Overzicht
Parasjat
Bereisjiet
(Genesis 1:1-6:8)
n het
begin schiep Hasjem heel het universum uit het niets, met inbegrip
van de tijd zelf. Dit scheppingsproces duurde zes dagen. Op de
zevende dag, rustte Hasjem uit, en daarmee liet Hij de Sjabbat
ontstaan, die tot op heden elke zevende dag bij ons terugkomt. Adam
en Chawa — de eerste mensen — worden in de Hof van Eden geplaatst.
Chawa wordt verleid door de slang om van de verboden vrucht van de
„Boom der Kennis van Goed en Kwaad” te eten, en zij geeft op haar
beurt de vrucht aan Adam. Door te zondigen kunnen Adam en Chawa niet
meer in dit spirituele Paradijs van Eden blijven en zij worden eruit
verbannen. De dood en hard werk (zowel fysiek als geestelijk) doen
nu hun intrede in de wereld, te samen met de pijn die de vrouw lijdt
als zij een kind baart. Kaïn en Hevel, de eerste twee kinderen van
Adam en Chawa, brengen offers aan Hasjem. Hevel geeft het fijnste
van zijn kleinvee, en zijn offer wordt geaccepteerd. Maar Kaïn
gebruikt inferieure producten van zijn landbouwop-brengst,
en zijn offer wordt geweigerd. Kaïn is nu jaloers op zijn broer
Hevel en in de daaropvolgende strijd doodt Kaïn Hevel. Hasjem
veroordeelt hem om over de wereld rond te zwerven. De Tora noemt nu
de genealogische afstammelingen van de andere kinderen van Adam en
Chawa en van Kaïn op, tot de geboorte van Noach. Na de dood van Sjet
vervalt de mensheid tot slechtheid, en Hasjem besluit dat Hij de
mensheid wil uitroeien in een vloed, die de hele wereld zal
overstromen. Echter één man, Noach, vindt gunst in de ogen van
Hasjem.
©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden
UIT MIDRASJ BEREISJIET
RABBA
Waarom begint Tora met de letter
á
– Beit van Bereisjiet
– in plaats van met de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet,
de Alef?
De Midrasj geeft verschillende
antwoorden:
Ø
Om ons te leren dat er twee
werelden zijn [deze wereld en de Komende Wereld] de letter Beit
heeft de numerieke waarde van 2].
Ø
Omdat dit een zegen [Beracha]
suggereert. En waarom begint Tora niet met een Alef? Omdat de
Alef de eerste letter van het woord Aroer
[vervloekt] is en dan zouden de heidenen zeggen dat de wereld
geschapen is om te vervloeken.
Ø
Een andere verklaring: zoals
de Beit twee projectiepunten heeft, een die naar boven wijst
en een die naar achteren wijst. En
als men vraagt: „Wie
heeft je geschapen?”, dan wijst de voorste punt naar boven, als om te
zeggen: „Hij die daarboven is heeft mij geschapen.” En als men vraagt:
„Hoe heet Hij die je geschapen heeft?” dan wijst de andere punt naar
achteren, als om te zeggen: „Hij wiens Naam met een Alef begint
(de letter vóór de Beit),” namelijk Adon-ai.
Vierentwintig generaties klaagde de Alef dat
Tora niet met haar begint. Toen trooste Hasjem haar met de belofte dat
Hij de Tien Geboden zou beginnen met de letter Alef – Anochi
[Ik] en ten slotte werd de wereld alleen maar geschapen voor Tora.
Het licht van de Masjiach
De aarde was woest en leeg met duisternis boven het
oppervlak van de afgrond, en de Geest van G-d zweefde over het
oppervlak van het water. G-d zei:„Laat
er licht zijn,” en er was licht.
Het verhaal van de Schepping heeft betrekking op het
Beit HaMikdasj. De Tora profeteert de verwoesting van Het
Beit HaMikdasj met de woorden: „De aarde was woest en leeg.”
