|
|||||||||||||||
|
|||||||||||||||
|
Chanoeka Sameach Overzicht Parasjat Wajjesjev Ja’akov
vestigt zich in het land Kena’an. Zijn lievelingszoon Joseef brengt hem
onrustbarende berichten over zijn broers. Ja’akov maakt voor Joseef een mooi
kledingstuk met veelkleurige strepen. Joseef wakkert de haat van zijn broeders
nog verder aan door hen te vertellen over zijn profetische dromen –
korenschoven die zich voor zijn schoof buigen, en de zon, de maan en de sterren
die voor hem buigen – ze zijn een aanwijzing dat zijn familie hem tot koning
zal benoemen. De broeders beschuldigen Joseef van ursupatie en besluiten hem te
executeren. Wanneer Joseef in Sjechem aankomt, waar zijn broers de kudden
weiden, besluiten zij hem, op aanwijzing van Reoeween, niet te doden maar hem
in een put te werpen. Het was Reoeweens bedoeling Joseef te redden. Jehoeda
overreedt vervolgens de broers om Joseef uit de put te halen en hem te verkopen
aan een karavaan voorbijrijdende Ismaëlieten. Reoeween komt terug naar
de put en vindt die leeg. Hij verscheurt van smart zijn kleren. De broers
hebben het kledingstuk van Joseef in het bloed van een geslacht geitje gedoopt
en tonen dat aan Ja’akov, die
veronderstelt dat Joseef verscheurd is door een wild beest. Ja’akov is
ontroostbaar. Intussen is Joseef in Egypte verkocht aan Potifar, de commandant
van de lijfwacht van Par’o. Een apart hoofdstuk
in de parasja is gewijd aan Jehoeda, wiens zoon Er voor straf sterft omdat
hij weigert zijn vrouw Tamar zwanger te maken. Onan, Jehoeda’s tweede
zoon trouwt met Tamar in een zwagerhuwelijk. Hij wordt onder vergelijkbare
omstandigheden gedood. Wanneer de vrouw van Jehoeda overlijdt, probeert Tamar
kinderen te krijgen van Jehoeda, omdat zij weet dat uit haar nakomelingen via
de lijn van Jehoeda en de dynastie van David de masjiach zal
voortkomen. Intussen stijgt Joseef in macht in het huis van zijn meester in
Egypte. Zijn buitengewone schoonheid trekt ongewild de aandacht van de vrouw
van zijn meester. Woedend als hij haar avances verwerpt, beschuldigt zij Joseef
ervan geprobeerd te hebben haar te verleiden. Joseef wordt in de gevangenis
gegooid. In de gevangenis voorspelt Joseef met succes de droom van de opperschenker
van Par’o, die in ere hersteld wordt, en de droom van de chef-kok van Par’o
die wordt opgehangen. Ondanks diens belofte, vergeet de opperschenker Joseef
te helpen, en Joseef moet in de gevangenis blijven zitten. ©1998 Ohr Somayach International - All rights reserved. Inzicht
in de parasja „Waarom
zijn jullie zo ter neergeslagen vandaag?” (Beresjiet 40:7) Joseef zat al tien jaar in een onderaardse gevangenis voor een misdaad die hij niet begaan had. Dan komen er twee bedienden van Par’o die diens ongenoegen op de hals gehaald hebben en na twee jaar hebben zij dezelfde, onrustbarende droom. Na te zijn verkocht door zijn broers en na twaalf jaar onschuldige gevangenisstraf had Joseef nog steeds de veerkracht om belangstellend te vragen naar het wel en wee van twee medegevangenen. Dankzij zijn belangstelling vertelden zij hun droom aan Joseef en vertelde de opperschenker later aan Par’o dat Joseef zo goed dromen kon uitleggen, en daardoor werd Joseef uit de gevangenis verlost. En daardoor veranderde de geschiedenis van de Joden. Hoe belangrijk kan een beetje belangstelling voor anderen zijn! Chanoeka: Licht in de Duisternis De
Chanoeka kaarsen steken wij aan als het donker wordt. Oorspronkelijk was het
de bedoeling om de kaarsen aan te steken aan de buitenkant van de
