Home Archief Aanmelden
SJABBAT SJALOM
Sjabbat Weekblad voor Nederland
Nr. 81 Parasjat Wajjesjev 25 kislev 5764

 
Chanoeka begint deze vrijdag avond met het aan­steken van het eerste Chanoeka-lichtje, voordat men de Sjabbatlichten aansteekt. Het moet minstens een half uur blijven branden tot na nacht.

Chanoeka Sameach

Overzicht Parasjat Wajjesjev

Ja’akov vestigt zich in het land Kena’an. Zijn lievelingszoon Joseef brengt hem onrustbarende berichten over zijn broers. Ja’akov maakt voor Joseef een mooi kledingstuk met veelkleurige strepen. Joseef wakkert de haat van zijn broeders nog verder aan door hen te vertellen over zijn profetische dromen – korenschoven die zich voor zijn schoof buigen, en de zon, de maan en de sterren die voor hem buigen – ze zijn een aanwijzing dat zijn familie hem tot koning zal benoemen. De broeders beschuldigen Joseef van ursupatie en besluiten hem te exe­cu­teren. Wanneer Joseef in Sjechem aankomt, waar zijn broers de kud­den weiden, besluiten zij hem, op aanwijzing van Reoeween, niet te doden maar hem in een put te werpen. Het was Reoeweens bedoeling Joseef te redden. Jehoeda overreedt vervolgens de broers om Joseef uit de put te halen en hem te verkopen aan een karavaan voorbijrij­den­de Ismaëlieten. Reoeween komt terug naar de put en vindt die leeg. Hij verscheurt van smart zijn kleren. De broers hebben het kledingstuk van Joseef in het bloed van een geslacht geitje gedoopt en tonen dat aan Ja’akov, die veronderstelt dat Joseef verscheurd is door een wild beest. Ja’akov is ontroostbaar. Intussen is Joseef in Egypte verkocht aan Potifar, de commandant van de lijfwacht van Par’o. Een apart hoofd­stuk in de parasja is gewijd aan Jehoeda, wiens zoon Er voor straf sterft omdat hij weigert zijn vrouw Tamar zwanger te maken. Onan, Jehoeda’s tweede zoon trouwt met Tamar in een zwagerhuwelijk. Hij wordt onder vergelijkbare omstandigheden gedood. Wanneer de vrouw van Jehoe­da overlijdt, probeert Tamar kinderen te krijgen van Jehoeda, omdat zij weet dat uit haar nakome­lingen via de lijn van Jehoeda en de dynastie van David de masjiach  zal voortkomen. Intussen stijgt Joseef in macht in het huis van zijn meester in Egypte. Zijn buitengewone schoonheid trekt ongewild de aandacht van de vrouw van zijn meester. Woedend als hij haar avances verwerpt, beschuldigt zij Joseef ervan geprobeerd te hebben haar te verleiden. Joseef wordt in de gevangenis gegooid. In de gevangenis voorspelt Joseef met succes de droom van de opper­schenker van Par’o, die in ere hersteld wordt, en de droom van de chef-kok van Par’o die wordt opgehangen. Ondanks diens belofte, ver­geet de opperschenker Joseef te helpen, en Joseef moet in de gevan­genis blijven zitten.

Met toestemming vertaald uit Torah Weekly van Ohr Somayach in Jerusalem, Israel

©1998 Ohr Somayach International - All rights reserved.


Inzicht in de parasja

„Waarom zijn jullie zo ter neergeslagen vandaag?” (Beresjiet 40:7)

Joseef zat al tien jaar in een onderaardse gevangenis voor een misdaad die hij niet begaan had. Dan komen er twee bedienden van Par’o die diens ongenoegen op de hals gehaald hebben en na twee jaar hebben zij dezelf­de, onrustbarende droom. Na te zijn verkocht door zijn broers en na twaalf jaar onschuldige gevangenisstraf had Joseef nog steeds de veerkracht om belangstellend te vragen naar het wel en wee van twee medegevan­ge­nen. Dankzij zijn belangstelling vertelden zij hun droom aan Joseef en vertelde de opperschenker later aan Par’o dat Joseef zo goed dromen kon uitleggen, en daardoor werd Joseef uit de gevangenis verlost. En daar­door veranderde de geschiedenis van de Joden. Hoe belangrijk kan een beetje belangstelling voor anderen zijn!


