Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 197 Parasjat Noach  6 Chesjwan 5767

 28 oktober 2006

 

Overzicht Parasjat Noach (Genesis 6:9-11:32)

H

et is nu tien generaties later sinds de schepping van de eerste mens.  Adams nakomelingen hebben de wereld gecorrumpeerd met hun immoreel gedrag, afgoderij, roof en geweld. Hasjem besluit het probleem voor eens en voor altijd op te lossen door een vloed over de wereld te brengen die alle aardbewoners zal vernietigigen, met uitzondering van de rechtvaardige Noach, diens familie en vol-doende dieren om de aarde weer opnieuw te kunnen bevolken. Hasjem geeft Noach instructies om een ark te bouwen, om aan de vloed te ontsnappen.  Na veertig dagen en nachten onafgebroken zware regen, bedekt de vloed geheel de aarde, zelfs de toppen van de hoogste bergen. Na nog eens 150 dagen begint het water weer te zakken. Op de 17de dag van de 7de maand komt de ark tot rust op de Berg Ararat. Noach zendt een raaf uit en vervolgens een duif om er zeker van te zijn dat het water gezakt is. De raaf komt terug. De duif komt terug. Een week later, zendt Noach de duif nog eens uit. Deze keer komt de duif pas tegen de avond terug, met een olijftak in zijn bek. Na nog eens zeven dagen zendt Noach opnieuw de duif uit, maar die komt deze keer niet meer terug.  Hasjem zegt tegen Noach dat hij en zijn familie de ark moeten verlaten. Noach brengt dankoffers voor Hasjem van de dieren die hij voor dit doel met de ark heeft meegenomen.  Hasjem zweert nimmer meer een vloed te brengen over heel de wereld en zet de regenboog aan het firmanent als teken van dit verbond.  Noach en zijn nakomelingen mogen nu vlees eten, in tegenstelling tot Adam. Hasjem geeft aan Noach de Zeven Noachidische Wetten die voor de hele mensheid gelden: Het verbod van afgoderij, ontucht, diefstal, blasfemie, moord, het eten van vlees van een levend dier en de verplichting om een rechtstelsel op te zetten.  Het klimaat van de wereld wordt vastgesteld, zoals wij dat vandaag kennen. Noach plant een wijngaard en wordt dronken van zijn eigen producten. Cham, één van de zonen van Noach, vermaakt zich als hij ziet hoe dronken en naakt zijn vader is.  Sjem en Jafet echter, slagen erin hun vader te bedekken zonder naar diens naaktheid te kijken, door achteruit naar hem toe te lopen.  Voor dit incident wordt Kanaän, de zoon van Cham, gestraft met de vloek van de slavernij. De Tora noemt de nakomelingen van Noachs drie zonen op, waarvan de zeventig volken van de wereld afstammen.  De Tora vermeldt de geschiedenis van bouw van de Toren van Babel, hetwelk tot resultaat heeft dat Hasjem de taal van de mensen opdeelt in vele talen, waarna de mensen zich in volksgroepen over de wereld verspreiden.  De Parasja eindigt met de genealogie van Noach tot Avram.

Door Ohr Somayach in Jeruzalem, Israël

©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden

Haftara Parasjat Noach

De Haftara wordt gelezen uit Jesjajahoe 54:1-55:5

Het verhaal gaat deze week over Jeroesjalajim dat weer zal worden opgebouwd met edelstenen en alle Joden zullen de Tora kennen.

Jeruzalem zal weer bevolkt worden. Haar bevolking zal talrijker worden dan ooit. Hasjem zal het Joodse volk inzamelen en het zal nimmer meer verstrooid worden. Zoals Hasjem gezworen heeft dat Noachs wateren niet meer over de aarde zullen komen, zo ook heeft Hij gezworen niet meer kwaad op Zijn volk te zullen zijn. Jeruzalem zal worden opgebouw met behulp van kostbare edelstenen en haar bewoners zullen spiritueel groot zijn. Er zal vrede zijn en haar bewoners zullen vrij van onderdrukking zijn. Als de Joden Hasjem vrezen, zullen zij niets meer te vrezen hebben van hun vijanden. Alle wapens die tegen het Joodse volk gebruikt zullen worden zal Hasjem vernietigen.