voordeur links, in het open-bare domein. In Jeruzalem, worden de lichten
nog steeds geplaatst in een speciale glazen doos aan de buitenkant,
links van de voordeur. Buiten Israël, gezien het Joodse volk tussen andere
volkeren woont en men negatieve reacties vreest, is het niet meer de gewoonte
om de kaarsen op straat aan te steken. Echter, door de kaarsen bij het voorraam
aan te steken, zoals in Holland de gewoonte is, blijft de geest van dit
principe gehandhaafd. Wij
steken dus aan in de duisternis en in of naast het openbare domein. Oorspronkelijk stak men
ook aan de linkerkant van de voordeur aan. Deze drie concepten van duisternis, openbare domein en links
hebben een duidelijke binding met Chanoeka. Duisternis
De
Talmoed vertelt ons dat de Grieken “de ogen van het Joodse volk
verduisterden.” De Griekse filosofie trok veel Joden aan. Deze Joden, die Hellenisten
genoemd werden, waren door de duisternis van de ballingschap „verblind”
en probeerden ook de andere Joden te overtuigen van de toen „moderne”
Griekse waarden. Door aan te steken als het donker wordt laten wij zien dat de
meest duistere balling-schap het Joodse licht niet kan doven. Het
openbare domein
Het
openbare domein heet in het Hebreeuws, resjoet
harabiem; letterlijk vertaald, domein van de velen. Privé domein
heet dan ook resjoet hajachied;
letterlijk, domein van de ene. De
Grieken probeerden G-d te beperken. Hun eigen goden waren namelijk ook door
menselijke eigenschappen begrensd. De vele goden
hadden ook elk hun eigen domein, waarin elk zijn eigen macht kon
uitoefenen. De Griekse godsdienst was over meerdere domeinen verdeeld. Ons
Joodse huis kunnen wij maken tot een
domein van de Ene – G-d, door
er voor te zorgen dat G-d zich bij ons, als het ware, thuis voelt (denk bijv.
aan een mezoeza aan elke deurpost, een kosjere keuken, sjabbat kaarsen enz…) Echter,
als wij kijken naar de buitenwereld, naar het openbare domein, zien wij
een meervoudigheid van verschillende meningen. Wij worden overspoeld met allerlei ideeën, filosofieën en levensopvattingen,
die ook nog eens met de regelmaat van de klok steeds veranderen. Daardoor
kunnen wij denken dat het buiten
niet het domein van de Een is, maar domein van de velen en domein van de
meervoudigheid. Toch zijn wij kennelijk in staat d.m.v. de Chanoeka lichtjes
bij het raam om in dat openbare domein, buiten ons Joodse huis een spirituele
licht te laten schijnen om te laten zien dat zelfs buiten ons Joods huis het
tevens domein van de Ene – G-d kan zijn. Aan
de linkerkant
Rechts
symboliseert openbaring, geven, en goedheid. Daartegenover symboliseert
links, gebrek aan openbaring en strengheid. De mezoeza die aan de rechterkant
van de deur hangt, symboliseert het aspect
van ons leven dat spiritueel is. De linkerkant symboliseert de
aspecten die op het eerste gezicht geen Joodse geest bevatten. Toch kunnen wij
ook aan deze linkerkant een positieve draai geven; door de kaarsjes aan de
linkerkant te zetten, laten wij het Joodse licht zelfs naar de buiten
aspecten toe schijnen. Zoals
wij elke avond één lichtje toevoegen, zo ook hopen wij dat onze
spirituele krachten steeds zullen toenemen, zo sterk dat zij zelfs aan het
materiële een extra dimensie kunnen geven. Met
wensen voor een Chanoeka vol met Joods licht, Rabbijn
A.L. Heintz HET VERBAND MET DE HAFTARA Deze week lezen wij als
Haftara: Zecharia 2:14 - 4:7. De
gewone haftara voor Parasjat Wajjesjev is van de profeet Amos, waar de verkoop
van Joseef door zijn broers wordt aangehaald. Deze week echter lezen wij een
speciale haftara, ter ere van Chanoekah.
