Archief

Chassidisch inzicht

Parasjat Besjalach

Het Hoofd

De Zohar noemt Mosjé de ra’aja mehemna van Israël – hetgeen vertaald kan worden als „de trouwe herder” of „de herder van het geloof.” De laatste betekenis houdt in dat Mosjé de „verschaffer van het geloof” voor Israël is, een bron en geleidings kanaal voor hun geloof in G-d.

En inderdaad, als Tora het heeft over Israëls geloof in G-d, vlak na de wonderen van de Exodus, staat er geschreven [Sjemot 14:31] „En zij vertrouwden in G-d en in Mosjé Zijn dienaar.” Hier wordt hetzelfde woord gebruikt (waja’aminoe – en zij geloofden, vertrouwden] om Israëls geloof en vertrouwen in Mosjé en in de Almachtige aan te duiden. In zijn commentaar op dit vers gaat de Midrasj Mechilta zover om daarvan af te leiden dat „Wie in Mosjé gelooft, gelooft in G-d!”(!)

De Talmoed gaat nog een stapje verder en past hetzelfde toe op de Tora-Geleerden van alle generaties. Het citeert het vers (Dew. 30:20): „Om Hasjem, je G-d lief te hebben… en aan Hem te hechten,” en vraagt: „Hoe is het mogelijk om zich aan G-d te hechten?” De Talmoed antwoordt: „Ieder die zich hecht aan een Tora-Geleerde, wordt door Tora beschouwd alsof hij zich aan G-d Zelf gehecht heeft” (Ketoebot 111b).

Een fundamenteel principe van het Joodse geloof is dat er geen „tussenpersonen” zijn tussen G-d en Zijn wereld; onze relatie met Hem wordt niet mogelijk gemaakt door een „derde partij”. Dus wat is dan de bete­kenis van de rol van onze leiders en Tora-Geleerden met betrekking tot ons geloof in en gehechtheid aan G-d?

De Bewustzijn-factor

De verklaring, zegt Rabbijn Schneur Zalman van Liadi in zijn Tanja, ligt opgesloten in het beter begrijpen van de vader-kind metafoor, zoals die door Tora gehanteerd wordt om onze verhouding tot G-d te beschrij­ven. „Jullie zijn kinderen van Hasjem jullie G-d,” zegt Mosjé in Dewariem 14:1. En toen wij nog in Egypte waren sprak G-d over ons als „Mijn eerstgeboren zoon, Israël” (Sjemot 4:22).

In welk opzicht is G-d onze „vader”? Er zijn natuurlijk duidelijke parallellen. Net als een vader heeft G-d ons geschapen en voorziet hij ons van onderhoud en stuurt Hij ons bij. Hij heeft ons lief met de onbegrensde, alles vergevende liefde van een vader. Rabbijn Schneur Zalman graaft nog wat dieper in deze metafoor, en onderzoekt de biologische en psychologische drijfkracht van het vader-kind-model en hij gebruikt ze om onze verhouding tot elkaar en tot onze Vader in de Hemel beter te gebruiken.

Een microscopische hoeveelheid materiaal, afkomstig uit het lichaam van de vader, genereert leven. In de baarmoeder van de moeder ontwikkeld een enkele cel zich tot hersenen, hart, ogen, oren, armen, benen, teennagels; spoedig komt het naarbuiten in de wereld, om daar te functioneren als een denkend, voelend en strevend menselijk wezen.

Fysiek is nu datgene, wat zijn oorsprong vond in het lichaam en psyche van de vader, een zelfstandig, apart en (uiteindelijk) onafhankelijk individu. Op een dieper niveau echter blijft het kind onafscheidelijk verbonden met degene die hem gemaakt heeft. In de woorden van de Talmoed: „Een zooin is een ledemaat van zijn vader.” In de kern van het bewustzijn van het kind ligt een onontkoombare waarheid: het is het kind van zijn vader, een verlenging van zijn wezen, een projectie van diens persoonlijkheid. Lichamelijk zijn zij twee verschillende entiteiten; in wezen zijn zij één.

Het lichaam Israël

Zoals het kind, is ook Israël samengesteld uit vele „organen” en „ledematen.” Daar zijn de grote Geleerden van iedere generatie die hun leven wijden aan de assimilatie van de G-ddelijke essentie van de Tora, en wier hele wezen is doordrongen van het bewustzijn van G-ds waarheid. Zij vormen de geest van het volk. Israël heeft een hart, de individuen die een voorbeeldig leven leiden van medeleven en getrouwheid; en handen – zijn grote bouwers die dingen bereiken. Ieder individu, van de „Mosjé van de generatie” tot de simpele soldaat vormt een intergraal deel van het lichaam van G-ds eerstgeborene – ieder is op gelijke wijze „een ledemaat van de vader.”

Maar net als bij de fysieke vader-kind-relatie, is het de geest van het kind die de band met zijn vader moge­lijk maakt. Zolang als de verschillende organen en ledematen van zijn lichaam één integraal geheel blijven, zijn zij allen zijn vaders kind. De geest is geen „tussenpersoon”, G-d verhoede. Ieder deel van het lichaam, tot en met de teennagels toe, bezitten de zelfkennis die de twee ogenschijnlijk afzonderlijke „lichamen” van vader en kind tot een enkele entiteit maken. Maar het is alleen door hun verbinding van hun geest dat dit be­wustzijn rust in alle „delen” van het kind.

Ditzlefde geldt voor het „lichaam” dat Israël is. Het is onze levensband met ons „geest” – de geleerden en leiders van Israël, dat ons integreert tot een enkel geheel en ons impregneert met onze verbinding met onze Schepper en Bron.

Het is waar, een Jood kan nimmer zijn of haar band met G-d volledig verbreken, net zo min als de nederige „teennagel” van het lichaam van het kind ervoor kan kiezen om zijn eigen leven te leiden, onafhanklijk van zijn vader. Maar terwijl wij niet kunnen veranderen wat wij zijn, kunnen wij wel bepalen tot hoever onze identiteit als het kind van G-d zal worden uitgedrukt in ons dagelijks leven. We kunnen kiezen, G-d verhoede, om onszelf los te koppelen van de leiders van Israël, die G-d in ons midden geplant heeft, en daarmee de band met Hem verbannen naar het onderbewustzijn van onze ziel. Of wij kunnen onze band met het brein van Israël versterken, en zo onze band met de Almachtige tot een voelbare en levende realiteit maken in ons dagelijks leven.

Gebaseerd op hoofdstuk 2 van de Tanja en de lessen van de Lubavitcher Rebbe, zoals weergegeven door Yanki Tauber en vertaald en bewerkt door Zwi Goldberg.

ô  ô  ô