De Haftara roept vervolgens alle Joden op om Tora te leren. Dan zal Hasjem de Masjiach sturen, en die zal als een vorst regeren; alle volken van de wereld zullen zich aan hem onderwerpen.

¯¯¯

Inzicht in de Parasja

Door Rabbijn Shlomo Riskin, Efrat, Israel

„En Noach, de man van de aarde, … dronk van de wijn en werd dronken en hij ontblootte zich in zijn tent. En Cham, de vader van Kena’an zag de schaamte van zijn vader en vertelde het zijn beide broers buiten.”

Genesis 9:20-22

De naam Kena’an verschijnt voor de eerste keer in de Bijbel in de context van dit verhaal van de ver-nedering van Noach en de betrokkenheid van zijn zonen daarbij. Inderdaad, Kena’an was niet een van zijn zonen, maar zijn kleinzoon, de zoon van Cham. De waarheid is dat het noemen van Kena’an in dit verhaal volko­men niet op zijn plaats en overbodig  lijkt te zijn. Noach werd misschien alleen maar dronken omdat hij zich niet realiseerde wat de kwade invloed kon zijn van het drinken van het sap van de wijn-stok. Zijn zoon Cham doet niets om zijn vaders schaamte te verbergen; hij fungeert alleen als boodschap-per, en rapporteert zijn vaders naaktheid aan zijn beide broers buiten. Sjem en Jafet bedekken hun vader zonder naar hem te kijken, in een poging om de eer van hun vader te bewaren. Cham is de booswicht; Sjem en Jafet zijn de helden. Waarom wordt Kena’an genoemd? En wat nog meer geldt, Kena’an is een overbeladen naam; ten slotte is het Land Kena’an het Land Israël, dat uiteindelijk door Awraham en zijn nageslacht, de nakomelingen van Sjem, wordt veroverd. Er moet een speciale reden zijn dat de naam Kena’an hier genoemd wordt, in verband met dit verhaal, waar de tekst spoedig de diverse nakomelingen van Noach en de volken die daaruit voortkomen, opnoemt.

De meerderheid van de commentatoren menen dat Kena’an zijn grootvader castreerde, en hem zo impo-tent maakte, om te voorkomen dat de erfenis van Noach over meer nakomelingen van hem verdeeld zou worden. Dit is wat Cham in werklijkheid zag en wat hij aan zijn broers rapporteerde. Dit was de ultieme afgang.

Ten einde de fundamentele boodschap van de Bijbel te begrijpen en de betekenis daarvan voor ons vandaag, moeten wij een andere blik werpen op de volgende keer dat het Land Kena’an in de Bijbel voorkomt. Het komt onmiddellijk aan het eind van onze Tora-afdeling: „En Térach nam Awram, zijn zoon, en Lot, zijn kleinzoon, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van Awram, zijn zoon, en zij vertrokken met hen van Oer Kasdiem, om te gaan naar het land Kena’an; en zij kwamen aan in Kena’an  en woonden daar” (Genesis 11:31). Het is tamelijk merkwaardig dat de Bijbeltekst ons vertelt, dat Awrams vader de bedoeling had om naar het Land Kena’an te gaan, maar daar niettemin nooit arri-veerde; hij kwam niet verder dan Haran en om wat voor reden dan ook besloot hij, of werd hij gedwon-gen, om daar te blijven (misschien was ziekte de oorzaak of de opkomende ouderdom, of het gebrek aan geld om de reis voort te zetten). Pas in het volgende vers, als de openingstekst van de volgende parasja, verschijnt G-d aan Awram, schijnbaar uit het niets en zonder enige voorbereiding of aanleiding, en draagt hem op: „Ga weg uit je land, van je familie  en van je vaders huis (in Haran) naar het land dat Ik je zal tonen (het Land Kena’an).” De commenta­to­ren, zowel als de Midrasj doen veel moeite om te ontdek-ken waarom Awram nu uitgekozen wordt en waarom Awram zo gewillig is om het G-ddelijke gebod te gehoorzamen. Maimonides suggereert, op basis van de Midrasj, dat Awram reeds vanaf de prille leeftijd van drie jaar op zoek was naar de Heerser van het Universum. Hij haalt zelfs de bekende Midrasj aan, dat Awrams vader Térach afgodsbeelden maakte, waarmee hij Awram afbeeldt als een beeldenstormer tegen zijn vaders afgoderij. (Misjna Tora, Hilchot Awoda Zara hfd. 1).