Deze haftara heeft het over de tijd toen de Menora van de Tweede Tempel werd geïnaugureerd. Er wordt aan de profeet Zecharia een visioen getoond van een gouden Menora, compleet met een kan vol olie en twee olijfbomen, die de garantie geven dat de leverantie van olie nimmer zal ophouden. Een engel legt aan Zecharia uit dat het visioen het feit symboliseert dat Hasjem zorgt voor alles wat ieder mens nodig heeft. De
betekenis van Techelet Techelet, de antieke bijbelse blauwe kleurstof die de mantels van koningen,
priesters en eenvoudige Joden versierde, raakte bijna 1300 jaar geleden
verloren voor de wereld. Recente vooruitgang op het terrein van de archeologie,
marine biologie en chemie, samen met intensief onderzoek van historische en
talmoed-bronnen hebben de bron van de kleurstof geïdentificeerd als de
slak Murex trunculus. De mitswa (Gebod) om een draad techelet
te dragen wordt weer opnieuw vervuld door Joden. Dit
artikel vertelt over de herontdekking van techelet
en onderzoekt de betekenis van de techelet
in tsietsiet (rituele franjes), het
doel en de betekenis ervan, volgens verschillende commentatoren en
geleerden. Baruch Sterman werd geboren en groeide
op in New Jersey. Hij studeerde aan Jesjivat Har Etsion, voltooide zijn studie
in fysica aan de Yeshiva University, en behaalde het doctoraal diploma als
electrisch ingenieur aan de Columbia University. Hij maakte alia [emigreerde
naar Israël] in 1987 en behaalde daar een Doctoraat in de fysica aan de
Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Hij, zijn vrouw Judy, en hun vijf
kinderen wonen in Efrat. Dr. Sterman heeft een aantal patenten
in laserontwerp op zijn naam staan en heeft uitgebreid gepubliceerd op het
gebied van laser fysica. Hij heeft ook artikelen gepubliceerd over onderwerpen
die verband houden met godsdienst en wetenschap. In 1991 richtte Dr. Sterman de P'til Techelet Association op, samen
met Rabbi Eliyahu Tauger, Joel Guberman, en Ari Greenspan. De organisatie kocht
techelet kleurstof van de Murex trunculus slak en bevorderde research en andere
activiteiten die verband houden met techelet.
Achtergrond
In
vroeger tijden was de kuststreek van noord Israël en Libanon bekend om
zijn kleurstoffen. De namen Kena’an en Foenicië komen uit de wereld van
handelaren in kleurstoffen van schaaldieren.[1]
De Midrasj (verklarende literatuur op de Bijbel) merkt op dat toen Jacob
tegen zijn zonen zei geschenken mee te nemen voor de onderkoning van Egypte
„van het beste van het land” (Genesis 43:11) hij het o.a. had over de
chilazon, de uit het zeediertje afkomstige blauwe kleurstof techelet.[2]
In de hele antieke wereld werden de mantels van koningen, prinsen en
priesters versierd met het koninklijke blauw en het Tyrische, „karmozijn
rood” (techelet en argaman). Ook in Israël werd techelet gebruikt voor de kleren van de Hoge Priester en in de
kleren, gordijnen en de bedekkingen van het Misjkan (het heiligdom in de
woestijn). Iedere Joodse man had een draad van techelet door de vier hoeken van zijn kleding, om hem te herinneren
aan zijn status en verantwoordelijkheden. De
blauwe en purpere kleurstoffen, verkregen uit de klieren van slakjes, die
gevonden werden in het Middenlandsezeegebied waren de meest kostbare
handelswaar in deze regio. Wol dat met techelet
geverfd was, was twintig maal zijn gewicht in goud waard,[3]
en er werden oorlogen gevoerd om vast te stellen wie de controle had over deze
lucratieve handel. Veroveraars van Israël, van Sisera tot Nebuchadnetsar,
van de Perzen tot de Romeinen, trachtten de handel in de kleurstof te
