|
Van de Chasidische Meesters Een significant deel van onze parasja (Mikeets -- Genesis 41:1-44:17) wordt in beslag genomen door een paar dromen van de Egyptische koning. Deze dromen worden in feite niet eenmaal maar driemaal verteld: eerst lezen wij een verslag over de dromen zelf; dan komt er een meer gedetailleerde versie, wanneer wij horen hoe Farao ze aan Joseef beschrijft; en tenslotte komt Joseefs antwoord aan Farao, waarin hij zijn interpretatie geeft van de verschillende componenten van de dromen. En dit zijn slechts de laatste in een serie dromen die in de voorafgaande hoofdstukken in de Tora verteld worden. Joseef is in het paleis van Farao om diens dromen uit te leggen, omdat hij een paar jaar daarvoor in een Egyptische gevangenis een ander stel dromen heeft uitgelegd. Toen was Joseef in de gevangenis, samen met twee ministers van Farao, die ieder een droom hadden die met succes door Joseef verklaard werden. En hoe kwam Joseef in die Egyptische gevangenis? Omdat hij elf jaar daarvoor bij herhaling verteld had over zijn twee dromen, waarmee hij zijn broerders jaloezie opwekte en verergerde, waardoor hij hen provoceerde om hem in slavernij te verkopen. Inderdaad, Joseef draagt ieder detail van zijn twee dromen met zich mee, overal waar hij gaat en zij dienen als de basis voor zijn schijnbaar vreemde behandeling door zijn broers en vader vele jaren later, wanneer hij heerser over Egypte is en zijn broers uit het door hongersnood getroffen Kena’an komen om van hem voedsel te kopen. Het resultaat van al dit gedroom was de Egyptische galoet (ballingschap) – de eerste galoet die het Joodse volk zou ervaren en de bron van alle volgende ballingschappen. De Kinderen Israël vestigden zich in Egypte, waar zij later tot slaaf gemaakt werden, en waar zij geestelijk zover afdaalden, dat zij, in vele opzichten, op hun slavendrijvers gingen lijken. Toen G-d hen kwam redden, moest Hij „een volk nemen uit het midden van een volk,” daarbij doordringend tot de ingewanden van Egypte, om Zijn uitverkoren volk uit dit meest verloederde volk op aarde te halen. In de 3.300 jaar die sedert dien verlopen zijn, hebben wij vele eeuwen meer galoet moeten ondergaan, toen wij onder de hegemonie van de Babyloniërs en de Perzen kwamen en daarna onder de Grieken en de Romeinen, de Christenen en de Communisten. We verkeren nog steeds, ook vandaag nog in galoet. Wij mogen dan vrij zijn van de vervolging en ontberingen die wij in vroegere generaties hebben ondergaan, maar een Jood is nog steeds een vreemdeling in de wereld, nog steeds beroofd van een omgeving die zijn ziel en aspiraties voedt. En galoet in al zijn vermommingen, vertellen onze geleerden ons, is het voortvloeisel van de eerste galoet in Egypte. Rabbi Schneur Zalman van Liadi legt uit dat galoet geboren werd uit een opeenvolging van dromen omdat galoet de ultieme droom is. Een droom is perceptie zonder de discipline van de rede. Hier komen al de stimuli en ervaringen die wij kennen uit de beelden en de geluiden van het werkelijke leven, gedachten en handeling, opgewektheid en ontzetting bij elkaar. Inderdaad, alles in een droom is geleend uit ons daadwerlijke leven. Alleen is alles onderste boven en tart het alle normen van de logica en geloofwaardigheid. In een droom kan een tragedie de bron van een feest zijn, kan een vader jonger dan zijn kind zijn, kan een koe over de maan springen. Galoet is een droom: een afschuwelijke, irrationele fantasie die de wereld en millenia omspant. Een droom waarin misdaad loont, de braven jong sterven en G-ds uitverkoren volk straffeloos wordt afgeslacht. Een droom waar datgene wat goed en rechtvaardig is, zelden „realistisch” is, terwijl bijzaken als „onwetendheid,” „dood” en „slecht” potente krachten in ons leven zijn. De surrealiteit van galoet dringt ook door tot in ons geestelijk leven. Alleen in galoet kan iemand ’s ochtends wakker worden en opstaan, zich reinigen in een mikwe, zijn ochtendgebeden in extase en met toewijding uitspreken, een hoofdstuk Tora leren, om vervolgens naar zijn kantoor te gaan voor een werkdag waar hij oogluikend of met open ogen bedrog toestaat of eraan meewerkt. „Hypocrisie” is niet de adequate beschrijving voor dit fenomeen – in vele gevallen zijn zijn gebeden oprecht en zijn liefde en ontzag voor G-d is beslist reëel. Maar hij woont in de droomwereld van galoet, waar antithesen coëxisteren en waar inconsistenties de norm zijn. In de reële wereld zouden dergelijke absurditeiten onmogelijk zijn. Toen de Heilige Tempel nog stond in Jeruzalem en de wereld baadde in G-ddelijk daglicht, kon geen mens met een greintje geestlijke toema [onreinheid] G-d benaderen voordat hij een proces van zuivering had ondergaan. Dat G-d de bron van het leven is en dat zonde (d.w.z., de loskoppeling van het G-ddelijke) synoniem is met dood, was niet slechts conceptuele waarheid, maar een feit uit het leven. In de reële wereld die was, en waarin wij zullen ontwaken als de droom van de galoet zal verdampen, zullen de geestelijke wetten van de realiteit duidelijk en onveranderbaar zijn als – inderdaad nog duidelijker en nog minder onveranderbaar dan – de fysieke natuurwetten. Echter, zegt de de Lubavitcher Rebbe, er is ook een positieve kant aan ons hedendaagse hallucinair bestaan. In de reële wereld kan een ware relatie met G-d alleen tot stand komen binnen de context van een leven dat consistent trouw is aan Hasjem; in de droomwereld van galoet, kan de niet perfecte individu het G-ddelijke ervaren. In de reële wereld, kan alleen de vlekkeloze ziel tot in het Heiligdom van G-d binnentreden; in de droomwereld van galoet, „woont G-d te midden van hen, te midden van hun onreinheid.” Wij verwachten dagelijks de G-ddellijk morgenstond die de kosmische fantasie zal verdrijven, die ons gedurende een groot deel van onze geschiedenis fysiek en geestelijk gedeeltelijk verlamd en kreupel gemaakt heeft. Maar laten wij in de momenten van de droom van de galoet die ons nog overblijven, profijt hebben van de unieke mogelijkheid om „hypocriet” en „inconsistent” te zijn in de positieve betekenis ervan: door boven onze geestelijke capaciteit uit te stijgen, door meer te zijn en meer te doen dan tot wat wij in staat zijn volgens iedere rationele maat van onze verdienste en ons potentiëel. The content in this page is produced by Chabad.org, and is copyrighted by the author and/or Chabad.org. If you enjoyed this article, we encourage you to distribute it further, provided that you do not revise any part of it, and you include this note, credit the author, and link to www.chabad.org. If you wish to republish this article in a periodical, book, or website, please email permissions@chabad.org Het originele artikel staat in het Engels op www.chabad.org
|