Home

Da'at (Het Weten )

door Tzvi Freeman

Waarom worden wij een bar mitswa (of bat mitswa) in de tienerjaren? Omdat er dan iets dramatisch verandert in onze geest: een soort van ontwaken, een staat van bewustzijn, een realisatie van „Ik besta.”

De Joodse Geleerden noemen het da’at – ongeveer vertaald met „kennis” of „bewustzijn.” Kennis betekent doorgaans kennis van iets buiten jezelf. Maar deze da’at is de kennis van degene die weet. Het „Ik.”

Niets is meer angstaanjagend dan deze kennis van „Ik” – maar niets is ook machtiger. Zonder dat is er geen verantwoordelijkheid, geen vrijheid, geen manier om je leven in je eigen handen te nemen. Al deze dingen worden pas mogelijk wanneer je op jezelf kan terugkijken en zeggen: „Waarom heb ik dat gedaan?” of: „Is dit werkelijk wat ik had willen doen?” of: „Is dit werkelijk degene die ik wil zijn?” Alleen dan kunnen we je een bar/bat mitswa noemen.

Nee, het komt niet plotseling. Het verkrijgen van deze kennis is een geleidelijk proces. Het lijkt nauw ver­bonden met de ontwikkeling van de taal. De Misjna vertelt ons in feite dat iemand die de taal niet beheerst (een ongetrainde doofstomme) ook een gemis aan kennis heeft.

Op de leeftijd van drie jaar hebben de meeste kinderen genoeg begrip om het verschil te leren zien tussen goed en verkeerd. Dat is de reden waarom een driejarig Joods kind traditioneel begint aan zijn formele op­voeding. Nieuwe ontdekkingen van het „zelf ” luiden nieuwe stadia in van de kinderjaren en zelfs nog later. Het is niet voor het twintigste jaar, hebben onze Geleerden vastgesteld, dat de meeste mensen een „verstand van hun zelf” hebben ontwikkeld.

Maar geen enkele verandering in het leven kan worden vergeleken met die van de adolescentie. Op die leef­tijd komt de da’at uit zijn cocon en komt een menselijk wezen te voorschijn. Want dat is een menselijk wezen: een wezen dat zichzelf kent.

Weten is alles. De wereld bestaat, zeggen de Kabbalisten, omdat G-d weet dat het bestaat. Als dat zo is, is kennis het materiaal waarvan alles is gemaakt: alles is kennis.

Electronen kennen de richting van de positieve en negatieve polen van hun electrisch veld – als zij dat niet zouden weten, zouden wij geen electriciteit in ons huis hebben. Ieder atoom kent ieder ander atoom in het universum – anders zouden wij geen zwaartekracht hebben.

Iedere levende cel kent de code van zijn eigen reproductie en het patroon voor zijn eigen overleving. De bac­terie die bij een gastheer binnendringt, weet hoeveel er van hen zijn nadat zij in hun gastheer zich hebben vermenigvuldigd – zodat zij allen tezamen op het kritieke moment hun toxine kunnen loslaten en hun gast­heer kunnen verzwakken. Want anders zouden zij eruit gegooid worden en ziekten zouden niet bestaan.

Spinnen kennen de geometrie van hun web. Bevers kennen de structuur van hun dam. Vogels kennen de luchtwegen van hun migratieroute. Ieder dier kent zijn paringsrituelen, hoe te jagen en door wie gejaagd te worden, leven en dood.

Maar geen van alle zit na te denken over deze rituelen. De spin zal zich nimmer de noodzaak van het spinnen van een web afvragen, de vogels zullen nimmer de wijsheid van hun trekroutes bediscussiëren. De electronen zullen nimmer in opstand komen tegen hun magnetisch veld.

De raaf is gierig met zijn jongen, vertellen onze Geleerden, en de arend is aardig voor zijn arendsjongen. Maar je zult nimmer een vergadering van kraaien vinden die de manier van opvoeding van hun kinderen samen bespreken, of egels die hun „ruige liefde” bediscussiëren.

Er is maar één schepsel dat zit en nadenkt: „Zal ik zijn als een kraai of als een egel? Een luiaard of een bever? Dik of dun? Slap of sterk? Waar gaat mijn leven naar toe en wat doe ik ermee? Is het leven waard om te leven? Is er een reden dat wij bestaan?”

En alleen op basis van dit soort overpeinzingen kunnen wij beweren dat wij aan de top van de pyramide van alle dingen staan. Want op ieder ander gebied is er een ander schepsel dat ons de baas is: in sterkte, in snel­heid, in scherpte der zintuigen, in schoonheid, in levensduur – zelfs in de wijsheid van het overleven – op elk gebied vinden wij dieren bij wie vergeleken wij dwazen lijken.

Alleen in de kennis van onszelf en de keuze om te zijn en te worden zoals wij zelf willen zijn en worden – daarin staan wij zelfs boven de engelen. En dat is de top waarnaar wij klimmen op de dag dat wij bar/bat mitswa worden.