|
Overzicht
Parasjat
Noach
(Genesis
6:9-11:32)
et is nu tien generaties later sinds de schepping van
de eerste mens. Adams nakomelingen hebben de wereld gecorrumpeerd met
hun immoreel gedrag, afgoderij, roof en geweld. Hasjem besluit het
probleem voor eens en voor altijd op te lossen door een vloed over de
wereld te brengen die alle aardbewoners zal vernietigigen, met
uitzondering van de rechtvaardige Noach, diens familie en vol-doende
dieren om de aarde weer opnieuw te kunnen bevolken. Hasjem geeft Noach
instructies om een ark te bouwen, om aan de vloed te ontsnappen. Na
veertig dagen en nachten onafgebroken zware regen, bedekt de vloed
geheel de aarde, zelfs de toppen van de hoogste bergen. Na nog eens
150 dagen begint het water weer te zakken. Op de 17de dag van de 7de
maand komt de ark tot rust op de Berg Ararat. Noach zendt een raaf uit
en vervolgens een duif om er zeker van te zijn dat het water gezakt
is. De raaf komt terug. De duif komt terug. Een week later, zendt
Noach de duif nog eens uit. Deze keer komt de duif pas tegen de avond
terug, met een olijftak in zijn bek. Na nog eens zeven dagen zendt
Noach opnieuw de duif uit, maar die komt deze keer niet meer terug.
Hasjem zegt tegen Noach dat hij en zijn familie de ark moeten
verlaten. Noach brengt dankoffers voor Hasjem van de dieren die hij
voor dit doel met de ark heeft meegenomen. Hasjem zweert nimmer meer
een vloed te brengen over heel de wereld en zet de regenboog aan het
firmanent als teken van dit verbond. Noach en zijn nakomelingen mogen
nu vlees eten, in tegenstelling tot Adam. Hasjem geeft aan Noach de
Zeven Noachidische Wetten die voor de hele mensheid gelden: Het verbod
van afgoderij, ontucht, diefstal, blasfemie, moord, het eten van vlees
van een levend dier en de verplichting om een rechtstelsel op te
zetten. Het klimaat van de wereld wordt vastgesteld, zoals wij dat
vandaag kennen. Noach plant een wijngaard en wordt dronken van zijn
eigen producten. Cham, één van de zonen van Noach, vermaakt zich als
hij ziet hoe dronken en naakt zijn vader is. Sjem en Jafet echter,
slagen erin hun vader te bedekken zonder naar diens naaktheid te
kijken, door achteruit naar hem toe te lopen. Voor dit incident wordt
Kanaän, de zoon van Cham, gestraft met de vloek van de slavernij. De
Tora noemt de nakomelingen van Noachs drie zonen op, waarvan de
zeventig volken van de wereld afstammen. De Tora vermeldt de
geschiedenis van bouw van de Toren van Babel, hetwelk tot resultaat
heeft dat Hasjem de taal van de mensen opdeelt in vele talen, waarna
de mensen zich in volksgroepen over de wereld verspreiden. De Parasja
eindigt met de genealogie van Noach tot Avram.
©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden
Haftara
Parasjat Noach
De Haftara wordt gelezen uit
Jesjajahoe 54:1-55:5
Het verhaal gaat deze week over
Jeroesjalajim dat weer zal worden opgebouwd met edelstenen en alle
Joden zullen de Tora kennen.
Jeruzalem zal weer bevolkt
worden. Haar bevolking zal talrijker worden dan ooit. Hasjem zal het
Joodse volk inzamelen en het zal nimmer meer verstrooid worden. Zoals
Hasjem gezworen heeft dat Noachs wateren niet meer over de aarde
zullen komen, zo ook heeft Hij gezworen niet meer kwaad op Zijn volk
te zullen zijn. Jeruzalem zal worden opgebouw met behulp van kostbare
edelstenen en haar bewoners zullen spiritueel groot zijn. Er zal vrede
zijn en haar bewoners zullen vrij van onderdrukking zijn. Als de Joden
Hasjem vrezen, zullen zij niets meer te vrezen hebben van hun
vijanden. Alle wapens die tegen het Joodse volk gebruikt zullen worden
zal Hasjem vernietigen.
De Haftara roept vervolgens alle
Joden op om Tora te leren. Dan zal Hasjem de Masjiach sturen, en die
zal als een vorst regeren; alle volken van de wereld zullen zich aan
hem onderwerpen.