beheersen. In de vierde eeuw na het begin van de Gewone Jaartelling [ndGJ] werd
de privé
handel in techelet en zelfs het
dragen ervan beschouwd als een halsmisdaad.[4]
Techelet
werd aan het eind van de zesde eeuw ndGJ nog steeds van Israël naar
Babylonië geëxporteerd, [7]
maar tegen het midden van de achtste eeuw jammert de Midrasj: „en nu hebben
we geen techelet meer, maar alleen
nog maar wit, want techelet is
verborgen.”[8]
Het verlies van de techelet in
de zevende eeuw viel samen met een enorme opleving van de joodse gemeenscahp in
Israël in die tijd. De Arabische verovering in 638 eindigde een oorlog die
twintig jaar de regio geteisterd had, en gedurende welke periode
de joden massaal vermoord werden door de verschillende groeperingen. De
Geoniem [de geleerden uit de tijd na de afsluiting van de Talmoed]
durfden zich in feite niet meer te verlaten op de gewoonten van de Joden in Eerets
Jisraël, omdat hun mishandelde geschiedenis niet betrouwbaar meer
was voor de overlevering van de techelet frabricage. Het is dus geen verrassing dat de traditie en
geheimen van de techelet kleurstof de
onrust van die periode niet hebben overleefd. Niet alleen was de Joodse
kleurstofindustrie vernietigd, maar de associatie van de slak-kleurstof
industrie met de Romeinse bezetting gaf politieke betekenis aan de
uitroeiing ervan door de invallende Arabische legers. Binnen een paar
eeuwen was het ambacht van de productie van kleurstoffen uit slakken voor de
hele westerse wereld verloren gegaan. Beschrijvingen
van Techelet en de Chilazon Joodse
bronnen hebben een traditie onthouden, dat de bron van het techelet de chilazon is. Hoewel er enige verwarring bestaat over de
exacte tint van de techelet,[9]
verdient het charmante, indien niet overtuigende bewijs van één
autoriteit vermeld te worden: „De eenvoudige traditie in heel Israël is
bewaard gebleven in alle mondelingen en geschreven interpretaties in de
lessen aan schoolkinderen: ...techelet
… is hemelsblauw.”[10]
Deze identificatie kan op een zorgvuldigere wijze worden weergegeven. De
Talmoed vertelt op talrijke plaatsen dat techelet
de kleur van de hemel (of de zee) heeft.[11]
De Septuaginta , de oudst bekende vertaling
van de Tora, geeft techelet weer als iakinthos
- blauw. De Babylonische geleerde Sa’adia (geboren in 882 ndGJ) vertaalt het
als asma'ngon (als de kleur van de heldere hemel)[12] ,
en Maimonides (geboren in 1135) zegt: „Het is de kleur van de hemel, zoals
die te zien is in de omgeving van de zon.”[13]
De
Talmoed vemeldt dat ten gevolge van de extreme schaarste van techelet,
hebzuchtige individuën een valse kleurstof fabriceerden: kala ilan,
die verkregen werd uit een veel goedkopere plantaardige bron. Deze
frauduleuze imitatie geeft de meest directe demonstratie van de kleur van
techelet. De Talmoed zegt dat het
absoluut onmogelijk was verschil te zien tussen het echte techelet en kala ilan[14]
- dat consistent geïdentificeerd werd als indigo[15] -
de kleur van de heldere hemel. Misschien
de meest belangrijke karakteristiek van de techelet
kleurstof was dat het kleurvast was. Maimonides schrijft dat „de kleurstof
bekend staat om zijn kleurvaste schoonheid, die niet vervaagt.”[16]
De
Joodse traditie beschrijft ook de bron van de techelet: een organisme uit de zee, chilazon genaamd. Men moet
oppassen dat men niet „alle
referenties aan de chilazon exclusief toepast op de techelet
chilazon.”[17]
Inderdaad wordt het woord chilazon in modern Hebreeuws gebruikt voor allerlei
soorten slakken, zowel land- als zeeslakken. Niettemin, kan een betrouwbaar
portret van de techelet-producerende
chilazon worden getekend.