Chanoeka: Licht in de Duisternis

De Chanoeka kaarsen steken wij aan als het don­ker wordt. Oorspronkelijk was het  de bedoe­ling om de kaarsen aan te steken aan de buitenkant van de voordeur links, in het open-bare domein. In Je­ru­zalem, worden de lichten nog steeds geplaatst in een speciale glazen doos aan de buitenkant, links van de voordeur. Buiten Israël, gezien het Joodse volk tussen andere volkeren woont en men nega­tieve reacties vreest, is het niet meer de gewoonte om de kaarsen op straat aan te steken. Echter, door de kaarsen bij het voorraam aan te steken, zoals in Holland de gewoonte is, blijft de geest van dit principe gehandhaafd.

Wij steken dus aan in de duisternis en in  of naast het openbare domein. Oorspronkelijk stak men ook aan de linkerkant van de voordeur aan. Deze drie concepten van duisternis, openbare domein en links hebben een duidelijke binding met Chanoeka.

Duisternis

De Talmoed vertelt ons dat de Grieken “de ogen van het Joodse volk verduisterden.” De Griekse filosofie trok veel Joden aan. Deze Joden, die Hel­le­nisten genoemd werden, waren door de duister­nis van de ballingschap „verblind” en probeerden ook de andere Joden te overtuigen van de toen „moderne” Griekse waarden. Door aan te steken als het donker wordt laten wij zien dat de meest duistere balling-schap het Joodse licht niet kan doven.

Het openbare domein

Het openbare domein heet in het Hebreeuws, resjoet harabiem; letterlijk vertaald, domein van de velen. Privé domein heet dan ook resjoet hajachied; letterlijk, domein van de ene.

De Grieken probeerden G-d te beperken. Hun eigen goden waren namelijk ook door menselijke eigenschappen begrensd. De vele goden  hadden ook elk hun eigen domein, waarin elk zijn eigen macht kon uitoefenen. De Griekse godsdienst was over meerdere domeinen verdeeld.

Ons Joodse huis kunnen wij maken tot  een domein van de Ene – G-d, door er voor te zorgen dat G-d zich bij ons, als het ware, thuis voelt (denk bijv. aan een mezoeza aan elke deurpost, een kosjere keuken, sjabbat kaarsen enz…)

Echter, als wij kijken naar de buitenwereld, naar het openbare domein, zien wij  een meervoudig­heid van verschillende meningen. Wij worden overspoeld met allerlei ideeën, filosofieën en levens­opvattingen, die ook nog eens met de regelmaat van de klok steeds veranderen. Daardoor kunnen wij denken dat het  buiten niet het domein van de Een is, maar domein van de velen en domein van de meervoudigheid. Toch zijn wij kennelijk in staat d.m.v. de Chanoeka lichtjes bij het raam om in dat openbare domein, buiten ons Joodse huis een spirituele licht te laten schijnen om te laten zien dat zelfs buiten ons Joods huis het tevens domein van de Ene – G-d kan zijn.

Aan de linkerkant

Rechts symboliseert openbaring, geven, en goed­heid. Daartegenover symboliseert links, gebrek aan openbaring en strengheid. De mezoeza die aan de rechterkant van de deur hangt, symboliseert het aspect  van ons leven dat spiritueel is. De linker­kant symboliseert de aspecten die op het eerste gezicht geen Joodse geest bevatten. Toch kunnen wij ook aan deze linkerkant een positieve draai geven; door de kaarsjes aan de linkerkant te zet­ten, laten wij het Joodse licht zelfs naar de buiten aspecten toe schijnen.

Zoals wij elke avond één lichtje toevoegen, zo ook hopen wij dat onze spirituele krachten steeds zullen toenemen, zo sterk dat zij zelfs aan het materiële een extra dimensie kunnen geven.

Met wensen voor een Chanoeka vol met Joods licht,

 

Rabbijn A.L. Heintz


HET VERBAND MET DE HAFTARA

Deze week lezen wij als Haftara: Zecharia 2:14 - 4:7.

De gewone haftara voor Parasjat Wajjesjev is van de profeet Amos, waar de verkoop van Joseef door zijn broers wordt aangehaald. Deze week echter lezen wij een speciale haftara, ter ere van  Chanoekah.

