Archief

Wat is G-ds antwoord?

Gebaseerd op de verklaringen van de Lubavitcher Rebbe, Rabbi Menachem M. Schneerson, samengesteld door Yanki Tauber

De Parasja van vorige week eindigde met de historische woordenwisseling tussen Mosjé en G-d over het mysterie van het menselijk lijden. Mosjé protesteerde: „Mijn G-d, waarom heeft u dit volk ellende bezorgd?” en G-d antwoordde: „Nu zul je zien wat Ik met Farao zal doen; want met een sterke hand zal hij hen laten gaan en met sterke hand zal hij hen uit zijn land verdrijven.”

De afdeling van deze week, parasjat Waëra („en Ik ben verschenen”) opent met een nieuwe communicatie tussen G-d en Mosjé, waarin G-d zegt: „Ik ben G-d (J-H-W-H). Ik ben aan Awraham verschenen, aan Jitschak en aan Ja’akov, met de naam E-l Sja-dai, maar met Mijn naam J-H-W-H heb Ik Mij niet aan hen bekend gemaakt.”

G-d gaat dan verder met de herhaling van Zijn belofte aan de Patriarchen om het Land Kena’an aan hun nakomelingen te geven, waarbij de vier „uitdrukkingen voor de verlossing” worden uitgesproken: „Ik zal jullie eruit brengen, Ik zal jullie redden, Ik zal jullie verlossen, Ik zal jullie nemen” – die de chronologische volgorde van de verschillende stadia van de verlossing weergeven, die culmineren in Israëls verkiezing tot G-ds uitverkoren volk op de Berg Sinaï.

De commentatoren zien in deze communicatie een voortzetting van de vorige woorden uitwisseling tussen G‑d en Mosjé aan het eind van de vorige parasja. G-ds vermelding van Zijn relatie met de Aartsvaderen – Awraham, Jitschak en Ja’akov – wordt opgevat als een vermaning voor Mosjé:

G-d zei tegen Mosjé: Ik betreur het verlies van hen die weg zijn en niet meer aanwezig zijn. Vele malen heb Ik Mij aan Awraham, Jitschak  en Ja’akov vertoond; zij hebben Mij niet om verklaringen gevraagd, noch zeiden zij tegen mij „Wat is Uw naam?” Jij daarentegen hebt van begin af aan gevraagd: „Wat is Uw naam?” en nu zeg je tegen Mij: „U heeft Uw volk niet gered!” (Talmoed Sanhedrin 111a).

Jij vraagt een verklaring voor Mijn doen en laten; niet zoals Awraham tegen wie Ik zei: „Jitschak zal als jouw nazaad beschouwd worden” en daarna zei Ik tegen hem: „Breng hem naar Mij als een offer” – en zelfs toen stelde hij Mij geen vragen (Rasji).

G-d zei ook: „Met Mijn naam J-H-W-H heb Ik Mij niet aan hen bekend gemaakt.” Dit wordt door de commentatoren opgevat alsof G-d tegen Mosjé zei:  „Ik heb Mijn essentiële waarheid niet onthuld,” aan de Aartsvaders, zoals die door de G-ddelijke naam J-H-W-H gesymboliseerd wordt; Zij kenden Mij alleen maar bij de naam E-l Sja-dai, hetgeen een meer beperkte manifestatie van Mijn wezen vertegenwoordigt. Zij accepteerden dat zij nimmer Mijn oneindige, onkenbare essentie zouden kunnen begrijpen. Jij daarentegen, aan wie Ik wel Mijn waarheid heb onthuld, hebt Mij wel om verklaringen gevraagd (Rasji; Nachmanides).

Dit is hoe het openingsvers van Waëra door de Midrasj, Talmoed en bijbelcommentatoren  wordt geïnter­pre­teerd. De chasidische meesters hebben dieper in deze verzen gedolven en vinden er meer in dan een vermaning aan het adres van Mosjé: in de woorden van G-d zien zij ook een (soort) antwoord op de vraag van Mosjé en ook een rechtvaardiging van zijn uitbarsting.