Alle eeuwen na de Verwoes-ting zal het Land
leeg en verlaten zijn. De G-ddelijke Aanwezigheid zal uit ons midden
verdwijnen. „De Geest van G-d zweefde over
het oppervlak van het water.” Deze woorden
verzekeren ons echter, dat zelfs na de Verwoesting de Tora bij ons
blijft. Ten slotte vertelt Tora ons: G-d zei:„Laat er licht zijn,”
om ons te onthullen dat G-d uiteindelijk Israël zal verlichten met het
Licht van de Masjiach, over wie geschreven staat (Jesjajahoe
60:1): „Sta op, schijn, want uw licht is gekomen.” Dit licht is
natuurlijk de Masjiach.
Uit de schatkamer van chassidische verhalen
Het Leven van een Enkel Mens
Adam was alleen om deze reden
geschapen: om ons te leren dat ieder die het leven van één Jood redt,
dat wordt gerekend alsof hij de hele wereld gered heeft (Talmoed,
Traktaat Sanhedrin).
Een kinderloze dorpeling reisde
eens met zijn vrouw om Reb Jisrael, de Maggid van Koznitz te bezoeken,
om hem te vragen of hij voor hen wilde bidden en hen zijn zegen wilde
geven, dat zij een kind zouden krijgen. De Maggid zegende hen en na
verloop van tijd beviel de vrouw van een zoon. Enige tijd later echter
werd de baby ernstig ziek, zodat de echtgenoot, op verzoek van de
moeder nogmaals op reis ging naar Koznitz.
De Maggid gaf hem zijn zegen voor
een spoedig herstel, en zond de man terug naar huis. Maar in plaats
van te herstellen werd het kind met de dag zwakker, en de radeloze
moeder durfde nauwelijks zijn bed te verlaten.
Op een dag, toen zij uitgeput was
ingedut op haar gewone plaats naast het bed, werd zij wakkeer en zag
een soldaat over de wieg gebogen staan, die haar baby uit een fles die
hij vasthield, met een lepeltje te drinken gaf. Zij schreeuwde alarm
en de soldaat ging er vandoor. Vanaf dat moment echter knapte het kind
op en hij herstelde volledig. De ouders waren overgelukkig, dat is
zeker, maar tegelijkertijd werden zij achtervolgd door angst. Wie weet
– misschien was die soldaat een tovenaar of een kwade geest? Dus
gingen zij nogmaals op reis naar Koznitz en de Maggid verzekerde hen
dat er geen reden was tot onge-rustheid.
Zodra zij waren vertrokken riep
de Maggid zijn assistent bij zich en gaf hem zijn staf en zond hem
daarmee naar de plaatselijke begraafplaats. Daar moest hij op het graf
van een bepaalde soldaat met de staf slaan en die vertellen dat de
Maggid hem wilde spreken. De sjammes deed zoals hem gezegd was,
en spoedig daarop vroeg de Maggid aan de soldaat: „Wie heeft jou tot
kinderarts gemaakt?”
Hierop vertelde de soldaat het
volgende verhaal: „Toen ik werd weggehaald voor de militaire dienst,
mengde ik mij met de niet-Joden en gedroeg mij als een van hen, totdat
er ten slotte bijna geen verschil meer was tussen hen en mij, behalve
dat ik bleek te boek te staan als Jood.
„Het gebeurde eens, dat toen wij
vrijaf hadden en ik aan de wandel was met mijn kameraden, wij een arme
Jood tegen kwamen, die van een nabij gelegen dorp op weg naar huis
was. De soldaten vielen hem van alle kanten aan, doorzochten zijn
zakken, en beroofden hem van 75 roebel. Daarna, om er zeker van te
zijn dat hij nimmer de kans zou krijgen om dat aan onze commantdant te
rapporteren, hingen zij hem op aan de dichtst bijzijnde boom en daarna
gingen zij er vandoor. De Joodse vonk in mij vlamde op en ik voelde
medelijden met die arme duvel. Ik sloop stieken weg van mijn eenheid
en met mijn zakmes sneed ik zijn strop door. Hij ademde noch. Ik gaf
hem 75 roebel uit mijn eigen zak en hij ging er gauw van door, naar
huis, zo gelukkig als je je kunt voorstellen.