Deze haftara heeft het over de tijd toen de Menora van de Tweede Tempel werd geïnaugureerd. Er wordt aan de profeet Zecharia een visioen getoond van een gouden Menora, compleet met een kan vol olie en twee olijf­bomen, die de garantie geven dat de leverantie van olie nimmer zal ophouden. Een engel legt aan Zecharia uit dat het visioen het feit symboliseert dat Hasjem zorgt voor alles wat ieder mens nodig heeft.


De betekenis van Techelet
Dr. Baruch Sterman

Techelet, de antieke bijbelse blauwe kleurstof die de mantels van koningen, priesters en eenvoudige Joden versierde, raakte bijna 1300 jaar geleden verloren voor de wereld. Recente vooruitgang op het terrein van de archeologie, marine biologie en chemie, samen met intensief onderzoek van historische en talmoed-bronnen hebben de bron van de kleurstof geïdentificeerd als de slak Murex trunculus. De mitswa (Gebod) om een draad techelet te dragen wordt weer opnieuw vervuld door Joden.

Dit artikel vertelt over de herontdekking van techelet en onderzoekt de betekenis van de techelet in tsietsiet (rituele franjes), het doel en de betekenis ervan, volgens ver­schil­lende commentatoren en geleerden.    

Baruch Sterman werd geboren en groeide op in New Jersey. Hij studeerde aan Jesjivat Har Etsion, voltooide zijn studie in fysica aan de Yeshiva University, en behaalde het doctoraal diploma als electrisch ingenieur aan de Columbia University. Hij maakte alia [emigreerde naar Israël] in 1987 en behaalde daar een Doctoraat in de fysica aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Hij, zijn vrouw Judy, en hun vijf kinderen wonen in Efrat.

Dr. Sterman heeft een aantal patenten in laserontwerp op zijn naam staan en heeft uitgebreid ge­publiceerd op het gebied van laser fysica. Hij heeft ook artikelen gepubliceerd over onderwerpen die verband houden met godsdienst en wetenschap.

In 1991 richtte Dr. Sterman de P'til Techelet Association op, samen met Rabbi Eliyahu Tauger, Joel Guberman, en Ari Greenspan. De organisatie kocht techelet kleurstof van de Murex trunculus slak en bevorderde research en andere activiteiten die verband houden met techelet.  

Achtergrond

In vroeger tijden was de kuststreek van noord Israël en Libanon bekend om zijn kleurstoffen. De namen Kena’an en Foenicië komen uit de wereld van handelaren in kleurstoffen van schaaldieren.[1]  De Midrasj (verklarende literatuur op de Bijbel) merkt op dat toen Jacob tegen zijn zonen zei geschenken mee te nemen voor de onderkoning van Egypte „van het beste van het land” (Genesis 43:11) hij het o.a. had over de chilazon, de uit het zeediertje afkomstige blauwe kleurstof techelet.[2]   In de hele antieke wereld werden de mantels van koningen, prinsen en priesters versierd met het koninklijke blauw en het Tyrische, „karmozijn rood” (techelet en argaman). Ook in Israël werd techelet gebruikt voor de kleren van de Hoge Priester en in de kleren, gordijnen en de bedekkingen van het Misjkan (het heiligdom in de woestijn). Iedere Joodse man had een draad van techelet door de vier hoeken van zijn kleding, om hem te herinneren aan zijn status en verantwoordelijkheden.

De blauwe en purpere kleurstoffen, verkregen uit de klieren van slakjes, die gevonden werden in het Middenlandsezeegebied waren de meest kostbare handelswaar in deze regio. Wol dat met techelet geverfd was, was twintig maal zijn gewicht in goud waard,[3]  en er werden oorlogen gevoerd om vast te stellen wie de controle had over deze lucratieve handel. Veroveraars van Israël, van Sisera tot Nebuchadnetsar, van de Perzen tot de Romeinen, trachtten de handel in de kleurstof te beheersen. In de vierde eeuw na het begin van de Gewone Jaartelling [ndGJ] werd de privé handel in techelet en zelfs het dragen ervan beschouwd als een halsmisdaad.[4] 

