Archief

Home

Chassidisch inzicht in parasjat Wajjetsee

Schapen

Gebaseerd op de lessen van de Lubavitcher Rebbe

De parasja van deze week is waarlijk oververzadigd van schapen: Lavans schapen, Jaäkovs schapen; witte schapen, zwarte schapen, gevlekte en gespikkelde schapen, schapen met ringen om hun enkels. Jaäkov komt aan in Charan en het eerste wat hij ziet is drie kudden schapen die rondom een afgesloten waterbron staan; het tweede wat hij ziet is zijn toekomstige vrouw Rachel – wier naam in het Hebreeuws ‘schaap’ betekent – en die de schapen van haar vader hoedt. Al gauw is Jaäkov zelf een schaapherder, die zorgt voor de schapen, die zijn loon krijgt uitbetaald in schapen, die schapen fokt met speciale kenmerken, die droomt over schapen en een fortuin vergaart in de vorm van schapen en die ten slotte zijn kudde schapen terugvoert naar het Heilige Land, waar hij zijn broer Esav een fortuin aanbiedt, dat hoofdzakelijk bestaat uit… schapen.

Tussen de schapen door lezen we ook over Jaäkovs huwelijk met Lea en Rachel en de geboorte van elf van zijn twaalf zonen, de stamvaders van de twaalf stammen van Israël. Wat moeten wij leren van het feit dat het volk Israël zijn oorsprong vindt in een dergelijke schaapachtige omgeving?

De eerste metafoor

„Ik ben van mijn geliefde en mijn geliefde is van mij, hij, die mij hoedt tussen de rozen” (Sjier Hasjiriem [Hooglied] 2:16). De stem in dit vers, verklaart Midrasj Rabba, is die van de gemeenschap Israël, die het heeft over haar verhouding met G-d. „Hij is mijn herder, zoals er staat geschreven (Tehilliem 80:1): ‘Herder van Israël, luister’; en ik ben Zijn schaap, zoals er geschreven staat (Jechezkel 34:31): ‘En jij, Mijn schaap, het schaap van Mijn weide’” (Midrasj Sjier HaSjiriem Rabba 2:16).

Dezelfde Midrasj beschrijft onze verhouding met G-d o.a. ook als die van een kind tot zijn vader, als een zuster tot haar broer, als een bruid tot haar bruidegom, als een wijngaard tot zijn bewaker. Elk van deze metaforen drukken een ander facet uit van deze verhouding: de inherente band tussen G-d en Israël, de liefde en genegenheid, G-ds bescherming van ons, dat wij de bron van Zijn vreugde zijn. Waar staat de schaap/ schaap­herder-metafor voor? Wanneer het is dat G-d voor ons zorgt en ons beschermt, of dat wij onderge­schikt en toegewijd aan Hem zijn, dan bestaan die elementen ook in de vader/kind verhouding. Welk aspect van onze relatie met G-d is zo uniek dat het alleen kan worden vergeleken met die tussen een schaap en zijn herder?

De meest opvallende karaktertrek van het schaap is zijn gedweeheid en gehoorzaamheid. Ook een kind gehoorzaamt zijn vader, maar hij doet dat omdat hij de grootheid van zijn vader appriciëert; het schaap gehoorzaamt niet om een of andere reden, het is gewoon gehoorzaam van nature. Het is dit element in onze relatie tot G-d die het schaap symboliseert: een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan G-d die niet voortvloeit uit ons begrip van Zijn grootheid en onze gevoelens voor Hem (in welk geval het zou gedefiniëerd worden door de grenzen van ons begrip en onze gevoelens), maar van de erkenning dat „ik Zijn schaap ben.”

De fundering van het Joodse volk werd temidden van schapen gelegd omdat onze zelf-verloochening en onze onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan G-d de basis vormen van ons Jood-zijn. Natuurlijk zijn wij niet alleen G-ds schapen – wij zijn ook Zijn kinderen, Zijn bruid, Zijn zuster en Zijn wijngaard. In dezelfde betekenis vertelt Tora ons dat toen Jaäkov Charan verliet na daar twintig jaar schapen te hebben gehoed, zijn rijkdom niet alleen uit schapen bestond: „Hij had veel schapen, dienstmeiden en dienaren, kamelen en ezels.” We hebben zojuist gelezen dat Lavan hem zijn loon in schapen uitbetaalde en dat zijn kuddes zich enorm uitbreidden; maar waar kwamen dan zijn andere bezittingen vandaan?

Rasji verklaart dat „hij zijn schapen voor hoge prijzen verkocht en dit alles daarmee kocht.” Ook Jaäkovs spirituele „rijkdom” bestond niet alleen uit dociliteit en zelf-verloochening, maar bestond ook uit gevoelens en begrip, standvastigheid en kracht. Maar de bron en de basis van dit alles waren zijn „schapen.”

Jood-zijn betekent de G-ddelijke wijsheid bestuderen (zoals die in Zijn Tora aan ons onthuld is), daarbij een gepassioneerde liefde en respectvol ontzag ontwikkellen voor G-d, Zijn wijsheid onderwijzen en Zijn wil uitvoeren in een doorgaans vijandige wereld, hetgeen een optimale toepassing vergt van onze mentale, emotionele en assertieve krachten. Maar de basis van dit alles, de basis waar dit alles uit voortkomt, is onze onvoorwaardelijke toewijding aan G-d – een toewijding die alle verstand en emotie te boven gaat.

(Vertaald met toestemming van www.chabad.com )