Home Archief  
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 196 Parasjat Bereisjiet  29 Tisjri 5767

 20/21 okober 2006

 

Overzicht Parasjat Bereisjiet (Genesis 1:1-6:8)

I

n het begin schiep Hasjem heel het universum uit het niets, met inbegrip van de tijd zelf. Dit scheppingsproces duurde zes dagen. Op de zevende dag, rustte Hasjem uit, en daarmee liet Hij de Sjabbat ont­staan, die tot op heden elke zevende dag bij ons terugkomt. Adam en Chawa — de eerste mensen — worden in de Hof van Eden geplaatst. Chawa wordt verleid door de slang om van de verboden vrucht van de „Boom der Kennis van Goed en Kwaad” te eten, en zij geeft op haar beurt de vrucht aan Adam. Door te zondigen kunnen Adam en Chawa niet meer in dit spirituele Paradijs van Eden blijven en zij worden eruit verbannen. De dood en hard werk (zowel fysiek als geestelijk) doen nu hun intrede in de wereld, te samen met de pijn die de vrouw lijdt als zij een kind baart. Kaïn en Hevel, de eerste twee kinde­ren van Adam en Chawa, brengen offers aan Hasjem. Hevel geeft het fijnste van zijn kleinvee, en zijn offer wordt geaccep­teerd. Maar Kaïn gebruikt inferieure producten van zijn landbouwop-brengst, en zijn offer wordt geweigerd. Kaïn is nu jaloers op zijn broer Hevel en in de daaropvolgende strijd doodt Kaïn Hevel. Hasjem veroordeelt hem om over de wereld rond te zwerven. De Tora noemt nu de genealogische afstam­melingen van de andere kinderen van Adam en Chawa en van Kaïn op, tot de geboorte van Noach. Na de dood van Sjet vervalt de mensheid tot slechtheid, en Hasjem besluit dat Hij de mensheid wil uitroeien in een vloed, die de hele wereld zal overstromen. Echter één man, Noach, vindt gunst in de ogen van Hasjem.

Door Ohr Somayach in Jeruzalem, Israël

©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden

UIT  MIDRASJ  BEREISJIET  RABBA

Waarom begint Tora met de letter á Beit van Bereisjiet – in plaats van met de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet, de Alef?

De Midrasj geeft verschillende antwoorden:

Ø      Om ons te leren dat er twee werelden zijn [deze wereld en de Komende Wereld] de letter Beit heeft de numerieke waarde van 2].

Ø      Omdat dit een zegen [Beracha] suggereert. En waarom begint Tora niet met een Alef? Omdat de Alef de eerste letter van het woord Aroer [vervloekt] is en dan zouden de heidenen zeggen dat de wereld geschapen is om te vervloeken.

Ø      Een andere verklaring: zoals de Beit twee projectiepunten heeft, een die naar boven wijst en een die naar achteren wijst. En als men vraagt: Wie heeft je geschapen?”, dan wijst de voorste punt naar boven, als om te zeggen: „Hij die daarboven is heeft mij geschapen.” En als men vraagt: „Hoe heet Hij die je geschapen heeft?” dan wijst de andere punt naar achteren, als om te zeggen: „Hij wiens Naam met een Alef begint (de letter vóór de Beit),” namelijk Adon-ai.

 Vierentwintig generaties klaagde de Alef dat Tora niet met haar begint. Toen trooste Hasjem haar met de belofte dat Hij de Tien Geboden zou beginnen met de letter AlefAnochi [Ik] en ten slotte werd de wereld alleen maar geschapen voor Tora.

Het licht van de Masjiach

De aarde was woest en leeg met duisternis boven het oppervlak van de afgrond, en de Geest van G-d zweefde over het oppervlak van het water. G-d zei:„Laat er licht zijn,” en er was licht.

