|
Chassidisch inzicht in de Parasja Parasjat Noach 5768 Geloof is niet blind De rol van de tsaddikiem en leraren in iedere generatie is om de mensen te instrueren hoe zijn hun geloof en vertrouwen in Hasjem kunnen vergroten. Dit zijn de nakomelingen van Noach; Noach was een rechtschapen man, volmaakt onder zijn tijdgenoten; Noach wandelde met G-d. Noach bracht drie zonen voort: Sjem, Cham en Jèfet. De aarde nu was verdorven voor God, de aarde was vol van geweld. (Bereisjiet 6:9-11) Reb Levi Jitschak van Berditchev, de Kedoesjat Levi, legt uit dat er twee types van tsaddikiem (rechtvaardigen) in deze wereld zijn. De eerste dient Hasjem alleen voor zichzelf, maar hij bemoeit zich niet met de mensen, om hen terug te leiden tot de dienst van Hasjem. Het voorbeeld is Noach. De tweede dient Hasjem en tracht anderen te leiden en tesjoeva te laten doen en Hasjem te dienen. Het voorbeeld hiervan is Avraham Avinoe – onze aartsvader Avraham. R. Jitschak Luria, de Heilige Arizal uit Sfat onthulde dat dit de reden was voor Noachs straf (de vloed). Wegens het feit dat Noach alleen geïnteresseerd was om Hasjem te dienen, maar niet in het onderwijzen en vermanen van de andere mensen van zijn generatie, werd hij gereïncarneerd in Mosjé Rabbeinoe. Dit was inderdaad Mosjé’s voornaamste taak in al die jaren dat hij het Joodse volk leidde: om het volk voortdurend te vermanen en te berechten. De Gemara (Sanhedrin 99b) zegt: „Wie de zoon van zijn naaste Tora leert, wordt beschouwd alsof hij hem heeft doen geboren worden.” Dit betreft Avraham, wiens naam gelezen kan worden als Av Hamon Goïem, de vader van de massa’s van alle volken (die hij inleidde in de grondbeginselen van het monotheïsme). Niettemin zegt het vers over Noach: „Dit zijn de nakomelingen (zowel fysiek als spiritueel) van Noach … Noach had drie zonen, Sjem, Cham en Jèfet.” De betekenis van het woord ‘dit’ is ‘alleen deze drie.’ Dit staat in scherp contrast met Avraham, zoals hierboven vemeld werd. „Noach wandelde met Hasjem.” Dat is precies wat hij deed, hij wandelde met Hasjem; maar alleen met Hasjem en niet met de mensen van zijn generatie. Hij deed geen poging om hen dichter bij de dienst van Hasjem te brengen. In de Birkat Hamazon – het dankgebed na de maaltijd – vragen we in de paragraaf die begint met „BaMarom” dat wij „genade en een goed begrip in de ogen van Hasjem en van andere mensen mogen vinden.” Het laatste vers in parasjat Bereisjiet (6:8) zegt: „Maar Noach vond gunst in de ogen van Hasjem.” In de ogen van Hasjem, maar niet in de ogen van zijn generatie. Daar hij geen moeite deed om hen terug te brengen tot de dienst van Hasjem, werd hij uiteindelijk door hen uitgelachen. Dit is de verklaring van wat Rasji schrijft (Ber. 7:7) dat Noach een man van beperkt geloof was. Hoe kan het zijn dat iemand die „een rechtschapen man, volmaakt onder zijn tijdgenoten” genoemd wordt, niet bad voor de mensen van zijn generatie, dat het decreet van de vloed zou worden ingetrokken? Het is zoals door R. Levi Jitschak hierboven verklaard werd, dat er twee types tsaddikiem zijn. Noach vermaande zijn generatie niet. Zijn dienst was zuiver persoonlijk. „Wie ben ik dat ik hen vermaan en voor hen bid,” zei hij tegen zichzelf. In het licht van het bovenstaande kan het antwoord van R. Jisrael van Ruzhin op een beroemde vraag over deze parasja begrepen worden. Het vers zegt: „Dit zijn de nakomelingen van Noach; Noach was een rechtschapen man, volmaakt onder zijn tijdgenoten; Noach wandelde met G-d.” Op de woorden: „ Noach was een rechtschapen man, volmaakt onder zijn tijdgenoten” reageert Rasji: „Sommigen van onze geleerden interpreteren deze woorden als een lof voor Noach. Als hij al een tsaddiek was in tijd van corruptie, hoeveel groter tsaddiek zou hij geweest zijn als hij geleefd had in een generatie van rechtvaardige mensen. Maar sommigen van onze geleerden interpreteren deze woorden als negatief. In zijn generatie werd Noach als een tsaddiek beschouwd, maar als hij geleefd had in de tijd van Avraham, dan zou hij helemaal niet als rechtvaardig beschouwd zijn geworden.” Bijna alle Chassidische Tora-commentatoren vragen, dat als het mogelijk is om te begrijpen dat de Tora Noach prijst, waarom moeten we dan de negatieve interpretatie vermelden? R. Jisrael van Ruzhin zegt dat het doel van een tsaddiek in deze wereld is om emoena (geloof en vertrouwen) in Hasjem bij te brengen en aan te moedigen bij de mensen van zijn generatie. Noach, zegt Rasji (Ber. 7:7) was een man van beperkt geloof, daarom deed hij geen moeite om het geloof bij andere mensen van zijn generatie bij te brengen. Avraham daarentegen maakte het tot zijn levenswerk om bij zoveel mogelijk mensen emoena bij te brengen. Wanneer wij geneigd zijn om Noach te prijzen, dan kan gezegd worden dat hij de mensen in zijn generatie niet onderwees en geen emoena bij bracht, omdat zij fundamenteel zonder hoop waren. Als hij in de generatie van Avraham geleefd had, zou hij daar vast en zeker zijn levenswerk van gemaakt hebben. Niettemin moeten de geleerden de negetieve interpretatie leren om daar een belangrijke les uit af te leiden. Daar Noach zelf een rechtvaardig mens was, scheen hij in zijn generatie, ondanks dat hij niet trachtte de mensen emoena bij te brengen. Als hij in de generatie van Avraham had geleefd, dan zou hij over Hasjem gehoord hebben en dan was hij gegroeid in emoena, dan zou hij niet als tsaddiek of leraar beschouwd zijn. Daar hij geen moeite deed om emoena bij te brengen, vervulde hij niet de rol van een tsaddiek. Ik geloof dat de Ruzhiner Rebbe hier op iets heel belangrijks wijst. Iedere generatie heeft zijn leraren, meesters en tsaddikiem nodig. Ieder mens heeft ook zijn persoonlijke Rebbe nodig, om hem geestelijk leiding te geven. Hoe kan men weten wie de juiste leraren zijn, wie leidt studenten op het juiste pad en wie misleidt hen of bouwt alleen maar een rijk voor zichzelf? Parasjat Noach bevat de norm. Wanneer de tsaddiek-leraar emoena tracht bij te brengen en studenten inspireert of een sterker geloof en vertrouwen in Hasjem bij te brengen, dan is dat een bevestiging dat hij een zuivere tsaddiek/leraar is. ¯ ¯ ¯
|
|