¯¯¯
Inzicht in de
Parasja
Door Rabbijn Shlomo Riskin, Efrat, Israel
„En Noach, de man van de aarde, …
dronk van de wijn en werd dronken en hij ontblootte zich in zijn tent.
En Cham, de vader van Kena’an zag de schaamte van zijn vader en
vertelde het zijn beide broers buiten.”
Genesis 9:20-22
De naam Kena’an verschijnt voor
de eerste keer in de Bijbel in de context van dit verhaal van de ver-nedering
van Noach en de betrokkenheid van zijn zonen daarbij. Inderdaad,
Kena’an was niet een van zijn zonen, maar zijn kleinzoon, de zoon van
Cham. De waarheid is dat het noemen van Kena’an in dit verhaal
volkomen niet op zijn plaats en overbodig lijkt te zijn. Noach werd
misschien alleen maar dronken omdat hij zich niet realiseerde wat de
kwade invloed kon zijn van het drinken van het sap van de wijn-stok.
Zijn zoon Cham doet niets om zijn vaders schaamte te verbergen; hij
fungeert alleen als boodschap-per,
en rapporteert zijn vaders naaktheid aan zijn beide broers buiten.
Sjem en Jafet bedekken hun vader zonder naar hem te kijken, in een
poging om de eer van hun vader te bewaren. Cham is de booswicht; Sjem
en Jafet zijn de helden. Waarom wordt Kena’an genoemd? En wat nog meer
geldt, Kena’an is een overbeladen naam; ten slotte is het Land Kena’an
het Land Israël, dat uiteindelijk door Awraham en zijn nageslacht, de
nakomelingen van Sjem, wordt veroverd. Er moet een speciale reden zijn
dat de naam Kena’an hier genoemd wordt, in verband met dit verhaal,
waar de tekst spoedig de diverse nakomelingen van Noach en de volken
die daaruit voortkomen, opnoemt.
De meerderheid van de
commentatoren menen dat Kena’an zijn grootvader castreerde, en hem zo
impo-tent
maakte, om te voorkomen dat de erfenis van Noach over meer
nakomelingen van hem verdeeld zou worden. Dit is wat Cham in
werklijkheid zag en wat hij aan zijn broers rapporteerde. Dit was de
ultieme afgang.
Ten einde de fundamentele
boodschap van de Bijbel te begrijpen en de betekenis daarvan voor ons
vandaag, moeten wij een andere blik werpen op de volgende keer dat het
Land Kena’an in de Bijbel voorkomt. Het komt onmiddellijk aan het eind
van onze Tora-afdeling: „En Térach nam Awram, zijn zoon, en Lot, zijn
kleinzoon, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw
van Awram, zijn zoon, en zij vertrokken met hen van Oer Kasdiem, om te
gaan naar het land Kena’an; en zij kwamen aan in Kena’an en woonden
daar” (Genesis 11:31). Het is tamelijk merkwaardig dat de Bijbeltekst
ons vertelt, dat Awrams vader de bedoeling had om naar het Land
Kena’an te gaan, maar daar niettemin nooit arri-veerde;
hij kwam niet verder dan Haran en om wat voor reden dan ook besloot
hij, of werd hij gedwon-gen,
om daar te blijven (misschien was ziekte de oorzaak of de opkomende
ouderdom, of het gebrek aan geld om de reis voort te zetten). Pas in
het volgende vers, als de openingstekst van de volgende parasja,
verschijnt G-d aan Awram, schijnbaar uit het niets en zonder enige
voorbereiding of aanleiding, en draagt hem op: „Ga weg uit je land,
van je familie en van je vaders huis (in Haran) naar het land dat Ik
je zal tonen (het Land Kena’an).” De commentatoren, zowel als de
Midrasj doen veel moeite om te ontdek-ken
waarom Awram nu uitgekozen wordt en waarom Awram zo gewillig is om het
G-ddelijke gebod te gehoorzamen. Maimonides suggereert, op basis van
de Midrasj, dat Awram reeds vanaf de prille leeftijd van drie jaar op
zoek was naar de Heerser van het Universum. Hij haalt zelfs de bekende
Midrasj aan, dat Awrams vader Térach afgodsbeelden maakte, waarmee hij
Awram afbeeldt als een beeldenstormer tegen zijn vaders afgoderij. (Misjna
Tora, Hilchot Awoda Zara hfd. 1).