Maar ik zou willen beweren dat een eenvoudige interpretatie van de tekst tot een geheel andere conclusie leidt. Awrams vader Térach wilde kennelijk erg graag zijn familie naar Kena’an brengen. Inderdaad, de Tora vertelt ons hoe „Malki Tsèdek, Koning van Sjaleem, priester van G-d, de Allerhoogste,” brood en wijn bracht aan Awram, nadat hij met succes de vier terroristenleiders verslagen had, en hoe hij „Awram van G-d de Allerhoogste, Schepper van hemel en aarde” en „G-d de Allerhoogste” zegende omdat Hij de vijanden van Awram in zijn handen had uitgeleverd (Gen. 14:18-20). Awram geeft Malki Tsèdek zelfs tienden, een gift die gewoonlijk alleen gegeven wordt aan de Joodse priesters in de Heilige Tempel. En Sjaleem is de oude naam voor Jeroe-Sjalem, hetgeen betekent: de Stad van de Vrede. Kennelijk was er in het Land Kena’an , waarvan Sjaleem de hoofdstad was, een traditie van monotheïsme, die terug ging tot Adam, een traditie van een G‑d van het universum, die uiteindelijk terroristen vernietigt en de rechtvaar-digen, die de vrede liefhebben, beloont. De Midrasj (Nedariem 32b) identificeert Malki Tsèdek als Sjeem, de zoon van Noach en misschien had Térach gehoord dat in het Land Kena’an monothïsme geleerd werd en wilde hij dat zijn kinderen in een dergelijke omgeving zouden opgroeien. [De Midrasj (Berei-sjiet Rabba 63:7) vermeldt dat Rivka, toen zij voelde hoe Ja’akov en Esav in haar buik met elkaar voch-ten, te rade ging bij de Jesjiwa van Sjeem en Eber. (Zie Rasji op Gen. 25:22).] Vanuit dit perspectief bekeken, was Awraham niet een rebel tegen zijn vaders afgodsbeelden, maar een voortzetter van zijn vaders geografische en spirituele ontdekkingsreis. G-d is tamelijk zeker dat Awram de G-ddelijke op-dracht zal accepteren, omdat hij was klaargemaakt om dat te doen, daar hij de zoon van Térach was.

In het verhaal dat wij beginnen, bereidt de Bijbel ons voor op een Land Kena’an dat een speciale locatie is met zeer speciale vereisten. Alleen zij die werkelijk een ethisch monotheïsme nastreven, zullen het waardig zijn om van Kena’an/Israël hun eeuwig thuisland te maken. Kena’an, de kleinzoon van Noach verspeelde zijn rechten, want in plaats van voort te gaan op zijn grootvaders pad van rechtvaardigheid en oprechtheid, verkoos hij het om zijn grootvaders capaciteiten, om deze waarden aan volgende generaties door te geven, te castreren en te vernietigen. Awraham aan de andere kant continueerde het pad van zijn vader en trachtte een huishouding op te bouwen die gewijd was aan rechtvaardigheid en rechtschapen-heid. De nakomelingen van Awraham zullen het voorrecht hebben om alleen in Israël te leven wanneer zij eveneens deze ethische levenstijl onderschrijven. En zelfs als Israël uiteindelijk terugkeert naar het land en waardig bevonden wordt om daar te leven, zal hun terugkeer altijd afhankelijk blijven van de ethische kwaliteit van het dagelijks leven dat zij leiden. Zoals Rasji ons waarschuwt in zijn openingscommentaar op het boek Genesis: „…het hele land (Kena’an - Israël) behoort toe aan de Heilige, geloofd is Hij; Hij schiep het en Hij zal het geven aan ieder die daartoe gerechtigd is in Zijn ogen…” (Genesis 1:1, Rasji).