De
chilazon werd gevonden langs de noordelijke kust van Israël,[18]
het had een schaal,[19]
en de kleurstof moest er uitgehaald worden terwijl het nog leefde.[20]
Zijn kleur was gelijk aan die van de zee,[21]
het „kwam periodiek op”,[22]
en zijn voortplanting was gelijk aan die van een vis.[23]
Een belangrijke bron citeert de Jeruzalem Talmoed, waar techelet vertaald wordt met het woord porphiron,[24]
de Griekse en Latijnse naam voor slakken van het geslacht Murex. Antieke
seculiere geleerden schrijven uitgebreid over purpere en blauwe kleurstoffen.
Pliny[25]
en Aristoteles[26]
beschrijven de slakken, hoe en waar ze werden gevonden en hoe de kleurstof er
uit werd verkregen. Vitruvius vertelt dat er een verband bestaat tussen de
verschillende kleuren (purper en blauw) die verkregen kunnen worden uit de
slakken onder verschillende graden zonlicht waaraan zij worden blootgesteld.
„Want het levert overal dezelfde kleur op, maar het wordt gemodificeerd door
de stand van de zon.... Wanneer we gaan tussen het noorden en het zuiden, wordt
het lood-blauw.”[27]
Geleerden hebben deze schelpdieren met zekerheid geïdentificeerd (purpurae
en bucinae in Pliny's terminologie) met de weekdieren Murex trunculus, Murex
brenaris, en Thais haemastoma. De
speurtocht naar Techelet In
het midden van de negentiende eeuw begon het onderwerp van techelet opnieuw naar boven te komen onder Joodse schrijvers.
(Opgemerkt dient te worden dat het seculiere onderzoek naar dit onderwerp nog
onbekend was bij de rabbijnse gemeenschap.) Samen met de vernieuwde Messiaanse
interesse en problemen betreffende de herbouw van de Tempel, werd het probleem
van hoe de kleren van de priesters gemaakt konden worden zonder techelet, manifest. Rabbijn Baruch Isaac Lipshuets suggereert dat voor de
priesterkleren techelet van de
authentieke chilazon niet essentiëel was, maar dat iedere kleurstof met de
juiste kleur, mits maar van permanente kwaliteit, als techelet beschouwd kon worden.[28]
De grote chassidische Rebbe, Rabbijn Gershon Henoch Leiner uit Radzyn,
accepteerde deze mening niet, en, geconfronteerd met het obstakel, die de
afwezigheid van techelet voor de
herbouw van de Tempel vormde, nam hij op zich om de sinds lang verloren
chilazon terug te vinden. Rabbijn Leiner schreef een korte monografie, Sfuney
Tmuney Hol, waarin hij zijn plannen uiteenzette en hij opende er een
algemene inleidende discussie in over onderwerpen betreffende de chilazon.
Hij had gehoord dat de beschrijving van het dier paste bij een bepaald type
inktvis, Sepia officinalis, en hij ging op weg naar het grote aquarium
in Napels om de zaak nader te bestuderen. Hij raakte ervan overtuigd dat
sepia inderdaad geïdentificeerd kon worden met de bron van techelet,
maar hij was niet in staat de kleurstof van de zwarte vloeistof van de inktvis
te scheiden. Herzog veronderstelt dat de Radzyner Rebbe plaatselijke
scheikundigen raadpleegde, die hem toonden hoe de zwarte inkt te veranderen was in blauw. Met dit recept in de hand keerde Rabbi Leiner
terug naar Radzyn, opende een kleurstoffen fabriek, en binnen een jaar
droegen 10.000 van zijn volgelingen blauwe draden aan hun kleren. De
nieuwe techelet werd niet algemeen
geaccepteerd door de rabbijnse wereld. De Radzyner rebbe schreef er nog twee
boeken over, Ptil Techelet en Ein HaTechelet,
om zijn ideeën nader te verklaren en om de oppositie van andere rabbijnen
te weerleggen. Deze boeken staan nog steeds bekend als de definitieve werken
over het onderwerp en vormen de halachische grondslag voor iedere discussie
over het onderwerp. Intussen