Maar ik zou willen beweren dat
een eenvoudige interpretatie van de tekst tot een geheel andere
conclusie leidt. Awrams vader Térach wilde kennelijk erg graag zijn
familie naar Kena’an brengen. Inderdaad, de Tora vertelt ons hoe
„Malki Tsèdek, Koning van Sjaleem, priester van G-d, de Allerhoogste,”
brood en wijn bracht aan Awram, nadat hij met succes de vier
terroristenleiders verslagen had, en hoe hij „Awram van G-d de
Allerhoogste, Schepper van hemel en aarde” en „G-d de Allerhoogste”
zegende omdat Hij de vijanden van Awram in zijn handen had uitgeleverd
(Gen. 14:18-20). Awram geeft Malki Tsèdek zelfs tienden, een gift die
gewoonlijk alleen gegeven wordt aan de Joodse priesters in de Heilige
Tempel. En Sjaleem is de oude naam voor Jeroe-Sjalem, hetgeen
betekent: de Stad van de Vrede. Kennelijk was er in het Land Kena’an ,
waarvan Sjaleem de hoofdstad was, een traditie van monotheïsme, die
terug ging tot Adam, een traditie van een G‑d van het universum, die
uiteindelijk terroristen vernietigt en de rechtvaar-digen,
die de vrede liefhebben, beloont. De Midrasj (Nedariem 32b)
identificeert Malki Tsèdek als Sjeem, de zoon van Noach en misschien
had Térach gehoord dat in het Land Kena’an monothïsme geleerd werd en
wilde hij dat zijn kinderen in een dergelijke omgeving zouden
opgroeien. [De Midrasj (Berei-sjiet
Rabba
63:7) vermeldt dat Rivka, toen zij voelde hoe Ja’akov en Esav in haar
buik met elkaar voch-ten,
te rade ging bij de Jesjiwa van Sjeem en Eber. (Zie Rasji op
Gen. 25:22).] Vanuit dit perspectief bekeken, was Awraham niet een
rebel tegen zijn vaders afgodsbeelden, maar een voortzetter van zijn
vaders geografische en spirituele ontdekkingsreis. G-d is tamelijk
zeker dat Awram de G-ddelijke op-dracht
zal accepteren, omdat hij was klaargemaakt om dat te doen, daar hij de
zoon van Térach was.
In het verhaal dat wij beginnen,
bereidt de Bijbel ons voor op een Land Kena’an dat een speciale
locatie is met zeer speciale vereisten. Alleen zij die werkelijk een
ethisch monotheïsme nastreven, zullen het waardig zijn om van
Kena’an/Israël hun eeuwig thuisland te maken. Kena’an, de kleinzoon
van Noach verspeelde zijn rechten, want in plaats van voort te gaan op
zijn grootvaders pad van rechtvaardigheid en oprechtheid, verkoos hij
het om zijn grootvaders capaciteiten, om deze waarden aan volgende
generaties door te geven, te castreren en te vernietigen. Awraham aan
de andere kant continueerde het pad van zijn vader en trachtte een
huishouding op te bouwen die gewijd was aan rechtvaardigheid en
rechtschapen-heid.
De nakomelingen van Awraham zullen het voorrecht hebben om alleen in
Israël te leven wanneer zij eveneens deze ethische levenstijl
onderschrijven. En zelfs als Israël uiteindelijk terugkeert naar het
land en waardig bevonden wordt om daar te leven, zal hun terugkeer
altijd afhankelijk blijven van de ethische kwaliteit van het dagelijks
leven dat zij leiden. Zoals Rasji ons waarschuwt in zijn
openingscommentaar op het boek Genesis: „…het hele land (Kena’an -
Israël) behoort toe aan de Heilige, geloofd is Hij; Hij schiep het en
Hij zal het geven aan ieder die daartoe gerechtigd is in Zijn ogen…”
(Genesis 1:1, Rasji).