Joden gingen door met het dragen van techelet tegen hoge kosten en zelfop­offering. De Talmoed vertelt over de gevaren van de handel in techelet in verhaalt over de twee studenten die gepakt werden bij de adelaar (het sym­bool voor Rome) toen zij techelet gesmokkeld hadden en op wonder­baarlijke wijze aan de dood ontsnapten.[5]  De prijs van techelet was prohibitief, en het was zó schaars dat de Talmoed sympathiek stond tegenover iemand die het niet kon verkrijgen; „de straf voor [het niet dragen] van wit [witte tsietsiet] is groter dan de straf voor het niet dragen van techelet.[6] 

Techelet werd aan het eind van de zesde eeuw ndGJ nog steeds van Israël naar Babylonië geëxporteerd, [7]  maar tegen het midden van de achtste eeuw jammert de Midrasj: „en nu hebben we geen techelet meer, maar alleen nog maar wit, want techelet is verborgen.[8]   Het verlies van de techelet in de zevende eeuw viel samen met een enorme opleving van de joodse gemeenscahp in Israël in die tijd. De Arabische verovering in 638 eindigde een oorlog die twintig jaar de regio geteisterd had, en gedurende welke periode de joden massaal ver­moord werden door de verschillende groeperingen. De Geoniem [de geleerden uit de tijd na de afsluiting van de Talmoed] durfden zich in feite niet meer te verlaten op de gewoonten van de Joden in Eerets Jisraël, omdat hun mishandelde ge­schiedenis niet betrouwbaar meer was voor de overlevering van de techelet frabricage. Het is dus geen verrassing dat de traditie en geheimen van de techelet kleurstof de onrust van die periode niet heb­ben overleefd. Niet alleen was de Joodse kleurstofindus­trie vernietigd, maar de associatie van de slak-kleurstof industrie met de Ro­mein­se bezetting gaf politieke betekenis aan de uitroeiing ervan door de in­val­lende Arabische legers. Binnen een paar eeuwen was het ambacht van de pro­ductie van kleurstoffen uit slakken voor de hele westerse wereld verloren gegaan.

Beschrijvingen van Techelet en de Chilazon

Joodse bronnen hebben een traditie onthouden, dat de bron van het techelet de chilazon is. Hoewel er enige verwarring bestaat over de exacte tint van de techelet,[9]  verdient het charmante, indien niet over­tuigende bewijs van één autoriteit vermeld te worden: „De eenvoudige traditie in heel Israël is be­waard gebleven in alle mondelingen en geschreven interpretaties in de lessen aan schoolkinderen: ...techelet … is hemelsblauw.[10]  Deze identificatie kan op een zorgvuldigere wijze worden weer­gegeven. De Talmoed vertelt op talrijke plaatsen dat techelet de kleur van de hemel (of de zee) heeft.[11]  De Septuaginta , de oudst bekende vertaling van de Tora, geeft techelet weer als iakinthos - blauw. De Babylonische geleerde Sa’adia (geboren in 882 ndGJ) vertaalt het als asma'ngon (als de kleur van de heldere hemel)[12] , en Maimonides (geboren in 1135) zegt: „Het is de kleur van de hemel, zoals die te zien is in de omgeving van de zon.[13] 

De Talmoed vemeldt dat ten gevolge van de extreme schaarste van techelet, hebzuchtige individuën een valse kleurstof fabriceerden: kala ilan, die verkregen werd uit een veel goedkopere plantaar­dige bron. Deze frauduleuze  imitatie geeft de meest directe demonstratie van de kleur van techelet. De Talmoed zegt dat het absoluut onmogelijk was verschil te zien tussen het echte techelet en kala ilan[14]  - dat consistent geïdentificeerd werd als indigo[15] - de kleur van de heldere hemel.

Misschien de meest belangrijke karakteristiek van de techelet kleurstof was dat het kleurvast was. Maimonides schrijft dat „de kleurstof bekend staat om zijn kleurvaste schoonheid, die niet vervaagt.[16] 

De Joodse traditie beschrijft ook de bron van de techelet: een organisme uit de zee, chilazon ge­naamd. Men moet oppassen dat men niet  „alle referenties aan de chilazon exclusief toe­past op de techelet chilazon.[17]  Inderdaad wordt het woord chilazon in modern Hebreeuws ge­bruikt voor allerlei soorten slakken, zowel land- als zeeslakken. Niettemin, kan een betrouwbaar portret van de techelet-producerende chilazon worden getekend.