ging de seculiere wereld ook door met het zoeken naar de antieke kleurstof. Het
apocryfe verhaal over de herontdekking van de oude slakken laat de Franse zoöloog
Henri de Lacaze-Duthiers in 1858 zeilen van de haven Mahon op Majorca, waar hij
opmerkte hoe vissers gele strepen op hun kleren verfden met het sap van een
slak die hij zojuist had opengebroken. De vlekken veranderden spoedig in rood
in het zonlicht, en de geleerde realiseerde zich dat het schaaldier Thais
Haemastoma de bron was voor het antieke Tyreense purper.[29]
Lacaze-Duthiers identificeerde vervolgens drie weekdieren in de Middellandsezee
die kleurstoffen produceerden: Murex brenaris, Thais haemastoma, en Murex
trunculus.[30]
In 1909 identificeerde de Duitse scheikundige Paul Friedländer de
chemische structuur van de purpere kleurstof als di-bromo-indigo, en in later
werk van hem en van anderen werd aangetoond dat dit het voornaamste component
was van de Mediterrane species, zowel als van andere weekdieren elders op de
wereld.[31]
Terug
naar de Joodse wereld. In 1913 zond Rabbijn
Isaac Herzog, de toenmalige Opperrabbijn van Dublin en later de
eerste Opperrabbijn van de Staat Israël, als onderdeel van een onderzoek
voor zijn doctoraal proefschrift, monsters van Radzyn techelet naar vooraanstaande scheikundigen en kleurstofspecialisten
in Duitsland, Frankrijk en Engeland voor nadere analyse. De resultaten die hij
verkreeg waren verbazingwekkend. De experts stelden vast dat de blauwe
kleurstof van Radzyn niet organisch van oorsprong was, maar een anorganische
kleurstof, bekend als Pruisisch blauw – ferri-ferrocyanide. Herzog weigerde
te geloven dat de Radzyner Rebbe moedwillig zijn volgelingen misleid had en
schreef naar de verfmeesters van Radzyn en vroeg hun naar hun werkwijze. Bij
nader onderzoek werd de oplossing van het raadsel duidelijk. Het Radzyn recept
vereiste de verhitting van de inktvis-inkt tot zeer hoge temperaturen, waarna
er ijzervijlsel aan werd toegevoegd. Onder deze omstandigheden worden de
organische moleculen afgebroken en de vrijkomende
carbon en nitrogen atomen verbinden zich met het ijzer en dat levert het
Pruisisch blauw op. De inkt van de inktvis is geen essentiëel onderdeel
van deze reactie; iedere organische substantie kan daarvoor in de plaats komen,
daar de structuur van de moleculen irrelevant is en alleen de elementaire componenten gebruikt
worden. Herzog kon het idee niet accepteren dat de talmoedische vereiste van
een speciaal zeeschepsel, de chilazon, als bron voor het techelet, op zo’n indirecte en vage relatie gebaseerd was. Hij
kwam daarom tot de slotsom dat het techelet
van Radzyn niet als authentiek beschouwd kon worden[32] (Als
een interessante voetnoot aan deze geschiedenis: tijdens de Tweede Wereldoorlog
werden de techelet-fabrieken van
Radzyn, samen met het Oost-Europese Jodendom vernietigd en raakte het fabricage
proces verloren . Toen de overlevenden van Radzyn na de oorlog in Israël
aankwamen, vroegen zij Rabbijn Herzog naar de correspondentie tussen hem en de
Radzyn verfmakers, door middel van deze brieven werd een nieuwe techelet
industrie in Israël opgericht, die tot op deze dag bestaat. Dus Herzog was
verantwoordelijk zowel voor het in discrediet brengen van het Radzyn techelet,
en tegelijker tijd voor de redding van hun fabricageproces van de ondergang.) [Wordt
vervolgd] Bronnen [1]
M.C. Astour , "The Origin of the Terms Canaan, Phoenician en Purple"
in Journal of Near Eastern Studies, Volume 24, 1965, pages 346-350. Return
to Text
[2]
Genesis Rabba 91:11. Return to Text
[3]