Het verhaal van de Schepping heeft betrekking op het Beit HaMikdasj. De Tora profeteert de verwoesting van Het Beit HaMikdasj met de woorden: „De aarde was woest en leeg.” Alle eeuwen na de Verwoes-ting zal het Land leeg en verlaten zijn. De G-ddelijke Aanwezigheid zal uit ons midden verdwijnen. „De Geest van G-d zweefde over het oppervlak van het water.” Deze woorden verzekeren ons echter, dat zelfs na de Verwoesting de Tora bij ons blijft. Ten slotte vertelt Tora ons: G-d zei:„Laat er licht zijn,” om ons te onthullen dat G-d uiteindelijk Israël zal verlichten met het Licht van de Masjiach, over wie geschreven staat (Jesjajahoe 60:1): „Sta op, schijn, want uw licht is gekomen.” Dit licht is natuurlijk de Masjiach.


Uit de schatkamer van chassidische verhalen

Het Leven van een Enkel Mens

Adam was alleen om deze reden geschapen: om ons te leren dat ieder die het leven van één Jood redt, dat wordt gerekend alsof hij de hele wereld gered heeft (Talmoed, Traktaat Sanhedrin).

Een kinderloze dorpeling reisde eens met zijn vrouw om Reb Jisrael, de Maggid van Koznitz te bezoeken, om hem te vragen of hij voor hen wilde bidden en hen zijn zegen wilde geven, dat zij een kind zouden krijgen. De Maggid zegende hen en na verloop van tijd beviel de vrouw van een zoon. Enige tijd later echter werd de baby ernstig ziek, zodat de echtgenoot, op verzoek van de moeder nogmaals op reis ging naar Koznitz.

De Maggid gaf hem zijn zegen voor een spoedig herstel, en zond de man terug naar huis. Maar in plaats van te herstellen werd het kind met de dag zwakker, en de radeloze moeder durfde nauwelijks zijn bed te verlaten.

Op een dag, toen zij uitgeput was ingedut op haar gewone plaats naast het bed, werd zij wakkeer en zag een soldaat over de wieg gebogen staan, die haar baby uit een fles die hij vasthield, met een lepeltje te drinken gaf. Zij schreeuwde alarm en de soldaat ging er vandoor. Vanaf dat moment echter knapte het kind op en hij herstelde volledig. De ouders waren overgelukkig, dat is zeker, maar tegelijkertijd werden zij achtervolgd door angst. Wie weet – misschien was die soldaat een tovenaar of een kwade geest? Dus gingen zij nogmaals op reis naar Koznitz en de Maggid verzekerde hen dat er geen reden was tot onge-rustheid.

Zodra zij waren vertrokken riep de Maggid zijn assistent bij zich en gaf hem zijn staf en zond hem daarmee naar de plaatselijke begraafplaats. Daar moest hij op het graf van een bepaalde soldaat met de staf slaan en die vertellen dat de Maggid hem wilde spreken. De sjammes deed zoals hem gezegd was, en spoedig daarop vroeg de Maggid aan de soldaat: „Wie heeft jou tot kinderarts gemaakt?”

Hierop vertelde de soldaat het volgende verhaal: „Toen ik werd weggehaald voor de militaire dienst, mengde ik mij met de niet-Joden en gedroeg mij als een van hen, totdat er ten slotte bijna geen verschil meer was tussen hen en mij, behalve dat ik bleek te boek te staan als Jood.

„Het gebeurde eens, dat toen wij vrijaf hadden en ik aan de wandel was met mijn kameraden, wij een arme Jood tegen kwamen, die van een nabij gelegen dorp op weg naar huis was. De soldaten vielen hem van alle kanten aan, doorzochten zijn zakken, en beroofden hem van 75 roebel. Daarna, om er zeker van te zijn dat hij nimmer de kans zou krijgen om dat aan onze commantdant te rapporteren, hingen zij hem op aan de dichtst bijzijnde boom en daarna gingen zij er vandoor. De Joodse vonk in mij vlamde op en ik voelde medelijden met die arme duvel. Ik sloop stieken weg van mijn eenheid en met mijn zakmes sneed ik zijn strop door. Hij ademde noch. Ik gaf hem 75 roebel uit mijn eigen zak en hij ging er gauw van door, naar huis, zo gelukkig als je je kunt voorstellen.