Verhalen uit de Midrasj

De Rechtvaardigheid van Noach

Dit is de geschiedenis van Noach (6:9). Sjlomo HaMelech (Koning Salomo) zei: „De rechtvaardige mens wandelt in zijn onschuld; gezegend zijn de zonen na hem,” (Misjlee 20:7) hetgeen betekent dat een mens zich moet houden aan G-ds geboden ter wille van G-d, lesjeem sjamajim, en niet wegens zijn eigen trots. We zien vaak mensen die liefdadigheid geven en daar achteraf over opscheppen. Zij vergissen zich op twee manieren: zij hemelen zichzelf op en beschamen de arme, door te vertellen dat hij tsaddaka heeft geaccep­teerd. Daarom zegt Sjlomo dat de rechtvaardige in zijn onschuld wandelt. Wie eenvoudig loopt, zonder zichzelf te vleien, is rechtvaardig en verdient het om kinderen te hebben die net zo goed zijn als hij. Sjlomo zegt: „Vele mensen verkondigen hun eigen liefdadigheid, maar een gelovig mens, wie vindt hem?” (Misjlee 20:6). Er zijn vele mensen die spreken over hun liefdadigheid en over het goede wat zij gedaan hebben, maar een werkelijk goed mens is zeldzaam.

De rechtvaardigen hebben drie kwaliteiten.Wanneer iemand rechtvaardig is, wordt hij een tsaddiek genoemd. Wanneer hij nog beter is, wordt hij tamiem (iemand die foutloos is) genoemd. Van de derde categorie wordt gezegd dat hij met G-d wandelt. Noach had alle drie die kwaliteiten, zoals er gezegd is: Noach was een recht­vaardig mens, volmaakt onder zijn tijdgenoten, Noach wandelde met G-d” (6:9). Hij was een tsaddiek in zijn daden, hij was tamiem volmaakt goed; en hij stelde geen vragen over G-ds daden – hij wandelde met G‑d.

Het woord Noach wordt driemaal herhaald, omdat hij de wereld zag toen die werd opgebouwd en bevolkt en hij zag de wereld toen die vernietigd werd met de vloed en ten slotte zag hij hoe de wereld opnieuw werd herbouwd en bevolkt.

De Tora zegt: „In zijn generaties.” Hij was rechtvaardig in zijn tijd, toen alle anderen slecht waren; hoeveel groter zou hij geweest zijn als hij geleefd zou hebben tussen rechtvaardige mensen! Anderen zeggen dat het tegenovergestelde waar is: in zijn generatie kon hij beschouwd worden als een recht-vaardige, maar in Awrahams tijd zou hij in het geheel niet zijn opgemerkt, want Awraham was veel rechtvaardiger dan hij. De Tora zegt dat Noach rechtvaardig was, en zijn goede daden redde hem van de wateren van de vloed.

¯ ¯ ¯

Uit de schatkamer van chassidische verhalen

Relatieve rechtvaardigheid

„Noach was een rechtvaardig mens, volmaakt was hij in zijn generaties” (Bereisjiet 6:9).

Rasji: In zijn generaties – Sommigen verklaren dit in zijn voordeel, anderen in zijn nadeel.

Reb Arjé Leib uit Sjpola werd eens verteld dat Reb Nachman van Breslov de gewoonte had om buiten-gewoon wonderlijke verhalen te vertellen. Reb Arjé Leib (die ook wel liefdevol bekend stond als „de Sjpoler Zeide” – de Grootvader van Sjpola – regeerde als volgt: „Het is waar dat in de laatste generaties voor de komst van de Masjiach er zulke chasidiem zullen zijn  die hun zielen willen verfrissen met ver-halen – maar dat zijn verhalen van tsaddikiem uit vroegere generaties waardoor zij in verrukking worden gebracht. Maar als hij wonderverhalen vertelt zoals die overdrijvingen die in de Talmoed genoemd worden in de naam van Rabba bar Bar Chana, hoe zal dat degenen die in de laatste generaties leven, helpen?”

Zijn chasidiem vroegen hem: „Betekent dit, dat er dan geen tsaddiekiem meer zullen zijn zodat de chasi-diem hun zielen moet opfrissen met verhalen van de tsaddikiem uit vroegere generaties?”