De chilazon werd gevonden langs de noordelijke kust van Israël,[18]  het had een schaal,[19]  en de kleurstof moest er uitgehaald worden terwijl het nog leefde.[20]   Zijn kleur was gelijk aan die van de zee,[21]  het „kwam periodiek op”,[22]   en zijn voortplanting was gelijk aan die van een vis.[23]  Een belangrijke bron citeert de Jeruzalem Talmoed, waar techelet vertaald wordt met het woord porphiron,[24]  de Griekse en Latijnse naam voor slakken van het geslacht Murex.

Antieke seculiere geleerden schrijven uitgebreid over purpere en blauwe kleurstoffen. Pliny[25]  en Aristo­teles[26]  beschrijven de slakken, hoe en waar ze werden gevonden en hoe de kleurstof er uit werd verkregen. Vitruvius vertelt dat er een verband bestaat tussen de verschillende kleuren (purper en blauw) die verkregen kunnen worden uit de slakken onder verschillende graden zonlicht waaraan zij wor­den blootgesteld. „Want het levert overal dezelfde kleur op, maar het wordt gemodificeerd door de stand van de zon.... Wanneer we gaan tussen het noorden en het zuiden, wordt het lood-blauw.[27]  Geleerden hebben deze schelpdieren met zekerheid geïdentificeerd (purpurae en bucinae in Pliny's terminolo­gie) met de weekdieren Murex trunculus, Murex brenaris, en Thais haemastoma.

De speurtocht naar Techelet

In het midden van de negentiende eeuw begon het onderwerp van techelet opnieuw naar boven te komen onder Joodse schrijvers. (Opgemerkt dient te worden dat het seculiere onderzoek naar dit onderwerp nog onbekend was bij de rabbijnse gemeenschap.) Samen met de vernieuwde Messiaanse interesse en problemen betreffende de herbouw van de Tempel, werd het probleem van hoe de kleren van de priesters gemaakt konden worden zonder techelet, manifest. Rabbijn Baruch Isaac Lipshuets suggereert dat voor de priester­kleren techelet van de authentieke chilazon niet essentiëel was, maar dat iedere kleurstof met de juiste kleur, mits maar van permanente kwaliteit, als techelet beschouwd kon worden.[28]   De grote chassidische Rebbe, Rabbijn Gershon Henoch Leiner uit Radzyn, accepteerde deze mening niet, en, geconfronteerd met het obstakel, die de afwezigheid van techelet voor de herbouw van de Tempel vormde, nam hij op zich om de sinds lang verloren chilazon terug te vinden. Rabbijn Leiner schreef een korte monografie, Sfuney Tmuney Hol, waarin hij zijn plannen uiteenzette en hij opende er een algemene inleidende discussie in over onder­werpen betreffende de chilazon. Hij had gehoord dat de beschrijving van het dier paste bij een bepaald type  inktvis, Sepia officinalis, en hij ging op weg naar het grote aquarium in Napels om de zaak nader te bestu­deren. Hij raakte ervan overtuigd dat sepia inderdaad geïdentificeerd kon worden met de bron van techelet, maar hij was niet in staat de kleurstof van de zwarte vloeistof van de inktvis te scheiden. Herzog veronderstelt dat de Radzyner Rebbe plaatselijke scheikundigen raadpleegde, die hem toonden hoe de zwarte inkt te verande­ren was in blauw. Met dit recept in de hand keerde Rabbi Leiner terug naar Radzyn, opende een kleurstoffen fabriek, en binnen een jaar droegen 10.000 van zijn volgelingen blauwe draden aan hun kleren.

De nieuwe techelet werd niet algemeen geaccepteerd door de rabbijnse wereld. De Radzyner rebbe schreef er nog twee boeken over, Ptil Techelet en Ein HaTechelet, om zijn ideeën nader te verklaren en om de oppositie van andere rabbijnen te weerleggen. Deze boeken staan nog steeds bekend als de definitieve werken over het onderwerp en vormen de halachische grondslag voor iedere discussie over het onderwerp.

