Hagar, die een nieuwe naam heeft gekregen: Ketoera, om aan te tonen
dat zij haar leven gebeterd heeft. Zes kinderen krijgen zij samen.
Nadat Awraham hen geschenken gegeven heeft, zendt hij hen naar het
Oosten. Awraham overlijdt op de leeftijd van 175 jaar en wordt
begraven naast Sara in de Spelonk van Machpela.
©1998
Ohr Somayach International - All rights reserved.
Inzicht in de Parasja
Ware
Goedheid
Uit de toespraken van Wijlen HaRav Aryeh Carmell zt”l
Toen Awraham zijn trouwe bediende
Eliëzer erop uit zond om een vrouw voor Jitschak te zoeken, wilde
Eliëzer niet op zijn eigen keuze vertrouwen en daarom droeg hij de
verantwoordelijkheid over op Hasjem. Laat het meisje, zo verklaarde
hij, dat op zijn verzoek om drinken, zou antwoorden: „Drink en ik zal
ook uw kamelen te drinken geven,” degene zijn die Hasjem bestemd
heeft voor Zijn dienaar Jitschak.
Hij was nog niet uitgesproken of
daar kwam een meisje bij de waterbron en het water leek naar haar op
te stijgen. Eliëzer rende op haar af en vroeg haar om een beetje
water. Haar antwoord, dat voor Eliëzer teleurstellend kort moet hebben
geklonken, was: „Drink mijn heer,” waarop zij hem uit haar kruik liet
drinken.
Eliëzers mond was droog. Was het
mogelijk dat dit meisje, dat begunstigd leek te zijn met
uitzonderlijke kwaliteiten, voor de test was gezakt? Pas nadat hij
zijn dorst had gelest, zei zij: „Ook voor uw kamelen zal ik scheppen
totdat zij ophouden te drinken.” Dat was zelfs meer dan hij verwacht
had; zijn verzoek was vervuld, aan de eisen was voldaan.
Waarom wachtte Rivka totdat
Eliëzer gedronken had, voordat zij aanbood ook water voor de kamelen
te scheppen?
Het antwoord is te vinden in de
tegenstelling tussen Awraham en Efron, waar Chazal de aandacht
op vestigen. In de parasja van vorige week nodigde Awraham
zijn gasten uit om „een stukje brood” te eten, om hen vervolgens een
uitgebreide maaltijd voor te zetten. Chazal merken open: „Een
tsaddiek zegt weinig, maar doet veel.”
Efron daarentegen zegt in de
parasja van deze week herhaaldelijk dat het veld en de grot voor
wat hem betreft reeds aan Awraham toebehoren en dat het geld van geen
belang is. Aan het eind van de dag neemt hij echter de volle prijs
ervoor aan. Zoals Chazal zeggen: „De goddelozen praten veel
maar doen niets.”
De reden waarom tsaddikiem
hun woorden tot een minimum willen beperken, is omdat zij gelovige
mensen zijn. Zij voelen zich verplicht om te doen wat zij zeggen;
daarom zorgen zij er zorgvuldig voor, dat zij niet meer beloven dan
datgene waarvan zij zeker zijn, dat zij het kunnen doen.
Dit, volgens Chawakoek [Habakuk]
(2:4), is de essentie van de hele Tora: „De tsaddiek leeft met
zijn standvastig geloof (Makkot 23a). Hij realiseert zich dat
hij niet trouw aan G-d kan zijn, wanneer hij niet trouw is aan zijn
medemensen – en aan hemzelf.
Eliëzer had Hasjem gevraagd om
chessed met zijn meester, Awraham, te doen
– om hem goedgunstig gezind te zijn (24:12). Toen hij Rivka gevonden
had, prees hij G-d dat Hij Awraham chessed en emmet –
liefde en trouw bewezen had (ibid. 27).
Rivka wil haar edelmoedigheid niet aanbieden voordat
zij zeker was dat zij haar woorden in daden zou kunnen omzetten. Zij
toonde aan Eliëzer dat zij niet alleen de eigenschap van chessed
bezat die hij zocht, maar dat zij eveneens het belang van getrouw zijn
aan haar woorden op prijs stelde.