De slinger van het leven

Het hele leven, zeggen de Kabbalisten, wordt gekarakteriseerd door een heen-en-weer gaande slinger­bewe­ging die ratsa wesjav genoemd wordt. Het hart contraheert en expandeert; de longen inhaleren en halen uit; het lichaam slaapt, waarbij de meer verheven functies (zoals samenhangend denken, zien en horen enz.) zijn uitgeschakeld, om de energie te vernieuwen; de hersenen denken na en ledigen zichzelf weer van vroe­ge­re percepties om weer nieuwe en frisse ideeën te krijgen; de wereld gaat de nacht en de winter in, en door­loopt daarbij perioden van duisternis en winterslaap om een nieuwe ochtend of nieuw voorjaar te kunnen ontvan­gen.

Hetzelfde geldt voor de stroom van vitaliteit die van G-d uitgaat naar Zijn schepping: ook deze stroom fluc­tueert, rent van voor naar achter, krimpt in en zet uit. En des te hoger het niveau van de gift is, des te intenser is de terugtrekking die eraan voorafgaat. Dus periodes van buitengewone illuminatie afkomstig van Boven worden altijd voorafgegaan door periodes van intensieve duister.

Zo verklaart Rabbi Schneuer Zalman van Liadi G-ds woorden tegen Mosjé betreffende het verschil in kwaliteit van Zijn verhouding met de Aartsvaderen en Zijn hernieuwde onthulde openbaring van de G‑dde­lijke naam J-H-W-H.

Aan de Aartsvaderen, zegt G-d tegen Mosjé, heb Ik Mijzelf alleen als E-l Sja-dai geopenbaard, waarbij Ik alleen via restricties en beperkingen met hen in relatie trad, die definiëerden hoe Ik Mij met de geschapen realiteit omhulde. Maar aan jou en aan jouw generatie zal Ik Mij voor de eerste keer „met Mijn naam J-H-W-H openbaren,” de naam die het kenmerk is van „Mijn essentiële waarheid.” Want het doel van de Exodus (zo zegt G-d tegen Mosjé in het brandende braambos) is de openbaring op de Berg Sinaï en de schenking van Tora, die de belichaming is van Mijn wijsheid en wil.

Je vraagt waarom de mensen zo vreselijk moeten lijden in hun ballingschap. Je vraagt waarom Mijn gezicht verborgen is, waarom Ik mijn voorzienigheid over hun leven schijnbaar heb teruggetrokken. Maar deze schijn­bare terugtrekking is een integraal onderdeel van de enorme toekomstige openbaring, die een nieuwe, nog nimmer voorkomende intimiteit tussen mens en G-d zal inluiden.

Inderdaad, voegt de Lubavitcher Rebbe daaraan toe, de openbaring van de Exodus en de verhulling die daaraan voorafging, waren twee gezichten van dezelfde realiteit. Opdat het volk Israël de essentiële waarheid van G-d kon ervaren, die op Sinaï geopenbaard werd, moesten zij eerst hun eigen essentiële waarheid blootleggen – en die kon zich alleen maar manifesteren in de afgrond van de Egyptische galoet.

„Waarheid” is datgene wat consistent en onveranderlijk is, de kern  van iets dat onaangetast blijft onder alle uitwendige omstandigheden. De zuivere waarheid van de Joodse ziel is zijn loyaliteit en gebondheid aan G-d; maar loyaliteit en verbondenheid met G-d onder omstandigheden van geestelijke verlichting en materiële wel­vaart kunnen vanzelfsprekend niet getuigen van deze waarheid. Er is geen aanwijzing dat de verhouding zou blijven bestaan onder minder ideale omstandigheden. Maar wanneer het Joodse volk standvastig blijft in zijn loyaliteit en verbodenheid met G-d in het donkerste uur van de galoet, dan manifesteert dat de waarheid van zijn verbond met G-d, en demonstreert dat deze loyaliteit en verbondenheid in feite de onveranderbare kern van zijn wezen is.

„Ik ben J-H-W-H,” zei G-d tegen Mosjé. Ik ben in het proces van de onthullig van Mijn wezenlijke zelf aan jou. Maar het enige deel van jou dat deze openbaring kan bevatten is jouw eigen essentiële zelf. En jullie eigen essentiële zelf rijst alleen op naar de oppervlakte van jullie zielen onder de afschuwelijke omstandigheden van de galoet.

Verstand en Hart

Het verschil tussen Mosjé en de Aartsvaderen wordt door de chasidische meesters ook verklaard als iets dat is af te geleiden uit de verschillende plaatsen die zij binnen het totale „lichaam” van Israël innemen. Awra­ham, Jitschak en Ja’akov worden geïdentificeerd als „liefde”, „ontzag-vrees” en „harmonie” (chesed, gewoera en tiferet) terwijl Mosjé het attribuut „wijsheid” (chochma) vertegenwoordigt. Anders gezegd, de Aartsvaderen zijn het hart van het Joodse volk, Mosjé is het verstand van Israël.