„Toen de soldaten, terug op de basis, werden opgeroepen voor de parade, was ik daar natuurlijk niet bij. De officier zond hen erop uit om mij te zoeken en zij vonden mij naast die boom staan. Toen zij zagen dat die arme Jood daar niet meer aan hing, begrepen zij wat ik gedaan had en om te voorkomen dat ik de hele gebeurtenis aan de officier zou vertellen, hingen zij mij aan diezelfde boom. Zij rapporteerden aan hun officier dat zij mij hangend aan die boom gevonden hadden en later begroeven zij mij op de begraafplaats van Koznitz.

„Nadat ik gestorven was, vond ik mijzelf terecht staan voor het Hemelse Gerechtshof. Zij zeiden dat zij mij niet rechtstreeks naar de Tuin van Eden konden sturen, omdat ik mijn hele leven gezondigd had. Maar zij konden mij ook niet naar die andere plaats sturen, omdat ik het leven van een mens gered had en wie het leven van één Jood redt, wordt beloond alsof hij de hele wereld gered heeft en dat gold voor mij speciaal, nu ik mijn eigen leven had gegeven voor deze mitswa. Daarom besloten zij mij opnieuw naar beneden te sturen als een kinderarts, en mij toestemming te geven om de levens van kleine kinderen te redden, wanneer hun situatie hopeloos is.”

¯ ¯ ¯

Dit verhaal werd verteld door Reb Jechiël Meïr van Gostynin, die daar aan toe plachtte te voegen: „We kunnen dan expert zijn in de schatting van de waarde van goud, zilver en edelstenen – maar om de ware waarde van een Jood te waarderen, dat ligt ver, ver buiten ons vermogen.”

DE MITSWOT VAN DE WEEK

Overgenomen uit Sefer haMitswot hakatsar van de Chafeets Chaïm. [Wat tussen rechte haken staat, is door de samensteller toegevoegd.]

Verbod nr. 101, 102 en 103

Het is verboden brood te eten van de nieuw graanoogst voordat de Omer geofferd is [die in het Heiligdom gebracht werd]. Het is ook verboden om graankorrels van een van de vijf graansoorten van het nieuwe graan te eten, die in het vuur geroosterd werden, vóór het Omer-offer. En het is ook verboden om met de hand fijn gewreven graankorrels te eten van het nieuwe graan vóór het Omer-offer, ook als ze niet geroosterd zijn,

zoals er geschreven staat: (Wajjikra23:14): „En brood of geroosterde of verse graankorrels zul je niet eten tot op deze zelfde dag dat je het offer voor je G-d gebracht heb.” Dit alles geldt alleen voor de vijf graansoorten, te weten: tarwe, gerst, spelt, haver en rogge. Als iemand een kezajit brood eet of geroos-terde graankorrels of verse graankorrels [de hoeveelheid van een olijfgrootte] van elk, dan overtreedt hij drie verboden. Wanneer het Heiligdom bestaat is het verboden van het nieuwe graan te eten tot het Omer-offer op de zestiende Nissan gebracht is. Wanneer de Tempel niet bestaat, is het de hele dag van de zes-iende verboden en in de diaspora, waar twee dagen Pesach worden gevierd, is het door de Rabbijnen tot en met de hele 17e Nissan verboden. Zolang geplant graan wortel geschoten heeft vóór de Omer, maakt de Omer dat het is toegestaan, ook al wordt het pas rijp na de Omer.

Het verbod op nieuw graan geldt overal, en geldt voor zowel mannen als vrouwen.

Sommige Risjoniem beweren dat de wet op het nieuwe graan buiten Israel alleen een verbod van de Geleerden is, als een beschermende maatregel en dat het alleen maar geldt in de gebieden die aan het Land Israel grenzen. Daardoor zijn de meeste Joden hier niet zorgvuldig in. Maar wie zorgvuldig met de mitswot is, volgt die autoriteiten die menen dat het een verbod van Tora is, in elk opzicht.