Intussen ging de seculiere wereld ook door met het zoeken naar de antieke kleurstof. Het apocryfe verhaal over de herontdekking van de oude slakken laat de Franse zoöloog Henri de Lacaze-Duthiers in 1858 zeilen van de haven Mahon op Majorca, waar hij opmerkte hoe vissers gele strepen op hun kleren verfden met het sap van een slak die hij zojuist had opengebroken. De vlekken veranderden spoedig in rood in het zonlicht, en de geleerde realiseerde zich dat het schaaldier Thais Haemastoma de bron was voor het antieke Tyreense purper.[29]  Lacaze-Duthiers identificeerde vervolgens drie weekdieren in de Middellandsezee die kleur­stoffen produceerden: Murex brenaris, Thais haemastoma, en Murex trunculus.[30]  In 1909 identificeerde de Duitse scheikundige Paul Friedländer de chemische structuur van de purpere kleurstof als di-bromo-indigo, en in later werk van hem en van anderen werd aangetoond dat dit het voornaamste component was van de Mediter­rane species, zowel als van andere weekdieren elders op de wereld.[31] 

Terug naar de Joodse wereld. In 1913 zond Rabbijn Isaac Herzog, de toenmalige Opperrabbijn van Dublin en later de eerste Opperrabbijn van de Staat Israël, als onderdeel van een onderzoek voor zijn doctoraal proefschrift, monsters van Radzyn techelet naar vooraanstaande scheikundigen en kleurstofspecialisten in Duitsland, Frankrijk en Engeland voor nadere analyse. De resultaten die hij verkreeg waren verbazingwek­kend. De experts stelden vast dat de blauwe kleurstof van Radzyn niet organisch van oorsprong was, maar een anorganische kleurstof, bekend als Pruisisch blauw – ferri-ferrocyanide. Herzog weigerde te geloven dat de Radzyner Rebbe moedwillig zijn volgelingen misleid had en schreef naar de verfmeesters van Radzyn en vroeg hun naar hun werkwijze. Bij nader onderzoek werd de oplossing van het raadsel duidelijk. Het Radzyn recept vereiste de verhitting van de inktvis-inkt tot zeer hoge temperaturen, waarna er ijzervijlsel aan werd toegevoegd. Onder deze omstandigheden worden de organische moleculen afgebroken en de  vrijkomende carbon en nitrogen atomen verbinden zich met het ijzer en dat levert het Pruisisch blauw op. De inkt van de inktvis is geen essentiëel onderdeel van deze reactie; iedere organische substantie kan daarvoor in de plaats komen, daar de structuur van de moleculen  irrelevant is en alleen de elementaire componenten gebruikt worden. Herzog kon het idee niet accepteren dat de talmoedische vereiste van een speciaal zeeschepsel, de chilazon, als bron voor het techelet, op zo’n indirecte en vage relatie gebaseerd was. Hij kwam daarom tot de slotsom dat het techelet van Radzyn niet als authentiek beschouwd kon worden[32] 

(Als een interessante voetnoot aan deze geschiedenis: tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de techelet-fabrieken van Radzyn, samen met het Oost-Europese Jodendom vernietigd en raakte het fabricage proces verloren . Toen de overlevenden van Radzyn na de oorlog in Israël aankwamen, vroegen zij Rabbijn Herzog naar de correspondentie tussen hem en de Radzyn verfmakers, door middel van deze brieven werd een nieuwe techelet industrie in Israël opgericht, die tot op deze dag bestaat. Dus Herzog was verantwoordelijk zowel voor het in discrediet brengen van het Radzyn techelet, en tegelijker tijd voor de redding van hun fabricageproces van de ondergang.) [Wordt vervolgd]  


Bronnen

[1]  M.C. Astour , "The Origin of the Terms Canaan, Phoenician en Purple" in Journal of Near Eastern Studies, Volume 24, 1965, pages 346-350. Return to Text

[2]  Genesis Rabba 91:11. Return to Text

[3]  W. Born, Ciba Review, Volume 1, 1937 pages 106-111 en 124-128. Return to Text

[4]  J.T. Baker, "Tyrian Purple: An Ancient Dye, a Modern Problem" in Endeavour, Volume 33, 1974, pages 11-17. Return to Text