(Met
toestemming overgenomen uit HaModia)
Uit de Midrasj
Sara’s leven
„En de levensjaren van Sara waren honderd jaar en
twintig jaar en zeven jaar” (23:1).
Onze Geleerden zeggen dat tijdens Sara’s leven haar
kaarsen brandden van erev Sjabbat tot de volgende erev
Sjabbat; het deeg dat zij kneedde, was gezegend; en een wolk hing
voortdurend boven haar tent. Met haar dood hielden al deze dingen op,
en daardoor realiseerde iedereen zich dat dit alles gebeurde wegens
haar verdiensten. Zij verdiende het om te sterven en te worden
begraven in Erets Jisraël.
De Tora specificeert „ honderd jaar en twintig jaar en
zeven jaar” om te tonen dat zij alle jaren bereikt had, die voor haar
bestemd waren.
Chizkuni schrijft dat
Sara geen behoefte had aan cosmetica. Toen zij 20 jaar was, was zij
even liefelijk als toen zij een meisje van zeven was.
Rabbijnoe Bechaje en Chizkuni schrijven dat het woord
„wajihejoe” (dat hier vertaald is met „waren”) de numerieke
waarde heeft van 37. Sara had slechts werkelijk 37 jaar geleefd, vanaf
de tijd dat Jitschak geboren werd totdat hij geofferd werd, toen hij
37 jaar oud was. De jaren voor zijn geboorte worden niet beschouwd
alsof zij toen niet echt heeft geleefd, want iemand die kinderloos is,
wordt vergeleken met een dode. Dit schrijft ook de Ba’al Toeriem.
Uit de schatkamer van chassidische verhalen
Het licht van de bevrijde vonken
„En Jitschak was uitgegaan om te
praten op het veld” (24:63).
Praten betekent hier bidden
(Talmoed, Berachot) [En zo wordt het overal vertaald.]
In zijn jonge jaren verdiende Reb
Mosje van Sambor zijn levensonderhoud als marskramer. Hij ging te voet
van deur tot deur, van dorp tot dorp, en verkocht zijn waren aan de
niet-Joodse bevolking die in de diverse delen van de Oekraïne op het
platte land leefde. Op een dag vroeg hij aan zijn broer en leraar, Reb
Zwi van Zhidachov: „Hoe komt het dat wanneer ik thuis kom van de
velden en de dorpen en de middaggebeden zeg, al mijn ledematen zijn
overspoeld met een machtig, wonderlijk licht? Vanwaar kan ik dat
gekregen hebben? Misschien heb ik het mis en komt het in werkelijkheid
van onheilige krachten in het universum; en in dat geval is mijn
dienst voor mijn Schepper, G-d verhoede, gebaseerd op een vergissing?”
„Waarom ben je zo verbaasd?”
antwoordde Reb Zwi. „Wanneer je rondwandelt in de velden en in de
dorpen van de niet-Joden, denkend aan heilige onderwerpen, dan zullen
alle vonken van heiligheid, die liggen te slapen - in de wereld van
de dode dingen, in de plantenwereld, in de dierenwereld en in de
koninkrijken der mensen - en die geen plaast hebben om zich ergens aan
te hechten, zich aan jou vastkleven. En dan scheidt je hen van hun
meteriëel omhulsel en verhef je hen. Deze bevrijde vonken van
heiligheid trekken vervolgens op jou een goddelijk licht omlaag, van
een soort welke je nimmer tevoren hebt ervaren.
¯
¯
¯
Misjna van de
week
Het ligt in
onze bedoeling om in de komende weken iedere week een stukje Misjna
te leren, te beginnen met Seder Berachot. Ter inleiding volgt hier een
uiteenzetting wat eigenlijk de Misjna is.
Inleiding tot de Misjna
Het woord
„Misjna” en zijn betekenis werd door één van onze grote commentatoren,
Rabbi Nathan ben Jechiël van Rome (1035-1110), ook bekend als de
Aroech, naar het boek dat hij schreef, als volgt verklaard:
„Waarom wordt het Misjna genoemd? Omdat het als tweede na Tora gegeven
werd; de Tora, die heel Israël hoorde op de Berg Sinaï, is de
Geschreven Leer; en onze leraar Mosjé hoorde G-d bij een tweede
gelegenheid [op de Berg Sinaï], en dat is de Mondelinge Leer.” Daarom
wordt het Misjna genoemd, hetgeen „tweede” betekent, afgeleid van het
woord sjenajim, dat „twee” betekent: het is de „tweede leer”,
na de Tora, de Schriftelijke Leer.