„Toen de soldaten, terug op de
basis, werden opgeroepen voor de parade, was ik daar natuurlijk niet
bij. De officier zond hen erop uit om mij te zoeken en zij vonden mij
naast die boom staan. Toen zij zagen dat die arme Jood daar niet meer
aan hing, begrepen zij wat ik gedaan had en om te voorkomen dat ik de
hele gebeurtenis aan de officier zou vertellen, hingen zij mij aan
diezelfde boom. Zij rapporteerden aan hun officier dat zij mij hangend
aan die boom gevonden hadden en later begroeven zij mij op de
begraafplaats van Koznitz.
„Nadat ik gestorven was, vond ik
mijzelf terecht staan voor het Hemelse Gerechtshof. Zij zeiden dat zij
mij niet rechtstreeks naar de Tuin van Eden konden sturen, omdat ik
mijn hele leven gezondigd had. Maar zij konden mij ook niet naar die
andere plaats sturen, omdat ik het leven van een mens gered had en wie
het leven van één Jood redt, wordt beloond alsof hij de hele wereld
gered heeft en dat gold voor mij speciaal, nu ik mijn eigen leven had
gegeven voor deze mitswa. Daarom besloten zij mij opnieuw naar beneden
te sturen als een kinderarts, en mij toestemming te geven om de levens
van kleine kinderen te redden, wanneer hun situatie hopeloos is.”
¯
¯
¯
Dit verhaal werd verteld door Reb
Jechiël Meïr van Gostynin, die daar aan toe plachtte te voegen: „We
kunnen dan expert zijn in de schatting van de waarde van goud, zilver
en edelstenen – maar om de ware waarde van een Jood te waarderen, dat
ligt ver, ver buiten ons vermogen.”

DE MITSWOT VAN DE WEEK
Overgenomen uit Sefer haMitswot hakatsar van de
Chafeets Chaïm. [Wat tussen rechte haken staat, is door de
samensteller toegevoegd.]
Verbod nr. 101, 102 en 103
Het is verboden brood te eten van de nieuw
graanoogst voordat de Omer geofferd is [die in het Heiligdom gebracht
werd]. Het is ook verboden om graankorrels van een van de vijf
graansoorten van het nieuwe graan te eten, die in het vuur geroosterd
werden, vóór het Omer-offer. En het is ook verboden om met de hand
fijn gewreven graankorrels te eten van het nieuwe graan vóór het
Omer-offer, ook als ze niet geroosterd zijn,
zoals er geschreven staat: (Wajjikra23:14):
„En brood of geroosterde of verse graankorrels zul je niet eten tot op
deze zelfde dag dat je het offer voor je G-d gebracht heb.” Dit alles
geldt alleen voor de vijf graansoorten, te weten: tarwe, gerst, spelt,
haver en rogge. Als iemand een kezajit brood eet of geroos-terde
graankorrels of verse graankorrels [de hoeveelheid van een
olijfgrootte] van elk, dan overtreedt hij drie verboden. Wanneer het
Heiligdom bestaat is het verboden van het nieuwe graan te eten tot het
Omer-offer op de zestiende Nissan gebracht is. Wanneer de Tempel niet
bestaat, is het de hele dag van de zes-iende
verboden en in de diaspora, waar twee dagen Pesach worden gevierd, is
het door de Rabbijnen tot en met de hele 17e Nissan verboden. Zolang
geplant graan wortel geschoten heeft vóór de Omer, maakt de Omer dat
het is toegestaan, ook al wordt het pas rijp na de Omer.
Het verbod op nieuw graan geldt overal, en geldt voor
zowel mannen als vrouwen.
Sommige Risjoniem beweren dat de wet op het
nieuwe graan buiten Israel alleen een verbod van de Geleerden is, als
een beschermende maatregel en dat het alleen maar geldt in de gebieden
die aan het Land Israel grenzen. Daardoor zijn de meeste Joden hier
niet zorgvuldig in. Maar wie zorgvuldig met de mitswot is, volgt die
autoriteiten die menen dat het een verbod van Tora is, in elk opzicht.
|