Vaak wordt iemand die kalm de pijnlijke realiteiten van het leven accepteert, omschreven als iemand die „het filosofisch opneemt,” terwijl iemand, die gekweld wordt door zijn eigen moeilijkheden en die van een ander, gezien wordt als iemand die „emotioneel” is. Achter deze categorieën staat het idee dat, in zuiver rationele termen uitgedrukt, de oorzaak, of zelfs de noodzaak voor het menselijk lijden kan worden verklaard. Aan de andere kant van deze wijze van redeneren, zal iemand met een gevoelig hart geen enkele rationali­satie van kwaad willen accepteren, hoe onweerlegbaar de logica daar ook van is.

De waarheid, zegt de Lubavitcher Rebbe, is precies het tegenovergestelde. Inderdaad, het verschil tussen iemand die zich niet kan verzoenen met het bestaande kwaad en lijden in G-ds wereld en degene  die het wel kan accepteren is het verschil tussen verstand en hart. Maar het is de door zijn verstand gedreven persoon die voortdurend uitdagende vragen stelt over hoe en waarom de dingen zijn zoals ze zijn, terwijl degene met een hart is wel de meest vreselijke en onbegrijpelijke dingen kan accepteren.

Het is waar dat filosofen en theologen logische verklaringen hebben gegeven voor het kwaad en voor het lijden. Zo is bijvoorbeeld voorgesteld dat lijden de mens verfijnd en hem erbarmen en medegevoel leert. Ook is als verklaring gegeven dat er geen grotere voldoening bestaat dan het te boven komen van tegenslag en geen groter plezier dan het meester worden van pijn. De filosofische geest kan ook appricëren dat iemands fijnste en meest potente capaciteiten alleen vrijkomen onder de meest moeilijke omstandigheden en bepoevingen. Ten slotte is het axioma niet te ontkennen dat zonder een vrije keuze tussen goed en kwaad, niets van wat wij doen, mogelijk van enige betekenis kan zijn.

Deze verklaringen hebben allen op hun manier hun waarde; wij hebben inderdaad één zo’n „verklaring” gegeven in het eerste deel van dit artikel. Maar wanneer zij worden benaderd van zuiver rationeel standpunt, dan wordt de geest van de gelovige door geen ervan bevredigd. Want tenslotte, wanneer alles gezegd is, en nadat elk van deze verklaringen nader onderzocht is, en de vragen die erover gesteld kunnen worden, gesteld en beantwoord zijn, dan blijft er één laatste vraag over: Waarom moest het op die manier gebeuren?

Al deze verklaringen, zo zal het verstand redeneren, gaan er vanuit dat wij de menselijke aard en universele natuur accepteren zoals hij is. Maar U, G-d, U bent de schepper van natuur en logica. U had de natuur anders kunnen maken dan hij is. U had datgene waarvan de logica dicteert dat het significant is, insignificant kun­nen maken. U had een realiteit kunnen scheppen waar er winst is zonder pijn, waarin het beste in de mens gerealiseerd had kunnen worden zonder de dreiging en uitdaging van het kwaad, waarin de hoogste toppen van het leven bereikt hadden kunnen worden zonder eerst door de diepste diepten te moeten gaan.

Deze perfect logische vraag heeft geen logisch antwoord. Het verstand van de gelovige zal nimmer de „noodzakelijkheid” van kwaad en pijn kunnen accepteren.

Het hart ervaart ook de pijn – inderdaad, het voelt het zelfs sterker dan het verheven, objectieve verstand. Maar terwijl het verstand de realiteit categorizeert in met elkaar verenigbare en onverenigbare veronderstel­lingen, tolereert het hart de tegenstellingen. Kan men aan een moeder „bewijzen” dat haar kind haar liefde niet verdient? Het is niet zo dat zij blind is voor zijn gebreken en overtredingen, maar zij zijn gewoon irrele­vant voor haar liefde. Verontwaardiging en toewijding, oordeel en acceptatie, pijn en plezier – een hart dat liefheeft, heeft voor dat alles tegelijk ruimte, in een warme omarming.