Verhalen uit de Midrasj
De Rechtvaardigheid van Noach
Dit
is de geschiedenis van Noach (6:9). Sjlomo HaMelech (Koning
Salomo) zei: „De rechtvaardige mens wandelt in zijn onschuld; gezegend
zijn de zonen na hem,” (Misjlee 20:7) hetgeen betekent dat een
mens zich moet houden aan G-ds geboden ter wille van G-d, lesjeem
sjamajim, en niet wegens zijn eigen trots. We zien vaak mensen die
liefdadigheid geven en daar achteraf over opscheppen. Zij vergissen
zich op twee manieren: zij hemelen zichzelf op en beschamen de arme,
door te vertellen dat hij tsaddaka heeft geaccepteerd. Daarom
zegt Sjlomo dat de rechtvaardige in zijn onschuld wandelt. Wie
eenvoudig loopt, zonder zichzelf te vleien, is rechtvaardig en
verdient het om kinderen te hebben die net zo goed zijn als hij.
Sjlomo zegt: „Vele mensen verkondigen hun eigen liefdadigheid, maar
een gelovig mens, wie vindt hem?” (Misjlee 20:6). Er zijn vele
mensen die spreken over hun liefdadigheid en over het goede wat zij
gedaan hebben, maar een werkelijk goed mens is zeldzaam.
De rechtvaardigen hebben drie
kwaliteiten.Wanneer iemand rechtvaardig is, wordt hij een tsaddiek
genoemd. Wanneer hij nog beter is, wordt hij tamiem (iemand die
foutloos is) genoemd. Van de derde categorie wordt gezegd dat hij met
G-d wandelt. Noach had alle drie die kwaliteiten, zoals er gezegd is:
Noach was een rechtvaardig mens, volmaakt onder zijn tijdgenoten,
Noach wandelde met G-d” (6:9). Hij was een tsaddiek in zijn
daden, hij was tamiem volmaakt goed; en hij stelde geen vragen
over G-ds daden – hij wandelde met G‑d.
Het woord Noach wordt driemaal
herhaald, omdat hij de wereld zag toen die werd opgebouwd en bevolkt
en hij zag de wereld toen die vernietigd werd met de vloed en ten
slotte zag hij hoe de wereld opnieuw werd herbouwd en bevolkt.
De Tora zegt: „In zijn
generaties.” Hij was rechtvaardig in zijn tijd, toen alle anderen
slecht waren; hoeveel groter zou hij geweest zijn als hij geleefd zou
hebben tussen rechtvaardige mensen! Anderen zeggen dat het
tegenovergestelde waar is: in zijn generatie kon hij beschouwd worden
als een recht-vaardige,
maar in Awrahams tijd zou hij in het geheel niet zijn opgemerkt, want
Awraham was veel rechtvaardiger dan hij. De Tora zegt dat Noach
rechtvaardig was, en zijn goede daden redde hem van de wateren van de
vloed.
¯
¯
¯
Uit de schatkamer van chassidische verhalen
Relatieve rechtvaardigheid
„Noach was een rechtvaardig mens,
volmaakt was hij in zijn generaties” (Bereisjiet
6:9).
Rasji: In zijn
generaties – Sommigen verklaren dit in zijn voordeel, anderen in
zijn nadeel.
Reb Arjé Leib uit Sjpola werd eens verteld dat Reb
Nachman van Breslov de gewoonte had om buiten-gewoon
wonderlijke verhalen te vertellen. Reb Arjé Leib (die ook wel
liefdevol bekend stond als „de Sjpoler Zeide” – de Grootvader van
Sjpola – regeerde als volgt: „Het is waar dat in de laatste generaties
voor de komst van de Masjiach er zulke chasidiem zullen zijn die hun
zielen willen verfrissen met ver-halen – maar
dat zijn verhalen van tsaddikiem uit vroegere generaties waardoor zij
in verrukking worden gebracht. Maar als hij wonderverhalen vertelt
zoals die overdrijvingen die in de Talmoed genoemd worden in de naam
van Rabba bar Bar Chana, hoe zal dat degenen die in de laatste
generaties leven, helpen?”
Zijn chasidiem vroegen hem: „Betekent dit, dat er dan
geen tsaddiekiem meer zullen zijn zodat de chasi-diem
hun zielen moet opfrissen met verhalen van de tsaddikiem uit vroegere
generaties?”