W. Born, Ciba Review, Volume 1, 1937 pages 106-111 en 124-128. Return
to Text
[4]
J.T. Baker, "Tyrian Purple: An Ancient Dye, a Modern Problem" in Endeavour,
Volume 33, 1974, pages 11-17. Return to Text
[5]
Talmud Sanhedrin12a. Return to Text
[6]
Talmud Menahot43b. Return to Text
[7]
Rabbi Herzog quotes the Jerusalem Talmud Taanit 43b. Return to
Text
[8]
Midrash Tanhuma en Midrash Rabba Numbers Shlah.Return to Text
[9]
Some of the confusion may come from differences in color designation between
modern en classical terminology. For example, Rashi on Exodus 25:4 writes
regarding techelet, "en its
color is green," while on Numbers 15:41 he comments, "en so the color
of techelet resembles the color of
the darkened sky at dusk." Return to Text
[10]
Kol Kitvey Hertsog; OrahHayyim article 8, page 59. Return
to Text
[11]
Babylonian Talmud Menahot 43b, Hullin 89a, Sota
17a; Jerusalem Talmud Brakhot , chapter 1, halakha 2; Sifre Bamidbar 15-38;
Midrash Rabba Numbers Naso 14:3; Midrash Rabba Numbers Shlah
17:5; Midrash Psalms 24:9 en 90:10; en Yalkut Shimoni on Psalm
90. Return to Text
[12]
Kapih 's version, Exodus 25:4, page 71, note 2. Return to Text
[13]
Mishneh Torah, Laws of Tsitsit 2:1. Return to Text
[14]
Talmud Bava Metsia61, "The Holy One Blessed Be He said: I
have distinguished between the drop of [semen that was to become] a firstborn
en that of a non-firstborn. I will exact retribution from him who attaches kala
ilan to his cloth en claims it is techelet."
Return to Text
[15]
Arukh Dictionary on the word kala ilan; Mishneh Torah,
Laws of Tsitsit 2:1 en Kapah commentary; Herzog, The Royal Purple,
page 94-96. Return to Text
[16]
Mishneh Torah, Laws of Tsitsit 2:1. Return to Text
[17]
Herzog, The Royal Purple , page 60. Return to Text
[18]
Talmud Shabbat 26a, "Between the ladders of Tyre en Haifa."
See also Talmud Megilla 6a. In his book Ha'Techelet (Jerusalem:
Keter Publishing House, 1987) on page 29, footnote 22, Rabbi Borstein discusses
the problem regarding the exact demarcation of the portion of Israël
belonging to Zebulon Return to Text
[19]
Mishna Rabba Deuteronomy, paragraph 67:11; Talmud Shabbat 85a. Return
to Text
[20]
ibid. en Rashi ad loc. Return to Text
[21]
Talmud Menahot44a. Return to Text
[22]
Once in 70 years (Talmud Menahot 44a) or once in 7 years (Masekhet
Tsitsit , halakha 21). See Borstein, page 38, footnotes 76 en 77. Also Kol
Kitvey Hertsog, page 52. Return to Text
[23]
The Vilna Gaon claims that the rabbis term anything in the sea
"fish." (Eliyahu Rabba, Kelim 10:1). Return to Text
[24]
"En we learn in the Jerusalem Talmud, between techelet
en karti-between porphyraen prifinin. It is a garment that
is called porphyra in other languages." (Ra'avya commentary on Brakhot
9a, siman 25. Return to Text
[25]
Pliny the Elder, Natural History, Book 9, LX-LXV. Return to Text
[26]
Aristotle, De Animalibus Historia, page 175. Return to Text
[27]
Vitruvius, De Architectura, Libra VII, chapter 13. Return to Text
[28]
Kupat Ha'Rokhlim, found in the Tiferet YIsraël's introduction to
the order of Moed.Return to Text
[29]
Israël Ziderman, Chemistry in Britain, Volume 22, 1986, page 419. Return
to Text
[30]
Henri de Lacaze-Duthiers, Ann. Sci. Nat., Zool. Biol. Anim., fourth
series, Volume 12, pages 5-84. Return to Text
[31]
Paul Friedlener, Ber. Dtsch. Chem. Ges., Volume 42, 1909, pages 767-770.
Return to Text
[32]
Herzog, The Royal Purple, 114-118; Herzog, The Dyeing of Purple in
Ancient Israël, The Israël Malacological Society, page 13. Return
to Text
Published by SHAMIR , 6 David Yellin Street , POB
5749, Jerusalem, Israël
|
|||||||||||||||