Archief Chassidische verhalen

Home

Uit de schatkist van Chassidische verhalen

Parasjat Wajjisjlach

„G-d schiep de hemel en de aarde” (Bereisjiet 1:1).

De Heilige broeders Reb Elimelech van Lyzhansk en Reb Zusia van Hanipoli hadden eens een menings­verschil over de G-ddelijke dienst: daar iemand aan de ene kant verplicht is te mediteren over de verheven­heid van de Schepper, en aan de andere kant moet peinzen over zijn eigen waardeloosheid – waar moet hij dan beginnen? De één meende dat men eerst een zodanige graad van nederigheid moet cultiveren, dat men tot een ware appreciatie geraakt van de grootheid van zijn Schepper. De ander beweerde dat men eerst overweldigd van ontzag voor de almacht van de Schepper moet geraken en dat dit hem zal brengen tot een waar bewustzijn van zijn eigen nietigheid.

Ze legden het probleem voor aan Reb Dov Ber, de Magied van Mezritch, en ze kregen het volgende antwoord: „Allebei jullie benaderingen zijn de woorden van de levende G-d, maar het standpunt dat men eerst zijn eigen waardeloosheid moet beschouwen, is meer verheven.”


Een chassied die over deze gedachtenwisseling hoorde, gaf als commentaar dat deze beide standpunten in feite de klassieke discussie tussen Sjammai en Hillel weerspiegelde: de School van Sjammai meent dat de hemel geschapen werd vóór de aarde, terwijl de School van Hillel beweert dat de aarde geschapen werd vóór de hemel.