[5]  Talmud Sanhedrin12a. Return to Text

[6]  Talmud Menahot43b. Return to Text

[7]  Rabbi Herzog quotes the Jerusalem Talmud Taanit 43b. Return to Text

[8]  Midrash Tanhuma en Midrash Rabba Numbers Shlah.Return to Text

[9]  Some of the confusion may come from differences in color designation between modern en classical terminology. For example, Rashi on Exodus 25:4 writes regarding techelet, "en its color is green," while on Numbers 15:41 he comments, "en so the color of techelet resembles the color of the darkened sky at dusk." Return to Text

[10]  Kol Kitvey Hertsog; OrahHayyim article 8, page 59. Return to Text

[11]  Babylonian Talmud Menahot 43b, Hullin 89a, Sota 17a; Jerusalem Talmud Brakhot , chapter 1, halakha 2; Sifre Bamidbar 15-38; Midrash Rabba Numbers Naso 14:3; Midrash Rabba Numbers Shlah 17:5; Midrash Psalms 24:9 en 90:10; en Yalkut Shimoni on Psalm 90. Return to Text

[12]  Kapih 's version, Exodus 25:4, page 71, note 2. Return to Text

[13]  Mishneh Torah, Laws of Tsitsit 2:1. Return to Text

[14]  Talmud Bava Metsia61, "The Holy One Blessed Be He said: I have distinguished between the drop of [semen that was to become] a firstborn en that of a non-firstborn. I will exact retribution from him who attaches kala ilan to his cloth en claims it is techelet." Return to Text

[15]  Arukh Dictionary on the word kala ilan; Mishneh Torah, Laws of Tsitsit 2:1 en Kapah commentary; Herzog, The Royal Purple, page 94-96. Return to Text

[16]  Mishneh Torah, Laws of Tsitsit 2:1. Return to Text

[17]  Herzog, The Royal Purple , page 60. Return to Text

[18]  Talmud Shabbat 26a, "Between the ladders of Tyre en Haifa." See also Talmud Megilla 6a. In his book Ha'Techelet (Jerusalem: Keter Publishing House, 1987) on page 29, footnote 22, Rabbi Borstein discusses the problem regarding the exact demarcation of the portion of Israël belonging to Zebulon Return to Text

[19]  Mishna Rabba Deuteronomy, paragraph 67:11; Talmud Shabbat 85a. Return to Text

[20]  ibid. en Rashi ad loc. Return to Text

[21]  Talmud Menahot44a. Return to Text

[22]  Once in 70 years (Talmud Menahot 44a) or once in 7 years (Masekhet Tsitsit , halakha 21). See Borstein, page 38, footnotes 76 en 77. Also Kol Kitvey Hertsog, page 52. Return to Text

[23]  The Vilna Gaon claims that the rabbis term anything in the sea "fish." (Eliyahu Rabba, Kelim 10:1). Return to Text

[24]  "En we learn in the Jerusalem Talmud, between techelet en karti-between porphyraen prifinin. It is a garment that is called porphyra in other languages." (Ra'avya commentary on Brakhot 9a, siman 25. Return to Text

[25]  Pliny the Elder, Natural History, Book 9, LX-LXV. Return to Text

[26]  Aristotle, De Animalibus Historia, page 175. Return to Text

[27]  Vitruvius, De Architectura, Libra VII, chapter 13. Return to Text

[28]  Kupat Ha'Rokhlim, found in the Tiferet YIsraël's introduction to the order of Moed.Return to Text

[29]  Israël Ziderman, Chemistry in Britain, Volume 22, 1986, page 419. Return to Text

[30]  Henri de Lacaze-Duthiers, Ann. Sci. Nat., Zool. Biol. Anim., fourth series, Volume 12, pages 5-84. Return to Text

[31]  Paul Friedlener, Ber. Dtsch. Chem. Ges., Volume 42, 1909, pages 767-770. Return to Text

[32]  Herzog, The Royal Purple, 114-118; Herzog, The Dyeing of Purple in Ancient Israël, The Israël Malacological Society, page 13. Return to Text

Published by SHAMIR , 6 David Yellin Street , POB 5749, Jerusalem, Israël
Professor Herman Branover, Editor-in-Chief
Tel 972-2-642-7521, Fax 972-2-538-5118, e-mail info@borhatorah.org