Archief

Home

Chassidisch inzicht

Parasjat Waëtchanan

Onverdiende geschenken

En ik smeekte G-d (3:23).

In het Boek Misjlee [Spreuken] (19:17) zegt Koning Sjlomo: „Hij die erbarmen heeft met de armen, leent aan G-d.” Wie medelijden heeft met een arme is als iemand die geld leent aan G-d en G-d zal het hem zeker terugbetalen. De rijke vertrouwt op zijn rijkdom voor zijn vrienden en vertrouwt weinig op G-d, maar de arme heeft geen geld, noch vrienden, want iedereen haat de pauper en dus vertrouwt hij op G-d alleen.

Dus zegt Sjlomo: omdat de arme weinig vrienden heeft, is iemand die erbarmen met hem heeft, als iemand die erbarmen voor G-d heeft. G-d zal hem dan ook goed belonen en hem gunst betonen. Het is een eigenschap van G-d om gunst te tonen aan diegenen die Hem dienen, zelfs al dienen zij Hem niet op de perfect juiste manier. Dan toch geeft Hij onvediende geschenken, want Hij is een genadige G-d.

Daarom begint de parasja met de woorden Ik smeekte." Mosjé smeekte Hasjem om hem een onverdiend geschenk te geven, want de rechtvaardigen, hoewel zij vele goede daden hebben, waarvoor Hasjem hen zal belonen, vragen Hasjem deson-danks om onverdiende geschenken, want zij willen niet vragen wegens hun vroom-heid.

Mosjé smeekte G-d dat Hij hem het Land Israël zou binnenlaten. Mosjé dacht dat nu hij de twee koningen, Sichon en Og verslagen had, de eed, dat hij het land niet in mocht, misschien vervallen was. Maar G-d vertelde hem: „Nee, je moet sterven in de woestijn.”

ô  ô  ô