Het woord Misjna
komt ook van dezelfde stam als het Hebreeuwse woord „Sjanah”,
dat letterlijk „herhalen” [wat al eens eerder geleerd werd] betekent
en het wordt daarom ook gebruikt in de betekenis van „leren”. De
„Misjna” is in feite het hele lichaam van Joodse wetten, die tot het
jaar 200 van de Gewone Jaartelling (GJ) mondeling was doorgegeven en
ontwikkeld, totdat dit uiteindelijk door Rabbi Jehoeda haNasi (Jehoeda
de Vorst) op schrift werd gesteld. Hij wordt doorgaans simpel „Rabbi”
genoemd.
Voor de tijd van
Rabbi werden alle Joodse wetten mondeling doorgegeven; het was
expliciet verboden deze Mondelinge Leer op te schrijven en te
publiceren, omdat alles wat men zou opschrijven incompleet zou zijn en
onderhevig aan misvattingen en verkeerde interpretaties en verkeerd
gebruik. Na uitgebreide discussies werd dit verbod opgeheven, toen het
duidelijk werd dat dit de enige mogelijkheid was om ervoor te zorgen
dat de Mondelinge Leer bewaard zou blijven. De Romeinen, die in die
tijd het toenmalige Palestina bezet hadden, hadden ten strengste
verboden om Tora te leren, op straffe van de doodstraf. Daardoor waren
de Jesjiwot bijna leeg en dreigde de Mondelinge Leer te worden
vergeten. Om dit laatste te voorkomen, nam Rabbi de redactie van de
Misjna op zich. Hiertoe overlegde hij met zijn geleerde tijdgenoten
en hoorde hij aan wat zij allen van hun leermeesters geleerd hadden.
Zo ging hij terug tot de tijd van de Mannen van de Grote Vergadering,
de Knesset HaĜedolla.
Gedurende deze
periode (rond het jaar 200 GJ) werd de Misjna als zodanig niet
gepubliceerd. De studie van de Joodse leer gebeurde nog steeds uit het
hoofd, behalve voor privé aantekeningen en in brieven.
De Misjna bestaat
uit zes delen of ordes (sedariem). Dat verklaart waarom de
Talmoed ook wel de „Sjas” genoemd wordt, „Sjisja Sedariem,”
zes ordes, of zes delen Misjna. Elk van deze zes ordes bevat 7 tot 12
traktaten, masechet genoemd. Elk masechet is verdeeld in
perakiem – hoofdstukken, elk hoofdstuk in paragrafen of
misjnajot – meervoud van misjna.
Dus met een
Misjna kan bedoeld worden „De Misjna”, het hele werk van de zes
traktaten, of „een misjna,” een bepaalde paragraaf uit een traktaat.
De Ordes van de Misjna:
1. Eerste
Orde: Zeraïm (zaden). 11 traktaten, die hoofdzakelijk landbouwwetten
en voorschriften voor dagelijkse gebeden bevatten.
2. Tweede
Orde: Mo’eed (feestdagen). 12 traktaten over Sjabbat en feestdagen,
waarbij het grootste deel van de traktaten over de feestdagen de
offerdienst behandelt.
3. Derde
Orde: Nasjiem (vrouwen). 7 traktaten over hoofdzakelijk huwelijk,
echtscheiding en de nazir.
4. Vierde
Orde: Nezékiem (schades). 10 traktaten over burgerlijk recht,
handelsrecht en strafrecht.
5. Vijfde
Orde: Kodasjiem (heilige dingen). 11 traktaten over offerrites, de
Tempel en de spijswetten.
6. Zesde
Orde: Taharot (reinheid). 12 traktaten over rituele reinheidswetten,
waaronder tahara misjpacha, reinheidswetten voor de familie.
(Volgende
week, b.n. het tweede en laatste deel van deze Inleiding tot de
Misjna.)