„Wees ervan verzekerd,” zei de Sjpoler Zeide, „dat er
ook dan tsaddikiem en chasidiem zullen zijn – maar de dingen zullen
anders zijn. Want net zoals er etrogiem zijn van verschillende
kwaliteiten, zo zijn er verschillende niveaus van tsaddikiem. Je kunt
een etrog hebben die nauwelijks kosjer is voor gebruik met
Soekot – terwijl het toch een etrog genoemd mag worden: je mag
er de beracha over zeggen en vroom mediteren over alle toepasselijke
kabbalistische gedachten en daarmee al het G-ddelijke licht naar deze
wereld omlaag brengen, dat deze mitswa uitlokt. Maar desondanks is het
niet de ideale prie hadar – de schitterende vrucht – die de
etrog bedoelt is te zijn.”
Bovenstaande conversatie vond plaats tijdens de Derde
Maaltijd op Sjabbat Noach. „Op dit onderwerp,” besloot de Sjpoler
Zeide, „wordt gezinspeeld in de parasja van vandaag. We lezen Noach
was een rechtvaardig, volmaakt mens in zijn generaties. Rasji
citeert het commentaar van onze Geleerden, dat: „Sommigen verklaren
dit in Noachs nadeel. In zijn generatie werd hij als een
tsaddiek beschouwd, maar als hij een tijdgenoot was geweest van
Awraham, zou hij niet meegeteld hebben.” Wel, dit is een op-merkelijk
commentaar. Want als wij het mogelijk vinden om dit vers in positieve
zin uit te leggen, waarom zouden we het dan in zijn nadeel uitleggen?
Leren onze Geleerden ons niet: ‘Geef ieder mens het voordeel van de
twijfel’?
„Maar in feite deden diegenen die het vers ten nadele
van Noach uitlegden, het Joodse volk een blijvende gunst. Daar de
tsaddikiem van de laatste generaties voor de komst van de Masjiach
niet van hetzelfde niveau zijn als die van vroegere generaties, noemt
Tora expliciet dat zelfs iemand die alleen maar een tsaddiek is,
vergeleken met de mensen van zijn eigen tijd – en die in vroegere
tijden over het hoofd zou zijn gezien – ook een tsaddiek is in de ogen
van Hasjem. En als zodanig is het in zijn vermogen om de G-ddelijke
zegen naar deze wereld te brengen, net zoals de tsaddikiem van
gisteren.”
¯
¯
¯
Notities uit de Talmoed
Door Rabbi Mendel Weinbach,
decaan Ohr Somayach
Soekka
52a
De Berg
en de Haar
De Profeet Zacharja (12:12) beschrijft het geween dat
zal plaatsvinden op het einde der dagen. Een van de Geleerden vat dit
op als een verwijzing naar het slachten van de jétser hara’– de
slechte neiging – door Hasjem, terwijl zowel de rechtvaardigen als de
goddelozen toekijken.
Voor de rechtvaardige lijkt deze ophitser tot het
kwaad als een berg, terwijl het voor de goddeloze als een dunne haar
lijkt. Beiden huilen bij het aanzicht ervan. De rechtvaardigen huilen
omdat zij zich de kwellingen herinneren die zij ervoeren toen zij deze
kracht van het kwaad overmeesterden en zij verbazen zich erover hoe
zij zulk een formidabele berg konden veroveren. De goddelozen huilen
omdat zij zich afvragen waarom zij niet in staat waren deze dunne haar
te overwinnen.
Hoe kunnen twee mensen hetzelfde voorwerp zien op
zulke verschillende manieren?
Wanneer de jétser hara’ zijn aanval inzet,
schildert hij een beeld van de enorme voldoening die zijn cliënt zal
hebben van de overtreding die hij wordt uitgenodigd te begaan, een
waarlijke berg van plezier. Degene die in deze valkuil van de boze
overreder tuimelt, is altijd teleurgesteld over het enorme verschil
tussen de verwachting en de realiteit. Hij realiseert zich dat de hoge
berg, die hem beloofd was, niets anders was dan een dunne haar van
plezier.
De rechtvaardigen
wisten de jétser hara’ in het stadium van de bergenhoge
verwachting te overwinnen, en dit is hoe zij hem zien, nu zij vol
tranen zich herinneren hoe moeilijk het was voor hen om de ver-leiding
te weerstaan. De booswicht echter, volgde de jétser hara’ tot
het laatste stadium en zag zijn bergenhoge verwachting gereduceerd tot
een haar-dunne illusie. Zij huilen als zij zich realiseren dat zij hun
eeuwige beloning verspeeld hebben voor niets meer dan een haardunne
bevrediging in deze wereld.
|