Dit, zegt de Rebbe, is de diepere betekenis van G-ds aanhalen van het onvoorwaardelijke vertrouwen van de Aartsvaderen in Zijn woorden tot Mosjé. Mosjé, zegt G-d, jij bent het verstand van Mijn volk, het verstand dat instrumentaal is voor het inzien van Mijn waarheid, waarmee de wereld verlicht wordt. Jij zult zelfs „hogere” aspecten van Mijn waarheid begrijpen dan dat de Aartsvaderen begrepen. Maar als een „verstand” vraag je waarom Ik het kwaad en het lijden geschapen heb en je kunt daar geen redelijk bevredigend antwoord op vinden. Maar ook jij bent een kind van Awraham, Jitschak en Ja’akov. Ook jij hebt van hen het Joodse hart geërfd met de intrinsieke band met G-d, een band die niet verbroken kan worden door de meest verschrikkelijke tegenstellingen.

Zien is geloven

Daarin ligt ook de betekenis van het woord waëra – en Ik verscheen – Ik maakte mijzelf ‘gezien’ – waarmee G-d Zijn verhouding beschrijft met de Aartsvaderen, en wat de naam is van onze parasja.

Er zijn vele wegen waarlangs iemand kan komen om te geloven in een bepaalde waarheid. Hij kan het gehoord hebben van een betrouwbare bron, het kan hem door middel van logisch redeneren bewezen zijn, of hij kan het zelf gezien hebben. Maar er is een essentiëel verschil tussen de ervaring van het zien en alle andere zintuigen. De andere zintuigen zijn weerlegbaar – zij bewijzen alleen maar iets voor iemand; maar daaropvolgende ontwikkelingen kunnen die aanvankelijk overtuiging ondermijnen. Zicht echter, is absoluut. Iets wat wij gezien hebben kan door de hele wereld ontkend worden, het kan volstrekt onlogisch zijn, maar degen die het gezien heeft, weet dat het waar is. Hij heeft het zelf gezien.

Geloof kan op vele niveaus bestaan – geloof bijvoorbeeld, dat vergelijkbaar is met overtuiging dat iets wat men gehoord heeft, waar is, of geloof dat zo krachtig is als een logisch feit. Maar het sterkste geloof is het geloof op het niveau van het zicht. Dat is abslouut; de meest duidelijke rationele tegenwerping kan het niet doen wankelen. De Aartsvaderen, het „hart van Israël” zagen G-d. Daarom was hun geloof in Hem onwan­kelbaar, zelfs tegen alle logische „tegenstrijdigheden” in.

Dit verklaart tevens een raadselachtige zin in Rasji’s commentaar op het openingsvers van onze parasja. Op de woorden „Ik ben verschenen” zegt Rasji: „Aan de vaderen.” Maar het vers zelf zegt: „Ik ben verschenen aan Awraham, Jitschak en Ja’akov…” en ieder kind weet dat Awraham, Jitschak en Ja’akov de drie vaders zijn van het Joodse volk. Wat vertelt Rasji ons?

Het Joodse volk lijdt en de beloften van G-d lijken dat alleen maar erger te maken. Op Mosjé’s dwingende woorden antwoordt G-d: „Awraham, Jitschak en Ja’akov hebben nimmer het vertrouwen verloren, zij zagen mij.” Maar het is duidelijk dat Mosjé en zijn volk niet Awraham, Jitschak en Ja’akov waren – daarom reageerden zij zoals zij reageerden. Dus wat vertelt G-d hun eigenlijk?

Daarom verklaart Rasji: Het antwoord van G-d aan Mosjé is dat Hij verschenen is aan de vaders. Awraham, Jitschak en Ja’akov zijn de stamvaders van het Joodse volk in iedere betekenis van het woord. Net zoals een kind de fysieke en psychologische eigenschappen van zijn ouders erft, zo ook heeft iedere Jood de kwalitei­ten van Awraham, Jitschak en Ja’akov geërft. Elk van hun eigenschappen, ervaringen en prestaties zijn in onze geestelijke genen gegrift.

Dankzij het feit dat het geloof en vertrouwen van onze vaderen in G-d absoluut en ondubbelzinnig was, als dat wat men ziet, bestaat de potentiëel voor zulk een geloof en vertrouwen in ieder van ons. Het geeft niet wat onze meer externe zintuigen ervaren, wij kunnen in onszelf graven voor de inherente mogelijkheid om G-d te zien: om Zijn betrokkenheid met ons te ervaren, zelfs in de „donkerste” tijden.

Copyright and reprinted with permission of www.chabad.org