¯
¯
¯
Uit de
Wekelijkse daf van de Talmoed
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Beitsa
De kip
en het ei
Daf 3a
Ieder die
het Tora-verslag van de schepping van de wereld bestudeerd heeft,
twijfelt er niet aan dat de kip er was vóór het ei. Maar hoe moeten
wij het ei zien, dat uit de kip komt? Is het te vergelijken met een
vrucht die aan een boom groeit, of lijkt het meer op het vruchtensap
dat uit een vrucht is geperst? Dit blijkt een interessant probleem te
zijn en een bron van meningsverschil tussen twee Geleerden uit de
Talmoed.
De eerste
Misjna in dit traktaat „Beitsa” leert dat een ei dat op een feestdag
gelegd werd, die dag niet mag worden gegeten. De volgende bladzijden
leggen de reden uit van deze rabbijnse verordening. De verklaring van
twee van de Geleerden, Rabbi Joséf en Rabbi Jitschak, lijken op elkaar
maar verschillen wezenlijk van elkaar.
Rabbi Joséf
vergelijkt een ei met een vrucht die van een boom is gevallen. De
Geleerden hebben ingesteld dat fruit dat op Sjabbat of op een feestdag
van een boom valt, die dag niet mag worden gegeten, om te voorkomen
dat men de vruchten op die dag van de boom zou plukken, hetgeen een
overtreding van een Tora-verbod zou zijn. En toen de Geleerden deze
verordening instelden, breidden zij die uit tot alles wat op een
vrucht lijkt, zoals een ei, dat ook van zijn bron afvalt.
Rabbi
Jitschak vergelijkt het ei echter met het sap dat uit een vrucht komt.
De Geleerden hebben ook verordend dat sap, dat op Sjabbat of op een
feestdag vanzelf uit een vrucht sijpelt, die dag niet gebruikt mag
worden, om te voorkomen dat men anders zelf het sap uit de vrucht zou
persen, hetgeen een overtreding van een Tora-verbod zou zijn. En toen
zij dit verbod instelden, hebben zij alles bij dat verbod inbegrepen,
dat op vruchtensap leek, zoals een ei, dat uit zijn bron komt, waarin
het was geabsorbeerd.
Wanneer de
Gemara het verschil van deze beide schijnbaar gelijke benaderingen
verklaart, concentreert zij zich op wat wij zouden kunnen noemen „de
twee zijden van het ei.” Daar Rabbi Joséf een ei als voedsel
beschouwt, dat gegeten wordt, in plaats van gedronken, concludeert hij
dat het meer lijkt op een vrucht dan op vruchtensap. En dus lijkt het
meer op het plukken van een vrucht dan op het uitpersen van een vrucht
voor zijn sap.
Rabbi
Jitschak daarentegen, ziet de verhouding tussen het ei en zijn
oorsprong als criterium: zowel het ei, voordat het gelegd is, als het
sap, voordat het is uitgeperst, zijn onzichtbaar, in tegenstelling tot
de vrucht die aan de boom hangend, wel zichtbaar is. Daarom meent hij
dat de consumptie van een ei meer te vergelijken is met de situatie
die ontstaat nadat een vrucht is uitgeperst en men het sap daarvan wil
opdrinken.
Zo blijkt er
meer dan één manier te zijn om naar een ei te kijken, net zoals er
meer dan één manier is om een ei te eten – voorop gesteld dat het niet
op een heilige dag gelegd is.
¯
¯
¯
Hilchot Jom
Tov
Door
Rabbi Dovid Ostroff
Vraag:
Is er een grens aan het aantal kaarsen dat men
mag aansteken voor Jom Tov?
Antwoord:
In vroeger tijden was het zo dat
hoe meer licht men in zijn huis had, des te gezelliger het was. Het
gevolg was dat er geen grens was aan het aantal kaarsen dat men voor
Jom Tov mocht aansteken. Tegenwoordig worden kaarsen haast nergens
meer gebruikt voor verlichting en kaarslicht lijkt daarom overbodig.
Maar als kaarslicht enig nut heeft, bijvoorbeeld om voedsel te
verwarmen of om esthetische redenen, bijvoorbeeld omdat het de Jom
Tov-sfeer verhoogt, of vanwege een mitswa, bijvoorbeeld iemand die
normaliter het aantal kaarsen aansteekt in overeenstemming met het
aantal kinderen, dan is het toegestaan (Sjmierat Sjabbat KeHilchata
13:4).
¯
¯
¯
|