„Wees ervan verzekerd,” zei de Sjpoler Zeide, „dat er ook dan tsaddikiem en chasidiem zullen zijn – maar de dingen zullen anders zijn. Want net zoals er etrogiem zijn van verschillende kwaliteiten, zo zijn er ver­schillende niveaus van tsaddikiem. Je kunt een etrog hebben die nauwelijks kosjer is voor gebruik met Soekot – terwijl het toch een etrog genoemd mag worden: je mag er de beracha over zeggen en vroom mediteren over alle toepasselijke kabbalistische gedachten en daarmee al het G-ddelijke licht naar deze wereld omlaag brengen, dat deze mitswa uitlokt. Maar desondanks is het niet de ideale prie hadar – de schitterende vrucht – die de etrog bedoelt is te zijn.”

Bovenstaande conversatie vond plaats tijdens de Derde Maaltijd op Sjabbat Noach. „Op dit onderwerp,” besloot de Sjpoler Zeide, „wordt gezinspeeld in de parasja van vandaag. We lezen Noach was een rechtvaardig, volmaakt mens in zijn generaties. Rasji citeert het commentaar van onze Geleerden, dat: „Sommi­gen verklaren dit in Noachs nadeel. In zijn generatie werd hij als een tsaddiek beschouwd, maar als hij een tijdgenoot was geweest van Awraham, zou hij niet meegeteld hebben.” Wel, dit is een op-merkelijk commentaar. Want als wij het mogelijk vinden om dit vers in positieve zin uit te leggen, waarom zouden we het dan in zijn nadeel uitleggen? Leren onze Geleerden ons niet: ‘Geef ieder mens het voordeel van de twijfel’?

„Maar in feite deden diegenen die het vers ten nadele van Noach uitlegden, het Joodse volk een blijvende gunst. Daar de tsaddikiem van de laatste generaties voor de komst van de Masjiach niet van hetzelfde niveau zijn als die van vroegere generaties, noemt Tora expliciet dat zelfs iemand die alleen maar een tsaddiek is, vergeleken  met de mensen van zijn eigen tijd – en die in vroegere tijden over het hoofd zou zijn gezien – ook een tsaddiek is in de ogen van Hasjem. En als zodanig is  het in zijn vermogen om de G-ddelijke zegen naar deze wereld te brengen, net zoals de tsaddikiem van gisteren.”

¯ ¯ ¯

Notities uit de Talmoed

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Soekka 52a

De Berg en de Haar

De Profeet Zacharja (12:12) beschrijft het geween dat zal plaatsvinden op het einde der dagen. Een van de Geleerden vat dit op als een verwijzing naar het slachten van de jétser hara’– de slechte neiging – door Hasjem, terwijl zowel de rechtvaardigen als de goddelozen toekijken.

Voor de rechtvaardige lijkt deze ophitser tot het kwaad als een berg, terwijl het voor de goddeloze als een dunne haar lijkt. Beiden huilen bij het aanzicht ervan. De rechtvaardigen huilen omdat zij zich de kwellingen herinneren die zij ervoeren toen zij deze kracht van het kwaad overmeesterden en zij verbazen zich erover hoe zij zulk een formidabele berg konden veroveren. De goddelozen huilen omdat zij zich afvragen waarom zij niet in staat waren deze dunne haar te overwinnen.

Hoe kunnen twee mensen hetzelfde voorwerp zien op zulke verschillende manieren?

Wanneer de jétser hara’ zijn aanval inzet, schildert hij een beeld van de enorme voldoening die zijn cliënt zal hebben van de overtreding die hij wordt uitgenodigd te begaan, een waarlijke berg van plezier. Degene die in deze valkuil van de boze overreder tuimelt, is altijd teleurgesteld over het enorme verschil tussen de verwachting en de realiteit. Hij realiseert zich dat de hoge berg, die hem beloofd was, niets anders was dan een dunne haar van plezier.

De rechtvaardigen wisten de jétser hara’ in het stadium van de bergenhoge verwachting te overwinnen, en dit is hoe zij hem zien, nu zij vol tranen zich herinneren hoe moeilijk het was voor hen om de ver-leiding te weerstaan. De booswicht echter, volgde de jétser hara’ tot het laatste stadium en zag zijn bergenhoge verwachting gereduceerd tot een haar-dunne illusie. Zij huilen als zij zich realiseren dat zij hun eeuwige beloning verspeeld hebben voor niets meer dan een haardunne bevrediging in deze wereld.